Niet verbergen voor hun kinderen – Psalm 78 – winterwerk

Niet verbergen voor hun kinderen

Preek Psalm 78: Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.

LEESPREEK


 
Gemeente, de tekst die wij aan het begin van een nieuw kerkelijk seizoen, aan het begin ook van een nieuw catechisatieseizoen met Gods hulp met elkaar willen overdenken kunt u vinden in Psalm 78, daarvan de verzen 1 tot en met 8. Ik lees u samenvattend de verzen 5,6 en 7 nog een keer voor:

Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israël; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken; Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen; En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren.
Tot zover onze tekst.
 
Het thema voor de preek van vanmorgen/-middag is:
Kinderen opvoeden tot Gods eer

We letten samen op drie dingen en zoeken daarna naar de betekenis van dat alles voor onszelf.
Dit zijn de drie aandachtspunten:
1. Wat God deed
2. Wat Asaf doet
3. Wat het grote doel van de Heere daarmee is
En daarna denken we dus na over wat dat alles voor ons betekent.
Als eerste dus:

1. Wat God deed

Ja, want je kunt beginnen met wat je zelf, als ouders en kinderen, allemaal wel of niet moet of mag doen, maar… we beginnen bij God. Wat deed Hij?
Dat zien we in Psalm 78 vers 5. Daar staat: Hij (God) heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israël; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken.

Dus, God heeft twee dingen gedaan.
Hij heeft een wet gesteld in Israël. Dat begrijp je, jongens en meisjes. Je mag denken aan de wet van de Tien Geboden, maar je mag ook denken aan al de wetten van Mozes, die God gegeven heeft, en die in de boeken van Mozes beschreven staan.
Hij heeft een wet gesteld in Israël.
 
En: Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob.
Jakob… Dan denk je aan de man die tegen zijn blinde vader loog, aan de man die wegvluchtte van huis, en die ver van huis nog steeds dacht dat hij het allemaal zelf wel kon regelen. Als je denkt aan zijn verblijf bij Laban en dat gedoe met die stokken in het water, om steeds maar meer vee voor zichzelf te krijgen.

Jakob… Dan denk je…, ja, dan denk je ook aan die man die desondanks door de Heere nooit losgelaten is. Aan die man die op zijn sterfbed (en dat kwam door Gods trouw!) zeggen mocht: ik stel mijn hoop op U! Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE! (Genesis 49: 17)
 
Dat was Jakob.
Maar nu gaat het in onze tekst om het volk van Jakob. Een even ontrouw volk. Kijk maar eens in Psalm 78 vers 40. Daar staat: Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!
 
God heeft, zo staat er, ‘een getuigenis opgericht in Jakob’.
Dat woord ‘getuigenis’, dat doet denken aan een eed, aan een eed van een verbond.
Dat Israël, dat Jakob, dat de Heere verdriet zo veel en zo vaak verdriet deed, dat was en is een volk waarmee God een verbond heeft opgericht.

Een verbond dat opgericht is door God Zelf. Hij is het, die de kinderen van Jakob, die de kinderen van Israël apart zette van alle andere volkeren. En Hij gaf hun ook een teken van dat verbond. Destijds de besnijdenis, later het water van de doop.
En dat alles maar één doel: opdat zij Hem zouden dienen en vrezen.
 
God heeft een getuigenis opgericht in Jakob.
Je zegt: nou, dat is mooi. Ik heb een bijzonder plekje gekregen van de Heere. Ik ben gedoopt. Ik ben dooplid, ik ben inmiddels belijdend lid van de kerk. En nu maar hopen dat de Heere nog meer doet. Dat Hij mij en mijn kinderen bekeert, dat Hij ons een nieuw hart geeft…

Jazeker, maar bij dat wat de Heere doet (zeker, het komt allemaal bij Hem vandaan!) is er wel degelijk ook een plicht voor ons. Hij heeft (zo staat in Psalm 78 vers 5) onze vaderen geboden(!), dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken!
 
Hoe? We gaan het zien, door te kijken naar hoe Asaf het doet. Dat is ons tweede aandachtspunt:

2. Wat Asaf doet

Dat vertelt hij ons in Psalm 78 vers 2, 3 en 4. Maar hij vertelt dat ons niet zomaar als een mededeling, als interessante informatie, maar heel bewust: om mij, om u te leren, te onderwijzen. Want zo begint het in Psalm 78 vers 1: Een onderwijzing van Asaf.

