Lijdenstijd - 12 maart 2017
Jesaja 53:1: Wie heeft onze prediking geloofd? En aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?
INLEIDING
Jesaja vraagt: wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard? De lijdende Knecht groeide op als een onaanzienlijk rijsje, zonder gedaante die begeerlijk was. Hij werd veracht, een Man van smarten, door mensen verlaten. Wij achtten Hem niet, wij verborgen ons gezicht voor Hem. Alleen wie door genade zijn eigen aandeel hierin ziet en zich verwondert over deze liefde, kan waardig aangaan aan het Heilig Avondmaal.
De lijdende Knecht des HEEREN.
JESAJA 53:1-5
1 Wie heeft onze prediking geloofd? En aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?
2 Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte dat wij Hem zouden begeerd hebben.
3 Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
4 Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten, die heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
5 Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Jesaja 53:1
THEMA
De lijdende Knecht des HEEREN.
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de preek van vanmorgen, in deze dienst van voorbereiding voor de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal, zo de Heere wil en we leven volgende week zondag, de preek van vanmorgen gaat over Jesaja 53, daarvan het eerste tot en met het derde vers. Onze tekst kunt u vinden in Jesaja 53:1-3, waar we het Woord van God als volgt lezen: Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard? Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht. Gemeente, heel Jesaja 53 gaat over de lijdende Knecht des HEEREN. Dat is ook het thema voor de preek van vanmorgen: De lijdende Knecht des HEEREN. We letten samen op drie aandachtspunten. In de eerste plaats op Zijn Woord. In de tweede plaats op Zijn herkomst. En in de derde plaats op Zijn ontvangst. Dus: De lijdende Knecht des HEEREN: 1. Zijn Woord 2. Zijn herkomst 3. Zijn ontvangst Als eerste dus:
Want de profeet Jesaja zegt: Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard? Misschien zijn dit wel de kernvragen bij de voorbereiding voor de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal. Deze twee kernvragen:
1. Wie heeft onze prediking geloofd? Onze prediking, onze boodschap, die we van de Heere gekregen hebben en aan u doorgaven? Wie heeft onze prediking geloofd? Wie heeft het droeve bericht geloofd van zijn zonde, verlorenheid en schuld?
Wie heeft het heerlijke bericht van Christus, van Jezus Christus en die gekruisigd geloofd? En, de tweede vraag:
2. En aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard? De ‘geopenbaarde arm van de HEERE’, dat beeld doet denken aan wat wij in het gewone leven noemen ‘opgestroopte mouwen’. Het is een teken van macht en reddende daden. De arm van de HEERE is geopenbaard bij de uittocht van het volk Israël uit Egypte. Die uittocht, die verlossing van Israël uit de macht van de onderdrukker, dat was een teken van Gods reddende macht en kracht. De arm van de HEERE is ook geopenbaard bij de terugkeer van het volk uit de ballingschap. Maar het gaat verder. Ook tijdens het leven van de Heere Jezus op deze aarde is de machtige arm van God geopenbaard in wonderen, in genezingen, in wonderbare spijzigingen, in de opwekking van de jongeling van Naïn, in de opwekking van het dochtertje van Jaïrus. Maar het valt op dat, als Johannes dat alles opschrijft in zijn Evangelie, dat hij dan ineens zegt in Johannes 12: En hoewel Hij zoveel tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet. Opdat het woord van Jesaja, de profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wie is de arm des Heeren geopenbaard? (Johannes 12:37-38) En Paulus zegt in Romeinen 10 iets vergelijkbaars, als hij schrijft: Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd? (Romeinen 10:16). De arm des HEEREN is geopenbaard, is onthuld in het werk van de Heere Jezus Christus.
En (Zijn werk gaat door!) deze arm wordt nog steeds onthuld, door het krachtige werk van de Heilige Geest, in harten en levens van mensen. Als het woord van de prediking in dorre harten vruchtbaar wordt gemaakt. Het maakt dode zondaars levend. Het ontsteekt licht in hun duisternis. Het ontdekt hen aan hun zonden en misdaden. Het brengt hen tot berouw en bekering. Het leert hen roepen om genade en ontferming. Het leert hen hongeren en dorsten naar Christus. En het brengt hen uiteindelijk als arme zondaars aan Zijn voeten, om daar Zijn onverdiende genade te ontvangen. En dat brengt hen zonder twijfel ook tot een beginsel van een nieuw leven.
