PREEK · VRIJE STOFFEN

De Geest komt onze zwakheden mede te hulp – Romeinen 8

25 juni 2025

Romeinen 8:26: En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.

INLEIDING

In het stilte van de gebedskamer, waar woorden ontbreken en slechts zuchtingen blijven — zegt Paulus — 'De Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen' (Romeinen 8:26-27). Dit wonder openbaart dat Gods kinderen, in hun zwakste gebeden, niet alleen worden gehoord maar door Gods eigen Geest worden bijgestaan om hun verlangens volgens Gods wijsheid tot God te brengen.

ROMEINEN 8:14-28

14 Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.
15 Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader.
16 Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.
17 En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
18 Want ik houd het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.
19 Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods.
20 Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil die het der ijdelheid onderworpen heeft;
21 Op hope dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.

22 Want wij weten dat het ganse schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe.
23 En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.

24 Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?
25 Maar indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid.

26 En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
27 En Die de harten doorzoekt, weet welke de mening des Geestes is, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.
28 En wij weten dat dengenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn.

VOLLEDIGE TEKST

De Geest komt onze zwakheden mede te hulp – Romeinen 8

ds. J. IJsselstein - Romeinen 8:26

LITURGIE

Gebed des Heeren 1,3

Lezen Romeinen 8:18-30

Psalm 5:1,8,11,12

Psalm 77:6 Gebed des Heeren 4 (9,10)

Gemeente, bidden is moeilijk... Bidden aan tafel thuis, dat is moeilijk. Het is wel goed om te doen, als je vader bent of moeder bent. Hardop, als man of als vrouw. Maar het is moeilijk… Bidden.

Bidden in je binnenkamer. In je bidvertrek. Dat wil zeggen, jongens en meisjes, op een stil plekje waar je alleen bent voor God. Het mag je slaapkamer zijn. Het mag de zolder zijn, de schuur, de badkamer. Maakt allemaal niet uit. Je buigt je knieën. Je vouwt je handen. Je sluit je ogen. Maar dan…, bidden is moeilijk…, want alles is zo gehaast, alles is zo druk. En je wil weer door. En om dan rustig te bidden en geduldig alles te zeggen wat in je hart is. Om dan geconcentreerd te blijven en niet intussen van alles en nog wat te bedenken en te doen, dat is moeilijk...

Zeker in deze tijd. Alles gaat even snel en voor dat je het weet gaat je bidden ook heel snel en wordt het ook heel vluchtig. Rustig de tijd nemen, je mobieltje wegleggen. Al die bliepjes even uitschakelen, van je computer en van je tab en van je iPad. Stilte en rust om te bidden… Een vaste tijd nemen, is ook heel goed. Zoals Daniël dat deed. Hij bad drie tijden per dag in zijn binnenkamer. Die stille plek waar bijna niemand hem kon zien.

En dan vouw ik mijn handen en sluit ik mijn ogen en dan, ja en dan...? Waar bidden we dan om? Waar bidden jullie om jongens en meisjes? Je zegt: nou om gezondheid, om eten en drinken en dat ik veilig naar school kan gaan en veilig weer thuiskom en geen ongeluk krijg. En ik bid voor een nieuw hart en ik bid voor goede cijfers op school en ik bid voor de arme en de zieke kinderen. Alles bij elkaar genomen: ik bid om alles wat goed en mooi is voor mezelf en voor anderen.

Ja, en als je dan ouder wordt, waar bid je dan om? Je zegt: dan bid ik of ik mag slagen voor mijn examen of dat die vriendin waar ik al een tijd achternaloop eindelijk eens een keer reageert, of dat ik succes zal hebben bij mijn sollicitatie. Of…, trouwens jongelui, bid je nog wel? Heb je nog wel zo’n bidvertrek waar je in stilte je knieën buigt voor God? Vroeger, toen je nog een klein jongetje was, toen klonk iedere dag je heldere kinderstemmetje: ‘Schoon mijn zonde vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein’. En de engelen in de hemel, zonder twijfel, glimlachten als ze die heldere kinderstem hoorden.

Maar mijn vraag is: als ze nu naar beneden kijken, zien ze je dan nog wel eens bidden in je bidvertrek…? Weer doen hoor. Mee beginnen, vandaag weer! Want wie niet bidt, die verliest.

En als je dan nog ouder wordt, waar bid je dan voor? Dat bid je voor een goed huwelijk en dat is ook heel goed om te doen, en voor een mooi huis, en voor een goede hypotheek, en voor een goeie baan, en voor een goeie carrière en ook voor de kinderen...