Asaf, opvoeden, hoe doet u dat?
Nou, zo zegt hij: dat doe ik zo: Ik zal (Psalm 78 vers 2) mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van oudsher.
Ik doe mijn mond open, ik ga vertellen…
 
Wat?
Spreuken, gelijkenissen. En: verborgenheden, duistere dingen, raadsels…
Spreuken? Waarover?
Raadsels? Welke?

Eigenlijk moet je dan verder lezen in Psalm 78. Doe dat straks thuis maar eens, die hele lange Psalm, met 72 verzen, nog eens rustig doorlezen.
En dan zal blijken: Psalm 78 is een psalm vol met raadsels. Vol met eigenlijk twee raadsels.
 
Het eerste raadsel is dit: hoe bestaat het, hoe kon het zijn dat Israël dit deed, dat Jakob zo was! Zo ongehoorzaam, zo vol van tegenstand, zo vol van opstand en zo afkerig tegen die God, die zo veel wonderen had gedaan?
Dat is toch onbegrijpelijk! Dat is echt een raadsel…!

Levend binnen de kring van het verbond, door God opgericht…, verlost uit Egypte…, etend van het manna uit hemel en drinkend van het water uit de steenrots…, het teken van het verbond ontvangen… maar toch…: niets willen met God!
Kijk maar in Psalm 78 vers 10: Zij hielden Gods verbond niet en weigerden te wandelen in Zijn wet.
 
Het is alsof je je lieve vader en moeder iedere dag in het gezicht slaat.
Vind je dat geen raadsel? Vind je dat geen duister ding? Vind je dat geen verborgenheid?
Waarom doen we dat eigenlijk? Waarom zijn wij eigenlijk zou?

Dat zit hier. Dat zit in ons hart. Dat komt uit ons hart. Want wij hebben in ons hart met onze God gebroken. In het paradijs al en het is nog steeds zo, bij ons en bij onze kinderen.
Onbegrijpelijk….
 
Maar er is nog een tweede ding dat onbegrijpelijk is. Dit: hoe is het mogelijk dat God deed wat Hij deed! Als je leest in Psalm 78 vers 38: Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.
Jakob was ongehoorzaam. Maar God had een hart dat brandde van liefde, een barmhartig hart voor Jakob.
 
Asaf zegt: Ik zal mijn mond opendoen met spreuken, ik zal die verborgenheden, die twee raadsels overvloedig uitstorten, van oudsher!
Ik zal mijn mond opendoen. Om te spreken, over…?
Ja, waar moet je eigenlijk met je kinderen over praten? Wat moet je ze eigenlijk vertellen?

De Bijbel geeft ons hier instructie. De instructie om tegen onze kinderen ‘het hele verhaal’ te vertellen. Want dan blijkt pas werkelijk: wie ik ben, Wie God is, en Wie Jezus Christus is.
Hier staat een vertelinstructie, voor thuis, voor de vereniging, voor de zondagsschool, voor de catechisatie: beginnen met twee raadsels:

Hoe is het mogelijk, dat ik… zo slecht ben!
En: Hoe is het mogelijk, dat God… zo goed is!
Daar moet je eens over nadenken, kinderen, jongelui. Hoe is het mogelijk?
Dat is eigenlijk ook ons doel bij de catechisatie. Niet dat je alleen feiten leert en vragen maakt, en dat je daarna met een goed gevoel kunt zeggen: nu weet ik het allemaal…

Jazeker, dat is ook belangrijk. En we zijn blij als je ijverig je best doet.
Maar ons diepste verlangen is dat er een keer komt, dat je naar huis gaat en bij jezelf denkt en zegt: Heere, hoe is het toch mogelijk?
Dat ik zo ben… voor U!
En dat U zo bent, zo goed bent… voor mij!
 
Verborgenheden, raadsels vertellen…
Die wij (zegt Asaf in Psalm 78 vers 3) gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.
Zo hebben wij dat ook geleerd. Vroeger thuis, op catechisatie, op school. We hebben ze gehoord en we vertellen ze verder.
We zullen (zo staat in Psalm 78 vers 4): We zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
 
Dus, we vertellen ‘verborgenheden’, dat dubbele raadsel en ook (in de tweede plaats)
‘de loffelijkheden des Heeren’. Dat wil zeggen: Zijn aanbiddelijke, Zijn wonderlijke daden. En ‘Zijn sterkheid’, Zijn macht en kracht. En: ‘Zijn wonderen’.
Kortom: de grote daden van God.
 
