Lijdenstijd - 3 maart 2019
Markus 14:61: Maar Hij zweeg stil en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?
INLEIDING
Voor Kajafas' rechtbank zwijgt Jezus, waar Jesaja 53 al van sprak. Zijn zwijgen is veelbetekenend: geen desinteresse, maar heilige verhevenheid boven leugen en onrecht. Het is ook plaatsbekledend: Hij stemt in met Gods eis, draagt de schuld van Zijn volk en zwijgt in de plaats van zondaars die zichzelf altijd verontschuldigen. Wie zelf voor God is gaan zwijgen, ontdekt hierin een kostbare Zaligmaker. Ten slotte is dit zwijgen voorbeeldig: het roept Gods kinderen op om, zoals Aäron, gelaten te zwijgen in lijden en tegenspoed.
Het zwijgende Godslam
MARKUS 14:57-64
57 En enigen opstaande, getuigden valselijk tegen Hem, zeggende:
58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen.
59 En ook alzo was hun getuigenis niet eenparig.
60 En de hogepriester in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
61 Maar Hij zweeg stil en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?
62 En Jezus zeide: Ik ben het; en gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand der kracht Gods en komen met de wolken des hemels.
63 En de hogepriester verscheurende zijn klederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van node?
64 Gij hebt de godslastering gehoord: wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem des doods schuldig te zijn.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Markus 14:61
THEMA
Het zwijgende Godslam
Gemeente, als Jesaja denkt aan het lijden van de komende Messias, dan zegt hij in Jesaja 53, vers 6 en 7: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Hij deed Zijn mond niet open. Deze profetie van Jesaja is vervuld. We hebben de vervulling ervan gelezen in Markus 14: 61. En dat is onze tekst voor vanmorgen: Markus 14: 61a: Maar Hij (Jezus) zweeg stil.
Het thema voor de preek op deze …e lijdenszondag is: Het zwijgende Godslam. En we letten met elkaar op drie aandachtspunten. Het zwijgen van dat zwijgende Godslam is: 1. Een veelbetekenend zwijgen 2. Een plaatsbekledend zwijgen 3. Een voorbeeldig zwijgen Als eerste dus:
Gemeente, in deze lijdensweken gaat het veel over de woorden van Jezus, over de woorden die Hij gesproken heeft. Die Hij gesproken heeft tegen Zijn discipelen: Ik ga heen, maar Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid. Woorden die Hij gesproken heeft tegen Zijn vijanden, tegen Judas: Verraadt u de Zoon des mensen met een kus? Woorden ook, die Hij gesproken heeft tegen Zijn Vader: Vader, of Gij wilde deze drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede. Hoe waren de woorden van Jezus altijd vol van troost geweest, voor gebroken harten, voor verslagenen van geest: Komt allen tot Mij die vermoeid en belast bent, Ik zal u rust geven. Hoe waren de woorden van Jezus altijd vol geweest van Goddelijke kracht.
Zijn woorden genazen zieken, openden de ogen van blinden, hebben melaatsen gereinigd en doden opgewekt.
Maar hier zien we het tegenovergestelde. Jesaja zegt: Hij deed Zijn mond niet open. De mond die waarschuwde, die woorden sprak van troost en bemoediging tegen Zijn discipelen, die mond zwijgt… Dat kan nog wel eens zo zijn. Dat de Heere zwijgt. Dat de hemel gesloten lijkt. En dat we geen antwoord krijgen op ons vragen en ons roepen. Maar, vergis u niet. Dat is geen desinteresse. Want het doel van Christus is altijd de eer van Zijn Vader en het behoud van Zijn Kerk. Ook in Zijn zwijgen.
Trouwens, wat kan zwijgen voor ons, mensen, moeilijk zijn. Jongelui, wat is je eerste reactie, als je terecht beschuldigd wordt? ‘Nee, meneer, het is anders gegaan. Hij deed het! Ik kon er niets aan doen.’ En dan heb ik het nog over de situatie dat je terecht beschuldigd wordt. Maar stel nu dat je onterecht beschuldigd wordt. Dan zeggen wij mensen: ‘Ze zullen het weten, want ik sta in mijn recht!’ Het is voor ons mensen onmogelijk om te zwijgen. We spreken vaak als we zouden moeten zwijgen. En we moeten wel bidden met de dichter van Psalm 141: Zet, Heere, een wacht voor mijn lippen. Want anders flap ik er van alles uit.
