Pasen - 14 april 2019
Johannes 11:25: Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven;
INLEIDING
Toen Lazarus in Bethanië gestorven was en Martha de Heere Jezus tegemoet ging, sprak Hij tot haar de rijke woorden uit Johannes 11:25: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. Deze leespreek wijst de lezer op de troost van de opstanding der doden aan het einde der tijden, én op de noodzaak van de geestelijke opwekking uit de dood tot een levend geloof in Christus, hier en nu.
Jezus Christus, de Opstanding en het Leven
JOHANNES 11:17-27
17 Jezus dan gekomen zijnde, vond dat hij nu vier dagen in het graf geweest was.
18 (Bethanië nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën vandaar.)
19 En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder.
20 Martha dan, als zij hoorde dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten.
21 Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven;
22 Maar ook nu weet ik, dat alles wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.
23 Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal weder opstaan.
24 Martha zeide tot Hem: Ik weet dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.
25 Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven;
26 En een iegelijk die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?
27 Zij zeide tot Hem: Ja Heere; ik heb geloofd dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Johannes 11:25
THEMA
Jezus Christus, de Opstanding en het Leven
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de tekstwoorden die wij met de hulp van de Heere vanmorgen met elkaar willen overdenken, kunt u vinden in het Bijbelgedeelte dat u voorgelezen is, in Johannes 11, daarvan de verzen 23 tot en met 27. Daar lezen we het Woord van God als volgt Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan. Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage. Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat? Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: Jezus Christus, de Opstanding en het Leven
Jezus Christus, de Opstanding en het Leven. Nadat we samen de aanleiding tot onze tekst hebben gezien en de geschiedenis waarin deze woorden gezegd worden, staan we stil bij twee aandachtspunten. We letten in de eerste plaats vanuit vers 24 op de troost van de tweede opstanding na dit leven, en daarna letten we vanuit vers 25 en 26 op de noodzaak van de eerste opwekking in dit leven. Dus: Jezus Christus, de Opstanding en het Leven: 1. De troost van de tweede opstanding na dit leven 2. De noodzaak van de eerste opwekking in dit leven.
Het vindt allemaal plaats in Bethanië, het dorpje waar Lazarus woont, samen met zijn twee zussen Martha en Maria. Lazarus is erg ziek. Zo ziek, dat Martha en Maria een boodschap sturen naar de Heere Jezus. Maar de Heere Jezus is niet in de buurt, Hij is aan de andere kant van de Jordaan (Johannes 10:40En Hij ging wederom over de Jordaan, tot de plaats, waar Johannes eerst doopte; en Hij bleef aldaar.). Zij sturen een boodschap naar de Heere Jezus, en Hij stuurt een bericht terug. Kijk maar in vers 4: Deze krankheid (deze ziekte) is niet tot de dood, maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worden. De boodschap komt wel aan bij Martha en Maria, maar (zo blijkt uit vers 40) wordt door de beide zusters niet echt begrepen.
Ondertussen blijft de Heere nog twee dagen waar Hij is, namelijk in het over-Jordaanse, aan de andere kant dus van de Jordaan (vers 6). Hij werkt niet op onze tijd, maar alleen op Zijn tijd. En Zijn ure is nog niet gekomen.
Tegen zijn discipelen zegt Hij ondertussen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit de slaap op te wekken (vers 11). Even ontstaat er bij de discipelen een misverstand. Ze denken dat Lazarus echt, gewoon slaapt. Nou, en wie slaapt en daardoor goed uitrust, die wordt vanzelf weer beter. Maar nee, zegt de Heere dan tegen hen: Lazarus is echt gestorven (vers 14).
En dat blijkt ook als ze onderweg zijn naar het dorpje Bethanië. Dan komt het bericht hen tegemoet: Lazarus ligt nu al vier dagen in het graf (vers 17). Meestal werden de mensen op hun sterfdag zelf al begraven, dus Lazarus is vier dagen geleden al overleden (zie Handelingen 5:6En de jongelingen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem.,10).