Je zegt: wat zijn eigenlijk die grote daden van God?
Dit, dat God Israël apart gezet heeft, apart van alle andere volken. En dat binnen de grens van dat geheiligde volk, God Zich met eeuwige liefde een Eigen volk had uitverkoren, tot eer en glorie van Zijn Naam.
Raadselachtig…
Zij waren (staat in Psalm 78 vers 37) niet getrouw in Zijn verbond… Maar Hij had hen lief…
 
Wat zijn eigenlijk de grote daden van God?
Dit, dat Hij hen verloste uit Egypte en voor hen een pad baande, dwars door de Rode Zee. Maar, zo staat in Psalm 78 vers 32: Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.
Raadselachtig…
Zo grote wonderen…
Maar ze hebben hun schouders opgehaald.

Wij en onze vaders, wij hebben God op het hoogst misdaan. Maar God (raadselachtig…!), Hij verkoos (zo staat in Psalm 78 vers 68) de stam van Juda, de berg Sion, die Hij lief had.
En wat denk je van de wonderen die daarna zijn gebeurd? Zo ver reikt de blik van Psalm 78 niet. Hoewel de psalm eindigt met Gods knecht David. Die door God uitgekozen was, gezalfd was om Jakob te weiden als een Herder, ‘oprecht en zeer verstandig’ (zo staat in Psalm 78 vers 71 en 72).

Het is een vooruitblik naar het uiteindelijke grote werk van God: het zenden van Zijn Eniggeliefde Zoon naar deze aarde.
Dat is werkelijk: Zijn wonder, Zijn kracht, Zijn loffelijkheid, Zijn aanbiddelijke werk!
 
En (zo zegt Asaf in Psalm 78 vers 4): Dat zullen wij niet verbergen voor de volgende generatie.
Jongelui, deze dingen moet je weten! Deze dingen moet je weten met je hoofd en met je hart. Om weer tot het doel te komen waarvoor je geschapen bent. Namelijk tot dit doel: om de Heere nu en voor altijd groot te maken.
 
Ons derde aandachtspunt:

3. Wat het grote doel van de Heere met dit alles is

We lezen in Psalm 78 vers 6 en 7 een zin die begint met ‘opdat’. Daar gaat het dus over het doel wat de Heere heeft met het onderwijs aan de volgende generatie.
Laten we die twee verzen samen nog een keer met elkaar lezen: Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren.
 
a. Dat dubbele raadsel (ik, zondig, gevallen en ongehoorzaam mens, tegenover de heilige God), en die grote daden van de Heere (om zo’n gevallen mens uiteindelijk weer op te halen uit ellende, nood en dood) die dingen moeten niet vergeten worden!

Want als die vergeten worden, dan blijft er misschien nog wel wat uiterlijke vorm over, maar dan is onze grote en verheven God binnen één of twee generaties echt uit ons zicht verdwenen!
Zij moeten het weten: de kinderen die nog geboren zullen worden.
Zij moeten het weten, en zij moeten het zelf ook weer doorvertellen aan de volgende generatie.
 
Het gaat hier overigens niet per se om onze eigen kinderen. Het gaat in zijn algemeenheid om: de kinderen. Ook als de Heere u (tot uw grote en blijvende verdriet) de kinderzegen heeft onthouden, ook dan is er voor u een taak in de gemeente en daarbuiten.
Want dit is een algemene opdracht voor iedereen: de nieuwe generatie moet het weten!
 
Wat? Dit: wie ik ben: ongehoorzame Jakob.
En Wie God is: de God van Jacobs zaad.
Moet je dan niet alleen en vooral vertellen dat Jezus lief is voor kinderen?
Ja, u mag alles over Jezus vertellen.
Maar dit ook: Waarom is die Zaligmaker eigenlijk nodig? Omdat ik zo slecht ben!

En: Waarom is die Zaligmaker eigenlijk in deze wereld gekomen? Omdat God (en dat is onbegrijpelijk) zo groot en goed is. Het ‘hele verhaal’ vertellen.
Dat is onze verantwoordelijkheid. Maar daarachter is Gods grote doel.
Het eerste doel hebben we nu samen gezien: de komende generatie moet het weten.
Nee, niet alleen de feitjes. En ook niet alleen de emotie.