En als je nog weer ouder bent, wat bidt je dan? Dat je kinderen goed terecht komen, en dat God je kinderen en je kleinkinderen wil bekeren. Dat God dit wil doen en dat wil doen. Ja, eigenlijk weten we best heel wat dingen op te noemen die we graag van de Heere zouden krijgen. Als u, Heere, dit nou eens zou geven en dat, daar zou ik blij mee zijn. En wilt U dat ook nog doen voor me, dat zou mooi zijn!

Maar… zou het ook goed zijn voor me? Zou het goed zijn voor mezelf? Zou het goed zijn voor de eer van God? Als ik nou altijd alles krijgen zou... Als je altijd alles krijgen zou van papa en mama wat je graag zou willen hebben, zou dat goed voor je zijn…? Zou het goed voor je zijn, als de Heere alles zomaar zou geven wat je van Hem vraagt?

Er zijn trouwens ook mensen die zeggen, misschien bent u er wel een van, die zeggen: ja, maar ik weet vaak helemaal niet wat ik bidden moet. Want al die dingen van dit leven, ja, die lijken wel belangrijk, maar ze zijn het niet. Het gaat om andere, het gaat om veel belangrijker zaken in het leven. En als ik dan in stilte mijn bidvertrek opzoek, dan, ja, dan weet ik niet wat ik bidden moet. Ik kan niet bidden. Ik weet niet hoe ik bidden moet en wat ik vragen moet aan de Heere. En dan zucht ik: ‘Zou de Heere wel van me af weten, terwijl ik hier in stilte mijn knieën buig? Zou de Heere me wel zien? Zou Hij me wel horen en zou Hij me wel willen verhoren?’ En dan ga ‘k toch maar weer terug naar m’n bidvertrek. Maar er komen maar geen woorden uit m’n hart, het zijn alleen maar zuchten, zonder woorden. En dan zeg ik, dan zucht ik: ‘Heere, hoe moet het toch verder in m’n leven? Hoe moet het toch verder met mij, tegenover U? Ik kan niet zwijgen, ik kan niet stoppen met bidden, maar als ik ga bidden dan heb ik geen woorden’. En ondertussen is de duivel er goed bij, want die weet u wel te vinden. En die zegt: zie je wel, neem nu maar een voorbeeld aan al die andere mensen, die zo goed kunnen bidden. Jij kunt niet bidden en dat is een teken dat je geen echt kind van God bent. Als je echt kind van God zou zijn, dan zou je wel goed kunnen bidden in je bidvertrek.

Voor die bidders gemeente, die niet weten wat ze bidden moeten en wat ze zuchten moeten, is de tekst van vanmorgen naar ik hoop en bid een woord van bemoediging en troost.

De tekst kunt u vinden in Romeinen 8:26-27. Leest u maar mee. Daar staat het Woord van God als volgt geschreven: En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.

Het thema van de preek van vanmorgen is: Het werk van de Heilige Geest is het meebidden met Gods kinderen

En er zijn twee aandachtspunten: 1. Wij zijn zwak. 2. Hij (de Heilige Geest) komt erbij Als eerste dus:

1. Wij zijn zwak Gemeente, Romeinen 8 is eigenlijk een heel hoofdstuk dat gaat over de zekerheid van het geloof. Dat begint al in vers 1. Kijkt u maar: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest. En denkt u ook maar aan vers 9. Kijkt u maar: De Geest Gods woont in u, kinderen van God. En in vers 11: ook uw lichaam zal opgewekt worden in de opstandig der doden, en vers 14: U bent kinderen Gods, en vers 16: De Geest getuigt met onze geest, Hij fluistert als het ware in ons hart: u bent kinderen van God. En niet zomaar kinderen, maar echte kinderen, want er staat in vers 17: u bent zelfs erfgenamen, mede-erfgenamen. Het werk van de Heilige Geest is om te laten zien welke heerlijke dingen ons, kinderen van God, door God geschonken zijn. Hij onthult, Hij openbaart de schatten die aan Gods kinderen geschonken zijn op het moment dat zij levend gemaakt zijn door de Heilige Geest.

Maar, kijk eens in vers 22: Ondertussen zuchten wij. Wij zuchten en wij verlangen… Want ons gezicht is gericht op de komende tijd, op de eeuwigheid. Wij verlangen naar de heerlijkheid, zegt vers 18, die straks zal geopenbaard worden. En we leven op aarde hier in een leven van hoop, wij die de eerstelingen van de Geest (vers 23) ontvangen hebben. De voorsmaak van wat komen zal. Van die heerlijke toekomst die wacht. Waar we zo naar uit kunnen zien, en zo naar kunnen verlangen.

