10 december 2025
Jesaja 30:18: En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen die Hem verwachten.
INLEIDING
Juda voelt zich bedreigd en zoekt hulp bij Egypte, maar niet bij de HEERE; toch klinkt in Jesaja 30 dit wonderlijke woord: En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij. In deze leespreek over Jesaja 30:18 wordt getoond hoe God wacht om Zich te ontfermen, en wat het betekent dat welgelukzalig zijn die allen die Hem verwachten.
Hopen op Gods ontferming.
JESAJA 30:18-26
18 En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen die Hem verwachten.
19 Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem; gij zult ganselijk niet wenen; gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem uws geroeps; zo haast als Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden.
20 De Heere zal ulieden wel brood der benauwdheid en wateren der verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien;
21 En uw oren zullen horen het woord Desgenen Die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhand.
22 En gijlieden zult voor onrein houden het deksel uwer zilveren gesneden beelden, en het overtreksel uwer gouden gegoten beelden; gij zult ze wegwerpen gelijk een maandstondig kleed, en tot elk van die zeggen: Henen uit.
23 Dan zal Hij uw zaad waarmede gij het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van het inkomen des lands, en hetzelve zal vet en smoutig zijn; uw vee zal te dien dage in een wijde landouw weiden.
24 En de ossen en ezelsveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voeder eten, hetwelk verschud is met de werpschoffel en met de wan.
25 En er zullen op allen hogen berg en op allen verheven heuvel beekjes en watervlieten zijn, in den dag der grote slachting, wanneer de torens vallen zullen.
26 En het licht der maan zal zijn als het licht der zon, en het licht der zon zal zevenvoudig zijn, als het licht van zeven dagen; ten dage als de HEERE de breuk Zijns volks zal verbinden, en de wond waarmede het geslagen is, genezen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Jesaja 30:18
THEMA
Hopen op Gods ontferming.
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, ik preek u vanmorgen het Woord van God vanuit de profetie van Jesaja. De tekst voor de preek kunt u vinden in Jesaja 30:18En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.. Daar (in Jesaja 30:18, en ik zal ook vers 19 lezen) lezen we het Woord van God als volgt: (vers 18) En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten. (vers 19) Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem; gij zult ganselijk niet wenen; gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem uws geroeps; zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden.
Het thema van de preek is: Hopen op Gods ontferming. In de inleiding op de preek zullen we eerst zien dat Juda de Heere niet zoekt en niet hoopt op Gods ontferming. Daarna letten op twee aandachtspunten, op: 1. De wachtende God 2. Een wachtend volk
Eerst dus een inleiding, waaruit zal blijken dat Juda de Heere niet zoekt en haar hoop niet op Gods ontferming bouwt. Het volk van Juda, het tweestammenrijk van de stam van Juda en Benjamin, voelt zich bedreigd. Zal het Babylonische rijk hen zo meteen onder de voet lopen en annexeren? En (zo is het nog steeds), wie zich bedreigd voelt, die zoekt hulp, die kijkt om naar steun. En dat doen zij ook.
Zij kloppen aan bij hun zuiderburen, bij Egypte. Dat klinkt gewoon, niet onaardig, maar dat is het wel. Dit is dramatisch! Want Egypte is het land van hun verdrukking, Egypte is het land van de dood. Daar zijn ze eeuwen geleden juist van verlost! En dus zegt de Heere veelzeggend in Jesaja 28:15Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.: u hebt (letterlijk!) een verbond gemaakt met de dood. Ze zoeken geen hulp bij de Heere, maar bij hun vroegere slavendrijvers. Eeuwen daarvoor, in die veelbewogen paasnacht, zijn ze beladen met schatten weggetrokken uit Egypte. En nu brengen ze hun schatten terug, naar Egypte (vers 6). Ze zullen zich, zegt de Heere, ervoor schamen (vers 3).
Is dit alleen maar geschiedschrijving, is dit alleen maar een geschiedenisles? Nee, kijk maar in vers 8: Jesaja moet deze woorden opschrijven opdat het blijve tot de laatste dag, voor altoos, tot in eeuwigheid. Dit is niet alleen historie, dit heeft een veel bredere strekking, ook voor ons, ook voor vandaag.