De profeet Jesaja plaatst ons vanmorgen in de rechtszaal van Kajafas. Daar staat Hij, Jezus van Nazareth. Dankzij Judas is het allemaal vlot verlopen. Maar nu moet Hij wel veroordeeld worden. Hij moet veroordeeld worden tot de dood. Want die Man moet weg! Zij zijn vroom, maar Hij heeft hen nota bene slangen en addergebroed genoemd. Hij heeft hun tere zieltjes gekrenkt en onteerd. En dus moet Hij weg!
Maar hoe? Ja, de uitkomst ligt wat hen betreft wel vast. Maar hoe moeten we dat gaan doen? Want als je vroom wilt lijken, moet je wel een reden hebben. Want: Wat zullen de mensen er anders van denken, wat zullen de mensen er anders van zeggen?
En daar ziet u, gemeente, dit is bedrog, dit is schijnvroomheid! Dat stelt altijd de verkeerde vraag: ‘Wat zullen de mensen ervan denken?’ In plaats van: ‘Wat denkt God ervan?’ Hoe houden we onze stand hoog bij de mensen? O, wat is de mens toch geveinsd en hypocriet. Ze zeggen op te komen voor de waarheid en voor de zaak van God, maar hun enige doel is: de ander in diskrediet te brengen, de ander heimelijk een schop te geven. Het slechtste moet gedrapeerd worden met een mantel van vroomheid. Want…, wat zullen de mensen ervan denken en zeggen? De Spreukendichter zegt: Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden (10:9).
Kijk, daar komen ze: twee valse getuigen. En ze zeggen (zo staat in Markus 14:58): Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen. Het lijkt volgens de wet, maar het is vals! Er is helemaal geen grond voor een veroordeling, maar het moet gewoon! Deze Man moet weg! Deze Man moet sterven! Ze moeten zo snel mogelijk van Hem af!
Waarom eigenlijk deze valse getuigen? Er waren toch ook echte, eerlijke getuigen? De Samaritaanse vrouw, de Kananese vrouw? Bartimeüs was Jezus gevolgd, misschien is die wel in de buurt? Wie trouwens ook in de buurt is, dat is Johannes. Maar hij durft niet, hij staat op de achtergrond en hij zwijgt… Petrus dan, de man die zo goed is met zijn zwaard? Die zwijgt ook. En als hij gaat praten, kan hij maar beter zijn mond houden. Want dan gaat hij vloeken en zweren, en zeggen: ik ken de Mens niet.
Valse getuigen! Maar Hij zweeg stil, Hij zweeg stil… Het is onnodig voor Hem om te spreken. Want ze weten de waarheid, maar ze willen Hem hoe dan ook doden. En ze weten het en ze voelen het in hun hart: Hij doorziet hen, Hij weet alles. Hier schittert de grootheid van onze Meester. Hij verlaagt zich niet tot ons niveau. Hij is ver verheven boven dat niveau van menselijke onoprechtheid, leugen en geweld. En dat is nog steeds zo. Waarom grijpt God niet in, tegen zoveel onrecht? Dat hoeft niet, dat is niet nodig. Want al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel.
Maar vergis u ondertussen niet. Dit zwijgen is ook een laatste oproep tot bekering. Een indringende oproep, zonder woorden. Zoals de Heere zo vaak indringend roept, zonder woorden. Nu opnieuw, nu aan het adres van Zijn vijanden: ‘U beslist over mijn lot, maar doorzie toch uw eigen lot, hoe zult u rechtvaardig verschijnen voor God?