Want wat zal er dan gebeuren? Dat staat er ook. We zullen verlost worden van het lichaam van onze zonden. En zegt Paulus in dit verband, nou is er nog iets wat ook een zekere garantie is voor die toekomst: We… kunnen zo goed bidden? Nee, dat zegt hij niet. Hij zegt: De Geest komt onze zwakheden mede te hulp. Dus, wat de duivel misbruikt (als hij tegen kinderen van God zegt: zie je wel, je kunt niet bidden, je bent geen kind van God!) dat blijkt hier deel te zijn van de zekerheid des geloofs!

Die twee dingen: onze zwakheden. Dat is de werkelijkheid. Maar de werkelijkheid daarnaast is: de Geest komt onze zwakheden mede te hulp. Hij voegt Zich erbij.

Eerst maar even over die zwakheden. Wat is dat eigenlijk? Goed lezen, er staat niet: de Geest komt onze zondige aard, onze zonden…, nee, er staat: De Geest komt onze zwakheid, onze zwakte te hulp. Wat betekent dat? Dat staat even verder: want (dat is de zwakte): wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort. Als je dan op dat stille plekje op zolder of in de badkamer je knieën buigt en je handen vouwt en je ogen sluit... Ja, wat moet je dan vragen? Is dat dan niet helder? Je kunt toch alles vragen? Je mag toch alles vragen wat je nodig hebt? Ja, maar kennelijk ligt dat bij de heiligen, zo worden ze genoemd hier in vers 27, anders. En dus wat blijkt? Er zijn verschillende soorten van mensen. Verschillende soorten van bidders.

Je hebt mensen, kijk maar even naar uw eigen leven dan zal ik dat ook doen, die nooit echt nooit in het verborgene hun knieën buigen voor God. Die misschien wel godsdienstig lijken aan de buitenkant. Netjes gekleed, mooie woorden. En we weten het zo goed: dit mag je wel doen en dat niet, en dit is goed en dat is fout, maar… God, Die uit de hemel kijkt in het verborgene en die alles ziet, God zegt: ‘hij, zij, nee die bidt nooit. Nooit heb ik hem of haar gezien in de binnenkamer’. Het lijkt wel wat aan de buitenkant. Net als een witgeschilderd graf, zegt de Heere Jezus, maar de binnenkant is vol van de dood.

Er zijn ook andere mensen die altijd (ja ze bidden ook wel in het verborgen), die altijd heel goed weten wat ze bidden moeten en hoe ze bidden moeten. Ze kunnen mooi bidden en weten precies wat ze vragen moeten… Maar, wie daarin nooit zijn zwakheid en onvermogen kent en ziet en voelt, die kent kennelijk ook niet het leven van de heiligen, zoals Paulus dat hier beschrijft.

Ja, en dan zijn er in de derde plaats nog die mensen, die heiligen. Zo noemt Paulus ze in vers 27. En zegt Paulus: het kenmerk van die heiligen is, wij (dat wil zeggen: hij voegt zich daarbij, hij schaart zich daarbij, hij die de Heere al jaren en jaren kent en dient en prediker is van het Evangelie), hij zegt: wij weten niet wat wij bidden zullen.

Mag je dan niet gewoon voor alles bidden? Mag je dan niet gewoon alles vragen aan de Heere? Zijn er dan ook gebeden die misschien niet goed zijn? Laat ik eens wat Bijbelse voorbeelden noemen.

Het gebed van Mozes, de man Gods. Hij heeft gezondigd en de Heere zegt: je mag het land Kanaän niet binnen gaan. En toch, Mozes blijft maar bidden. En hij blijft maar vragen: Heere mag het toch niet…? Totdat, totdat de Heere zegt: Mozes, je krijgt je zin? Nee, totdat de Heere zegt: Het zij u genoeg, spreek niet meer tot Mij van deze zaak! Hou er over op. Geen goed gebed van Mozes.

En wat denkt u van het gebed van Elia? Hij zit onder de jeneverboom. Er staat: Maar hijzelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam en zat onder een jeneverboom en bad. En dan komt de inhoud van zijn gebed: Heere laat me maar sterven. Ik zie het niet meer zitten. Hij bad dat zijn ziel sterven zou. En zei: het is genoeg. Neem nu Heere mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaders. En, wat is het antwoord van de Heere? Er komt helemaal geen antwoord. De Heere negeert het. Hij gaat er helemaal niet op in. Hij zet eten en drinken voor Elia neer en de boodschap is: leef maar verder Elia.