Het volk is weerspannig, het wil niet naar de Heere luisteren (vers 9). Het wil graag zachte en vriendelijke dingen horen. En het wil het liefst (zoals staat in vers 11) van de Heilige Israëls af. Dat herkennen we wel. Is dat vandaag de dag bij veel mensen ook niet zo? Het gaat dus niet goed met Juda. In vers 13 en 14 wordt dat uitgebeeld met twee sprekende beelden: met het beeld van een omvallende, instortende muur, en met het beeld van een kruik die in stukken gebroken wordt. Ze zoeken hulp bij Egypte, maar Egypte zal zich tegen hen keren. In de oorlog tegen Egypte en andere machtige volken zullen ze weggevaagd worden. Letterlijk staat er in vers 17: wat van hen zal overblijven is een banier, een mast met een vlag op een eenzame heuvel. Alleen, zonder leger. Met andere woorden: Er is geen mens meer over, alleen maar een eenzame vlaggenmast. Zoals (want de Heere handelt niet naar willekeur), zoals ooit gedreigd is in Deuteronomium 28: En u zult met weinige mensen overgelaten worden, in plaats dat u geweest bent als de sterren des hemels in menigte; omdat u der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam geweest zijt (Deuteronomium 28:62). Wat een dramatische afloop, wat een rampzalig einde van Juda, dat zijn heil niet zoekt bij de God van Israël.
Het is een beeld, lieve vrienden, van hoe ook nu een leven zonder God gaat aflopen. Een kleine herinnering, en eenzame vlaggenmast, een koude grafsteen, maar verder niets... Omgekomen onder de rechtvaardige toorn van God. Was de Heere dan niet bereid hen genadig te zijn? Jawel! Hij heeft hen zo vaak geroepen! Wendt u naar Mij toe en wordt behouden (Jesaja 45:22Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.), maar zij weigerden en dus gingen zij om eigen schuld verloren.
Waren zij niet gewaarschuwd? Bent u, onbekeerde vrienden, niet gewaarschuwd? Jawel! Maar zij gingen door. En u gaat misschien ook wel door. Als het Woord hen raakte, dan zeiden zij (en dat zegt u misschien ook wel, net als de mensen van Juda): ‘Spreek ons zachte woorden. Dit is te scherp. U zegt dat ik niet wil zalig worden?’ Ja, dat zegt de Heere (kijk maar in vers 15): U hebt niet gewild! Och, of u dat toch wilde horen en ter harte wilde nemen!
Maar ik zal mij, na deze korte inleiding, in deze dienst vooral richten op een bepaalde groep mensen, die kennelijk niet zullen omkomen. Het is alsof in vers 17 de goddelozen achtergelaten worden. Over hen gaat het nu niet meer. De aandacht verschuift nu naar een kleine groep, naar een overblijfsel in het midden van dat weerspannige volk.
We gaan dat zien in ons eerste punt:
Onze tekst zegt: Daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij. Deze woorden van onze tekst hebben betrekking op ‘het overblijfsel’, op ‘de rest’ die er is in Juda en Benjamin. Ze hebben betrekking op het overblijfsel naar de verkiezing van Gods genade. Het zijn mensen, in wier hart God Zijn genade gewerkt heeft of nog zal werken.