De duivels kennen namelijk ook de feitjes, en ook de emotie, want zij sidderen…
Maar leren, overdragen, alsof je het in hun hart kon leggen. Als een mens (hoop ik), die zelf ook die kennis heeft opgedaan door eigen ervaring, door eigen bevinding.
Omdat u het uit eigen ervaring weet: wie u zelf bent… Omdat u zelf bevindelijk ook iets weet van Wie God is. En omdat u zelf bevindelijk ook iets weet van de rijkdom van de genade en liefde van Christus Jezus voor zulke slechte mensen.
 
De komende generatie moet het kennen: persoonlijk, bevindelijk, existentieel.
U zegt: dat moet de Heere ze leren!
Ja, maar God stelt ons hier (en op zoveel andere plaatsen in de Bijbel) aan als mensen die hen dat moeten inscherpen. Als mensen die de volgende generatie moeten leren, moeten laten zien: dat de kern van onze godsdienst geen bevinding is als een soort van kunstmatige emotionaliteit. En dat het niet gaat om losse tranen.
Maar dat echte bevinding wetenschap, kennis is, vanuit de ervaring: Ik sta persoonlijk voor God… En mijn tranen, zijn tranen voor God
 
Kennis, onderwijs, meegegeven door mensen die door de ontmoeting met de levende God klein zijn gaan denken van zichzelf. Die door de persoonlijke ontmoeting met de heilige en rechtvaardige God zelf de bittere smaak van de zonde hebben leren kennen. En die door diezelfde ontmoeting ook groot zijn gaan denken over God, en over Christus, en die daardoor niets anders meer willen dan van harte voor Hem leven.
Dus, ouders, wil je je kinderen werkelijk toekomst geven, dan moet je het zelf ook weten, met je hoofd en met je hart: bevindelijk, existentieel. Dan moet je zelf ook God kennen.
 
Gods doel is (als eerste) dat de komende generatie het weten zal.
 
b. Opdat ze, en dat is het tweede: Hun hoop op God zouden stellen.
Wil je je kinderen hoop, werkelijk hoop geven voor de toekomst, maak je dan als ouders minder druk om het saldo van hun spaarrekening, om hun opleiding, om hun carrière…

Er is hoop voor je kinderen, werkelijk hoop voor nu en voor de toekomst, als ze (middellijkerwijs door ons onderwijs) hun hoop op de levende God gaan stellen.
Zeker, dat is uiteindelijk Gods werk. Maar God wil ons gebrekkige vertellen en voorleven gebruiken, door wat binnenkomt door de poort van oog en oor, door de Heilige Geest te brengen in het hart.
 
c. En dan is nog een derde doel: Dat zij (die volgende generatie) Zijn daden niet zullen vergeten, maar Zijn geboden zullen gehoorzamen.
Kinderen, jongeren gaan Gods geboden niet gehoorzamen door een stel harde regels. Vergeet het maar.

Maar wel, als je die goede regels van de Heere voorgehouden krijgen vanuit een hart, waaraan ze de gedachte ruiken: ‘Hoe lief heb ik Uw wet!’ Vanuit een hart dat uitstraalt: ‘Dit is niet zwaar!’ Zoals de dichter van Psalm 119 zingt: Uw geboden zijn ons tot vermaak (zie Psalm 119: 77, 92, 174).
Jongelui, werkelijk, je wordt zo gelukkig van het dienen van de Heere, en Zijn geboden zijn ons echt niet zwaar!
 
d. En in die weg, en dat is het vierde doel van de Heere, zoals we lezen in Psalm 78 vers 8: gaan ze niet lijken op een voorvaders, die de Heere uiteindelijk verlaten hebben.
 
We gaan verder met ons vierde aandachtspunt:

4. Wat betekent dat alles nu voor ons?

Ik wil bij dit punt graag drie vragen stellen: Waarom? Hoe? en: Waar?
 
I. Als eerste dus: Waarom? Waarom zou je je kinderen opvoeden voor God?
Ik ga vier of vijf redenen noemen.
 
a. In de eerste plaats omdat God recht op ze heeft. Hij heeft Zijn naam over ze uitgeroepen bij de Heilige Doop. En God noemt de kinderen van de gemeente echt Zijn Eigen kinderen (zie Ezechiël 16:21).
Als het nu zo duidelijk is, dat God recht heeft op onze kinderen, wie zou ze dan niet aan Hem toewijden?
 
b. In de tweede plaats uit liefde.
Jongens en meisjes, je konijn kun je nog vergeten eten te geven. Soms wel meer dan één keer. Maar welke moeder vergeet nu haar baby, haar zuigeling (zie Jesaja 49: 15). Welke vader of moeder vergeet jullie nu eten te geven, drinken te geven, kleren te geven, een tas en spullen om naar school te gaan…?

