PREEK · VRIJE STOFFEN

Bekering van de stokbewaarder – Handelingen 16

21 augustus 2016

Handelingen 16:29-30: En als hij licht geëist had, sprong hij in en werd zeer bevende en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten; En hen buitengebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde?

INLEIDING

Na een wonderlijke aardbeving valt de stokbewaarder van Filippi bevend neer voor Paulus en Silas met de indringende vraag uit Handelingen 16:30: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? Deze leespreek volgt zijn weg van nood tot genade, en laat zien hoe het geloof in Christus alleen redding brengt, voor hem en zijn hele huis.

THEMA

De bekering van de stokbewaarder

KERNPUNTEN

  1. Een vraag vol nood
  2. Een antwoord vol genade
  3. Een leven vol toewijding

HANDELINGEN 16:23-34

23 En als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis en geboden den stokbewaarder dat hij hen zekerlijk bewaren zou;
24 Dewelke zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker en verzekerde hun voeten in den stok.
25 En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen; en de gevangenen hoorden naar hen.
26 En er geschiedde snellijk een grote aardbeving, alzo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden; en terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los.
27 En de stokbewaarder wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard en zou zichzelven omgebracht hebben, menende dat de gevangenen ontvloden waren.
28 Maar Paulus riep met grote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier.
29 En als hij licht geëist had, sprong hij in en werd zeer bevende en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten;
30 En hen buitengebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde?
31 En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
32 En zij spraken tot hem het Woord des Heeren, en tot allen die in zijn huis waren.
33 En hij nam hen tot zich in dezelve ure des nachts, en wies hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen.
34 En hij bracht hen in zijn huis en zette hun de tafel voor, en verheugde zich dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.

VOLLEDIGE TEKST

Bekering van de stokbewaarder – Handelingen 16

ds. J. IJsselstein - Handelingen 16:29-30

THEMA

De bekering van de stokbewaarder

Gemeente, Paulus is met Silas, Timotheüs en Lukas op zijn tweede zendingsreis aangekomen in de stad Filippi. Op de sabbat hebben ze gesproken met een groepje vrouwen, buiten de stad, aan de oever van de rivier, en de Heere heeft het hart van Lydia geopend, zodat ze met heel haar hart de boodschap geloofde die Paulus bracht.

Maar daarna breekt er voor de apostelen in Filippi een moeilijke tijd aan. Iedere dag, dagenlang (er staat in vers 18 zelfs: vele dagen) loopt er een meisje met een waarzeggende geest achter hen aan. Ze is bezeten door een duivelse geest en ze roept als maar, zo staat in vers 17: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen. Hoe we dat moeten duiden, laat ik nu maar even rusten. Maar daar zat natuurlijk iets achter, daar zat iets duivels achter. En dus, op een gegeven moment (Paulus is er echt heel ontevreden over), op een gegeven moment draait Paulus zich om en hij bestraft die duivelse geest, en… die geest van haar bezetenheid verdwijnt.

Wat een verlossing voor dat meisje, voor die slavin. Eindelijk is ze bevrijd uit de macht, die haar al zo lang in de greep hield. Maar, de mannen die goed verdienden aan dat toekomst voorspellen door die waarzeggende geest, die zijn daar natuurlijk niet blij mij (vers 16). En dus gaan ze zich beklagen bij het stadsbestuur, bij de magistraten (vers 20). Ze zeggen: ‘we dachten, dat we die joden kwijt waren uit onze stad, maar ze zijn er weer!’

Er komt onrust, er komt rumoer, er komt tumult van. En Paulus een Silas worden hardhandig opgepakt. De kleren worden van hun lijf gescheurd, ze worden gegeseld, ze krijgen slaag en worden door de gevangenisbewaarder in de binnenste kerker geworpen (24). Ze worden geworpen in de diepste gevangeniscel, onder de grond, met andere woorden: in het allerkoudste, allersmerigste en allerdonkerste hol dat er is. Ze worden erin geworpen, ze worden erin gegooid. Ze worden er niet ingezet, maar het gaat hardhandig. En hun voeten worden verzekerd in de stok (vers 24). De stok, dat was een lange balk, waar twee halfronde inkepingen in zaten. De voeten van de gevangenen werden erop gelegd, er kwam eenzelfde soort balk overheen, en dan zaten de voeten van de gevangenen muurvast. Dan zat je echt zo vast, dat je nooit meer kon weglopen.