Moet u, terugkijkend naar uw eigen leven, kinderen van God, niet vol verwondering instemmen en zeggen: ‘Ja, dat is waar, de HEERE wachtte!’ Was het niet rechtvaardig geweest, als Hij niet had gewacht? Was het niet rechtvaardig geweest als Hij met ons gedaan had naar onze zonden? Terwijl wij dwaalden en doolden op het pad van de zonde, terwijl wij met Hem gebroken hadden en ons van Hem hadden afgekeerd? Ja, uiterlijk misschien wel godsdienstig, maar ondertussen (net als Juda en Benjamin) hopend op dat wat van ons was: op ons goede uiterlijk, op ons nette leven, op ons pogen onszelf te verlossen? En zijn we ook, nadat de Heere aanvankelijk in ons leven gekomen was, vaak niet verder gegaan op die weg van dat vertrouwen op Egypte? Op die weg van vertrouwen op onze eigen goedheid, op onze tranen, op onze gebeden, op onze goede werken, op onze manieren, op onze pogingen om onszelf te redden? De Heere had ons toch gezegd: uit de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden (Romeinen 3:20Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.)? Maar toch gingen we die weg, waarvan we op voorhand al wisten: het is uitgesloten, het is een doodlopende weg! Maar we wilden het op onze eigen manier doen, we werkten ons eigen plan van zalig worden uit. En we dachten dat we goed bezig waren. Totdat… God wachtte… Totdat we tenslotte moesten erkennen: in mij is geen goed. In mij is enkel zonde en schuld. Uw doen is rein, Heere, Uw vonnis is gans rechtvaardig. Het is een wonder dat ik er nog ben. Het is Uw goedertierenheid, dat ik nog niet vernield ben (zie Klaagl. 3:22Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;). De HEERE wachtte…
Sommigen van ons liet hij gaan op het pad van uitgesproken en openlijke zonden. Totdat de bittere gevolgen ervan u in grote zielennood brachten. Hij wachtte… Anderen van ons liet en laat Hij gaan onder een drukkend gevoel van zonden en ellende, terwijl het toch geen hartelijk zoeken en zuchten is, geen hartelijke belijdenis, geen dringend roepen naar de hemel om genade, maar toch nog iets van rust en berusting… Hij wacht…
Daarin is geduld. Hij maakt geen einde met ons, terwijl we dat wel verdienen. Daarin is genade. Hij wacht op Zijn tijd. Hij wacht, totdat wij gaan roepen. Totdat het echt nood wordt in ons leven. Omdat Hij het Zelf nood gemaakt heeft. Is dat zo in uw leven? Is er nood? Roept u naar de Heere uit de benauwdheid van uw hart? ‘Heere, ik ben van U weg gegaan, ik heb zoveel en zo vaak hulp gezocht buiten U.
Maar nu kan ik niet meer zonder U. Mijn ziel schreeuwt tot U! Heere, breng me weer, verlos me, toon me toch het lieflijke licht van Uw vriendelijk aangezicht (Psalm 80:2O Herder Israëls! neem ter ore, Die Jozef als schapen leiddet; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende.)?’
U, die roept uit de nood van uw hart, lees eens wat er staat in vers 18: de HEERE (de trouwe en machtige God van Zijn eenzijdige verbond) wacht om genadig te zijn. Hij is het die uiteindelijk onze ziel (in de wonderlijke weg van Zijn leiding en voorzienigheid) voor het eerst en opnieuw in de nood brengt, om dan, op Zijn tijd genadig te zijn. De bekende Bijbeluitlegger Matthew Henry zegt: Hij zal wachten totdat u tot Hem wederkeert en Zijn aangezicht zoekt. En dan zal Hij gereed en bereid zijn om u tegemoet te komen met Zijn genade. Hij zal wachten om het op de beste en meest geschikte tijd te doen, wanneer het het meest zal strekken tot Zijn eer en heerlijkheid en het u op het aangenaamste zal verrassen. Hij zal u genadig zijn op de stem van uw geroep, op de stem van uw nood (als die het meest dringend is), op de stem van uw gebed (als die het meest vurig is). Als Hij die hoort, is er niets meer nodig. Zo haast Hij die horen zal, op het eerste woord, zal Hij u antwoorden en zeggen: hier ben Ik! (einde citaat). Ja, zegt de Heere door de mond van Jesaja: En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen (Jesaja 65:24En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen.).
Onze tekst zegt: En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts. God is een God van gericht. Met andere woorden: Er komt onheil. Straf en ballingschap zullen zeker komen, het is onafwendbaar, maar het overblijfsel vanwege de verkiezing van Gods genade zal niet ondergaan.
God wilde dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiedde. Onheil kwam, de straf moest voltrokken worden, en… en werd voor al Gods kinderen gelegd op het hoofd van het Lam. Hij riep, vanuit de diepte van zijn zielennood, maar God antwoordde Hem niet. Er was voor Hem geen Ontfermer. Maar het was niet voor Hemzelf. Om de overtreding Zijns volks is de plaag op Hem geweest (Jesaja 53:8Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.). En nu, zegt Psalm 85, is de hitte van Gods gramschap geblust (Psalm 85:4). En dus, zegt Paulus in de Romeinenbrief, is er nu geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest (Romeinen 8:1Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.).