Gelukkig is er veel meeleven met de rouwdragende familie. Dat is een zegen in tijden van verlies en verdriet. Als er mensen komen, niet uit nieuwsgierigheid, maar met het doel om te vertroosten (vers 19). Het is een zegen als er in de gemeente meeleven is. Door bezoek thuis, door het bijwonen van de rouwdienst en door het meegaan naar de begraafplaats. Dat hoort bij het gemeenteleven. Dat hoort, kinderen van God, bij een heilig leven. Paulus zegt in de Romeinenbrief: bij zo’n heilig leven hoort dat u zich verblijdt met de blijden, en weent met de wenenden (Romeinen 12:15Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden.). En het is een bijzondere zegen, als we er niet alleen zijn (dat is ook belangrijk), maar vooral als we als leden van de gemeente elkaar ook met bescheiden Bijbelse woorden kunnen vertroosten. Vooral door elkaar te wijzen op de troost van de opstanding der doden. Denk aan wat Paulus schrijft aan de gemeente van Thessalonica: En alzo zullen wij altijd met de Heere wezen. Zo dan, vertroost(!) elkander met deze woorden (1 Thessalonicenzen 4:17-18Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.). Hier in Bethanië zijn heel veel mensen, die (zo was de gewoonte destijds) ook na de begrafenis bij de bedroefde zusters zijn gebleven om hen te vertroosten.
Maar, als Martha hoort dat de Heere Jezus eraan komt, loopt ze de drukte uit, Hem tegemoet. Ze zegt in vers 21: Heere, als u er eerder geweest was, dan…, maar nu is het te laat… Hij is al gestorven. Dat is geen verwijt, maar dat is een teken van hoogachting en respect, een teken van geloof in Zijn macht. ‘U had hem, toen hij nog ziek was, zeker kunnen genezen.’ Het is een teken van geloof in Zijn macht, maar het is ook een teken van ongeloof. Alsof de Heere Jezus per se hier had moeten zijn. Immers de Heere had ook op afstand kunnen genezen.
Haar geloof is zwak. Ze heeft ook niet de moed om te vragen: ‘Heere, wilt U hem opwekken uit de dood?’ Terwijl ze weet, dat de Heere gezegd heeft: De Zoon maakt levend, die Hij wil (Johannes 5:21Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil.).
En toch houdt haar wankele geloof moed en hoop, want ze zegt: Maar ook nu weet ik, dat alles, wat U van God begeren zult, God U het geven zal (22). En dan volgt wat staat in vers 23 en 24: Jezus zeide tot haar: uw broeder zal wederopstaan. Martha zeide tot Hem: ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage. En dat brengt ons bij ons eerste aandachtspunt:
Want er is voor de oprecht gelovigen veel troost, in het denken aan en in het verwachten van de wederopstanding der doden in de grote dag der dagen. Laat ik u eerst aantonen, dat die wederopstanding der doden er zeker zal zijn. Zoals onze Twaalf Artikelen ook belijden: Ik geloof in de wederopstanding der doden. Dat wil zeggen: Ik geloof dat de dag komt, de dag van de terugkomst van de Heere Jezus Christus op de wolken des hemels. Ik geloof dat de dag komt, dat alle graven zullen opengaan en iedereen die ooit gestorven is, opgewekt zal worden uit de dood.
Dat staat op meerdere plaatsen in de Bijbel. Laat ik u enkele van die plaatsen noemen: We lezen in Daniël 12 vers 2: En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Tot eeuwig leven…, of tot eeuwige schaamte, verachting en afschuw… Hoe zult u opstaan in die dag…?
We lezen in Jesaja 26 vers 19: Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht(!), u, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen. Zult u juichen in die dag van de opstanding uit de doden?
We lezen in Johannes 5, vers 28 en 29: Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis. Zult u opstaan tot eeuwig leven, of tot eeuwige verdoemenis?
We lezen dat Paulus schrijft in Handelingen 17 vers 31: Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft. Wat zal de uitslag zijn van dat rechtvaardige oordeel over u?
En, om niet meer te noemen, u kent de bekende woorden van Johannes uit Openbaring 20: Ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken (Openbaring 20:12). Wat zal er uit de boeken over u gelezen worden?
Kortom, we weten vanuit de Bijbel overduidelijk dat de dag komt, de grote dag van de terugkomst van de Heere Jezus Christus, de dag waarop al de doden, de dag waarop wij allemaal zullen opstaan om geoordeeld te worden door de hemelse Rechter, de Heere Jezus Christus, die daarvoor door de Vader aangesteld is.
Opstaan zullen we allemaal. Want sterven zullen we ook allemaal. Omdat…? Omdat we tegen God gezondigd hebben. En Paulus zegt: de bezoldiging der zonde, het loon op de zonde, is de dood (Romeinen 6:23Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.).
Gemeente, we leven in een samenleving waarin de dood zoveel mogelijk op afstand gehouden en verhuld wordt. Hemel en hel, wederkomst en oordeel worden meer en meer afgedaan als middeleeuwse fantasieën. Maar: Hij komt, Hij komt om de aarde te richten. En al de doden zullen opstaan.