Maar de vraag is (aan u en aan mij): Wie van ons(!) heeft deze prediking geloofd? Toen u voor ogen geschilderd werd uw verlorenheid, zonde en schuld, uw opstand en vijandschap, hebt u dat toen voor kennisgeving, met belangstelling, en wellicht met instemming aangenomen? Of hebt u het geloofd? En heeft het u innerlijk overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel (Johannes 16:7Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.,8)? Heeft het u vernederd voor de Heere? Heeft het u gebracht tot persoonlijke belijdenis van schuld? Heeft het uw hart gebroken? En toen u voor ogen geschilderd werd de enige weg tot behoud? Hebt u dat toen alleen maar met belangstelling aangehoord? Of bent u door genade, door de machtige arm van de Heere, ook gebracht op die weg? In de nood van uw leven vluchtend naar de vrijstad Jezus Christus?
Hebt u de toevlucht tot Hem genomen? Omdat u het woord van de prediking geloofde en omdat u acht nam op hetgeen gesproken werd, zoals Lydia destijds deed aan de rivier buiten de stad Filippi (Handelingen 16:14En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.)?
En, de vraag is aan u en mij is ook: Is de arm des Heeren aan ons geopenbaard? Kent u iets van de alles overtreffende majesteit, kracht en macht van het Woord van God? In de hand van de Geest alles overwinnend, als door de machtige arm des HEEREN: het opende een gesloten deur, het brak een hard hart, het drong als een tweesnijdend scherp zwaard diep in uw binnenste, het vermurwde uw hart, dat niet wilde, dat zich verzette. U wilde niet buigen, maar u boog. U wilde niet belijden, maar u beleed na ernstig overleg uw boze daden. U kon en wilde niet geloven, maar toen Hij werkte, toen Hij het deed, toen Hij kracht gaf om te geloven, toen riep u uit (door de machtige arm des HEEREN): Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp (Markus 9:24En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.).
Helaas, heel veel mensen, ook binnen de kerk, geloven het woord van de prediking niet. Aan sommigen van u is de arm des HEEREN geopenbaard, maar velen van u zijn nog ongelovig. Het blijkt uit uw leven. Uit de slordigheid van uw wandel. Uit het zoeken van de dingen van de wereld. Uit vormendienst zonder leven. Uit gebrek aan overtuiging van zonde. Uit gebrek aan hoogachting voor Christus. Het blijkt daaruit, dat u het Woord wel hoort, maar niet ter harte neemt. Als het u niet uitkomt, terwijl het uw wel raakt, terwijl u wel voelt dat het u wil priemen in uw hart, sluit u uw hart en soms zelfs uw oren. U besteedt uw energie en tijd aan van alles en nog wat, maar niet aan het zoeken en dienen van de Heere. Uw leven is een leven van zorgeloze zekerheid en u denkt zonder Christus veilig te zijn. Uw hart is hard, uw begeertes en verlangen zijn vleselijk, aards en werelds.
O, onbekeerde vrienden onder ons, Gods dienaars zuchten over u en klagen in stilte over uw hart. U verhardt uw hart onder de meest liefdevolle nodigingen. U schaadt de eer van Christus, onze Zender. En u bent op weg naar het eeuwige verderf. Want de Geest van de Heere zal niet altijd met u twisten (Genesis 6:3Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.). En dus zuchten wij met Jesaja: Wie, wie heeft onze prediking geloofd?
Hoe komt dat eigenlijk? Dat ongeloof? Dat weigeren om te luisteren? Het komt ten diepste omdat er in niemand van ons een natuurlijk vermogen is om terug te keren tot God. Wij hebben God verlaten en om eigen schuld zijn wij niet in staat om in eigen kracht terug te keren. Ik denk aan wat de Heere Jezus zegt in Johannes 6:44Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke. Dus is er een almachtig ingrijpen van God nodig, het openbaren van de arm des HEEREN, een levendmakende en vernieuwende kracht van God. Omdat we van onszelf geen oog hebben voor de dingen van God, en alleen maar willen genieten van de mooie dingen van deze wereld en van deze tijd. We zijn blind en verblind (2 Korinthe 4:4In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.), tenzij…. Tenzij de arm des HEEREN in ons leven geopenbaard wordt, waardoor we het woord van de prediking gaan geloven.