Het zwijgen van Jezus in de zaal van Kajafas is veelbetekenend, groots, welsprekend, waarschuwend, maar Zijn zwijgen in de tweede plaats ook:
Hij kon met één woord spreken, maar Hij deed het niet. Gelukkig, anders was alles verloren. Want gemeente, u moet deze rechtbank goed doorzien. Jesaja zegt: als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open. Wie werd er geëist? Wat werd er geëist? U zegt misschien: ‘Christus werd geëist.’ Maar bedoelt Jesaja niet. We lezen nog een keer Jesaja 53 vers 6 en 7: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg, doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid(!) op Hem doen aanlopen. Als dezelve, toen die(!) geëist werd…Toen onze ongerechtigheid geëist werd. Hier wordt ongerechtigheid geëist!
Daar staat Kajafas, maar daarachter, daarboven staat de hoogste, hemelse Rechter. Hier staat Jezus, volkomen onschuldig tegenover Zijn vijanden, maar als Middelaar wel schuldig tegenover God. Hij staat hier ook ten diepste niet voor een kerkelijke rechtbank, maar voor God, de hoogste Rechter, Die voldoening eist. Vanwege? Waarom? Vanwege, zegt Jesaja, de ongerechtigheid van de Zijnen. Hij draagt hun ongerechtigheid, Hij draagt de schuld van Zijn Bruidskerk. Toen die geëist werd, werd Hij verdrukt. Maar Hij deed Zijn mond niet open.
Hij zwijgt… En, zeggen wij: ‘Wie zwijgt, stemt toe.’ O, wat een wonder is dat. Hij zegt niet: ‘Ik ben onschuldig, uw getuigen zijn vals!’ Maar Hij buigt Zijn hoofd, Hij erkent schuld. Voor…? Voor God. Hij heeft nooit één zonde gekend of gedaan. Nooit heeft Hij gevloekt, nooit heeft Hij de sabbat geschonden, nooit is Hij Zijn ouders ongehoorzaam geweest. Nooit heeft Hij gelogen, nooit heeft Hij onreine gedachten gehad. Hij was vrij van haat en zondige begeerten. Nooit heeft Hij gezondigd! Geen van Gods geboden heeft Hij ooit overtreden! En toch… Hij bekent schuld: ‘Ik sta hier schuldig voor U, in de plaats van Mijn schuldige volk. Ik in hun plaats’.
Hij zwijgt. Hij stemt toe. Terwijl Hij staat in de plaats van opstandelingen, vloekers, sabbatschenders, ongehoorzamen, leugenaars, onreinen, haters, in de plaats van mensen die tegen al Gods geboden zwaar en menigmaal gezondigd hebben.
Hij zwijgt. Hij stemt toe. Hij stemt het heilige recht van God toe. Hij valt Gods recht toe en zegt: ‘Amen’. Hij zwijgt en zegt daarmee zonder woorden: ‘Ik ben als Middelaar het vonnis van de dood waard, vanwege hun schuld. Daarom kunt U Mij, daarom mag U Mij tot de dood veroordelen’. Het doet denken aan de profetie van Daniël, die schrijft: ‘en na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem Zelf zijn (Daniël 9:26En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.). Niet voor Hemzelf… Voor wie dan wel?
Laten we maar bij het begin beginnen. Hij staat hier voor mensen zoals Adam. Wat zegt Adam? Is hij door schuldbesef getroffen en verslagen? Zegt hij: ‘Ik heb gezondigd?’ Nee, hij wijst naar zijn vrouw: Die vrouw, die U mij gegeven hebt! Hij staat hier voor mensen zoals Eva. Wat zegt ze? Is ze verbroken van hart en verslagen van geest? Zegt ze: ‘Ik heb gezondigd?’ Nee, ze wijst van zichzelf af en geeft de slang de schuld. Hij staat hier voor mensen zoals de man voor wie Nathan stond, toen hij zei: ‘U bent die man!’ En dan pas, en niet eerder erkent David zijn schuld. Hij staat hier in de plaats van Zijn gevluchte discipelen, voor een weggekropen Johannes en voor een vloekende Petrus die gezegd heeft: ‘Ik ken de Mens niet.’
