PREEK · VRIJE STOFFEN

De blinde Bartimeüs genezen – Markus 10

11 maart 2026

Markus 10:47-48: En horende dat het Jezus de Nazaréner was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner. En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Gij Zone Davids, ontferm U mijner.

INLEIDING

In Markus 10:46-52 zit de blinde Bartimeüs aan de weg van Jericho en roept uit de nood van zijn hart: 'Jezus, Zone Davids, ontferm U mijner!'—een schreeuw die door veel tegenstand heen blijft galmen totdat Jezus stilstaande vraagt wat hij begeert. In deze geschiedenis van volhardend gebed en genadewerking openbaart zich hoe het geloof in Christus, hoe klein ook, zalig maakt en geneest.

MARKUS 10:46-52

46 En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timéüs, Bartiméüs, de blinde, aan den weg, bedelende.
47 En horende dat het Jezus de Nazaréner was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner.
48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Gij Zone Davids, ontferm U mijner.
49 En Jezus stilstaande, zeide dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed, sta op, Hij roept u.
50 En hij zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus.
51 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Wat wilt gij dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni, dat ik ziende mag worden.
52 En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.

VOLLEDIGE TEKST

De blinde Bartimeüs genezen – Markus 10

ds. J. IJsselstein - Markus 10:47-48

Jongens en meisjes, het is biddag. Bidden, hoe doe je dat? Als je daaraan denkt, dan kan je denken aan wat je ziet. Aan iemand die stil zijn handen vouwt en bidt… Op zijn knieën, zittend of staand… Maar je kan ook gewoon op school (of waar je ook bent) stil bidden…

Als je denkt aan bidden, kan je ook denken aan wat je niet ziet. Ik bedoel: aan wat je bidt en aan hoe je bidt. Je kan bidden, zonder erbij na te denken. Je kan bidden, alsof je je verlanglijstje aan de Heere geeft: Ik wil graag dit en dat… Maar…, je kan óók bidden met een schreeuw om hulp: Heere, help me!

Zoals Bartimeüs dat in de tijd van de Heere Jezus ook deed. Over hem gaan we vanmorgen nadenken in de preek. Of beter gezegd: over hoe de Heere Jezus naar zijn roepen luistert en hem beter maakt. Probeer goed te luisteren. En lees (als je dat al kunt) maar mee in je Bijbel.

Ik lees vers 46 en het begin van vers 47 voor. Daar staat: En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timéüs, Bartiméüs, de blinde, aan den weg, bedelende.

De Heere Jezus is met Zijn discipelen op weg naar de stad Jeruzalem. Om daar straks te lijden en te sterven. Maar onderweg komt Hij door een andere stad, door Jericho. En daar zit de zoon van Timéüs, Bar-Timéüs heet hij, de blinde, aan de weg, te bedelen.

Dus (hoewel we hem nooit in het echt zijn tegengekomen) we weten wel een paar dingen van hem. We weten vier dingen van hem.

a. Het eerste wat we van hem weten, is zijn naam. Hij heet Bartimeüs, de zoon (bar) van Timeüs. Timeüs betekent in de Aramese taal: onrein, niet schoon voor God, zondig dus. En dus betekent Bartimeüs: zoon van de onreine, zoon van de zondige vader. Precies zoals wij allemaal zijn: kinderen van zondige vaders en moeders, onrein in ons hart voor de Heere.

b. Het tweede wat we van hem weten is: hij is blind. En dat is heel erg. Misschien ken je ook wel iemand, een jongen of meisje, dat blind is. Moet je je voorstellen! Als je blind bent, is het altijd donker. Nooit zie je je pappa of mamma. Nooit zie je de zon, de maan en de sterren. Dat is echt heel erg. Zoals er ook kinderen zijn die niet kunnen horen, niet kunnen praten of niet kunnen lopen. Maar dat betekent niet dat je niet echt vriendjes of vriendinnetjes kunt zijn. Juist wel! Want ieder kind wil graag met anderen meedoen.