Dat woord, dat ontdekt, dat vernedert, dat onze hoogmoed breekt. Dat woord, dat ons afbrengt van het vertrouwen op onszelf, dat ons afbrengt van ons vertrouwen op het doen van wat in de wet geschreven is, van alles wat we denken te kunnen en te willen in eigen kracht. Dat woord, dat verlicht, dat de weg ontsluit voor verloren zondaars, om de toevlucht te nemen tot Christus. Dat woord, dat zondaars daadwerkelijk de toevlucht doet nemen tot Christus en dat in Hem leert geloven.
Geliefde gemeente, wie, wie heeft onze prediking geloofd? U hoort het, er staat niet mijn prediking, maar onze prediking. Het gaat om het Woord van God, dat jaar, in jaar uit van deze plaats geklonken heeft. Wie van u heeft het geloofd? En aan wie van u is Gods machtige arm geopenbaard?
Alleen dan, als dat zo is, alleen dan wordt u genodigd en geroepen om aan te gaan aan de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal. Dus onderzoek uzelf, gemeente, in deze week van voorbereiding. Heeft het woord van de prediking mij tot leven gewekt, mij wakker geschud uit mijn dodelijke rust? Heeft het woord van de prediking mij ontdekt, mijn hoogmoed gebroken, en mij leren bidden als een tollenaar: o God, wees mij zondaar genadig (Lukas 18:13En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!)? Vergeef, Heere, verzoen toch de zware schuld, die mij met schrik vervult? Heeft het woord van de prediking in mijn leven ook iets ontsloten van de weg om zalig te worden? Van de weg buiten mezelf, in de Heere Jezus Christus? Is dat mijn hartelijke, mijn enige, mijn hoogste verlangen en begeerte geworden? En is er sindsdien een hartelijk en vast verlangen in mijn ziel om naar het Woord te leven, en de Heere van harte te dienen en te vrezen in het spoor van Zijn geboden?
Onze tweede gedachte:
Want we lezen in vers 2: Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij is als een rijsje opgeschoten, voor Zijn aangezicht. Voor het aangezicht van God, Zijn Vader. Als een kwetsbaar, beginnend plantje, zoals Jesaja eerder zei in Jesaja 11, toen hij profeteerde: Er zal een rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen (Jesaja 11:1).
Als een rijsje opgeschoten. Als een wortel uit een dorre aarde. De machtige boom van het koninklijke huis van David is omgehakt. Er rest alleen nog een stomp, een tronk, en daaronder een wortel. De wortel Jesse, de wortel van Isaï. En die staat in een dorre aarde. Kortom, naar menselijke maatstaven is daar weinig of niets van te verwachten. Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.
Uiterlijke verschijning werd in de tijd van de Bijbel vaak gezien als een teken van de gunst van de Heere. Zoals bij Jozef (Genesis 39:6En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.), bij Mozes (Handelingen 7:20In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.), bij David (1 Samuël 16:12Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, mitsgaders schoon van ogen en schoon van aanzien; en de HEERE zeide: Sta op, zalf hem, want deze is het.) en bij Daniël en zijn drie vrienden (Daniël 1:4Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeeën.). Maar Hij, de lijdende Knecht des HEEREN, de Heere Jezus Christus, Hij had geen gedaante noch heerlijkheid…
Ja, er was wel schoonheid in Hem, de schoonheid van heiligheid, goedheid, genade en liefde, maar als wij (en u voelt dat Jesaja zichzelf daarbij insluit), als wij Hem aanzagen, zo zagen wij niets in Hem. Natuurlijke mensen, zoals wij allemaal geboren worden nadat wij met God gebroken hebben, natuurlijke mensen zien geen heerlijkheid, geen schoonheid, geen aantrekkelijk- heid in Christus. U kunt Zijn Naam wel noemen, u kunt over Jezus praten en zingen, u kunt van Hem getuigen, maar de vraag is of u Hem in uw hart kent en liefhebt? En dat is van nature niet zo. Bij niemand. We zijn van nature door onze diepe val in het paradijs haters van God en van Christus. Wij achten Hem niet. En wij begeren Hem niet. We verlangen niet naar Hem. We denken dat we Hem niet nodig hebben.