Als wij sterven wordt onze ziel van ons lichaam gescheiden. Onze ziel gaat direct naar de plaats van de eeuwige bestemming. Denk maar aan Judas. Hij ging heen naar zijn eigen plaats. Denk maar aan de moordenaar aan het kruis. Hij ging na zijn sterven direct naar de hemel. De Heere Jezus zei tegen hem: Heden zult u met Mij in het paradijs (in de hemel) zijn. Onze ziel gaat na ons sterven direct naar de plaats van onze eeuwige bestemming. Ons lichaam wordt gelegd in een graf. Zo was het eerst in het paradijs niet. Maar omdat wij tegen God gezondigd en Hem verlaten hebben, daarom moeten wij de dood sterven. Daarom zal ons lichaam tot stof terugkeren.
Maar, de Bijbel zegt meer. In Johannes 5 zegt de Heere Jezus: De ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.
We denken er liever niet aan. En altijd als we er wel aan denken, dan huiveren we. Dood en graf schrikken ons af. Maar toch preekt ons de opstanding van de Heere Jezus Christus, dat dat voor Gods kinderen zo niet meer hoeft te zijn. Ons graf is geen vreemd graf. De Heere Jezus Zelf heeft in het graf gelegen. Maar daarna stond Hij op uit de dood. En Hij heeft gezegd (zijn dat geen troostvolle woorden?): En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken. (Johannes 12:32En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.). Het geeft zo helder aan, dat het graf voor Gods kinderen niet het bittere einde is van hun leven, van een leven dat vaak zo vol was van moeite en strijd. Het graf is door de Heere Jezus Zelf geheiligd tot een rustplaats, tot een slaapkamer waar ons lichaam zal wachten tot de dag van de opstanding der doden. Het is maar een kleedkamer, waar we het lichaam van de zonde definitief afleggen, en waar we in stilte wachten op het verheerlijkte lichaam dat ons gegeven zal worden.
Ons lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht (1 Korinthe 15:42-43Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.). Wat een heerlijk vooruitzicht! Want na de dood is het leven ons bereid. God neemt ons op in Zijn heerlijkheid. Eerst onze ziel, en dan ook ons lichaam. De Heere zal ons vernederd lichaam veranderen, opdat het gelijkvormig zal worden aan Zijn heerlijk lichaam (Filippenzen 3:21Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.). Wat een blij vooruitzicht! Daarom, zo zegt onze belijdenis, verwachten wij die dag met groot verlangen (NGB. Artikel 37).
a. Hierin is voor al Gods kinderen heel veel troost. Om te overdenken, om te bemediteren, in de verwachting van de tijd die komt. Ik bedoel deze troost: Het ergste wat ons de zonde aan het einde van ons leven aandoet, is dat die ons verlossen zal van dit kwetsbare, broze en zondige lichaam. Het gaf Job in al zijn nood en verdriet hoop. We horen het in zijn uitroep: Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan. En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, Denwelke ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot (Job 19:25-27Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.). Het liet de dichter van Psalm 16 hoopvol zingen: Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen. Want U zult mijn ziel in de hel niet verlaten. U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie (Psalm 16:9-10). De dood, die ons nu als het allerergste toeschijnt, zal op Gods tijd komen om ons te verlossen. Om ons te verlossen van het lichaam der zonde en des doods. Is dat geen blij vooruitzicht?
Dwars door de angstaanjagende roep van de dood, klinkt de bemoedigende stem van de Heere: Vrees niet! Vrees niet, nu u met Pasen een geopend graf hebt gezien, vrees nu niet om daar zelf in te moeten gaan. Zie, het is de plaats waar uw Heere gelegen heeft. Kinderen van God: ook uw en mijn lichaam moet eerdaags een periode rusten en slapen in het graf. De Heere zal ons stof bewaren en ons op Zijn tijd weer opwekken tot een verheerlijkt lichaam. Dan zal waar worden wat de catechismus zegt: Dan zal Hij (die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld heeft en al de vloek van mij weggenomen heeft), dan zal Hij mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid opnemen (Zondag 10, a.w. 52).