Trouwens, dat blind zijn van Bartimeüs wijst (net als zijn naam) ook naar iets anders. We zijn van onszelf allemaal blind, geestelijk blind, blind in ons binnenste, blind in ons hart. ‘t Is donker in ons hart. We zien niet hoe heilig de Heere is. We zien niet hoe erg zonde is. We zien niet hoe slecht ons hart kan zijn. We zien niet hoe bijzonder het is, dat de Heere Jezus naar deze aarde kwam. Hij kwam om zondige mensen zalig te maken. We zien niet hoe groot het medelijden, hoe groot de liefde van de Heere Jezus is. Ons hart is (net als dat van Bartimeüs) blind.

Dus Bartimeüs heeft geen naam om trots op te zijn, hij is blind (hij kan niet zien) en, dat is het derde wat we van hem weten:

c. Hij zit aan de weg te bedelen. Want hij kan niet werken. Hij kan geen geld verdienen. En dus houdt hij zijn hand op, om van de mensen die voorbijkomen iets te vragen. Dus, hij is niet alleen blind, maar ook arm! Zoals wij van onszelf ook arm zijn in ons hart. Door onze zonden tegen de Heere zijn we zoveel kwijtgeraakt. Alles… En dus zegt de Heere tegen ons in de Bijbel: Je weet niet half hoe slecht het is met je zondige hart. Je bent: ellendig, arm en blind (Openb. 3:17).

d. We weten nog een vierde ding van Bartimeüs. Wat we nu ook weten van blinde mensen. Met hun ogen kunnen ze niet zien, maar met hun oren kunnen ze beter horen dan wie dan ook! Heel goed, heel scherp!

Dat geldt ook van Bartimeüs. Terwijl hij aan de kant van de weg zit, hoort hij dat er iets gebeurt. Jezus de Nazaréner komt eraan! Kijk maar naar vers 47: En horende dat het Jezus de Nazaréner was…

Maar… hoe zou Bartimeüs de Heere Jezus eigenlijk kennen? Hij heeft Hem nooit gezien. Want hij is blind.

Hij heeft Hem ook nooit achteraan kunnen reizen. Dat kan hij niet. Want hij zit iedere dag hier, op deze vaste plek, om te bedelen.

Hoe weet Bartimeüs nu wie de Heere Jezus is? Hij heeft van de Heere Jezus gehoord. Hij hoort toch alles zo goed? Want: het is het gesprek van de dag. Iedereen heeft het erover. Over wat de Heere Jezus allemaal doet. En Bartimeüs hoort dat de mensen het er over hebben. Jezus van Nazareth? Hij wekt doden tot leven, Hij maakt melaatsen gezond, en… Hij opent de ogen van blinden. Gisteren nog hoorde hij het verhaal van die blinde bij de andere poort van de stad: Jezus heeft zijn ogen geopend, en hij ziet! En kort geleden hoorde hij het verhaal van die blindgeborene: die heeft nooit gezien, maar nu wel! Hij heeft heel goed geluisterd, hij heeft het allemaal gehoord. Want blinde mensen zien niet, maar ze luisteren en horen des te beter! En trouwens, op de sabbat (de mensen nemen hem mee naar de kerk van de Joden, naar de synagoge), heeft hij dezelfde dingen gehoord. Toen uit de rol van de profeet Jesaja gelezen werd. Die heel lang geleden al schreef over de komst van de Heere Jezus. En dan, zei Jesaja, zullen de ogen van de blinden opengedaan worden (Jes. 35:5).

Je had zijn gezicht eens moeten zien, toen hij dat hoorde! Hoe blij hij was! Want, dat was precies, wat hij ook over Jezus had gehoord. Hij is het dus, Die komen zou. Hij is de Messias, Hij is de Verlosser! Hij is gekomen! Wat gaf het Bartimeüs hoop. Wat keek hij er sindsdien naar uit om de Heere Jezus te ontmoeten. Zou Hij hem ook beter willen maken? Maar ja, toen was de dienst in de synagoge weer voorbij. En toen kwam hij weer thuis. En toen moest hij weer verder met bedelen langs de kant van de weg.

Maar toch…. bleef hij er over nadenken. Steeds weer, en steeds meer. Maar, hoe meer hij erover nadacht, hoe meer vragen er in zijn hoofd kwamen. Hoe kom ik eigenlijk bij Jezus? Wie brengt me er? En zie ik er wel netjes genoeg uit met mijn bedel-kleren? En stel je voor dat de Heere Jezus zal vragen: ‘Hoe heet je?’ Dan moet ik zeggen: ‘Bartimeüs, kind van een onreine, kind van een zondige vader.’ Om je te schamen, toch?