Hoe komt dat? Waarom waren de Joden en waarom zijn wij zo bevooroordeeld ten aanzien van Zijn Persoon? Daar zijn verschillende redenen voor te noemen.
a. Het is in de eerste plaats omdat zij geen last van hun zonden hadden, en omdat ook wij van nature geen last hebben van onze zonden en schuld voor God. En dus was en is er van nature bij niemand plaats voor deze Christus, die een Zaligmaker van zondaars wil zijn.
b. Het is in de tweede plaats vanwege Zijn geringe afkomst: een rijsje uit een afgehouwen boom, staand in een dorre aarde. En dus: onbetekenend, onaanzienlijk. Dat botste en botst met het verwachtingspatroon van de Joden en van ons. Men verwachtte men dat Hij groot, adellijk, koninklijk zou zijn, geen zoon van een timmerman uit Galilea. Zoals zoveel mensen nog steeds verwachten dat de geloofsband met Christus hen zal brengen op een hoger plan, op een hogere plaats, op een plaats van meer aanzien. Terwijl het ons voor eens en altijd plaats bij het uitschot, bij het slechtste, bij de zondaars!
c. In de derde plaats verwachtte men dat Hij aandacht zou trekken. En dat zij dus ook (en wij dus ook) aandacht zouden krijgen. Maar Hij groeide op voor God, als een rijsje voor Zijn aangezicht. En dus viel er voor hen en valt er ook voor ons geen eer te behalen.
d. In de vierde plaats verwachtte men dat Hij een aangenaam leven zou leiden. En dat dus ook zij en wij zouden kunnen genieten van een aangenaam leven. Maar toen bleek dat Zijn leven een leven van kruis dragen en lijden werd, toen verachtten ze Hem. En dat is nog vaak zo.
Bevooroordeeld in gedachten en harten. Maar het gaat verder, het zit dieper. Want Jesaja zegt: Als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Dit was niet wat zij, dit was niet wat wij verwachtten. Maar dit was ook niet wat zij en wij wilden. Dit begeerden we niet. Dit was te min voor ons. Het was te min voor de Naäman de Syriër om zich te wassen in het water van de Jordaan. En het was te min voor hen en voor ons om gewassen te worden in het bloed van die verachte man uit Nazareth! Dat begeerden we niet.
Hier legt Jesaja ons hart bloot, het hart van ons allemaal. Dit zijn wij, ten voeten uit getekend: wij begeerden Hem niet.
Dus, gemeente, (het is voorbereiding), als u beweert, dat u Jezus hebt aangenomen, omdat u Hem zo graag wilde, dan (u moet eerlijk zijn), dan hebt u deze prediking niet, dan hebt u deze prediking nooit geloofd. En dan is de arm des HEEREN niet aan u geopenbaard. En als dit u nooit tot schuld geworden is (wij hebben, ik heb Hem niet begeerd), als dit nooit een hartelijk berouw in uw hart heeft gewekt, een bitter klagen als over de dood van een eerstgeboren zoon (Zacharia 12:10Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.), ook dan bent u nog vreemdeling van Gods genade. Want het oprechte geloof, zoals in het hart van de profeet Jesaja, zegt: ‘Heere, het is waar. Zo was ik. Wij, ook ik, wij hebben U niet begeerd. Zij zagen geen gestalte en geen heerlijkheid in U. En ook wij zagen, en ook ik zag niets in U.’
Dat geeft zonder twijfel in het hart van de oprechte avondmaalgangers diepe schaamte en bitter verdriet. Hij, die door Zijn genade mijn leven geworden is, is door mij niet geacht. En het geeft tegelijkertijd zonder twijfel ook diepe verwondering in het hart, als ik bedenk: ‘ik achtte Hem niet. Ik zag niets in Hem. En toch, toch ging Hij vrijwillig Zijn weg van lijden en sterven voor mij, in mijn plaats. En dat terwijl ik Zijn beker vulde en zijn doornenkroon vlocht.’ Wat schittert toch straks, volgende week zondag in de tekenen van brood en wijn, Zijn weergaloze liefde, voor mensen die Hem niet achtten, voor mensen die geen heerlijkheid zagen in Hem.