Paulus en Silas: ze zitten in de binnenste kerker, hun voeten in de stok, de deur dicht… Zo, opgeruimd staat netjes.

Daar zit je dan. De reis leek zo voorspoedig te verlopen: Lydia bekeerd, dat meisje verlost van die waarzeggende geest… En nu? Maar zo gaat het vaker in de dienst van de Heere. Juist als de Heere werkt, juist dan komt er tegenstand. Wat zouden Paulus en Silas tegen elkaar gezegd hebben? ‘Paulus, joh, we hadden nooit aan deze reis moeten beginnen’ ‘Je hebt gelijk, Silas, we moeten hier zo snel mogelijk zien weg te komen.’ Nee, weet je wat ze gezegd hebben tegen elkaar? ‘Kom, laten we samen bidden, laten we samen zingen.’ Kijk maar in vers 25: En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen en de gevangenen hoorden naar hen. Midden in de nacht! Het is tijd om te slapen! Nee hor, het is tijd om te bidden en te zingen. En iedereen mag het weten, en iedereen mag het horen.

Wat zouden ze gebeden hebben? Ze hebben vast aan de Heere gevraagd om ondersteuning en vertroosting in hun lijden. Maar ze hebben vast ook gevraagd en gebeden of deze weg ten goede zou mogen komen aan de verspreiding van het Evangelie. Ze hebben vast gebeden of ook hun vijanden de weg der zaligheid (waar dat meisje steeds over riep) zouden mogen vinden.

Ze baden. En: ze zongen lof: Gode lof, lof voor God! Ze loofden en dankten de Heere, dat zij waardig geacht waren om, om Zijn Naam, smaad te lijden (Handelingen 5:41). Ze zingen, ze zijn goedsmoeds, ze hebben hoop op God. En dus zingen ze. Zoals Jakobus later zegt: Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge (Jakobus 5:13).

Ze zingen en bidden zo hard, dat de mensen in de gevangenis er wakker van worden. Misschien hebben ze eerst wel gemopperd en gespot: ‘mannen daar, ophouden! Jullie lijken wel gek! Wie gaat hier nu zitten zingen? Het is midden in de nacht! We willen slapen!’ Maar even later is het anders: ze luisteren, verwonderd en verbaasd… Wat hebben deze mannen toch, van wie heel de stad weten dat ze de Allerhoogste God dienen en de weg der zaligheid verkondigen? Wat hebben deze mannen toch, dat ze hier in dit onderaardse hol zitten te bidden en te zingen? Wat is hier toch aan de hand? Normaal weerkaatsen deze muren hooguit gevloek en geschreeuw, en nu dit…

Maar dan opeens, dan opeens schudt en beweegt de grond. In de aarde beneden is diep gerommel, in de gevangenis zelf krakende de muren, stenen vallen van de muur… En, kijk eens: de deuren van de cellen gaan open! En, kijk eens: de gevangenen voelen ineens dat hun banden, de kettingen en blokken waarmee ze vastzitten, losspringen!

Dit is geen gewone aardbeving. Daar stort een gevangenis misschien wel van in, maar de deur blijft dicht en de boeien blijven vast. Dit is een hele bijzondere aardbeving. Dit is een teken van God de Allerhoogste, waar dat meisje over riep, van de God van Wie deze mannen boodschappers van zijn. Het is de Heere, Die aan iedereen in de gevangenis laat zien en weten: deze mannen zijn van Mij, dit zijn Mijn knechten. Het is trouwens ook een boodschap van de Heere voor Paulus een Silas: u hoeft niet bevreesd te zijn, al veranderde de aarde van plaats (Psalm 46:3). En, dit is vooral een voelbare preek! Dat meisje riep toch steeds van Mij, dat Ik de Allerhoogste God ben, en dat deze mannen de weg der zaligheid verkondigen? Dat klopt, kijk, dat doe Ik, God, zo: Ik bevrijd gevangenen, Ik maak banden en boeien los.