Waarom vergeten dan zoveel vaders en moeders om de zaligheid van jullie onsterfelijke zielen te zoeken?
Hoe blij was je, vader, moeder, toen je je kindje krijg. Zou je niet zo blij zijn, als je straks iets in hem of haar gaat zien van liefde tot de Heere, van stil verdriet over de zonde, en van een voorbeeldig leven met de Heere?

Dat geeft je toch pas echte oudervreugde? Denk maar aan wat Johannes schrijft: Ik heb geen meerdere blijdschap dan hier in, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen (3 Johannes 1:4).
Gunnen we ze niet uit liefde de allerbeste toekomst? Moeten we ze dan niet proberen te bewaren voor verderf en ondergang?
 
Waarom zou je kinderen opvoeden voor God?
In de derde plaats
c. Omdat het onze opdrachtis.
Onze kinderen zijn voor een poosje aan ons uitgeleend. Misschien wel voor heel korte tijd. Met het hoogste doel (dat staat hier in Psalm 78) om ze te leren hun hoop op God te stellen, om ze te leren om Gods daden niet te vergeten en Hem in gehoorzaamheid te dienen.
 
d. En als dit alles niet raakt, dan zijn er nog twee andere motieven om met grote ernst de zaligheid van uw kinderen te zoeken.

In de eerste plaats is er uw eigen belang. Want het zaaien van het kostbare zaad van het Woord is de beste manier om ook je eigen tijdelijk en eeuwig welvaren te dienen. Want, zo schrijft Paulus aan Timotheüs (1 Timotheüs 4:8): de godzaligheid heeft de belofte van dit en van het toekomende leven.

En als dat alles u nog niet genoeg is, laat dan de schrik van de komende oordeelsdag u motiveren om hier echt grote ernst mee te maken. Eerdaags zullen we staan voor Gods rechterstoel, om hier verantwoording vanaf te leggen.

Zullen onze kinderen ons dan dankbaar aankijken… Of…, of zullen ze de buik die hen droeg minachten, de dag van hun geboorte vervloeken en de dag van hun doop van dan af tot in eeuwigheid beschouwen als de meest zwarte dag van hun verloren leven en van hun voorbijgegane genadetijd?
Laten we toch samen zeggen, aan het begin van het nieuwe seizoen van catechisatie, vereniging en zondagschool: Maar, aangaande ons en ons huis, wij zullen de HEERE dienen (zie Jozua 24:15).
 
Kinderen opvoeden tot Gods eer. Waarom moet dat? Daar heb ik u verschillende argumenten voor genoemd.
 
II. Nu de vraag: Hoe moet dat? Hoe moet je je kinderen opvoeden tot Gods eer?
Eerst even dit. Bedenk bij uzelf dat 99% van onze invloed op onze kinderen en anderen, een invloed is zonder woorden. Ze zien het gewoon, ze horen het, ze ruiken hart.
Wat? Alles!

Ze horen de toon van onze stem. Ze zien of we wel of niet voor onszelf uit de Bijbel lezen.
Ze zien hoe we omgaan met onze man of vrouw. Ze merken de liefde of het gebrek aan liefde in onze stem, nog los van wat we zeggen.

Ze kijken met je mee naar wat je kijkt. Misschien is het afhankelijk met schaamte, maar een jaar later zitten ze naast je op de bank en kijken ze met je mee.
Ze zien wat je doet en leuk vind op internet. En als ze ‘s avonds op bed liggen horen ze dat je naar een film kijkt. En ze weten ook nog wat voor soort film het is, afhankelijk van de geluiden die tot hun slaapkamer doordringen.
Kortom: ze zien het, ze ruiken het aan je of je zonder de Heere leeft…
 
Of met Hem, zelfs al zeg je helemaal niets.
Ik weet het nog, als de dag van gisteren. Jarenlang had mijn vader (die nu niet meer leeft) geleefd voor de wereld en de dingen van nu. Een net kerkmens, zeker, maar zonder God.