Maar, en dat is ook waar, kinderen van God, het is zoals het hier staat, wel verleden tijd! Want er staat: toen wij Hem zagen. Dat was toen! Maar nu, nu we door genade het woord van de prediking wel geloofd hebben, en nu door Gods genade de arm des HEEREN wel aan ons geopenbaard is, nu is het toch anders geworden. Nu zeg ik toch, terwijl ik in de ervaring van mijn hart vaak nog zoveel, ja misschien wel alles mis: ‘Hij is mijn liefste, mijn hoop, mijn enige verlangen. Wie heb ik nevens U omhoog, wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, op aarde nevens U toch lusten. Niets is er, waar ik in kan rusten.’
We gaan dat nu samen eerst zingen uit Psalm 73:13:
Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, Op aarde nevens U toch lusten? Niets is er, waar ik in kan rusten. Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart Of bangen nood, mijn vlees en hart, Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
Gemeente, de voorbereidingspreek van vanmorgen gaat over Jesaja 53, over de lijdende Knecht des HEEREN. We hebben gelet op Zijn woord, op Zijn herkomst, en nu in de derde:
Want we lezen in vers 3: Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht. Hij was veracht. En de onwaardigste onder de mensen, dat wil zeggen: verlaten door mensen. Dat was Zijn leven. Hij werd vergeten door Zijn vrienden. Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Johannes 1:11Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.). Hij werd verloochend door Petrus (Johannes 18). Hij werd verlaten door al Zijn discipelen (Markus 14:50En zij, Hem verlatende, zijn allen gevloden.). Veracht, zoals de dichter van Psalm 22 al zong: Ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk (22:7) Een Man van smarten, een zichtbare lijdende Man, lijdend in de volle zin van het woord: lichamelijk (in de volle omvang van hoe een mens lijden kan) en ook in Zijn ziel. Ik denk in dit verband aan wat onze catechismus zegt: Hij heeft aan lichaam en ziel, de ganse tijd van Zijn leven op de aarde, maar inzonderheid aan het einde van Zijn leven, de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen (zondag 15, aw. 37; zie ook Klaagliederen 1:12Lamed. Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de HEERE mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns.).
Hij was een Man van smarten. In het vorige hoofdstuk, in Jesaja 52: 14 staat: Zijn gelaat was verdorven. Dat wil zeggen: misvormd, wanstaltig, buiten menselijke gelijkenis, onmenselijk misvormd, ontluisterd. In plaats van heerlijkheid en luister, nu ontluisterd en misvormd.
Aangrijpend, maar tegelijktijdig ook zo nodig. Want het moest. Zo moest Hij lijden (Lukas 24:46En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage.) Aangrijpend, maar ook zo troostvol. Want Hij deed het vrijwillig en van harte. De eerste Adam ontluisterde zichzelf en benam ons alle heerlijkheid, die er sinds de schepping op de mens gelegd was. En sindsdien zijn wij allen misvormd en ontluisterd
En nu legt (en dat ziet Jesaja profetisch voor zich) de tweede Adam vrijwillig Zijn hemelse heerlijkheid en luister af, plaatsvervangend, om zulke door de zonde misvormde en ontluisterde mensen weer terug te brengen tot een staat van herstel en vrede met God.
Een Man van smarten. En verzocht in krankheid. Dat wil zeggen: een Man gekend door het lijden. Het lijden kende Hem, en Hij kende het lijden. Hij was getekend door lijden, een Kruisdrager in de volle betekenis van het woord. Maar ‘ziekte’ is in de profetie van Jesaja ten diepste een teken en beeld van zonde. Dat blijkt al direct aan het begin van zijn profetie in Jesaja 1, waar hij schrijft (als bloemrijke beschrijving van de door de zonde ontluisterde mens: Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht (Jesaja 1:5-6). En nu toont Jesaja hier de lijdende Knecht des HEEREN: getekend in datzelfde lijden, in diezelfde ontluistering, vanwege de zonde van al de Zijnen, zonden, die Hij Zelf nooit had gekend of gedaan.