Maar…, daar is de gevangenisbewaarder! Daar is de stokbewaarder! Hij sliep, maar ineens schrikt hij wakker (27). ‘O nee, dit is een nachtmerrie: alle deuren los, alle gevangenen zonder boeien!’ Dit is het ergste wat een gevangenbewaarder kan overkomen. Als zij weg zijn, dan krijg ik de doodstraf! Laat ik dan mezelf maar van het leven beroven… (vers 27). ‘Nee’, roept Paulus, niet doen! ‘Doe uzelf geen kwaad! Want wij zijn allemaal hier’ (28).

En dat alles gebruikt de Heere als middelen voor de grote omwenteling in het leven van deze brute man, in het leven van deze stokbewaarder. De tekst voor de preek van vanmorgen, die gaat over de bekering van de stokbewaarder, kunt u vinden in Handelingen 16, daarvan de verzen 29 tot en met 34. We lezen samen uit het Woord van God Handelingen 16:29-34: En als hij licht geëist had, sprong hij in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten. En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? En zij zeiden: Geloof in de Heere Jezus Christus, en u zult zalig worden, u en uw huis. En zij spraken tot hem het woord des Heeren, en tot allen, die in zijn huis waren. En hij nam hen tot zich in dezelve ure des nachts, en wies hen van de striemen, en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen. En hij bracht hen in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: De bekering van de stokbewaarder We letten op drie aandachtspunten: op een vraag vol nood, op een antwoord vol genade, en op een leven vol toewijding. U herkent er ongetwijfeld de Bijbelse drieslag in: ellende, verlossing en dankbaarheid. Dus: De bekering van de stokbewaarder 1. Een vraag vol nood 2. Een antwoord vol genade 3. Een leven vol toewijding

Als eerste dus:

1. Een vraag vol nood

Hij roept om licht, springt naar voren en valt bevend aan de voeten van Paulus en Silas. Is dat alleen maar respect en hoogachting? Nee, anders hadden Paulus een Silas, net als Petrus bij Cornelius, wel gezegd: ‘man, niet doen, opstaan…’ (Handelingen 10:25-26). Nee, hier is een man met een verslagen hart, een man die ineens zijn nood en ellende scherp voor ogen ziet. Je voelt het ook aan zijn haast: hij springt in en valt op de grond!

Hij heeft deze mannen ruw behandeld en met grof geweld in het diepste hol van de gevangenis gegooid. Maar nu, uit deze aardbeving, uit het wonderlijke wat nu gebeurd is, blijkt dat God met hen is: De allerhoogste God, waar het meisje de laatste tijd over liep te roepen. Dus hij heeft de dienstknechten van de allerhoogste God wreed behandeld. En dus heeft hij tegen God gevochten. Zeker, hij is ook geschrokken omdat de gevangenen los zijn, hoewel ze er allemaal nog zijn. Hij is vast ook bang voor wat er verder gebeuren zal. Maar de grootste nood is de nood van zijn hart: ik heb gezondigd tegen de God van deze mannen! En dus zegt hij vol respect en diep verootmoedigd: Heren (je voelt de eerbied in zijn stem), wat moet ik doen om zalig te worden? (vers 30)

Hebt u deze vraag al weleens gesteld voor eigen hart en leven? Is dit ook de zorg, de nood van uw, van jouw hart? Wat moet ik doen om zalig te worden, want ik zie dat ik op weg ben naar de rampzaligheid? Is dit uw hartevraag, wetend dat u weg bent naar de grote dag van de ontmoeting met God? Is dit gebed ook uw gebed, het gebed waarmee u de woorden die u hier hoort thuis nat maakt met hartetranen: Heere, wat moet ik toch doen, opdat ik zalig worde?

Laten we, gemeente, voordat we verder gaan eerst zingen van dit angstige bidden uit de nood van een verslagen hart, met woorden van Psalm 141. We zingen samen Psalm 141:1 en 9: 'k Roep, HEER’, in angst tot U gevloden, Ai, haast U tot mijn hulp en red; Hoor naar de stem van mijn gebed, Daar ik U aanroep in mijn noden.