Het geloof in de opstanding der doden en in het eeuwige leven daarna is een grote troost in het leven van Gods kinderen. Want: Indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn (1 Korinthe 15:19-20). En Hij, onze opgestane en levende Heere en Koning, Hij zal ons in die dag opwekken uit de slaap van de dood. Want Hij is de Opstanding en het Leven.
b. Dat geloof in de opstanding der doden geeft ook heel veel troost in het nazien van de kinderen van God die ons zijn voorgegaan. Zij zijn met vreugde thuisgekomen in het Vaderhuis hierboven, in het Vaderhuis met de vele woningen. Paulus schrijft in de eerste Thessalonicenzenbrief: Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem (1Thess 4:14). Als iemand van ons een lange reis maakt, dan treuren we niet, want we verwachten hem of haar weer terug te zien. Zo mag het ook zijn met onze geliefden, die in de Heere ontslapen zijn. We zullen hen weer ontmoeten.
Deze wetenschap is troostvol. Echt troostvol. Onze geliefde doden, die in de Heere gestorven zijn, zij niet weg. Ze zijn ons, kinderen van God, voorgegaan. Ze hebben eerder dan wij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid ontvangen. Waarom zouden we dan zo droevig zijn? Waarom zouden we dan zo hartstochtelijk huilen? Ze hebben hun wens verkregen. Hun blijdschap is door het licht dat van Gods aangezicht straalt tot het hoogste toppunt gestegen. Dan moeten wij maar niet te veel huilen en niet overmatig bedroefd zijn.
c. Deze wetenschap, dit vertrouwen en dit geloof in de opstanding der doden wil ons in de derde plaats aansporen om heilig te leven. Want zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien (Hebreeën 12:14Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;). Denk ook maar aan de woorden van Paulus in Handelingen 24: Hebbende hoop op God, welke dezen ook zelf verwachten, dat er een opstanding der doden wezen zal, beiden der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen. En (zo voegt hij daaraan toe) hierin oefen ik mijzelf, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen (Handelingen 24:15-16). Als dit lichaam, dit mijn eigen lichaam dat nu hier op de aarde leeft, in de dag der dagen opgewekt zal worden in heerlijkheid, dan moet ik dat lichaam hier op de aarde zuiver, onbesmet en rein bewaren (1 Korinthe 6:18Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.).
d. En tot slot, als vierde, wil deze verwachting van de wederkomst van Christus en de opstanding der doden ons ook geduldig maken in verdrukking en lijden. Johannes schrijft in Openbaring 2: Vrees geen der dingen, die u lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon des levens (Openb. 2:10). In welk lijden u ook bent, kinderen van God, wees geduldig en hoop op God. Wees getrouw tot de dood, uw Meester zal u daarna de kroon des levens geven.
Vertroost elkaar met deze woorden.
We gaan zingen uit Psalm 17 het zevende en achtste vers: Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!) Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Uw Godd'lijk beeld.
Gemeente, we gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
We lezen in vers 25 en 26: Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft u dat? Blijkbaar (als we het antwoord van de Heere Jezus goed lezen), blijkbaar heeft Martha de bedoeling van de Heere Jezus toch niet goed begrepen. Blijkbaar bedoelt de Heere Jezus meer te zeggen dan: straks, op de dag van de opstanding, zal Lazarus opstaan. En het voelt ook alsof Martha denkt: Ja, er is wel troost voor de toekomst, er is wel troost voor straks…, maar…, wat help mij dat nu?
We bedoelt de Heere Jezus hier eigenlijk? Wat doet Hij, met dat Hij dit tegen Martha zegt? Dit: Hij richt haar geloof, van dat meer abstracte geloof in de opstanding der doden straks, tot een persoonlijk geloof in Hem, nu!
De Heere Jezus zegt eigenlijk: ‘Ik, Martha, zal niet alleen straks de doden opwekken, maar nu ben Ik Zelf de Opstanding en het Leven.’ Ik ben het, die mensen opwek uit de dood en die hen het leven geef. Zoals de Heere Jezus eerder zei in Johannes 5: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu (niet straks, maar nu!), wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven (Johannes 5:25).
Ik ben de Opstanding…, en het Leven. Eerst ben Ik de Opstanding. Dan ben Ik het Leven. Want leven begint met opstanding. Geestelijk leven begint met opwekking uit onze geestelijke dood. Want we zijn, zoals we geboren zijn, geestelijk dood, dat wil zeggen: vervreemd van God en niet meer levend in Zijn gunst. Het betekent dat we geen enkel geestelijk goed meer kunnen doen, alleen maar kwaad. Het wil zeggen dat we leven in vijandschap tegen God en in haat tegen onze naaste.