Zoals jullie, jongens en meisjes, misschien ook wel denken… Ik zou zo graag een nieuw hart willen hebben, want ik doe zoveel zonden. Maar… En dan komen er allemaal van die moeilijke dingen. Mag ik wel naar de Heere toegaan? En hoe moet dat? En hoe kom ik daar? En ben ik niet te slecht, te blind, te arm, te zondig? En wat nu als de Heere hele moeilijke vragen aan me gaat stellen?

Misschien zit je vanmorgen wel zo in de kerk. Je hebt, net als Bartimeüs, gehoord van de wonderlijke dingen die de Heere Jezus gedaan heeft. Je zegt: papa en mamma waren vroeger ook blind, geestelijk blind. Zij hadden ook geen nieuw hart. Maar de Heere heeft ze genezen. Vroeger dienden ze de Heere niet, maar nu is alles anders geworden met ze. Ik zie het, ik merk het. Maar zou dat voor mij ook kunnen? Ik weet nog zo weinig van de Heere. Ik snap zoveel dingen nog niet goed. Ik vind het allemaal zo moeilijk. En wat als andere kinderen me straks uit gaan lachen?

Allemaal moeilijke vragen… Maar, let op, jongens en meisjes. Want vandaag komt ook hier de Heere Jezus langs, in de preek. Ook bij jou, met je zondige, blinde hart.

Maar laten we eerst gaan zingen uit Psalm 116:1 God heb ik lief; want die getrouwe HEER’ Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen; Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer. ----

Misschien (zo zei ik net) ben jij ook wel zo iemand, net als Bartimeüs. Blind in je hart. Een arme bedelaar, die niets heeft. Je wilt zo graag een nieuw hart. En jij hebt ook (net als Bartimeüs) gehoord van de Heere Jezus. Die nu op weg is naar Jeruzalem om daar te lijden en te sterven. Die blinde ogen kan en wil openen. Die zonde kan en wil vergeven. En nu vanmorgen komt (net als bij Bartimeüs) de Heere langs. Ook bij jou. Wat je doen moet? Wat hij deed! Lees maar mee in vers 47: En horende dat het Jezus de Nazaréner was, begon hij te roepen(!) en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner. Dat wil zeggen: Help me toch, Heere!

Bartimeüs, die langs de kant van de weg zit te bedelen, springt op! Want de Heere Jezus (van Wie hij zoveel gehoord heeft) is in de buurt. Hij ziet Hem niet, want hij is blind, en dus: moet hij roepen! Met zijn handen aan zijn mond: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner. Help me toch! Hoor je wat hij zegt? De mensen noemen Hem gewoon: Jezus de Nazarener, de man uit Nazareth. Maar Bartimeüs noemt Hem: de Zoon van David, de Messias! Deze Man, Die de doden levend maakt, Die blinden weer laat zien, Hij is de Messias, de gezonden Zaligmaker!

Hij roept heel hard! Waarom zou hij roepen? En waarom zou jij roepen? Roepen doe je, als je dringend hulp nodig hebt, als je in nood bent. En: roepen doe je, als je hoopt of weet dat er iemand is, die naar je wil luisteren. Dus, jongens en meisjes, roepen in je hart! Biddend roepen om vergeving. Want dat heb je dringend nodig. En de Heere luistert naar dat roepen. Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner. Help me, Heere! ‘Man, ga zitten. Hij hoort je heus niet. Er staan zoveel mensen om Hem heen.’ Nee! Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner. Help me, Heere! ‘Man schreeuw niet zo. Jezus is in gesprek. Hou je fatsoen.’ ‘Jezus is op weg naar Jeruzalem. Hij loopt door. Hij heeft geen tijd voor oponthoud.’ Wat zeg je, loopt Hij door? Maar, dan moet ik nog veel harder roepen. Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner. Help me, Heere! ‘Bartimeüs, stil nou. Jezus houdt zich niet bezig met mensen zoals wij, met blinde bedelaars.’ Wat zeg je, roep mee, man! Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner. ‘Bartimeüs, stil! Zo mag je Hem niet noemen. Dat willen de overpriesters niet hebben.’