Kortom, voor mensen die diep in zichzelf geneigd zijn om onder de schuld uit te kruipen, om die te ontkennen, voor mensen die hun aanklacht hoe dan ook proberen te ontvluchten. Totdat…, totdat God Zelf de schuldbrief thuis stuurt en de schuld persoonlijk voor ogen stelt. En wat wordt deze zwijgende Jezus dan kostbaar in de ogen van zulke zondaars.
Als God werkt, ja, aanvankelijk hebben we nog wel wat te zeggen: ‘Ik zal U alles betalen, Heere, heb geduld. En ik zal U hartelijk liefhebben, met al mijn kracht’. Maar, spreken wordt zuchten: ‘Heere, het lukt me niet. Bekeert U mij, dan zal ik bekeerd zijn. Wees mij zondaar toch genadig. Is er nog een weg om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?’ Ja, zegt de catechismus, die weg is er wel, maar er moet wel aan Gods gerechtigheid genoeg gedaan worden. Spreken wordt zuchten en zuchten wordt zwijgen: ‘Heere, U hebt gelijk. Ik ben Uw gramschap dubbel waardig. Ik ben niet waard dat U ooit nog naar mij omziet. Ik leg de hand op mijn mond. Uw doen is rein, uw vonnis gans rechtvaardig’. Wat wordt deze zwijgende Jezus kostbaar in de ogen van zulke zwijgende zondaars.
Maar, hoe wordt Hij nu de mijne? Niet alleen een Zaligmaker voor anderen, maar ook voor mij? Misschien zit u vanmorgen zo in de kerk. U voelt dat uw zonden, dat uw ongerechtigheid geëist worden. En u kunt alleen maar stilzwijgend ja-knikken. Het is waar: de volmaakte wet eist. En alles van mij is tekort. Ik heb tegen al Gods geboden zwaar en menigmaal gezondigd. Ik zeg: het is waar, duivel, je hebt gelijk. Je bent vals, maar nu heb je gelijk. Ik heb tegen God gezondigd. Moedwillig en vrijwillig! Het is waar, kloppend geweten, ik zie mijn zonden ook steeds voor mijn ogen zweven. Het is waar, o mijn bedroefde hart, ik heb tegen een goeddoend God gezondigd. Het is waar, Heere, heilige en rechtvaardige God, ik heb tegen U gezondigd! Duizend vragen en beschuldigingen, maar ik heb niet één woord terug te zeggen: ik zwijg, ik stem toe, ik heb de dood verdiend.
Bent u zo wel eens zondaar voor God geworden, gemeente? Is uw ongerechtigheid al eens geëist? Waarom leg ik daar zo de nadruk op? Misschien denkt u bij uzelf: ‘Ja, dat weten we nu wel.’ Waarom ik daar zo de nadruk op leg? In de eerste plaats en vooral omdat het Woord van God daar zo de nadruk op legt. Dit zijn woorden van God, dit zijn woorden van de evangelische Jesaja. Maar in de tweede plaats ook omdat ik me zorgen maak om de zielen van twee soorten van mensen onder ons. Ik maak me zorgen om de velen rechtvaardigen, die denken dat ze de bekering niet nodig hebben. Mensen, u hebt tegen God gezondigd! En ik maak me ook zorgen om u, die roemt in Jezus, maar nooit als zondaar voor God gebogen hebt. Als u nooit zondaar geworden bent voor God, is Jezus, is deze zwijgende Jezus dan wel ooit kostbaar voor u geworden?
Hebt u nu vriendschap gesloten met ‘een jezus’, of bent u door ‘deze Jezus’ letterlijk van uw dood gered?
Deze zwijgende Jezus wordt van onschatbare waarde voor mensen die ‘zondaar voor God’ geworden zijn. U hebt gezondigd, zegt het Woord, zegt God Zelf. En dan? Allerlei excuses? Ja, misschien eerst wel, maar later niet meer. ‘Ja, Heere, U hebt gelijk!’ Is dat alles? Ja, dat is alles. ‘Ja, Heere, ik zwijg. U hebt gelijk. Ik leg de hand op mijn mond. U bent rechtvaardig. Uw doen is rein, Uw vonnis, Uw doodvonnis is gans rechtvaardig’.
