PREEK · KERKELIJK JAAR

Ik zag de doden klein en groot - Openbaring 20

Oudjaar - 31 december 2015

Openbaring 20:12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.

INLEIDING

Johannes ziet op Patmos een grote witte troon: Christus als Rechter. Hij ziet de doden, klein en groot, staande voor God — niemand ontkomt aan dit oordeel. De boeken worden geopend: het boek van de werken, en het boek des levens. Wie daarin niet gevonden wordt, wordt geworpen in de poel des vuurs — de tweede dood. Maar wie in Christus verzoend is, diens naam staat geschreven, alleen uit eeuwig welbehagen. Daarom de oproep: kust de Zoon, eer het te laat is.

THEMA

Johannes ziet...

KERNPUNTEN

  1. De troon
  2. De doden
  3. De boeken

OPENBARING 20:6-15

6 Zalig en heilig is hij die deel heeft in de eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.
7 En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis ontbonden worden;
8 En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.
9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden.
10 En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.
11 En ik zag een groten witten troon, en Dengene Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvlood, en geen plaats is voor die gevonden.
12 En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.
13 En de zee gaf de doden die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.
14 En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood.
15 En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.

VOLLEDIGE TEKST

Ik zag de doden klein en groot - Openbaring 20

ds. J. IJsselstein - Openbaring 20:12

THEMA

Johannes ziet...

LITURGIE

Psalm 90:1,4 NGB artikel 37

Psalm 2:6 Openbaring 20:11-15

Psalm 50:1,2,3

Psalm 9:8

Psalm 102:15,16

Gemeente, de laatste dag van het voorbijgegane jaar is een dag van herinneren. We roepen ons bijzonder op deze dag in herinnering degenen die ons dit jaar door de dood ontvallen zijn. Straks, aan het einde van de dienst zullen hun namen één voor één worden voorgelezen. Het herinnert ons er indringend aan: het is de mensen gezet, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel (Hebreeën 9:27). Als de allerlaatste dag van de wereldgeschiedenis voorbijgegaan zal zijn, dan zullen opnieuw de namen worden voorgelezen. Van wie? Van iedereen. Ook mijn naam, ook jouw naam. Dan zit je niet meer hier in de kerk, maar dan sta je voor God.

En wat dat betekent, zullen wij vanavond zien in onze tekst, die u kunt vinden in Openbaring 20:11-15, het u voorgelezen Bijbelgedeelte, waarvan ik nu alleen de verzen 11 en 12 nogmaals voor u zal voorlezen: En ik zag een grote witte troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden. En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.

Het thema voor deze oudejaarsdienst is: Johannes ziet… Hij ziet drie dingen, en dat zijn ook de drie aandachtspunten voor de preek van vanavond. Hij ziet: 1. De troon 2. De doden 3. De boeken Johannes ziet als eerste:

1. De troon

Een grote witte troon. Gemeente, wij staan vanavond op de grens tussen het oude en het nieuwe jaar, op de grens tussen het jaar 20xx en 20xx. Dit Bijbelgedeelte plaatst ons onmiskenbaar ook op een grens, op de grens tussen de tijd en de eeuwigheid.

Johannes ziet het in een gezicht. Wij zullen het ook zien, met onze eigen ogen, met deze ogen, waarmee we nu kijken: een grote witte troon.

De troon is groot. Dat laat zien de grootheid van Hem die daarop zit. Hij is de Koning der koningen en de Heere der heren. Hij is het die uitroept: Ik ben God en niemand meer. Hij vervult de hemel, Hij regeert over de aarde, en de hel beeft voor Hem. Niets is voor Hem verborgen (Psalm 139:7). Hij die op de troon zit is groot. Wie zal voor Hem kunnen bestaan? Wie zal voor Hem kunnen vluchten? De troon is groot. Dat laat in de tweede plaats zien de grootheid en het unieke van dit oordeel. Nooit heeft een gericht van zo’n omvang plaatsgehad. Nooit was een rechter zo vol van majesteit en heerlijkheid. Nooit was het gebied van een rechter, nooit was de grootte van een gericht zo groot als dat het nu is.