Geeft niet! Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner. Vers 48 zegt: En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner. Ontferm U over mij. Help me. Wees me genadig. Ik heb het niet verdiend, Heere, door al mijn zonden. Ik ben het niet waard, maar Heere, help mij!

Heel veel mensen bestraffen hem. Ze worden boos. Ze zeggen dat hij zijn mond moet houden. In plaats van… dat ze hem bij de Heere Jezus brengen. En zo is het ook nu. Wie en wat kan je al niet proberen weg te houden bij de Heere Jezus. Het kunnen mensen zijn. Mensen die zeggen: ‘Kom op, joh, doe niet zo verdrietig over je zonden. Wees blij!’ Het kan de duivel zijn. De duivel die zegt: ‘Zeg mannetje, zeg meisje, jij bent nog veel te klein voor de Heere Jezus.’ Het kan je eigen hart zijn. Je eigen hart dat zegt: ‘Je hebt al zo lang gebeden, stop er maar mee!’ Maar niet doen, hoor! Doen wat Bartimeüs deed. Hij riep des te harder.

En de Heere luistert naar hem. En ook naar jou, als je biddend tot de Heere roept. De deur van de hemel gaat open, als je erop blijft kloppen. Het hart van de Heere gaat open, als je blijft roepen. Roep, jongens en meisjes, op deze biddag, terwijl de Heere Jezus voorbij gaat. Niet één keer, maar weer, en meer, en nog meer! En neem jezelf voor: ik zal zo lang en zo hard roepen in mijn bidden, totdat de Heere mij hoort. Want wie bidt, die ontvangt, die krijgt. De Heere hoort je stem, je smekingen, je klagen.

Daarover gaan we verder zingen uit Psalm 116 vers 3: Och HEER’, och, wierd mijn ziel door U gered! Toen hoorde God; Hij is mijn liefde waardig; De HEER’ is groot, genadig en rechtvaardig, En onze God ontfermt zich op 't gebed. ---

Vers 49 zegt: En Jezus stilstaande, zei dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u. De Heere Jezus staat stil. Het leek of Hij Bartimeüs niet hoorde. Maar nu ineens staat Hij stil. Hij zegt: ‘Roep Bartimeüs eens...’ ‘Bartimeüs’, zeggen de mensen, ‘heb goede moed, opstaan, Jezus van Nazareth roept je.’ Eerst hielden ze hem van Jezus weg. En nu doen ze kruiperig vriendelijk: ‘We hadden het niet verwacht, Bartimeüs, dat Hij met jou zou willen praten. Maar blijkbaar toch wel…’

Ja, zo is de Heere Jezus. Jongens en meisjes, arm en blind in je hart, weet je niet hoe het moet? Zit je zo te luisteren? Je denkt: zou de Heere mijn bidden en vragen wel horen? Jazeker wel! Kijk maar! Als je als een arme bedelaar bidt en roept, dan zal de Heere je horen. Dan komt ook bij jou het moment dat de Heere jou zal roepen, net als Bartimeüs.

Ik lees verder in vers 50: En hij zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus. Weg met die mantel! Hoe zo? Om harder te kunnen lopen? Ik denk het niet. Hij is blind, hij kan niet rennen. Is hij bang dat Jezus weer doorloopt? Nee, zo is de Heere niet. Hij wacht en staat stil.

Nee, dat kleed is een teken van deftigheid. Met een overkleed ben je deftig, met zo’n mantel ben je een heer. Wel een blinde bedelaar, maar toch nog een beetje een heer. Maar Bartimeüs voelt het: de Heere roept me zoals ik ben, als een blinde bedelaar. Dan zal ik ook gaan, zoals ik ben. Als iemand zonder recht, als een arme, als een bedelaar, als iemand die om genade bidt, die bidt om wat hij of zij niet heeft verdiend. Niet deftig in mijn mantel, maar alleen in mijn gewone onderkleed. Wel gekleed, maar toch: zoals ik ben, blind, arm en ellendig.

Jongens en meisjes, doe dat ook maar. Gooi dat mooie kleed van jezelf maar weg. Je denkt nog dat je goed bent, omdat je zoveel goede dingen hebt gedaan? Gooi maar weg! Gooi maar weg de gedachte, dat je hoort bij de beste kinderen van de klas, omdat je zo bezig bent met de dingen van de Heere. Gooi weg dat kleed!