Wat een wonder is het, als God de ogen gaat openen van zulke mensen, die weten dat ze de dood verdiend hebben en die zwijgen voor God. Als God de ogen van zulke ontdekte zondaars gaat richten op die wonderlijke ruil. Wat gaat het Evangelie dan schitteren, in de woorden van deze evangelische Jesaja: Toen onze ongerechtigheid vroeg om betaling, toen werd Hij verdrukt.
O gemeente, verwonder u en verbaas u met mij, om dit Evangeliewoord! Om onze ongerechtigheid, zegt Jesaja, werd Hij verdrukt. Hij werd gedrukt, geperst. Letterlijk staat er zoiets als: gedwongen tot werk en betaling. Er wordt een woord gebruikt, dat gebruikt is voor de slavendienst in Egypte. Hij, de Christus, is geslagen, gedrukt en geperst. En ondertussen droeg Hij de last van de oneindige toorn van de almachtige God. In Gethsémané werd Zijn ziel geheel bedroefd tot de dood toe. En hier is het valse beschuldiging, de belediging, de hoon en de godslastering. Hier wordt Hij veroordeeld tot de dood, tot de dood van een godslasteraar, van een misdadiger. Maar, Hij zwijgt. Opdat misdadigers en godslasteraars gered zouden worden. Zij hadden moeten verstommen voor God, maar Hij verstomt in hun plaats. En betaalt in die weg al de eisen van het Goddelijke recht. En dus is er nu geen verdoemenis meer, voor degenen die in Christus Jezus zijn.
Wat een wonder, als God Zelf de ogen van zwijgende zondaars gaat openen en gaat richten op deze zwijgende Jezus. Als Hij ze Zelf gaat wijzen op Zijn gewilligheid in hun plaats: Ik voor u, in uw plaats, daar u anders moest verstommen, ja, de eeuwige dood moest sterven. Als Hij na, misschien wel na veel duisternis en strijd, nu van vrede gaat spreken door het bloed van het Lam. Zij hadden voor altijd moeten verstommen, maar nu, vrij gesproken. Als God hun ogen gaat richten op Hem en zij Hem door het geloof mogen zien, voor het eerst of opnieuw, in de verte of dichterbij, ja, als zij Hem door het geloof mogen omhelzen. Dan kan ons hart, dan kan onze mond niet langer zwijgen. Dan gaat die zwijgende mond, hoe dan ook, open. Dan zingen we met Psalm 85: nu is genade van waarheid blij ontmoet, nu is de vrede met een kus van het Goddelijke recht gegroet. Dan zingen we met
Psalm 65, wat we nu samen ook gaan doen: Een stroom van ongerechtigheden (zegt u dat na?) had de overhand op mij, maar onze weerspannige overtredingen (zegt u dat ook na?), die verzoent en zuivert Gij (zegt u dat ook na…?). Psalm 65:2.
Een stroom van ongerechtigheden Had d' overhand op mij; Maar ons weerspannig overtreden Verzoent en zuivert Gij. Welzalig, dien Gij hebt verkoren, Dien G' uit al 't aards gedruis Doet naad'ren, en Uw heilstem horen, Ja, wonen in Uw huis.
Gemeente, deze zwijgende Jezus, Hij stond in de plaats van verloren zondaars. In de plaats van godslasteraars, in de plaats van vijanden. Nee, niet in de plaats van goede mensen, van gevoelige en fijnbesnaarde kerkmensen, van actieve en goedgelovige mensen. Nee, Hij kwam voor zondaars. Paulus schrijft in 2 Korinthe 5:21Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.: Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij kende geen zonde. Hij is zonde gemaakt. Voor zondaars. Hij stond in de plaats van godslasteraars, van bedriegers, dieven, overspelplegers, moordenaars, ja, in de plaats van totale mislukkelingen.