De troon is groot, en wit. Want, Johannes zegt in vers 11: Ik zag een grote witte troon. De troon is wit. Dat laat in de eerste plaats zien dat niemand het gezicht ervan kan ontgaan. Niemand kan er omheen kijken. Of je nu wil of niet, de troon is zo blinkend wit, je ziet hem, je zult hem zien! De troon is wit. Dat laat in de tweede plaats zien dat deze troon heilig is: puur, vlekkeloos, smetteloos. Heel veel tronen op de aarde worden gekenmerkt door vriendjespolitiek, door machtsmisbruik en corruptie. Maar hier is geen spoor van dat.

Ik zag, zo zegt Johannes, een grote witte troon. En u… zult hem ook zien: zo groot, zo wit, dat het onmogelijk zal zijn om uw oog ervan af te wenden, dat het onmogelijk zal zijn om uw blik een andere kant op te richten. U zult hem zien…

De troon, en… Dengene, Die daarop zit. Wie zit er op de troon? Wie zit er op de rechterstoel? Johannes schrijft in Johannes 5: De Vader heeft al het oordeel aan de Zoon gegeven. En: de Vader heeft aan de Zoon macht gegeven om gericht te houden, omdat Hij des mensen Zoon is (Johannes 5:22, 27). Hij die op de troon zit, is de Zoon des mensen. Paulus heeft immers gezegd: Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus (2 Korinthe 5: 10).

U zult Hem, u zult Christus zien! Met uw eigen ogen. U zegt: Wie? Hem, Christus, van Wie ik als ambassadeur gezegd heb: Ik bid u van Christus wege, laat u toch met God verzoenen! (2 Korinthe 5:20) Hem, Christus, die u lokte, die u nodigde: Komt toch herwaarts tot Mij, en Ik zal u rust geven (Mattheüs 11:28). Hem, Christus, die met uitgebreide armen voor stond: Wie is slecht, hij kere zich herwaarts (Spreuken 9:4). Hem, Christus, die tranen over u huilde, toen Hij uitriep: Zeggende: Och, of u ook bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient!

Maar nu is het verborgen voor uw ogen (Lukas 19:42). Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert onder de vleugels, maar u hebt niet gewild! (Mattheüs 23:37). Hoe vriendelijk was Zijn nodiging, hoe hartelijk waren Zijn woorden: Kust de Zoon, kust de Zoon des mensen. Maar nu, nu zit Hij op de troon. En u zult Hem zien.

U ziet Hem…, kijk! Nee, kijk niet opzij! Wend uw blik niet van Hem af. Hij kwam tot u, als Eén die machtig en gewillig was om u zalig te maken, om uw ziel te redden van het verderf. Hij bad u, en Hij bidt u nog steeds vanavond: Laat u met God verzoenen.

Maar nu…, kijk! Nu is het voorbij. Nu zit Hij op de troon, als een rechtvaardige Rechter. Niet meer in genade, maar in heerlijkheid. Niet meer in gunst, maar in de rechtvaardigheid. Niet meer in geduld, maar in oordeel. Bent u bereid, om Hem onder ogen te komen?

Nee, kijk maar! Ik zag (zo schrijft Johannes in vers 11) een grote witte troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden(!), en geen plaats is voor die gevonden. Hemel en aarde vluchten weg. Je kan denken aan de aarde en het uitspansel zelf, maar die hoeven niet te vluchten. Die hebben nooit gezondigd. Ze hebben hooguit gezucht onder onze zonden. Zeker, aarde en uitspansel zullen in die dag grote veranderingen ondergaan. De elementen zullen branden en vergaan (2 Petrus 3:7,10). De schepping wordt verlost (Romeinen 8: 21). En al het oude zal plaats maken voor het nieuwe (Handelingen 3:21).

Dit, wat Johannes hier schrijft, is vooral beeld van de miljoenen mensen, die op die dag zullen staan voor de troon, terwijl ze niet kunnen bestaan! Zo U, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan? (Psalm 130:3) En dus…: vluchten!

Nee, ze worden niet weggejaagd, maar ze vluchten. Miljoenen mensen vluchten weg, op zoek naar een schuilplaats, op zoek naar een plaats tot verberging. Terwijl ze roepen tot de bergen en tot de steenrotsen: Val op ons, en verberg ons van het aangezicht Desgenen, Die op de troon zit, en van de toorn des Lams. Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? (Openbaring 6:16-17) Miljoenen mensen vluchten naar links, naar rechts, waar dan ook heen, weg van…? Van Hem, van Hem die op de troon zit! Vroeger stond Hij voor je en zei: ‘Kom! Kom tot Mij’. Vroeger nodigde Hij je met liefde en tranen: ‘Kom tot Mij. Vlucht toch met de nood van je leven tot Mij. Naar Mij toe!’ Maar nu, nu is het te laat: Vucht! Ren voor je leven, weg van Hem!