Doch op U zien mijn schreiend' ogen; Op U betrouw ik in 't verdriet; Verlaat, ontbloot mijn ziel toch niet, O HEER’, o eeuwig Alvermogen!

Gemeente, wanneer stel je voor jezelf die vraag: wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? Die stel je, als je je nood en ellende ziet. Welke nood is dat? De nood van je blindheid en onwetendheid, waardoor je de geestelijke dingen niet begrijpt. Dat je ze wel hoort en weet en er misschien ook wel over praat, maar dat je ze niet begrijpt (1 Korinthe 2:14). De nood dat je God kwijt bent, dat je gezondigd hebt tegen de hoge en heilige God, terwijl je was geschapen tot de eer en glorie van Hem. De nood dat je diep in je hart een atheïst bent, zoals de dwaas van Psalm 53 die zegt: Er is geen God (Psalm 53:2). Ik ben God kwijtgeraakt, maar ik wil Hem ook niet meer terug… De nood dat je hart een bron is van zoveel kwaad (Markus 7:21-22), en daarbij is je hart zo hard en onbeweeglijk. De nood dat in je hart en leven geen goed woont (Romeinen 7:18): geen liefde tot God, geen gehoorzaamheid, geen verlangen om terug te keren naar God, geen verlangen naar Christus. De nood dat je leeft onder de toorn en de wraak van de Almachtige. Zoals Johannes schrijft: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Johannes 3:36). De nood van je slavernij in de dienst van de satan (2 Timotheüs 2:26). De nood dat je zonder toekomst, zonder hoop op een betere wereld hierboven bent, dat je slechts het perspectief hebt, dat je als een van de kwade vissen weggeworpen zult worden op het strand van de eeuwigheid (Mattheüs 13:48). Moet die nood, moet die ernst, die dodelijke ernst van uw situatie ook jou niet dringen om te zeggen met de stokbewaarder: wat moet ik toch doen, opdat ik zalig worde? Ben je niet bang, dat je je ziel zult gaan verliezen? Waar zal de dood je straks heenvoeren? Waar zal je zondige leven je straks brengen?

Wat moet ik doen opdat ik zalig worde? a. Het is (in de eerste plaats) een vraag vol eerbied en respect, maar het is vooral ook een vraag vol diep berouw: het is een vraag van een gebroken hart. b. Het is (in de tweede plaats) ook een ernstige en een persoonlijke vraag. De stokbewaarder zegt niet, zoals zoveel mensen zeggen: ‘wat moet er gebeuren in een mensenleven?’ Nee, hij zegt (en je voelt: het is zijn persoonlijke nood!), hij zegt: wat moet ik doen? c. Het is (in de derde plaats) een vraag waaruit zijn bereidheid blijkt om alles te doen, wat hij zal moeten doen. Wie werkelijk zo, net als deze man, overtuigd is van zijn kwaad, die is ook onvoorwaardelijk bereid om te doen wat God van hem of haar vraagt. Wat wilt U dat ik doen zal (Handelingen 9:6)? En die is ook onvoorwaardelijk bereid om zalig te worden zoals God het wil, volgens Zijn voorwaarden. d. Het is (in de vierde plaats) een vraag waarmee hij vraagt naar de weg. Er zijn best wel mensen die iets van hun nood voelen. Maar er zijn zoveel mensen die het

daarbij laten. Ze zijn er wel gerust en tevreden mee. Ze kunnen er iets over vertellen, en verder… niets. Jesaja zegt: wilt gijlieden vragen, vraagt (Jesaja 21:12)! Vraag toch, gemeente, naar de weg om zalig te worden, wetend dat de Heere beloofd heeft om als de hemelse Vader Zijn Heilige Geest te geven aan degenen die Hem daarom bidden (Lukas 11: 13). e. Het is (in de vijfde plaats) een vraag waaruit ook gebrek aan kennis en geestelijk inzicht blijkt, als hij vraagt: wat moet ik doen? Hoe vaak wordt dat niet gevraagd door berouwvolle zondaars: wat moet ik doen? Want ik wil werken om zalig te worden, ik wil iets doen! Maar genade is jezelf laten zalig maken, genade is zelf niets doen. Wat is dat moeilijk! Want ik wil graag zelf iets doen. De Heere Zelf moet ons daarvan af brengen…