En wat denkt u van het gebed van Jacobus en Johannes? Als de Samaritanen de Heere Jezus niet willen ontvangen, dat staat in Lukas 9: Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en dezen verslinde, gelijk ook Elias gedaan heeft? Maar Zich omkerende, bestrafte Hij hen, en zei: Gij weet niet van hoedanige geest gij zijt. Geen goed gebed. Want, wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort. Zoals het behoort, zoals het zou moeten. Zoals het passend zou zijn, zoals het goed zou zijn voor ons en vooral voor de eer van God.

En, wat denkt u van het gebed van Paulus? Hij heeft een doorn in zijn vlees. Een of andere moeilijkheid die we eigenlijk ook niet zo goed weten. Maar het is zwaar voor hem en hij zegt: hierover heb ik de Heere drie keer gebeden dat hij van mij wijken zou. Dat ik verlost zou worden van dat kruis. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Paulus, jongen, je weet niet wat goed voor je is, terwijl je aan het bidden bent. En wat denkt u van het andere gebed van Paulus in Filippenzen 1: Want ik wordt van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn, dat is mij zeer verre het beste. Om in de hemelse gewesten in te gaan. Maar de Heere zegt als het ware tegen Paulus: Ja, dat denk je wel en dat zou je wel het beste vinden, maar Ik vind het beter voor je om te blijven.

En wie van ons denkt in dit verband ook niet aan het gebed, hoewel het totaal anders is dan al die andere gebeden, aan het gebed van de Heere Jezus Zelf: in zware strijd zijnde, terwijl de beker van Gods toorn als het ware voor Hem staat, in zware strijd zijnde bad Hij des te ernstiger. En Zijn zweet werd als grote druppels, als grote stolsels bloed die op de aarde vielen. En Hij bad: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Uw toorn, van Mij voorbijgaan. En dan komt het totaal andere: doch niet gelijk Ik wil, maar zoals U wilt, gelijk Gij wilt. Ook als mens, want Christus was ook mens, ook als mens, een gebed dat de worsteling laat zien: wat zal Ik toch bidden? En toch een volmaakt gebed: niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. Gehoorzaam aan de Vader. En daarmee is Hij de oorzaak geworden van onze zaligheid. In die gehoorzaamheid van Christus en in die vrijwillige overgave ligt de grond van onze zaligheid vast. En daarom zegt de apostel in Hebreeën 5: Die, dat is de Heere Jezus Christus, behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits Hij ook Zelf met zwakheid omvangen is. Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en

verhoord zijnde uit de vreze. Hoewel Hij de Zoon was (en dan komt het:) nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden. Vader, Uw wil geschiede. En geheiligd zijnde is Hij allen die Hem gehoorzaam zijn (Heere, Uw wil geschiede) een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden. Christus Jezus, de eerste Voorbidder, Die van de aarde naar de hemel is gegaan, de grote Voorbidder in de hemel.

Wij weten niet wat wij bidden moeten zoals het behoort. Wij weten niet wat het beste is voor ons en we weten niet wat goed is voor de eer van God, omdat we vaak zo verkeerd kijken, zo verkeerd gericht zijn. En bovendien onze gebeden zijn vaak zo koud en zo oppervlakkig en zo onvermogend en zo zwak. En onze gedachten kunnen zo verstrooid zijn als we in stilte proberen te bidden. En onze verlangens en onze wensen zijn vaak zo dwaas. En als we ze dan niet krijgen van de Heere, worden we vaak nog boos ook. Dan verwijten we dat de Heere en dan krijgt de Heere de schuld en dan zeggen we: de Heere heeft me vergeten genadig te zijn en Zijn barmhartigheid, Zijn goedheid heeft Hij door toorn toegesloten. En daarom luistert de Heere niet naar mij. Totdat de Heere onze ogen toch weer de goede kant op richt en wij zeggen en zingen: maar de rechterhand van de allerhoogste God verandert. Dat is wat wij samen eerst gaan zingen uit Psalm 77:6. "Zou God Zijn genâ vergeten? Nooit meer van ontferming weten? Heeft Hij Zijn barmhartigheên Door Zijn gramschap afgesneên?" 'k Zei daarna; "Dit krenkt mij 't leven; Maar God zal verandering geven; D' Allerhoogste maakt het goed; Na het zure geeft Hij 't zoet."