En dat alles kwam voort uit God. Dat alles kwam voort uit Zijn barmhartigheid, uit de eeuwige liefde tot Zijn Kerk. En daarom kan het hier zo zijn, voor de aankondiging van dat gericht, voor dat wat hier staat, ‘God is een God des gerichts’, dat God daarvoor al Zijn verlangen uitspreekt om genadig te zijn. Hij is wel een God des gericht, maar Hij zal opstaan en Zich verheffen. Want eigenlijk is dat de betekenis van dat kleine tussenzinnetje: Hij zal verhoogd worden. Het betekent: Hij zal Zich verheffen! Hij zal opstaan. Maar niet met straf.
Nee, zo zegt Calvijn: ‘Genade zal dan Zijn leuze zijn’. Hij zal opstaan en plaatsnemen op Zijn genadetroon.
Wat schittert hier eeuwige liefde en vrije ontferming. Dit overblijfsel was (en Gods kinderen zijn) van zichzelf niet anders dan anderen. Het is vrije liefde en ontferming die eeuwig God bewoog, om op te staan en plaats te nemen op Zijn troon, op Zijn genadetroon. Hij zal opstaan en Zich ontfermen. Zoals we dat nu samen gaan zingen uit Psalm 102:7.
Gij zult opstaan, ons beschermen, Over Sion U ontfermen, Want de tijd, Uw stad voorspeld, Aan haar leed ten perk gesteld, Die zo lang gewenste dagen Van Uw gunstrijk welbehagen, Zijn, o God, in 't eind geboren; Gij, Gij zult haar klacht verhoren.
De Heere zal, op Zijn tijd, opstaan en Zich ontfermen. Over? Over hen die de Heere verwachten. Als ik dat zeg, dan denk ik aan Jesaja 8, waar staat: Daarom zal ik de Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten (Jesaja 8:17). Dan denk ik aan onze tekst, waar staat: Welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten. Het brengt ons bij ons tweede aandachtspunt
Wie zijn dat, zij die wachten? Het zijn zij (en ik zeg dat als een spiegel voor ons eigen hart), het zijn zij die biddend en hopend wachten op God. Ze wachten biddend en hopend op de tijd van Gods welbehagen, op de tijd van Zijn ontferming. Nee, dat is geen werkeloos wachten. Het is een biddend, en in die zin een werkend wachten. En het is tegelijkertijd een geduldig wachten, in stilte hopend op God, die hen in al dat wachten nooit zal laten omkomen. Zoals staat in vers 7: Stilzitten zal hun sterkte zijn (vers 7b). Het is geen passief en afwachten stilzitten, maar een biddend hopen en wachten op God.
Dit wachten, dit stille wachten op God is een uitdrukking van de genade van het geloof, en vooral ook van de genade van de hoop, zoals de dichter van Psalm 130 die verwoordt: Ik hoop, in al mijn klachten, op Zijn onfeilbaar woord (Psalm 130:3, ber.).
Hopen en verwachten, dat kan op verschillende manieren. Veel onbekeerde mensen hopen ‘dat ze nog een keer bekeerd zullen worden’. Het is een passieve, afwachtende en ten diepste God beschuldigende hoop. Waarvan de Spreukendichter zegt: Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan (Spreuken 11:7Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan.).
Bileam hoopte op een goed sterfbed, toen hij zei: Mijn ziel sterve de dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne! (Numeri 23:10Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!) Deze hoop, zulke hoop verdampt, zulke hoop vervliegt.
De hoop van Gods kinderen is een ander hoop. Het is een hoop met een grond, een hoop met een fundament. We hopen en verwachten niet in het luchtledige. We hopen en verwachten Iemand (met een hoofdletter), die beloofd heeft te zullen komen. Dus heeft de echte, de Bijbelse hoop een grond, niet in onszelf, maar in de belovende God.
Die Bijbelse hoop heeft een kruimel geloof nodig. Een kruimel geloof, waarmee ik mag weten en geloven dat God me om Christus’ wil genadig wil zijn en zal zijn en is. Een kruimel van dit geloof, dat zegt: ‘Heere, bij U is toch vergeving, voor mij, die vanwege mijn ongerechtigheden voor U niet kan bestaan (Psalm 130)?’ En die kruimel geloof die ik nodig heb om te hopen op God, die vindt zijn grond en houvast in het Woord van God, en in de Christus die in dat Woord is.