Hoe kan zo iemand ooit opstaan? Paulus zegt: we zijn van nature allemaal dood door de misdaden en de zonden (Ef. 2: 1). En wie dood is, wie gestorven is, die heeft geen kracht. Die kan helemaal niets. Zijn of haar toestand is machteloos en hopeloos.
Dat, gemeente, is van nature onze geestelijke toestand. Zo is ons hart voor God. In een toestand van machteloosheid en hopeloosheid. Want we zijn van onszelf: geestelijk dood.
En er is maar één uitweg tot het leven, voor nu en voor straks. De Heere Jezus zegt: Ik ben de Opstanding. De Heere Jezus is niet alleen Zelf opgestaan, maar in Zijn opstanding heeft Hij ook al Zijn kinderen meegenomen. Ze zijn allemaal mede levend gemaakt met Hem.
Hij stierf niet voor Zichzelf, maar voor hen. Toen Hij stierf, stierven zij. En Hij stond niet op voor Zichzelf, maar voor hen. Toen Hij opstond, stonden zij ook op.
En zo maakt de dood plaats voor het leven. Hoe? Dat staat in vers 25. Kijkt u nog maar even in uw Bijbeltje. Drie woorden vallen er op: opstaan, leven, en geloof. Ik ben de Opstanding en het Leven. Die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. Opstaan, leven en geloven. Eerst:
a. Opstaan. Dat geestelijk dode zondaars opstaan tot leven, dat is Gods werk. Dat is het werk van de Geest van de verhoogde Heere Jezus Christus. Dat is het werk van de Heilige Geest van Hem, die hier zegt: Ik ben de Opstanding. Hoe doet de Heere dat? Dat levend maken? Dat laten opstaan uit de dood? Dat opwekken uit de dood? Dat doet de Heere door Zijn Geest en Zijn Woord. We lezen in de Dordtse leerregels: Voorts wanneer God dit Zijn welbehagen (op achtergrond schittert het verkiezende welbehagen van God, Zijn verborgen raad), voorts wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, en de ware bekering in hen werkt, zo is het dat Hij niet alleen het Evangelie (Zijn Woord) hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtig door de Heilige Geest verlicht (…), maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige werking van diezelfde wederbarende Geest (DL III/IV, artikel 11). Dus het is de Heilige Geest, die het Woord gebruikt, en die opnieuw geboren laat worden, die wederbaart.
Een zondaar wordt door Geest en Woord opgewekt tot leven. En gaat, zo staat in vers 25 (dat is het tweede):
b. Geloven. Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft(!) zal leven, al was hij ook gestorven. Wie gelooft in de Heere Jezus Christus, die heeft leven gekregen, eeuwige leven. Een leven dat blijft, ook al was hij of zij gestorven.
Wie gelooft… Wie overtuigd is van… Wie zich vertrouwend overgeeft aan… Overtuigd van? Ja, eerst overtuigd van zonde en schuld, van verlorenheid en armoede. Want de Geest van Christus zal de wereld als eerste overtuigen van zonde (Joh. 16:9Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;). Wie denkt dat hij geen zonden heeft, wie geen last heeft van zijn zonden, wie niet onder zijn zonden gebukt gaat, wie door zijn zonden niet in de nood terecht gekomen is, die heeft geen Zaligmaker nodig. Het eerste werk van de Heilige Geest is ons te overtuigen van zonde en schuld. Zodat het nood wordt in ons leven. Nood, omdat we als zondige mensen staan tegenover de heilige God.
Als we dat werkelijk zien, dan veroorzaakt dat nood in ons hart, maar ook verlangen, verlangen om weer hersteld te mogen worden in de gunst van en gemeenschap met God. Omdat God Zijn liefde in ons hart heeft uitgestort.
Verlangen, honger en dorst naar Christus, die in het Evangelie zondaars zo vriendelijk nodigt: Kom tot Mij. Ik bid u, laat u toch door Mij met God verzoenen. Slechten, hoe lang zult u de slechtheid liefhebben? Bekeer u! Wend u naar Mij toe en word behouden. Het zijn allemaal woorden die zondaars hun totale onvermogen en tekort willen leren. Het zijn tegelijkertijd woorden die zondaars meer en meer willen laten zien hoe gepast Christus is voor hun schuldige hart. Zodat ze uiteindelijk tegen die trekkende liefde geen weerstand meer kunnen bieden, en roepend terechtkomen aan de voeten van de Heere Christus: Zone Davids, ontferm U mijner? Dat is het werk van de Heilige Geest. Die Zelf het hart van zulke schuldverslagen zondaars overtuigt en overbuigt om alle hoop op zichzelf op te geven en hun enige hoop te zoeken in de gerechtigheid van de enige Zaligmaker Jezus Christus (Johannes 16:10). Dat geloof is geen mensenwerk. Daar is niets van ons bij. Werkelijk helemaal niets! Dat geloof is zondermeer het werk van God de Heilige Geest. Want niemand kan tot Christus komen, tenzij de Vader die Hem gezonden heeft hem trekken zal (Joh. 6:44Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.).