De Heilige Geest bidt mee met Gods kinderen. Wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort. Maar de Geest komt onze zwakheden mede te hulp. Onze tweede gedachte. Eerst: wij zijn zwak. Nu:

2. Hij komt erbij. Hij komt te hulp In het Grieks staat er een heel lang woord. Als je Grieks krijgt op school, jongelui, moet je maar eens kijken. Een heel lang woord, wat je in drieën moet knippen en dan staat er eigenlijk: Hij neemt op, tilt op, samen, tegenover. Je moet denken aan iemand die een hele zware balk hout draagt. In z’n eentje. En die man die loopt maar moeilijk te doen. Hij kan het bijna niet houden. Hij bezwijkt bijna. En dan komt er iemand en die zegt: ik help je wel even. En Hij pakt het einde van die balk en zegt: ik til wel mee met je. Die man die zegt niet: geef mij die balk maar. Ik ben sterker dan jij, ik zal hem wel voor je dragen. Nee, hij tilt mee. Hij pakt het andere uiteinde en nu draag je samen.

De Heilige Geest zegt niet: stop maar met bidden, dat heeft toch geen zin dat gebed van u, en dat zuchten daar komt helemaal niets uit, sluit dat bidvertrek maar. Maar de Geest zegt: Ik kom erbij. Kind van God, wanneer je niet weet wat je bidden moet, maar zit te zuchten in je binnenkamer, in je bidvertrek: Ik kom erbij. Mag ik het gewoon menselijk zeggen? Dat vindt u wel goed. U bent geknield in uw binnenkamer en Ik kniel naast je neer.

En daarom, jongens en meisjes, bidden we zo graag. Daarom is het zo goed om een bidvertrek te hebben. Om een plaats te hebben waar je knielt voor God. Want het kan inderdaad zo zijn dat je zegt: ik weet niet wat ik bidden moet. En ik zucht. Maar weet je wat het wonder dan is? Dan komt de Heere. Hij knielt als het ware naast je, en bidt mee, en geeft je woorden om te bidden en troost in je hart. Hij helpt. Hij komt erbij, want er staat: de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.

Dus wat gebeurt er? De Geest komt en Hij vindt ons in…, in ons zuchten. Weet je wat dat is, zuchten? Zuchten is: hhh…(diepe zucht). Dat is alles. Je hebt geen woorden. Er zit iets in je hart, maar het komt er niet uit, het wil er niet uit. Het is onuitsprekelijk, het is niet uit te spreken. Je denkt: ik kan het niet zeggen. Ik kan het niet uitspreken. Ik kan het niet uiten. En misschien, als ik iets zeg, dan zeg ik het misschien wel verkeerd. En daarom ik zucht. Hhh.

Denk maar aan een andere situatie. Je moet iets gaan zeggen, je moet iets gaan vertellen aan een heel belangrijke meneer, misschien wel aan de burgemeester of aan een politieagent. En je zegt: ik weet niet hoe dat moet, hor! Wat moet ik zeggen? Terwijl je daar staat, je zucht... Je zucht... En denkt: straks zeg ik iets wat fout is! Je kijkt opzij, kijk daar staat papa. Naast je, bij je. Je zegt: pap, zegt u het maar. U zegt het wel goed. U weet hoe het zit in mijn hart. Zegt u het maar, voor mij. Ik weet het niet. Erbij komen. Papa is erbij gekomen en helpt mee.

Nou, dat is dan precies wat de Heilige Geest doet in de harten van de kinderen van God. Hij hoort ons zuchten: hhh... En Hij begrijpt het. Dat is wonderlijk! Want als wij mensen elkaar horen zuchten, als je mij hoort zuchten, weet je niet wat ik denk. Maar de Heere God, God de Heilige Geest, Die hoort het zuchten en…, en Hij begrijpt het! Want Hij kent Zijn kinderen door en door. Hij weet dat ze bang zijn om verkeerd te bidden en geen woorden hebben, dat ze bang zijn om het verkeerde te vragen. Mag ik wel bidden, terwijl ik ziek ben, om beterschap? Mag ik wel bidden om een goede uitslag van de dokter of moet eigenlijk zeggen: Heere Uw wil geschiede? Mag ik wel bidden om dat nieuwe huis en mag ik wel bidden om die nieuwe baan? Mag ik…, Heere, o, kijk toch in mijn hart. Kom mij toch te hulp! Mag ik wel bidden dat ik ooit gekozen zal worden als ambtsdrager in de gemeente? Mag ik wel blijven bidden dat God me een plaats zal geven, op Zijn tijd in Zijn dienst? Als ouderling, of diaken, als evangelist, als zendeling, als dominee? Mag dat wel?

En wij zuchten en zeggen: Heere, U kent mijn hart! Is het wel goed dat ik het bid? Is het wel goed of bedoel ik mezelf? Is het wel tot Uw eer? Zuchten in ons hart, die maar niet tot woorden kunnen komen.