We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Een antwoord vol genade

Lieve heren, wat moet ik doen om zalig te worden? Broeders, wat zouden wij geantwoord hebben, op catechisatie, op huisbezoek? ‘Man, vertel eerst eens wat meer? Sinds wanneer hebt u berouw?’ ‘Hoe is dat eigenlijk begonnen? Is het wel echt berouw? Of bent u alleen maar onder de indruk van deze aardbeving?’ ‘Bent u bang voor de straf? U wilt zalig worden, maar bent u een echte Godzoeker of bent u alleen maar een gelukzoeker?’ ‘En trouwens, hebt u ook wel echt berouw over het feit dat u ons zo mishandeld hebt?’

Of, aansluitend bij de vraag ‘wat moet ik doen’: ‘Nou, begin eerst maar uw leven te beteren. Eerst maar eens een paar keer naar de kerk komen. Eerst het binnenste van uw hart maar eens proberen te reinigen.’

Ja, dat kunnen we zeggen tegen iedereen (niet dat het ooit iets verandert aan het menselijke hart), maar geen enkele berouwvolle zondaar zal daar tevreden mee kunnen zijn. Het zijn ook dwaalwegen en verkeerde antwoorden. Dus, dat soort van dingen zeggen we niet, en zulke vragen stellen we niet. Maar wat dan wel? De bekende bijbeluitlegger Matthew Henry zegt: Evangeliedienaars moeten boetvaardige (dat wil zeggen: berouwvolle) zondaars (dat is niet iedereen, maar dat is de stokbewaarder wel!) aanmoedigen, tegemoet gaan, bij de hand nemen om tot Christus te komen. En ondertussen moeten ze de eer van Christus meer zoeken dan hun eigen eer.

Evangeliedienaars moeten berouwvolle en boetvaardige zondaars aanmoedigen, tegemoet gaan, bij de hand nemen om tot Christus te komen. Nee, wij moeten niet zeggen: ‘Doe je best. Probeer leven te beteren. Verwacht verbetering van jezelf.’

Nee, wij zeggen: ‘verwacht van je zelf niets meer! En val, als een verloren zondaar, neer aan de voeten van de Heere Jezus Christus.’ Wij zeggen: ‘Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden, u en uw huis!’

Geloof in de Heere Jezus Christus. Dat is het grote bevel van het Evangelie. Dat is de grote eis van een nieuwe verbond. Het is een gebiedende wijs…: om niets te doen, dan slechts een lege hand op te houden om te krijgen, wat we niet verdiend hebben.

Zeker, wij bieden in de prediking van het Evangelie Christus aan als Zaligmaker, oprecht en van harte, aan iedereen die het woord van het Evangelie hoort. Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion (Jeremia 3:14). Komt herwaarts tot (Hem), allen die vermoeid en belast zijt, en (Hij) zal u rust geven. Neemt (Zijn) juk op u, en leert van (Hem), dat (Hij) zachtmoedig is en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen (naar Mattheüs 11:28-29). Ja, zo zegt Heere: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer (Jesaja 45:22). Maar helaas, de meeste hoorders van het Evangelie zijn doof voor deze liefdevolle nodiging. Ze hechten er geen waarde aan. Ze hebben er geen belang bij, zo denken zij. Ze zien geen gedaante of heerlijkheid in de Heere Jezus Christus (Jesaja 53:2). Ze voelen zich er te goed voor. Ze zijn te druk met andere dingen.

Maar voor mensen zoals de stokbewaarder, voor verslagen zondaars ligt het anders. Zij horen het aanbod van het Evangelie wel! Maar helaas…, bij hen is er vaak een maar. Zij denken: ‘ik geloof dat dat wel voor anderen gelden kan, maar niet voor mij. Want ik ben te slecht en ik heb te veel gezondigd.’