En dan, opnieuw aangrijpend: een Man van smarten, en verzocht in krankheid, en… Een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem! Calvijn zegt: (1) ze hebben zich minachtend van Hem afgekeerd. Maar er is ook een ander aspect: (2) dat verbergen van het gezicht is ook een uitdrukking van angst. Want dat zichtbare lijden van de Heere Jezus Christus stond voor de mensen die Hem zagen zonder twijfel in verband met de vloek van God, die op Hem rustte. En, zo voegt Calvijn daaraan toe: (3) men heeft zijn gezicht ook voor Hem verborgen om dit lijden niet werkelijk te zien, en dus om de arm van de HEEREN niet te op te merken. Dit wilde men niet zien. En zegt Jesaja, en dan komt het weer heel dichtbij: dit wilden wij ook niet zien. Want, zo voegt hij eraan toe: en wij hebben Hem niet geacht. Ontdekkende woorden: wij hebben Hem niet geacht. Wij hebben Hem geminacht. Wij wilden Hem niet zien. Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Het woord der zaligheid is tot ons gezonden, maar wij hebben niet gewild. Wij hebben Hem niet ontvangen. Toen Hij onder ons wandelde, gekleed in het gewaad van Zijn Evangelie, toen hebben wij Hem veracht. En uiteindelijk hebben wij geroepen: Kruis Hem! Weg met deze! Hier zegt Jesaja, wat Petrus later op de pinksterdag zegt: Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u(!) genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood (Handelingen 2:23Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;).
Veracht, verworpen, verafschuwd, een smaad van mensen. Verlaten, door mensen in de steek gelaten. Een worm, geen man. De steen, die de bouwlieden verworpen hebben… Dat is Jezus! Luther zegt kernachtig: De ganse vrucht van het lijden van Christus, is dat wij van onszelf schrikken.
En de bekende dichter Revius schreef: T’en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die U kruisten, Noch die verraderlijk U togen voor ’t gericht, Noch die versmadelijk U spogen in ’t gesicht, Noch die u knevelden, en stieten U vol puisten,
T’en zijn de krijgslui niet die met hun felle vuisten De rietstok hebben of de hamer opgelicht, Of het vervloekte hout op Golgotha gesticht, Of over Uwe rok saam dobbelden en twisten –
Ik ben ‘t, o Heer, ik ben ’t die U dit heb gedaan, Ik ben de zware boom die U had overlaân, Ik ben de taaie streng waarmee U ging gebonden, De nagel en de speer, de gesel die U sloeg, De bloed-bedropen kroon die Uwe schedel droeg, Want dit is al geschied, helaas! om mijne zonden.
Zo, alleen zo, met die gestalte van ons hart, kunnen we, kinderen van God, waardig het sacrament van het Heilig Avondmaal vieren. Met berouw, met bitter klagen in ons hart, want: ‘Heere, dat wat ik hier zie, dat wat ik hier tast en proef, dat is om mij! Ik ben het, die U dit heb gedaan. Om mij is Uw lichaam gebroken en Uw bloed vergoten. Dit is al geschied, helaas, om mijn zonden.’
Zonder die diepe verootmoediging in uw hart, gemeente, moet u niet aangaan aan de tafel des Heeren. Jezus is geen vriend, die je met blijdschap aanneemt. Jezus is niet Iemand voor wie je kiest, om samen mee te leven. Jezus is de Man van smarten, die ik veracht heb, die ik niet wilde, Wiens kroon ik vlocht, Wiens beker ik vulde. Jezus is de Man die ik gekruist heb! En alleen omdat de arm des HEEREN aan mij geopenbaard is, alleen daarom (anders was het nooit anders geworden in mijn leven!), alleen daarom heb ik leren zien wie ik ben en wat ik deed. Namelijk dat ik tegen God gezondigd heb. En dat ik Zijn lieve Zoon in bittere haat heb doorstoken. En nu kan ik niet anders, dan met bittere tranen om zo veel zonden, en tegelijkertijd met diepe verwondering en verbazing komen en zeggen: ‘Heere, deed U dat om mij? Liet U Zich minachten, zo minachten om mij? Want ik heb U ook niet geacht..., Ik minachtte U ook, net als iedereen.’