Als u van mening bent, dat u geen lid bent van die familie, of als u daar niet bij wilt horen, als u denkt dat u beter bent, dan bent u echt nog onbekeerd. Dan bent u buiten Christus. Want Hij kwam echt alleen voor zondaars. Voor mensen zoals Paulus, die moest zeggen (en wij zeggen het hem na, met schaamte, maar wel van harte): ‘Ik was een godslasteraar’. Als u nooit uw hart en uw hoofd gebogen hebt tot die diepte en bent gaan zwijgen: Dan…, zit het dan wel goed met u, met uw hart? Klopt het dan allemaal wel? Want Hij, de vlekkeloze heilige Zoon van God kwam voor zondaars, voor opstandelingen en rebellen.
Maar, als u van harte moet en wilt bekennen, dat u zo’n mens bent, en als u vanmorgen roept: ‘Is er nog een weg? Wees me genadig, Heere, want ik kom tot U gevloden…’ Dan is dit Evangelie voor u! Dan is dit voor u een blijde boodschap. Dit is het betrouwbare Woord voor u, en het is alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken! (1 Timotheüs 1:15Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.).
Hij was onschuldig, maar Hij deed Zijn mond niet open. Het was de liefde van Christus tot de eer van Zijn Vader en Zijn onbegrijpelijke liefde tot zondaars, die Hem bewoog om te zwijgen. Hij had kunnen antwoorden, maar Hij deed het niet. Hij had ze allemaal met één woord van de aarde kunnen wegvagen, maar Hij deed het niet.
Van harte heeft Hij de prijs betaald (volkomen gehoorzaamheid, de last van de toorn van God, verdrukking, verbrijzeling, smaad, pijn, lijden, ja, de dood van het kruis) voor…? Voor zondaars.
Dit is een goede boodschap voor u, roepende zondaars! Doch Hij deed zijn mond niet open. Hier ziet u Christus, in al Zijn heerlijkheid. In de heerlijkheid van Zijn diepe vernedering. Daarin is Hij veel schoner dan wie dan ook van de mensen. Hij liet Zich als een Lam door de priester na de slachtbank leiden: vrijwillig, hoewel onschuldig. Hij richtte Zijn aangezicht naar Jeruzalem, hoewel Hij wist dat de dood Hem daar wachtte. Maar Hij bad: ‘Niet Mijn wil, maar Uw wil, o Vader, geschiede’. En toen men Hem zocht, toen zei Hij: ‘Ik ben het. Als u Mij zoekt, laat deze discipelen dan gaan’. En uiteindelijk werd het mes gezet op de keel van dit Lam. Maar het hoefde niet eens gebonden te worden. Hij gaf Zich van harte en volkomen. Voor…? Voor zondaars, voor vijanden, voor godslasteraars.
Doch Hij deed zijn mond niet open. We horen geen bitter woord uit Zijn mond tegen Zijn vijanden. Geen bitter woord ook uit Zijn hart of mond tegen degenen voor wie Hij leed. Hij zei niet: ‘Hoe zou Ik zo bitter lijden en zoveel liefde tonen, voor mensen die zo weinig wedeliefde laten zien?’ Hij zei niet: ‘Hoe zou Ik zo zwaar lijden, voor zulke onverbeterlijke zondaars, voor zulke altijd weer dwalende schapen? Geen bitter woord tegen degenen voor wie hij leed. Geen bitter woord ook tegen Zijn Vader in de hemel. Hij zweeg. Hij zweeg voor God in de hof: ‘Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede’. Hij zweeg voor de rechtbank van Kajafas, hij zweeg voor de hoogste, voor de hemelse Rechter. Want hoe zouden anders Gods deugden tot hun recht komen en tegelijkertijd zondaars gered kunnen worden?
Zijn zwijgen was een veelzeggend zwijgen, een plaatsvervangend zwijgen, het was in de derde plaats ook:
Kinderen van God onder ons, Petrus zegt in 1 Petrus 2: 21: Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zou navolgen. We worden geroepen tot navolging. Om het voorbeeld van Christus na te volgen op de leerschool van genade, op de leerschool van het lijden. Om te gaan in het spoor van Zijn voetstappen.