En ineens, hij zei helemaal niets, maar ik zag het… Soms onder het Bijbellezen waren er tranen in zijn ogen. Ik zag het…, door een kier van zijn slaapkamer, dat hij stilletjes op zijn knieën bad. Niet één keer, maar steeds weer. Hij las in de Bijbel, hij las ineens anders boeken. Het was te merken. Aan alles

O, laten we het toch aan onze kinderen laten zien, en laat het toch te ruiken zijn dat God alles voor ons is. En laten we ze niet meeslepen in het opgaan in de dingen van nu en in het vergeten van Gods grote daden.
Want ze zien het, ze merken het, en ze zullen ons (dat hopen we en bidden we, want dat is ook geen vanzelfsprekendheid!), ze zullen ons volgen in die dingen, waarvan zij zien dat die ons echt blij en gelukkig maken
 
En dus is het ook van het grootste belang dat je de dienst van de Heere niet voorstelt alsof je dagelijks lang gekookte spruitjes moet eten en bittere grapefruitsap moet drinken.
Jongelui, de liefdedienst van de Heere heeft ons nog nooit(!), ik zeg je: nog nooit verdriet gedaan.
 
III. Kinderen opvoeden voor de Heere: waarom, hoe, en: (als laatste) Waar?
In de eerste plaats thuis. Door onze kinderen thuis de eerste beginselen van het geloof mee te geven. Heel simpel en eenvoudig. En door dat te blijven doen: hun ogen te richten op Gods grote daden.

Door, samen aan tafel uit de Bijbel te lezen. En gebruik daarbij gerust voor de kinderen die lezen kunnen een Bijbel met uitleg, zodat ze weten wat er staat in het Woord van God.
Door samen te bidden aan tafel, door samen te zingen.
En door, ook in moeilijke tijden, en misschien juist dan wel, goed van de Heere te spreken.
En vooral door altijd een goede geur te verspreiden van de dienst van de Heere.
 
Dat alles is zichtbaar en merkbaar. Maar dat andere is minstens zo belangrijk: onzichtbaar bidden voor elkaar, stilletjes roepen naar de hemel, totdat…
Totdat je denkt dat het toch niet meer helpt?
Nee, doorgaan totdat Christus een gestalte in hen krijgen mag.
 
Thuis, maar zeker ook op de catechisatie, de vereniging en de school of zondagsschool.
Kom trouw, jongelui, in het komende seizoen naar de catechisatie. We hebben een schat voor je.
We weten dat we die schat niet in je hart kunnen leggen.

Maar dit weten we wel: als je de weg van de middelen volgt, dan wil God die zegenen.
Zeg ik tegen je: ‘Als je je vragen leert en braaf je best doet, dan krijg je dan het eeuwige leven?’
Nee, ik zeg dit tegen je: Als je God zoekt, dan zal je Hem vinden. Als je bidt, dan zal je ontvangen.
 
Daar is God (niet dat hij ons iets verplicht is, helemaal niets, maar toch…), daar is God aan gehouden. Omdat Hij het Zelf heeft beloofd.
Hij is niets aan ons verplicht. Maar je zou kunnen zeggen: Hij is het verplicht aan Zichzelf, aan Zijn eigen Woord. Hij heeft het beloofd. En Hij liegt nooit. Hij is getrouw en waarachtig.

En wij zeggen het namens Hem. En dus mag je ons, en dus mag je mij er ook aan houden.
Ik beloof je stellig, omdat God het belooft: als je in stilte je knieën gaat buigen, gaat bidden, als je de Heere gaat zoeken, met inspanning van alles wat in je is, dan komt er zonder enige twijfel een moment, dat je gaat denken of misschien wel tegen ons gaat zeggen…:

Ja, wat ga je dan zeggen?
Dan ga je zeggen: ‘Mijn bidden was zo beroerd, ik dacht: ik zal God wel nooit meer vinden. Maar eeuwig wonder: toen heeft Hij mij gevonden…’
 
Probeer het! Doe het!
Je wilt garantie? Het garantiebewijs staat op je voorhoofd geschreven, met waterletters van je doop! En God zal Zijn waarheid nimmer krenken!
Onze God, de God van Jakob, de God van Jakobs zaad, is echt betrouwbaar. Je kan er van op aan. Hij houdt getrouw Zijn Woord.
                                           Als je Hem zoekt, dan zal je Hem vinden.
 
Amen.