En wat doet de Heilige Geest? Hij komt erbij. Op die stille plek, waar niemand ons ziet, waar we zuchten, misschien wel met tranen in ons hart of in onze ogen. De Geest komt er bij, en knielt als het ware naast ons neer, neemt de andere kant van die last op Zijn schouder en zegt: kom, Ik zal het meedragen met je, want je kunt het niet alleen. Ik zal je helpen.

Dus ik bid, en terwijl ik niet weet wat ik bidden moet, komt de Geest erbij. En Hij bidt met me mee. De Geest zegt als het ware: Ik zal het je voorzeggen. Zeg het maar na.

Ik zeg: Heere, ik heb geen argumenten, ik heb geen grond om op te pleiten. En, Heere, ik weet ook niet wat goed is voor mij en voor U, en ik heb ook geen recht. En de Geest zegt: luister eens naar Mij. Ik zal je herinneren aan de woorden en de beloften van God. Die woorden van God Zelf mag je gebruiken in je gebed: De dingen die haar van de Heere gezegd zijn, die zullen toch volbracht worden, Heere? Heere, U houdt toch getrouw Uw woord? U laat toch nooit een van Uw woorden op de aarde vallen? Dat hebt U toch gezegd, Heere? En de Geest zegt het voor, en wij fluisteren het Hem na, en zeggen: doe toch Heere wat Uzelf gezegd hebt. Doe toch wat U gesproken hebt. Doe het toch om de eer van Uw grote Naam.

En ik bid verder en zeg: Heere. Ik wil zo graag dit… En wilt U me dat geven? En de Geest zegt: leg dat nou niet zo als een eis op tafel, maar laat het een vriendelijk verzoek zijn aan het hemelhof. Maar bedenk ondertussen wie je zelf bent, klein en zondig, tegenover de grote en alwijze God.

Maar ik bid maar door en ik zeg: Heere, ik wil het zo graag! Maar de Geest zegt: richt je in de eerste plaats op de wil van God. Niet op wat je zelf het mooiste, het fijnste en het belangrijkste vindt. Maar richt je in al dat bidden toch meer op de eer van God en op de vervulling van Zijn beloften. En pleit toch meer op Zijn Woord.

En ik bid, terwijl er misschien wel de onvrede omhoog komt in m’n hart: Heere waarom bid ik nu al zo lang? Bent U me vergeten? Ik bid al een paar dagen, een paar weken. Ik bid al jaren om dit of dat. En waarom doet U het niet, Heere? Waarom geeft U geen antwoord? En de Geest zegt: leer toch geduldig te wachten op Gods tijd. Maar Zijn belofte wordt immer vervuld! Maar pas toch op, bidder, met je persoonlijke wensen. Met wat jezelf zo graag wilt en laat het toch over aan de wil en de wijsheid van God, Die weet wat goed voor je is. Want je weet het toch, wat staat in psalm 106: Toen gaf God hun hun begeerte. Hij gaf wat ze vroegen en waar ze om zeurden, maar ‘Hij zond aan hun zielen een magerheid’. Ze kregen wat ze gevraagd hadden, maar in hun hart werd het donker.

Heere, U alleen weet wat goed voor ons is. En de Geest fluistert ons als het ware in: als u nu de wil van God niet kent en niet weet, wees dan toch voorzichtig en zeg dan toch: Heere, Uw wil geschiede, niet de mijne. Wees Hem dan toch gehoorzaam. Want het is helemaal niet verkeerd om te denken en te zeggen: ik weet niet wat ik bidden moet. Want de Geest weet het veel beter.

En ik zucht. Het is goed om zo te zuchten in je bidkamer, jongens en meisjes: Heere, zegt U maar wat ik bidden moet. En de Geest zegt: bidt nu maar vooral om de dingen die je echt nodig hebt. Om het allerbelangrijkste. Liefde tot God, meer geloof in God, in Christus. Meer kennis van de Heere Jezus Christus, meer… ja, dat heb je nodig: nederigheid, kleinheid, ootmoed, zachtmoedigheid, wijsheid. Bid toch om verzoening! En bid toch om houvast aan de beloften en het Woord van God. En bid toch om licht over de prediking van het Evangelie. En bid toch dat je je eigen krachten nog mag besteden naar de wil van God en naar het plan van God, in Zijn dienst.