Lieve mensen, het is nu nog niet te laat: vlucht tot Hem en kom! Maar dan: miljoenen mensen vluchten weg, maar vinden geen plaats om naartoe te vluchten (zie Daniël 2:35). Ik zag een grote witte troon en Degene Die daarop zat en, onze tweede gedachte:

2. De doden,

klein en groot, staande voor de troon. Want (zo schrijft Johannes in vers 13): En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken. Overal komen ze vandaan. De zee, die eeuwenlang zijn slachtoffers bewaard heeft in onzichtbare graven, geeft zijn doden terug. De zee is vooral ook symbool van duistere en demonische macht. De dood, het graf geeft zijn dode lichamen terug, die daar misschien wel eeuwenlang, maar toch tijdelijk bewaard werden. En de hel, de plaats waar de zielen van de goddelozen bewaard werden, geeft zijn bezittingen af. En lichaam en ziel van de gestorven ongelovigen worden weer verenigd. En…, kijk! Daar staan ze: de doden klein en groot.

Nee, het is niet zo dat de gelovigen, dat Gods kinderen buiten het oordeel zullen vallen. Ook zij zullen geoordeeld, en… vrijgesproken worden. Hun zonden zijn immers geworpen in een zee van eeuwig vergeten (Micha 7:19). Ook zij zullen geoordeeld worden, en dan zal hun onschuld blijken (NGB 37). Dan zal blijken hun gerechtvaardigd en verzoend zijn door het bloed van Christus.

Maar hier, in Openbaring 20, valt vooral het oog op die andere groep, op hen die onverzoend zijn, op hen die niet gered zijn. Zij worden hier worden betrokken in het gericht. Zij worden nu geplaatst voor de troon van de Zoon des mensen.

Ik zag, zo schrijft Johannes, de doden: klein en groot. Klein, dat wil zeggen: onaanzienlijk. Mensen die hier op aarde niet geacht waren: eenvoudige handwerkers, gewone arbeiders, nooit opgevallen, bij heel veel mensen onbekend gebleven. Maar hoe opvallend en onbekend u ook bent, u zult dan niet over het hoofd gezien worden. Kijk! Daar staat u, met de kleinen.

En met de groten. Kijk, jongelui, daar staan zij ook: wereldleiders, koningen, dictators, topvoetballers, de sterren uit de wereld van de muziek en het amusement. Jongelui, kijk in gedachten een even om je heen. Kijk daar staat Poetin, daar Donald Trump, Macron, Xi Jinping, Erdogan… Kijk daar! Je idolen: Ariana Grande, George Clooney, Wesley Sneijder... Je zult ze zien, met je eigen ogen. Want…, je zult er ook bij staan. Ik zal jou zien, jij zult mij zien. Hoe kijken we elkaar dan aan?

O, weet dit: dat er vreugde zal afstralen van de wangen van degenen die deze Zaligmaker, deze Zoon des mensen verwacht hebben! Onze blijdschap zal dan onbepaald door het licht dat van zijn aangezicht straalt, tot het hoogste toppunt stijgen (Psalm 68:2, ber.). Maar u, maar jullie, onbekeerden, hoe zal het toch met u, hoe zal het toch met jullie zijn in die dag? O kus toch de Zoon, eer u Zijn toorn verdelg, voor ieders oog, in die dag.

Voordat we zo meteen verder gaan met ons derde punt, laat ons eerst samen zingen uit Psalm 9, daarvan het 8e vers. Psalm 9:8.

Hij zelf zal aan het wereldrond Het recht doen horen uit Zijn mond; De volken voor Zijn vierschaar stellen, En daar 't rechtmatig vonnis vellen.

Het wordt stil, op een wenk van de hemelse Rechter. Het is doodstil… Je ziet in de tekst, dat er ook geen enkele plaats meer is voor discussie of tegenspraak. Op aarde had je altijd in gedachten wat terug te zeggen. Maar dit is het moment van het einde van alle tegenspraak.