Als we zo mogen aangaan, kinderen van God, dan schittert er iets in het Heilig Avondmaal, juist tegen de zwarte achtergrond van onze schuld, van ons verzet, van onze minachting en vijandschap, dan schittert er tegen die donkere achtergrond juist iets in het Heilig Avondmaal van Gods eenzijdige liefde.
Hij zocht ons, terwijl wij Hem niet zochten. Hij vond ons, terwijl wij niet naar Hem vroegen (Jesaja 65:1Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.). Dan schittert er iets in het Heilig Avondmaal van de weergaloze liefde van Christus. Want dat Hij Zich vrijwillig en met de liefde van Zijn hart zo diep vernederde, en zo nameloos diep leed voor ons, die Hem dit aandeden, dat is echt onbegrijpelijk. Dan schittert er in het sacrament van het Heilig Avondmaal iets van het grote werk van de Heilige Geest, die de arm des HEEREN in ons leven wilde openbaren, dwars tegen al ons verzet en onze vijandschap in. Hij brak ons, in liefde. Eerst achtten wij Hem, Christus, niet. Wij minachtten Hem. Maar nu is Hij het hoogste van onze blijdschap, al onze hoop en lust.
Geliefde gemeente, aangaan aan de bediening van het Heilig Avondmaal, kan alleen met een gebroken hart en met een verslagen geest, opziend (in verwondering, in verbazing, met schaamte en dankbaarheid) naar dit grote wonder: dat God Zijn enig geliefde Zoon gaf, tot in de dood, ja, tot in de dood van het kruis, voor zo’n verloren mens.
Als u daar niets van kent (u weet het allemaal wel, maar u kent het niet in de ondervinding van uw hart, u hebt er geen bevindelijke kennis aan), als u daar niets van kent of als Jezus alleen maar een keus van uw hart is, zonder dat de arm des HEEREN ooit aan u is geopenbaard, gaat u dan volgende week alstublieft niet aan het Heilig Avondmaal? Maar blijft u ook niet thuis! Het is niet goed, gemeente, als er bij de bediening van het sacrament lege banken zijn. Kom en zie! Ook als u geen deelhebt aan dit heil, ook als u het woord van de prediking tot nu toe niet geloofd hebt. Kom dan, en hoor dan niet alleen, maar zie ook: wie u bent en wat u deed en doet. U zondigt tegen God. U veracht Christus. U minacht Hem, u gelooft Zijn woorden niet. Laat het u dan toch ontdekken aan wie u bent, en laat het u zo toch tot een eeuwige zegen worden, terwijl u beschaamd in uw bank moet blijven zitten.
Maar als u iets kennen mag van dat verbroken hart, van die verslagen geest, om zo veel zonden die Gods hoogheid schonden, omdat u tegen God gezondigd hebt en omdat u persoonlijk de kroon van Jezus vlocht en Zijn beker vulde… Als u iets kennen mag van dat hongeren en dorsten naar Hem, naar de verzoening door Zijn bloed... Als u iets kennen mag van dat innige heimwee naar de vrede met God, die u niet meer zoekt bij uzelf, maar buiten uzelf in Christus Jezus… En als u iets kennen mag van hartelijke dankbaarheid, van lust en verlangen om naar al Gods geboden te leven… Als dat zo is, kom dan, volgende week zondag, en verkondigt de dood des Heeren, totdat Hij komt.
Amen.
Slotzang Psalm 31:1, 11:
Op U betrouw ik, HEER der heren, Op U, gelijk 't betaamt; Ai, laat mij nooit, beschaamd, Van Uwen troon teruggekeren; Help mij, op mijn gebeden, Door Uw gerechtigheden.
Terwijl zij samen zich verbinden Besluiten zij mijn dood. Maar, HEER, 'k vertrouw in nood Op U; dit doet mij sterkte vinden; 'k Mag, met gelovig roemen, U mijn Verbondsgod noemen.
Andere preken over Jesaja
Andere preken voor Lijdenstijd
Andere gerelateerde preken