Ook wij moeten leren te zwijgen in tijden van lijden, beproeving en tegenspoed. En we weten allemaal dat dat niet kan in eigen kracht. Zo zijn wij van onszelf niet. Dat kan alleen maar, als we door genade mogen zien op de overste Leidsman en Voleinder
van het geloof, die om de vreugde Hem voorgesteld, het kruis heeft verdragen en de schande heeft veracht.
Ik moet denken aan Aäron, aan wat over hem staat geschreven in Leviticus 15. Twee van zijn kinderen, Nadab en Abihu, worden plotseling weggerukt door de toorn van God, door vuur uit de hemel. Wat een beproeving in het leven van dit kind van God, in het leven van deze hogepriester! Hij verliest in één keer twee van zijn kinderen! Aäron, wat doe je? Wat zou u doen? Een wanhopige roep, een vuist naar de hemel? Hoe zwaar valt het verlies van één kind, van twee kinderen… Maar, staat er: Aäron zweeg stil. Hij zweeg, niet van verbittering, van woede of onverschilligheid, ook niet omdat hij dacht dat het een noodlot was of omdat hij een slechte vader was, maar omdat hij het oordeel van God goed keurde: ‘U, Heere, bent rechtvaardig’. Dat komt niet uit de bron van ons hart. Daaruit komt alleen maar boosheid en opstand en vijandschap. Dat kon alleen en dat kan alleen maar komen uit de bron van het hart van deze zwijgende Borg. Als de Heilige Geest het uit Hem neemt en toepast in het hart en leven van de Zijnen. Dan zwijgen ook Gods kinderen in tegenspoed. Dan zeggen we: ‘Ik zal mijn mond niet opendoen, want U hebt het gedaan. En, ik heb het (eerlijk gezegd) ook verdiend. Ja, ik heb meer verdiend dan wat ik gekregen heb’. Dan zeggen we zelfs in tegenspoed, lijden en verdriet: ‘Hij handelt nooit met ons naar onze zonden, hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden’.
Wat is het een sierlijke genade van de Heere, als we met geduld ons kruis mogen dragen, achter Hem aan. Geduldig, zonder verzet, zonder tegenwerking, zonder tegenspreken, maar stil en onderworpen. Als u in lijden bent, in verdrukking, in tegenspoed, bedenk dan van Wie het komt. Het komt u toe uit Gods hand. Zeg dan toch met de dichter van Psalm 39:10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.: Ik ben verstomd, maar ik zal mijn mond niet opendoen, want U hebt het gedaan. En als het gaat om lijden dat ons aangedaan wordt door mensen, laten we dan maar bidden zoals onze meester bad: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.
En laten we in tijden van lijden en tegenspoed ook dit bedenken. Is het niet bedoeld tot ons nut? Is het niet bedoeld om de zonde in ons leven uit te roeien? Het is ons verdorven hart dat het nodig maakt, dat het goud beproefd wordt. En hebt u geen goede hoop, kind van God, dat God u net als in het verleden, op Zijn tijd uit alle moeite redden zal? En hebt u geen goede hoop voor de toekomst? Want het lijden van deze tegenwoordige tijd gaat voorbij. Laten ook wij dan zwijgen. Want, zegt de apostel in 2 Korinthe 4:17-18Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid; Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.: Onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid, dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet. Want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig. Amen.
Slotzang Psalm 62:4,5
Doch gij, mijn ziel, het ga zo 't wil, Stel u gerust, zwijg Gode stil; Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blijken. Hij is mijn rots, mijn heil in nood, Mijn hoog vertrek; Zijn macht is groot; Ik zal noch wank'len, noch bezwijken.
In God is al mijn heil, mijn eer, Mijn sterke rots, mijn tegenweer; God is mijn toevlucht in het lijden. Vertrouw op Hem, o volk, in smart, Stort voor Hem uit uw ganse hart: God is een toevlucht t' allen tijde.
Andere preken over Markus
Andere preken voor Lijdenstijd