De bekende dominee Kohlbrugge zegt (van mezelf is er geen hoop, en dus): Eerst moet ik God hebben, dan pas kan ik hopen. Eerst moet ik God hebben, God, die tot mij komt in Zijn Woord, God die belooft mij te zullen helpen met Zijn Geest, die mij Zijn troost in het hart blaast. En dan wordt mijn ziel stil tot God. En dan leer ik op Hem hopen. Laten we, kinderen van God, geen hoop zoeken buiten Christus en ook niet buiten het Woord. Ons Avondmaalsformulier zegt: We zoeken de zaligheid buiten onszelf. En al zoekend, al biddend, al smekend, vinden we grond, vinden we houvast in…? In Gods belofte. Niet in ons bezit, niet in ons. Maar in het woord van Gods belofte, buiten ons. Niet in mijn werken, maar in Christus en in Zijn werk. In het spreken, in het Woord van de Heere, die zegt: ‘Alleen om Mijn Zoon, om Christus’ wil, heb Ik al uw zonden bedekt’. Daar iets van mogen geloven, daarop hopen, dat is geloofswerk. Hoop is dus een voortdurende oefening van het geloof.
Welgelukzalig zijn allen, die Hem verwachten, zo staat er tot slot in vers 18. Geen ijdele, geen losse hoop dus, maar een gegronde hoop, die gegrond is in het Woord, in de toezegging van de Heere. Op grond van dat Woord, verwachten wij Hem, wachten wij geduldig op Zijn ontferming. Psalm 119 is er vol van: Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk U mij hebt doen hopen (vers 49). Het is een troostvolle hoop: Dit is mijn troost in mijn ellende, want uw toezegging heeft mij levend gemaakt (vers 50). Het is een hoop die werkzaam maakt: Ik heb Uw aanschijn ernstig gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging (vers 58). Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging (vers 170).
Het is een hoopvol verlangen: Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hoop (vers 116). Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging (vers 154). Het is een hoop die het hart verblijdt, ook al zie ik het niet, ook al heb ik de vervulling nog niet in mijn bezit. Want zo staat in Psalm 119: Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt (vers 162).
Want? Vanwaar die blijdschap? Omdat in de belofte zekerheid ligt. Dus is er in uitzien, dus is er in verlangen en hopen al een zekere mate van bezit. Er is geen reden, gemeente, om wat schouderophalend en denigrerend te spreken over hopen, uitzien en verlangen. Er zijn mensen die zeggen: ‘Als je hoopt, dan heb je niks’.
Dat is in zekere zin waar, maar aan de andere kant ook helemaal niet. Wie hoopt op God, heeft houvast in het Woord van de belovende God. En er is in dat hopen, in dat uitzien en in dat verlangen (zoals ik zei) altijd al een zeker mate van bezit.
Want de belofte is zeker, vanwege Degene die het beloofd heeft. En dus staat de uitkomst vast! Dat is de reden waarom de Heere Jezus zegt: Zalig zijn de armen van geest. Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid (Mattheüs 5:2-6En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende: Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.). Het ligt alles vast, het is alles zeker, vanwege (zoals het Avondmaalsformulier zegt) de ‘gewisse belofte van God’.
Wat hoopt een kind van God, wat hoopt een oprecht gelovige dan? Wat de Heere beloofd heeft. Wie de Heere verwacht (zoals staat in onze tekst), die verwacht Hem die Zijn belofte vervult, Hem die nooit één van Zijn woorden op de aarde heeft laten vallen, Hem die trouw houdt en eeuwig leeft en die nooit laat varen de werken van Zijn handen en de woorden van Zijn mond.
Er zijn voor Gods kinderen algemene beloften. Denkt u maar aan wat Paulus schrijft: De godzaligheid heeft de belofte van het tegenwoordige en het toekomende leven. Ik denk aan deze algemene beloften: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. Maar er zijn ook bijzondere woorden, bijzondere beloften, waarmee de Heere tot Zijn kinderen spreekt en gesproken heeft.
Dat ontlokt aan het hart de dichter van Psalm 119 zijn hoopvolle gebed: Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken(!), op hetwelk U mij hebt doen hopen (vers 49). De hoop op dat Woord van de Heere, die geboren wordt in de nood van het hart, die doet uitzien, bidden en smeken, verlangen en verwachten, meer dan de wachters hopen op de morgen.
Terwijl de Heere soms ook de hoop in hart van Zijn kinderen, tot hun lering, doet vergaan. We hoopten, zeiden de Emmaüsgangers, dat hij degene was die Israël verlossen zou (Lukas 24:21En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou. Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn.). Maar die hoop zijn we kwijt.