Maar, ja dat zegt de Geest ook: zwijg niet. Ik wil meedragen, maar Ik neem de last niet over. Ik ga het niet alleen Zelf dragen. Zwijg niet. Sluit niet je bidvertrek. Ga niet weg uit je bidvertrek. Maar Ik wil samen met u, kind van God, de last dragen. Dus niet ophouden met bidden. Niet zeggen: Heere, ik weet het ook niet meer, dus laat maar gaan. Trouwens: zou dat kunnen? Als het gaat om het diepste verlangen van ons hart en de diepste verlangens en het uitzien naar God en de diepste bede uit de grond van ons hart? Dan kun je toch, kind van God, niet zwijgen? Dan kun je de binnenkamer toch niet dicht doen? Denkt u maar aan psalm 32: Toen ik zweeg, hij had geen woorden meer om te bidden, toen werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen de ganse dag. Mijn mond zweeg, ik had geen woorden meer, maar het brulde in mijn hart tot God. En met dat gebrul van angst en van nood moet je naar je binnenkamer toe. De schreeuw blijft, hoe dan ook, op de bodem van het hart: o God, geef me toch genade, en verzoen toch mijn zware schuld. En geef toch licht over Christus, opdat ik Hem mag kennen en de kracht van de verzoening door Zijn bloed. Uitspreken met woorden en zuchten zonder woorden.

En ondertussen zegt de Geest: onderwerp je aan de wijsheid en vrijmacht van God. Want de Geest kan het roer ook omgooien. De Geest bidt, terwijl Hij naast ons bidt, niet perse en per definitie hetzelfde als wij bidden, om alles wat wij graag van de Heere willen hebben. Wat staat er: de Heilige Geest bidt naar God, voor de heiligen. Die de harten doorzoekt weet welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God en voor de heiligen bidt. Voor de heiligen, dat wil zeggen tot hun nut en tot hun voordeel, maar naar God. Ja, en dat is nu juist ons gebrek, onze zwakheid in het bidden. Naar God, dat wil zeggen overeenkomstig Gods wil, Zijn plan, Zijn wijsheid. En wij bidden zo vaak, als we eerlijk zijn, ook op die verborgen plek: Heere ik wil zo graag dit en wilt U dat doen voor me, ik wil dat zo graag... Maar de Geest leert bidden: Heere niet wat ik wil, maar wat U wilt, laat dat gebeuren. En dan kan het zomaar zijn, hoe moeilijk dat ook voor ons mensen is, dat wij bidden om het

behoud van onze dierbare geliefden en dat de Geest naast ons bidt en zegt: nee, neem maar weg, neem maar af. En dan kan het zo maar zijn dat we bidden om genezing van een ernstige ziekte, en dat de Geest bidt met Goddelijke wijsheid: Nee, laat de kwaal maar erger worden, opdat de ziel te meer zou uitgedreven worden naar God. En dan kan het zomaar zijn, dat je bidt om bevrijd te worden van de doorn in je vlees, maar dat de Geest het tegenovergestelde bidt en zegt: laat die doorn maar zitten. Dat heeft hij of zij nodig om klein te blijven voor God. Dan kan het zijn dat je bidt, misschien al jaren bidt: Heere, geef me toch een plaats en mag ik toch dienen in Uw Koninkrijk, op die en die plek, maar dat de Geest naast je bidt en zegt: Heere Uw wil geschiede. Doet U dat maar Heere, wat U goed vindt voor hem of haar en voor Uzelf. Het kan zijn dat je in het verborgene worstelt, om de zorgen van je kinderen kwijt te mogen raken, maar dat de Geest ondertussen wat anders bidt en zegt: laat die zorgen maar. Dat houdt deze vader of deze moeder zo dicht bij God. Die smarten verbinden aan de Man van smarten, Christus Jezus.

Dan kan het uiteindelijk zelfs zo zijn, dat de Heilige Geest zegt, zoals tegen Mozes: hou er over op. Spreek Mij niet meer over deze zaak. Het is de Heilige Geest Die ons in wijsheid en in liefde afbrengt van onze eigen wil en leert zeggen: Vader, wat U dat doet, dat is goed. Leer mij volgen zonder vragen.

Die de harten doorzoekt. Dat is God de Vader. Hij doorzoekt het hart van Zijn kinderen. Wat is dat toch een troost voor mensen die geen woorden hebben om het innerlijk van hun hart te verwoorden. De Vader doorzoekt de harten en ziet alles en weet alles. Hij weet van de last van uw zonde en van uw schuld en dat u daar zo onder zucht. Hij weet van uw uitzien en van uw verlangen en van uw hopen. En, als Hij uw hart doorzoekt, dan ziet Hij uw bange vrees en dat u alsmaar niet durft te geloven in de belofte van God, hoewel ze juist wel voor u bestemd zijn. Wat is dat toch een troost voor de harten van God zoekende zondaren. De Vader doorzoekt het hart en ziet en weet alles. Onze diepste nood en ons grootste verlangen, en Hij weet wat het beste voor ons is.