Gooi maar weg de gedachte, dat je goed bent omdat je niet steelt, omdat je niet vloekt, omdat je niet stout bent, omdat je geen vieze grapjes maakt. Gooi weg dat kleed! Zo kan je niet bij de Heere Jezus komen. Kom maar, zoals je bent: slecht, zondig, slechter dan alle kinderen in en buiten de kerk. Zo mag je komen bij de Heere Jezus.

Want ja, je kan overal naar toe lopen, naar je vader en moeder, naar de dominee, naar de ouderlingen en de diakenen, naar de meester of de juf, maar niemand kan je echt helpen dan alleen de Heere Jezus. Als je komt, zal de Heere je met open armen ontvangen. Hij zegt het toch: Laat de kinderen tot Mij komen (Mark. 10:14)? Kom, als je niet meer weet hoe het moet. Moe van je zonde, verloren… Kom. Kom vandaag. Kom nu! Je bent welkom bij de Heere Jezus.

Wat een onvergetelijk moment, voor Bartimeüs, maar ook nu voor kinderen, die niet met iets moois, maar hun blinde en zondige hart tot Jezus gaan.

Kijk, daar staat Bartimeüs voor Jezus... Hoe is hij daar eigenlijk gekomen? Je zegt: gewoon, lopend… Ja, dat is waar. Maar hij kwam pas, toen Jezus hem riep! Hij kon zelf niet naar Jezus gaan. Hij was blind. Hij wist de weg niet. Totdat de Heere Jezus hem riep. Het is de Heere Zelf, Die hem leert geloven, dat de Heere alles kan en alles wil doen. Het is de Heere Zelf, Die hem roept en bij Hem brengt.

Kijk, daar staat Bartimeüs voor Jezus… De Heere kijkt hem vriendelijk aan. Maar ja, dat ziet hij niet. En jij misschien ook wel niet. Vers 51: En Jezus antwoordende zeide tot hem: Wat wilt u dat Ik u doen zal? Dat is precies wat de Heere ook aan jou vraagt: ‘Jongen, meisje, je riep zo hard, om Mij… Wat is je probleem? Wat wil je dat Ik voor je doe?’

Dat vraagt de Heere nu, ook aan jou…: ‘Wat is je probleem? Wat wil je dat Ik voor je doe?’ Wat ga jij zeggen tegen de Heere Jezus? Nu, nu de Heere aan je vraagt: ‘Zeg het maar, wat moet Ik voor je doen? Zeg alles maar, wat je tegen Mij wilt zeggen…’ Wat ga jij zeggen tegen Heere Jezus?

Weet je wat er eigenlijk gebeurt…? De Heere helpt Bartimeüs om te bidden, om te vragen. Misschien weet je ook wel niet meer wat je bidden moet… Want (denk je): Kan dat wel? Bidden en toch zonden doen? Bidden en toch de Heere zo vaak vergeten?

Je zegt: ‘Ik kan zo vaak niet meer bidden. Dan buig ik wel mijn knieën, op de plek waar ik bid, maar dan komt er niks, alleen maar een lege zucht: Heere, help me!’ Hé, dat zegt Bartimeüs ook! ‘Heere, ontferm U over mij. Help me toch!’ En dan zegt de Heere: ‘Bartimeüs, zeg het maar. Wat wil je dat Ik voor je doen zal?’

Wat zeg jij? Zeg het maar! Bartimeüs zegt: ‘Rabboni, Meester, dat ik ziende mag worden.’ ‘Ik ben blind, ik ben arm, ik heb een zondig hart. Zo heet ik ook. En ik kan het allemaal zelf niet veranderen. Maar ik heb gehoord en ik geloof: dat U dat kunt en wilt! Rabboni, Meester, geef mij ogen, dat ik mag zien!’ Vers 52: En Jezus zei tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op de weg. Uw geloof heeft u behouden… Wat is dat precies: dat geloof? Geloof is als een lege hand. Bartimeüs had niets om aan Jezus te geven. Maar met zijn lege hand mocht hij alles ontvangen.