De boeken worden geopend… ‘Kom, u bent aan de beurt.’ Engelen dragen u naar voren…

Onze derde gedachte:

3. De boeken

worden geopend U staat voor Hem, tegenover Hem, oog in oog met de Zoon des mensen... Maar tranen van liefde en bewogenheid ziet u niet meer. Zijn armen zijn niet meer uitgestrekt. Nu zijn Zijn ogen rechtvaardig en oprecht, en in Zijn hand zijn de boeken. Want Johannes schrijft in vers 12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.

Welke boeken gaan er open? Het boek van de wet, die zondag aan zondag hier in de kerk is voorgelezen. Het boek van Gods alwetendheid. Want Hij weet de verborgenheden van onze harten (Psalm 44:22). Het boek van ons geweten. Op de aarde hebben we vaak geprobeerd het te sluiten, maar het wordt onherroepelijk geopend. En, de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken. Ja, maar zijn de zielen van de gestorvenen dan nog niet geoordeeld, zijn die al niet eerder

geoordeeld? Jazeker, direct na ons sterven is er het oordeel, ons persoonlijke oordeel. Onze ziel wordt ontvangen in de hemelse gewesten, of geworpen in het helse vuur. Een derde weg is er niet.

Maar waarom dan nog een keer dit oordeel, dit publieke gericht? Waarom? Omdat alles openbaar moet komen. Dan zal de onschuld van Gods kinderen blijken (NGB 37). Wat een troost is dat. En (dit vooral!): iedereen zal zien en weten dat God rechtvaardig is. Want, als je hier op aarde voor het oog van de mensen als een net mens geleefd hebt, niet zichtbaar in de zonde, maar toch onverzoend en buiten Christus (hoewel, dat laatste wist en zag niemand), en je naam blijkt niet staan in het boek des levens, dan zou…, dan zou God oneerlijk kunnen lijken... Maar nu: nu zal God ‘ieder werk in het gericht brengen, met alles wat verborgen is(!), hetzij goed, hetzij kwaad (Prediker 12:14). Nu komt wat verborgen is aan het licht: de verborgen werken. Want, de doden worden geoordeeld naar hun werken. Hier komen de werken en de vrucht van de Geest openbaar, en ook de werken en de vrucht van het zondige vlees.

De boeken gaan open, en… Dan blijkt (voor ieders oog en oor) het verhaal, de geschiedenis van uw en mijn leven: wat ik deed en wat ik niet deed, wat jij dacht en niet dacht, wat u zei en niet zei, wat wij verlangden en niet verlangen.

Daar sta je. Jouw boeken gaat open. Er wordt gebladerd en gelezen… Naar school geweest, bij de benzinepomp wat gekocht, met vrienden gekletst, in het vuur van je verhaal gevloekt, huiswerk gemaakt. Volgende bladzijde: uit geweest, beetje teveel gedronken. Volgende bladzijde: gezellig thuis gezeten bij pa en ma, twee keer naar de kerk geweest, preek vergeten. En zo gaat het verder, bladzij na bladzij… ‘Zeg, heb je nooit gebeden? Las je nooit in je Bijbel? Je zei van wel, maar je levensboek staat van niet…’

En (vers 12) een ander boek werd geopend dat des levens is (zie Ex. 32:32,33; Fil. 4:3). En, zo staat in vers 15: zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens… Zo iemand ‘niet gevonden werd’ in dat boek… Er wordt kennelijk gezocht in dat boek, in dat register van burgers van het nieuwe Jeruzalem. Er wordt gezocht: je naam, je geboortejaar, je geboorteplaats…? Nee. Niet gevonden… En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens (ga weg, engelen draag hem weg!), die werd geworpen in den poel des vuurs (Openbaring 20:15).

Daar staat u. Uw boeken gaan open. Er wordt gebladerd en gelezen… Iedere dag netjes geleefd. Gebeden, voor en na het eten. Doordeweeks naar de kerk geweest. Volgende bladzij: deed ‘s avonds goed mee op de vereniging. Verder: heeft iemand anders aangesproken op een slordige levensstijl. Maar dan ineens, dat andere, die zwarte bladzijde. ‘Nee’, zegt u, ‘dat is allang verjaard’. Nee, het staat er ook in. Alles staat in uw boek. En zo gaat het verder, bladzij na bladzij… ‘Zeg, lag u nooit op uw knieën voor God? Dat wist niemand. Hebt u nooit uzelf veroordeeld, nooit gezucht, geworsteld om genade? En, vruchten van uw leven? Ootmoed, liefde, barmhartigheid, blijdschap?’