Hij weet welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt. Hij weet ook wat de Geest naast ons bidt. De Geest bidt precies hetzelfde als de wil van de Vader. De kanttekening zegt: de Geest weet wat God ons wil opleggen. Hoelang God het wil doen, hoelang het duren moet en of Hij ons daarvan verlossen wil. Of Hij verheerlijkt wil zijn door ons leven of door onze dood. Hij is de tweede Voorbidder. Twee Voorbidders heb je als je de Heere dient. Eén in de hemel, de Heere Jezus Christus. Die je gebed, dat zo moeilijk kan zijn en zoveel onvolmaakte woorden heeft, in de hemel maakt tot heilig reukwerk, wat Hij aan de Vader geeft. En de andere Voorbidder is Degene Die bidt in je hart en Die dat onvolmaakte gebed en dat zuchten zonder woorden, maakt tot woorden die de Vader in de hemel begrijpt, hoort en verhoort.

En daarom zeg ik, gemeente, hoe groot is het geluk van hen die de Heere vrezen en hoe groot is de troost die de Heilige Geest wil werken in het hart van Zijn kinderen. Hij leert ons, zo begon het hoofdstuk toch, dat er geen verdoemenis meer is voor degenen die in Christus Jezus zijn. En Hij leert ons dat wij door het werk van Christus verlost zijn van de vloek van de wet. En Hij leert ons, de Geest fluistert het ons in onze oren, dat wij kinderen Gods zijn. Dat die weggelopen zondaren tot kinderen zijn aangenomen. Tot echte kinderen en erfgenamen. En Hij wijst ons in het zuchten in deze wereld op de heerlijke toekomst die wacht. Op de eeuwige heerlijkheid waar we Christus zullen zien, onze oudste Broeder. Waar we, zegt Paulus, verlost zullen zijn van dat lichaam der zonde dat altijd maar weer tegen God zondigt. Een heerlijke toekomst. Hoewel de tijd op deze aarde voor ons nog een tijd is van moeite, zorg, verdriet. Want in die zin is de hemel, in andere zin wel, maar in die zin is de hemel op aarde nog niet begonnen. De aarde is door onze zonden, voor alle mensen, voor ons allemaal, een plaats van zuchten.

En toch is er voor degenen die de Heere vrezen zoveel troost in het zuchten van deze tegenwoordige tijd. Want wij leven in het besef, dat hoewel wij niet weten wat goed voor ons is, dat God alles, echt alles in dit leven laat meewerken ten goede. Daarom heeft Christus gezegd: wat Ik doe, weet u nu niet, dat begrijpt u nu niet. Maar na dezen zult u het verstaan.

En daarom, gemeente, loopt dit hoofdstuk uiteindelijk uit op de climax aan het einde ervan: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger, naaktheid of gevaar of zwaard? Ja, wij bidden misschien wel in het verborgen om daar allemaal van verlost te worden. Maar de Geest, Die in stilte naast ons knielt, bidt overeenkomstig de wil van de Vader en zegt: laat maar. Want al die verdrukkingen en al die benauwdheid en vervolging bindt hen allemaal alleen maar meer aan de liefde van Christus.

Wat leert ons dit hoofdstuk, gemeente? In het bijzonder u die God vreest? Dat we de Heilige Geest zo nodig hebben! Want wij bidden naar onszelf toe. Maar de Geest bidt naar God toe, naar Gods wil.

En hoe meer wij onze zwakheid voelen, hoe meer de Geest gaat bidden. Hoe meer wij onze zwakheden in onze gebeden erkennen en belijden, hoe meer de Geest der genade en der gebeden bidden gaat en hoe meer de hemel open gaat en hoe meer rust en vertrouwen wij in ons hart ontvangen, als we in het verborgen bidden. Vertrouwen, dat Hij, God, onze weg leidt, naar Zijn wil: wijs, heilig en goed. Leer mij volgen zonder vragen, Vader wat U doet is goed, leer mij slechts het heden dragen, met een rustig, kalme moed. Want Christus zegt: wat Ik doe weet gij nu niet, maar na dezen zult u het verstaan.

Amen.

Slotzang Gebed des Heeren: 4:

Uw wil geschied', Uw wil alleen, Als in den hemel, hier beneên; Uw wil is altoos wijs en goed; 't Is majesteit, al wat Gij doet; Dat ieder stil daarin berust', En Uw bevelen doe met lust.