Wat hij krijgt, dat heeft hij dus niet van zichzelf. De Heere geeft het hem. Alles komt van de Heere vandaan, van één kant, van één zijde. We noemen dat: éénzijdig. De Heere zegt als het ware tegen Bartimeüs: ‘Bartimeüs, dat je van Mij hoorde, dat je daar naar luisterde, dat je ging hopen dat Ik een keer zou langskomen, dat je ging bidden, dat je ging roepen en bleef roepen, steeds harder, dat was allemaal Mijn werk in jouw hart. Dat geloof heb Ik aan je gegeven.

En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. Je geloof, Bartimeüs, heeft je gered. Maar…, hij kwam toch voor zijn blinde ogen? Ja, dat is waar. Maar het eerste wat de Heere Jezus zegt, is: Uw geloof heeft u behouden. Met andere woorden, Bartimeüs, Ik heb je nog veel meer gegeven, dan je aan Mij vroeg. Bartimeüs, Ik heb je blinde hart genezen. Bartimeüs, je bent gered. Niet alleen je ogen zijn beter, maar je bent helemaal beter!

Jongens en meisjes, zo is de Heere Jezus. Je vraagt iets, en je krijgt alles! Misschien weet je ook niet zo goed, wat je precies aan de Heere moet vragen. Dat geeft niet. Zeg maar gewoon: Heere, help me alstublieft. Want de Heere weet precies wat je nodig hebt. Ineens is Bartimeüs beter. Hij was blind, en arm. En nu? Zijn zonden zijn vergeven. Hij is behouden, hij is gered! En hij kan ook zien.

Zo kan het ook voor jou, en ook voor u. Het ene moment totaal blind, en dan: kan je zien. Het ene moment heel arm, totaal verloren, door en door zondig, en dan: gered. Hoe dat kan?

Door tot de Heere Jezus te roepen en Hem te vertellen wat je nodig hebt.

Snel rent Bartimeüs naar huis, naar zijn vader en moeder, naar zijn broers en zussen, naar zijn buren: ‘Mensen, ik kan zien!’ Ja, doet hij dat? Nee. Hij gaat de Heere Jezus volgen. Hij gaat met Hem mee. Vers 52 zegt: En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op de weg. Hij heeft maar één verlangen in zijn hart: Heere, met U mee. U gaf alles aan me, U bent alles voor me. U hebt mijn ziel, U hebt mijn hart gered.

Dat was geen gemakkelijke weg, die weg achter de Heere Jezus aan. Want de Heere Jezus is hier op weg om te gaan lijden en sterven. In Jeruzalem zal hij het met zijn eigen ogen gaan zien: dat de Heere Jezus moet lijden en sterven in zijn plaats. Misschien heeft hij het eerst wel niet zo goed begrepen? De Heere moet sterven? Voor mij? Misschien heeft hij wel gehuild bij het zien van zoveel lijden aan het kruis. Met…? Met tranen van blijdschap en verwondering: ‘Heere, ik kan het niet begrijpen. Zoveel lijden van U, voor mij, voor mijn zonden? Omdat U nu sterft aan het kruis, daarom kon ik behouden worden. Om mijn zonden had ik moeten sterven, maar nu sterft U voor mij.’

Hier stopt de geschiedenis van Bartimeüs. Jongens en meisjes, ben je ook blind in je hart? Net als Bartimeüs? Dan moet je veel naar de kerk komen en goed luisteren. Want hier komt, net als in Jericho, de Heere Jezus langs. En dan moet je al luisterend roepen in je hart: Heere, ontferm U over mij! Geef me toch genade! Help me toch! En… hoe moeilijker het wordt, hoe harder je roepen mag: Heere Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!

En dan…, dan vraagt de Heere aan je (zoals Hij dat ook nu aan je vraagt): ‘Wat wil je, dat Ik voor je doen zal?’ Wat moet je dan zeggen? Zeg dan maar: ‘Heere, alstublieft, verlos me van mijn zonden.’ Als je dat tegen de Heere zegt, dan zal de Heere ook tegen jou zeggen: ‘Je geloof, je kleine bedelhand heeft je behouden. Kom, volg Mij.’

Amen.

Slotzang Psalm 81:1,12:

Zingt nu blij te moê 't Machtig Opperwezen Enen lofzang toe; Om ons heilgenot Worde Jacobs God Met gejuich geprezen.

Opent uwen mond; Eist van Mij vrijmoedig, Op mijn trouwverbond; Al wat u ontbreekt, Schenk Ik, zo gij 't smeekt, Mild en overvloedig.