Daarom klinkt de nodiging van het Evangelie des te nadrukkelijker en des te helderder, juist voor verslagen zondaars: Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jesaja 1:18). Gelooft in Heere Jezus Christus en u (ja u!) zult zalig worden! We nemen u, juist u aan de hand, wij moedigen u aan en komen u tegemoet, in de hoop en bede dat u komen zal, zoals de stokbewaarder, met niets dan schuld en zonden, dat u komen zal met niets dan schaamte, met niets dan met smeken en geween, tot Hem die juist gekomen is om het verlorene te zoeken.

Kom, ik neem u bij de hand in de prediking van het Evangelie. Berouwvolle zondaars, u die roept in het verborgen van uw hart: ‘Heere, wat moet ik toch doen? Ik heb zo gezondigd tegen U, de hoge en de heilige God. Ik kan mezelf niet verbeteren, ik zie geen weg… Wat moet ik toch doen om zalig te worden?’

Kom, laat me u tot Jezus leiden (Johannes 1:42). Hij is zo geschikt als Zaligmaker voor vuile zondaars. Bent u verloren? Hij kwam om het verlorene te zoeken en zalig te maken (Ezechiël 34:16, Lukas 19:10). Bent u een zondaar? Hij ontvangt zondaars en eet met hen (Lukas 15:2). Bent u goddeloos? Hij is te zijner tijd voor de goddelozen gestorven (Romeinen 5:6). Hebt u een hart vol van verzet en vijandschap? Hij is gekomen om vijanden met God te verzoenen door Zijn dood aan het kruis (Romeinen 5:10).

Er is niets in Hem, wat niet gepast is voor u. Hij heeft alles voor u. Hij heeft alles wat u nodig hebt. Juist omdat u zo’n groot zondaar bent, juist daarom is hij zo geschikt voor u. Daarom bidt de dichter van Psalm 25: HEERE, vergeef mijn ongerechtigheid want die is groot (Psalm 25:11)! Tot u, o zondaars, is het woord der zaligheid gezonden (Handelingen 13:26). Het is voor u bestemd! De Heere Jezus Christus is een volkomen Zaligmaker voor een volkomen zondaar.

Hij is geschikt, Hij is gepast, en Hij gewillig. Heeft Hij niet met al de liefde van Zijn hart Zijn leven gegeven aan het kruis? Heeft Hij Zich niet als een lam laten slachten, stemmeloos voor dien die het scheert? Heeft hij zich niet als een enig Offer zo in de dood overgegeven in de plaats van overtreders (Jesaja 53)? En was Zijn Vader in de hemel niet van harte bereid om Zijn Eniggeliefde Zoon hiervoor af te staan en over te geven? Alzo lief heeft God de wereld gehad, een wereld vol van verloren mensen (Johannes 3:16). Hij heeft Zijn Eigen Zoon niet gespaard, maar overgegeven voor zondaars (Romeinen 8:32). En was deze Eniggeliefde Zoon van de Vader niet van harte bereid om te komen, om de hemel te verlaten, om in deze verloren wereld verloren mensen op te rapen van het verderf? En heeft Hij dat niet gedaan vol van liefde en overgave, toen Hij zei: Mijn liefde en ijver brandt (Psalm 40:4, ber.)?

Berouwvolle, roepende en zoekende zondaars: Hij alleen kan en wil u alles geven wat u nodig hebt om zalig te worden! Zoek het niet meer ergens anders. En geeft de hoop op uzelf op. Kom, neem dit hemelse aanbod van de zaligheid aan, aanvaard het met lege handen, stem ermee in en onderwerp u aan Zijn voorwaarden, immers: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken (1 Timotheüs 1:15).

In de Naam van mijn Zender mag ik u uitnodigen: U mag Zijn zwarte bruid zijn, Hij wil uw Bruidegom zijn. O, sla Zijn huwelijksaanzoek toch niet af. Hij is geschikt voor u, en Hij is gewillig: die tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen (Johannes 6:37). Hijzelf heeft de toegang geopend tot Hem en door Hem tot de Vader. Nu dan, laat niets u tegenhouden. Niet uw zonden, niet uw schuld, niet uw ongeschiktheid voor Hem. U bent wel ongeschikt voor Hem, maar Hij is geschikt voor u.