En een ander boek werd geopend dat des levens is. Nee. Niet gevonden… ‘Ga weg! Engelen, draag hem weg!’

Zeker, die anderen staan er ook bij. Daar ligt hier de nadruk niet op, maar ze zijn er wel. Ook hun boeken gaan open. Er wordt gebladerd en gelezen: Op de knieën gebeden, hoewel Ik (God) nog niet geantwoord heb. Verder, volgende bladzijde: tranen van berouw in het hart gehuild, gebroken van hart. Kijk, op de volgende bladzijde: verlangen naar God, dorst naar God! Verder: geplaagd door twijfel, aangevallen door de duivel. O, kijk hier, dat ook: gezondigd. Maar kijk, lees eens verder: maar, gebogen. En kijk eens die rode strepen: verzoend door het bloed van Christus. Vergeven! Betaald! Voldaan! En kijk (veel mensen zagen het wel niet, maar het was er wel): de vrucht van de Geest: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid (Galaten 5:22).

En een ander boek werd geopend dat des levens is. Het boek des levens des Lams (Openbaring 13:8). Naam, geboortejaar, geboorteplaats…? Gevonden!

Waarom? Waarom staat uw naam daar? Als u op dat moment iets gaat zeggen, dan zal het dit zijn: Dat is, dat was om U, om U alleen, om het eeuwige welbehagen! (Psalm 89:8, ber.)

Maar die anderen, u onbekeerden, geoordeeld naar uw werken (vers 12), geworpen in een poel, in een zee van vuur (vers 15). In de eeuwige rampzaligheid. In een zee van vuur, als teken van nameloos diepe ellende, als teken van bodemloos verdriet. Een zee zonder strand, een zee zonder bodem, een zee zonder reddingsvest.

Want beroep is bij deze rechtbank niet meer mogelijk. De Advocaat Zelf is Rechter geworden. En dus is er geen redding meer mogelijk. Het is een van twee: of gered uit genade, of verloren gegaan om eigen schuld. Want, zo staat er in vers 13, de doden worden geoordeeld naar hun werken. Immers: Niet een iegelijk, die tot (de Heere) zegt(!): Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet(!) de wil (van Zijn) Vader, Die in de hemelen is (Mattheüs 7:21). De Heere zal een iegelijk vergelden naar zijn werk (Psalm 62:12; Jeremia 17:10).

Geworpen, op het oordeel van de Rechter, die u hier op aarde als een Redder smeekte, aan deur van uw hart: Mijn zoon, Mijn dochter, geef mij uw hart (Spreuken 23:26). Geworpen, in de poel des vuurs. Maar het is erger, er is meer. Er staat in vers 14: En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood.

Na de dood, na de eerste dood, leggen wij de lichamen van onze overledenen in een graf. De ziel van Gods kinderen gaat naar de hemel, de ziel van de ongelovigen (en daar gaat het hier vooral over) gaat naar de plaats van de eeuwige straf, naar de hel. Dat is de eerste dood. Maar dit is de tweede dood! En die is nog veel erger. Nu wordt ook het lichaam geworpen in de hel. Ja erger, nu wordt ook de hel zelf geworpen in de poel des vuurs. Daar waar ook de duivel, het beest en de valse profeet zijn (Openbaring 20:10). Kortom: eeuwig, ondraaglijk lijden. Want als de liefde van het Lam gekrenkt en veracht is, als Zijn bloed vertrapt is, dan kan Zijn toorn niet dan vreselijk wezen (zie Mattheüs 25:41,46).

Gemeente, de dag van onze eerste dood komt zeker en gewis. Maar ook deze dag van het oordeel is voor ons allen onontkoombaar. Petrus zegt: Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden (2 Petrus 3:10).

Ook u zult staan voor de deze rechterstoel van de Zoon des mensen. Wees bereid! Want in de ure in welke u het niet meent, zal de Zoon des mensen komen! (Matt. 4:44).

Geliefde gemeente, nog één keer, het is de laatste keer dit jaar: Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade. Wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen (2 Korinthe 5:20). Voordat het voor altijd te laat is.

Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden (Psalm 2:12).

Amen.