Maar, dat geloof is geen dood bezit. Vers 25 zegt: Die in Mij gelooft(!) zal leven. Dat is het derde woord wat opvalt in vers 25: opstaan, geloven en:
c. Leven. Het oprechte geloof is een levend geloof. Want het is gegeven door de opgestane en levende Heere en Koning (Johannes 16:11). Het oprechte geloof leeft. Want het verenigt, het maakt één met Christus, de opgestane en levende Christus. En door het geloof in Hem, de Opgestane en Levende, brengt het geloof ook tot nieuw leven. Hij is ons Leven, zo schrijft Paulus, en daarom is ons leven een leven met Christus, verborgen in God (Kolossenzen 3:4Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.). Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbij gegaan, ziet, het is alles nieuw geworden (2 Korinthe 5:17Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.).
Gemeente, het is niet genoeg als je iets moois kan vertellen over besef van zonde en schuld… Het is niet genoeg als je de weg tot de zaligheid kan vertellen, althans, hoe je denkt dat die is… Het is niet genoeg als je innemend kan vertellen over geestelijke ervaringen van anderen, of van jezelf… Het is niet genoeg als anderen denken dat je een kind van God bent, of dat je dat zelf denkt… Het gaat echt om (en dat is een zaak van leven of dood), het gaat echt om geloof, om levend, dat één maakt met de opgestane Christus. Gemeente, u moet in Christus zijn. Door Hem opgewekt tot een nieuw leven. Anders blijft uw leven diep ellendig en wordt uw opstanding er een tot eeuwig afgrijzen.
Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al was hij ook gestorven. Drie woorden, drie dingen die onmisbaar zijn: opstaan, geloven en leven. Want, alleen die opstanding en dat geloof laten een nieuwgeboren mens delen in de beloften van het nieuwe verbond. In de belofte voor het natuurlijke leven, namelijk in de belofte van de zalige opstanding in een nieuw, verheerlijk lichaam. En ook in de belofte voor het geestelijke leven, namelijk in de belofte van het eeuwig zalig hemelleven. Want: Een iegelijk, die leeft, en in Christus gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid (vers 26).
Gelooft u dat, Martha? (vers 26) De Heere heeft haar ogen van de toekomst weggehaald en die (én voor nu, én voor straks) gericht op Hem Zelf: Ik ben de Opstanding en het Leven. Gelooft u dat? Gelooft u dat in Mij, voor u, het leven is? Omdat Ik de Opstanding en het Leven ben?
En dan komt Martha tot een indrukwekkende geloofsbelijdenis. De Heere opent haar verstand en geeft haar een hart om te geloven. En dus zegt ze: Ja, Heere. Ik heb geloofd, dat u de Christus bent, de Zoon van God, die in de wereld komen zou (vers 27).
Hoewel…, even later (in vers 39) blijkt toch ook weer de beperktheid van haar geloof, op het moment dat ze aarzelt om de steen van het graf van Lazarus weg te rollen, als de Heere Jezus daarom vraagt. Alles blijft hier maar ten dele.
Ik ben de Opstanding en het Leven! Gelooft u dat? Nee, de Heere vraagt u niet in de eerste plaats naar uw geloof in de wederopstanding der doden straks. Maar kent u nu iets van persoonlijk vertrouwen in Jezus Christus, als zijnde de Opstanding en het Leven? Kent u iets van persoonlijk vertrouwen in dat: Ik ben voor u gestorven, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven? En nu, na Pasen, ben Ik voor u: de Opstanding en het Leven?
Gelooft u in Hem? Hebt u door Zijn genadige werk in uw hart uw verloren leven al toevertrouwd aan Hem, om het zalig te maken op Zijn voorwaarden alleen? Zeg dan maar met Paulus: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft (Galaten 2:20Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.).
De Heere vertrooste u met deze woorden. En vertroost elkaar met deze woorden.
Amen.
Andere preken over Johannes
Andere preken voor Pasen
Andere gerelateerde preken