Ja, zo doet de Heere dat vaker in het leven van Zijn kinderen. Onze hoop, die zo verkeerd gericht kan zijn, verliezen we. Die neemt de Heere ons af. En het wordt weer nood. Opdat we een zekerder en vastere hoop zouden vinden buiten ons, een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (1 Petrus 1:3Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.). Hopen is een zaak van een gebroken hart, vervuld met nood, dat vlucht, en houvast vindt in God en in Zijn Woord.
Het is een levende hoop, een levende verwachting van de Heere. De hoop zegt: Doe, Heere, wat U gesproken hebt (zie 2 Samuël 7:25Nu dan, HEERE God, doe dit woord, dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.). Want mijn vastheid ligt enkel en alleen in Uw woorden. Zoals de profeet Habakuk zei (Godvruchte schaar, houd moed!): Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewis komen, Hij zal niet achterblijven (Habakuk 2:3Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.).
Kijk ook maar in vers 19 van ons teksthoofdstuk. Daar ziet u het Goddelijke antwoord op de hoop die Hij Zelf in het hart van Zijn kinderen heeft gelegd: Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem. Het volk zal in Sion wonen, want Ik de Heere zal Zijn belofte vervullen, de belofte van hoofdstuk 28:16: Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten (Jesaja 28:16). Wie gelooft, die zal niet haasten, maar geduldig zijn en stil wachten op God. Die stille rust kan er zijn, omdat de Heere, ook in al ons gemis, beloofd heeft dat Hij Zijn kinderen nooit zal laten omkomen, zelfs niet in moeilijke tijden, ‘in dure tijd en hongersnood’. Daarom blijven onze harten, als de Heere het genadig geeft, zelfs in de grootste smarten, in de Heere gerust.
U zult, zo staat in vers 19, ganselijk niet wenen. God zal de tranen van uw ogen, treurenden en ongetroosten, afwissen: de tranen van uw verdriet, de tranen van uw berouw en gebrokenheid, de tranen van uw gemis en verlangen, als Hij Zijn beloften vervullen zal en Zich over u zal ontfermen.
Want (zo staat in vers 19), gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem van uw geroep. Hoort u dat, roepende zondaars, u die op de Heere hoopt? Gewis, zeker, zal Hij u genadig zijn op de stem van uw geroep.
Zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden. Als de Heere, op Zijn tijd zal opgestaan zijn en zal zitten op Zijn genadetroon, dan zal Hij ook deze belofte vervullen: Hij zal horen en u antwoorden. Om de Heere Zelf, om Zijn eenzijdige genade en Goddelijke welbehagen. Om Christus, die in Zijn diepste nood en lijden riep, maar geen antwoord kreeg. Daarom zal Hij u die roept, wel antwoorden.
Wacht op de Heere, Godvruchte schaar, houd moed. God is getrouw. Hij laat nooit varen het werk van Zijn handen. Wacht geduldig, biddend, smekend, hopend, verlangend en uitziend naar Zijn tijd en uur. Wij kunnen niets met geweld en ongeduld bereiken. De Heere bepaalt Zelf wanneer en
hoe Hij Zich aan een hopend mens zal openbaren, en wanneer en hoe Hij in de benauwdheid uitkomst geven zal. Maar weet dit: Hoe meer wij dat aan Hem toevertrouwen (stil voor God), des te spoediger zal Hij er zijn. Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft (Psalm 85:3)
Zeg dan maar, kinderen van God, hopend en uitziend en verwachtend: En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U (Psalm 39:8En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.). Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts (Psalm 42:6Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.). Want de Heere vergeet de hoop van Zijn ellendigen niet (zie Psalm 74:19Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid.). Ja, u hoort het goed: De Heere zal de hoop van Zijn ellendigen (ze zijn van Hem, ze zijn Zijn eigendom: Zijn ellendigen), Hij zal de hoop van Zijn ellendigen niet vergeten.
En de hoop, zegt Paulus, (deze hoop, die gegrond is in het Woord van de belovende God), de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is (Romeinen 5: 5).
Een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is (1 Johannes 3:10Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft,).
Amen.
Slotzang Psalm 62:1,4,5
Andere preken over Jesaja
Andere preken voor Voorbereiding