Als Hij al Zijn goederen, Zijn verdiensten, zegen en genade, ja Zichzelf aan u aanbiedt, ontvang Hem dan met lege handen. Stem er dan mee in, dat Hij u zal zalig maken, dat Hij u zal redden van het verderf en zal terugbrengen tot God, met Wie u zo schandelijk gebroken hebt.

Het zal een wijze, een manier, een weg zijn, waarin Hij niets van u zal waarderen en gebruiken. Geef hem slechts uw schuld, en Zijn vrijspraak zal de uwe zijn. Geef hem slechts uw zonden, en Zijn vergeving zal over u komen. Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden. Want Hij is, zo schrijft Johannes, gegeven tot een verzoening voor onze zonden (1 Johannes 2:2). Er is ruimte in Zijn bloed. O, kom dan, en roep met de vader van de maanzieke jongen, met tranen: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp (Markus 9:24).

Dan zult u zalig worden. Dan zal deze Middelaar u in vrede herstellen met God. Al het Zijne zal van u zijn, en u zult van Hem zijn. Want een iegelijk (wie u ook bent), die de naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden (Handelingen 2:21).

U en uw huis. U en uw gehele huishouding. Wat er is meer genade, niet alleen voor een. Maar in de lijn van het verbond ook voor anderen, om door genade (niet als automatisme, maar door genade alleen) zalig te worden.

Nog kort onze derde gedachte:

3. Een leven vol toewijding

Trouwens, was dat een soort van ritueel? En soort opgedrongen slogan: ‘Zeg dat je gelooft!’ ‘Ja, ik geloof!’ Nee, het was een hartzaak voor de stokbewaarder. En er is ook meer gezegd dan dit alleen. We lezen in vers 32: En zij spraken tot hem het woord des Heeren, en tot allen, die in zijn huis waren.

De hoofdzaken van de leer van het Woord van God hebben Paulus en Silas aan hem en zijn huishouding voorgehouden. Beknopt, beperkt, want langer dan enkele uren kan het niet geduurd hebben. Matthew Henry zegt: ze hebben spoedig genoeg gezegd, het wezen van de zaak ligt in klein bestek. En de stokbewaarder heeft het Woord geloofd. En nu deze man, door Gods genade, door het geloof de Heere Jezus Christus heeft mogen omhelzen, nu de Heere zo’n krachtig geloof in hem heeft gewerkt, nu blijkt het werk van de Heere ook uit de vrucht in zijn leven. Hij neemt die mannen in huis en wast hun wonden (33 en 34). Hij zet ze de tafel voor om te eten (34).

En hij verheugt zich, dat hij met heel zijn huis aan God gelovig is geworden (32). En hij wordt ook gedoopt, net als Lydia, met de Heilige Doop als teken en zegel van Gods verbond. Het is voor de stokbewaarder ook een publieke belijdenis van begraven zijn met Christus, en met Hem opgewekt zijn tot een nieuw leven (Romeinen 6:4).

Zie hier de vruchten van het geloof, ook een spiegel voor ons hart: Blijdschap: Hij smaakt dat de Heere goedertieren is. En hij verheugt zich met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, verkrijgende het einde des geloofs, namelijk de zaligheid van zijn ziel (naar 1 Petrus 1:8-9). Blijdschap, en liefde, (net als bij Lydia) liefde tot de broeders. Want, zo schrijft Johannes: Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben. Die zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood (1 Johannes 3:14).

Want oprechte bekering blijkt niet uit mooie woorden, niet uit heftige emoties of innemende gedachten, maar oprechte bekering en zaligmakende genade blijken altijd uit de vrucht.

Amen.

Slotzang Psalm 116:3,4:

Och HEER’, och, wierd mijn ziel door U gered! Toen hoorde God; Hij is mijn liefde waardig; De HEER’ is groot, genadig en rechtvaardig, En onze God ontfermt zich op 't gebed.

D' eenvoudigen wil God steeds gadeslaan; 'k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder. Keer, mijne ziel, tot uwe ruste weder; Gij zijt verlost; God heeft u welgedaan.