Lijdenstijd - 6 april 2014
Mattheüs 26:51: En zie, een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn oor af.
INLEIDING
In de nacht van Gethsémané wordt de Heere Jezus door Judas met een kus verraden en door een grote overmacht gegrepen, waarop Petrus het zwaard trekt en Jezus hem vermaant: Keer uw zwaard weer in zijn plaats, want die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Deze leespreek over Mattheüs 26 neemt de lezer mee in het verraad, de tegenaanval en de gewillige overgave van de Zaligmaker in de handen van Zijn vijanden.
De nachtelijke overval
MATTHEÜS 26:46-56
46 Staat op, laat ons gaan; zie, hij is nabij die Mij verraadt.
47 En als Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalve, kwam, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks.
48 En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het; grijpt Hem.
49 En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi; en hij kuste Hem.
50 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij toe en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
51 En zie, een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn oor af.
52 Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.
53 Of meent gij dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?
54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het alzo geschieden moet?
55 Te zelver ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen;
56 Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Mattheüs 26:51
THEMA
De nachtelijke overval
AANDACHTSPUNTEN
Het is nacht. Het laatste Pascha, de instelling van het Avondmaal is voorbij. Ze zijn ernstig gewaarschuwd, de discipelen. ‘U zult allemaal aan mij geërgerd worden.’ Maar er was ook een bemoediging in de woorden van de Heere Jezus Christus, in vers 32 van Mattheus 26: ‘Na de opstanding zal Ik u voorgaan naar Galilea’.
Het is nacht in Gethsémané. Drie van de discipelen van de Heere Jezus zijn verder mee de hof in gegaan. Maar toen Jezus in zware strijd was, vielen ze in slaap. En dan is er nog niet voorbij of het volgende komt eraan. ‘De afgrond roept tot de afgrond. Al Uw golven en Uw baren zijn over Mij heengegaan’. De ure, zegt Jezus in vers 45, is gekomen, dat de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van de zondaren. En over die nachtelijke overval in Gethsémané gaat vanmorgen de preek. Gemeente, het Schriftgedeelte dat wij vanmorgen in deze dienst samen overdenken, (ik zal het u niet opnieuw voorlezen), is u zojuist voorgelezen vanuit Mattheus 26:46-56.
Het thema van de preek is: De nachtelijke overval We letten samen op drie dingen: 1. Het verraad (vers 47-50) 2. De tegenaanval (vers 51-53) 3. De overgave (vers 54-56) Dus: het verraad, de tegenaanval en de overgave. Als eerste:
Jongens, meisjes, als je je bedreigd voelt, dan ben je blij dat je iets in handen hebt om je te verdedigen. Als je iets hebt om je te verdedigen dan hoef je niet zo ongerust te zijn. Dat zie je ook terug in Lukas 22. Dat moet je thuis maar eens opzoeken. Daar waarschuwt de Heere Jezus Zijn discipelen. Straks komt er een moeilijke tijd aan. De tijd van je rugzak, van je sandalen, van je portemonnee, van het vredige leven is voorbij. En dan zeggen ze heel trots en stoer: ‘Maar, we zijn gewapend hor: we hebben twee zwaarden!’ Als Jezus met drie van die discipelen in gesprek is, worden ze ineens overvallen. De nachtelijke overval. Ineens is daar in het donker van de nacht een grote groep
gewelddadige kerels, een paar honderd zijn het er. Judas loopt voorop. En daarachter heel veel mannen van de tempelpolitie met grote stokken, met grote knuppels. En daarachter nog een paar honderd Romeinse soldaten met een kort zwaard voor een gevecht van man op man. Ze komen, staat er in de Bijbel, met lantaarns en fakkels, met kaarsen, met vuur, met licht. Het is niet nodig. Het is volle maan. Ze zoeken met hun eigen kleine lichtjes het grote Licht der wereld. Wat een dwaasheid! En hij, Judas, die vooroploopt had gezegd tegen al die anderen: ‘let op, mannen, Degene die ik een kus geef, die is het. Pak Hem. Die moet je hebben.’ Want ja, de Joden kennen Hem misschien wel, maar misschien kennen de Romeinen Hem niet zo goed. Dus voor alle zekerheid…
En zo gaat het ook. Vers 49: Wees gegroet! Wij zouden zeggen: Hallo, Rabbi. En hij kuste Hem. Je zegt: kussen? Je zegt: een kus op iemands wang, dat is een teken van liefde, van respect. Het wil zeggen: wij houden van elkaar, alles tussen ons is goed! En nu hij, Judas, de verrader, kuste Hem, de Heere Jezus. Niet een keer, maar een paar keer.
Vriend, zegt de Heere Jezus in vers 50, waartoe zijt Gij hier? Letterlijk zegt hij zoiets als, als je het rechtstreeks vertaald: ‘makker, kameraad, dat is dus jouw bijdrage…’ Want de aanspraak is eigenlijk niet zo heel intiem, niet zo heel close als dat het hier lijkt. ‘Vriend’ is eigenlijk net een beetje te mooi vertaald. Het is een beetje afstandelijker: ‘makker, kameraad’. Lukas zegt dat de Heere Jezus zegt: Judas, verraad je de Zoon des mensen met een kus? Een klein beetje afstandelijk, maar wel vriendelijk. De Heere Jezus zegt niet: ‘vijand, verrader, kind van de duivel!’, maar: ‘makker, kameraad’.
En die kameraad kust de Heere Jezus in die donkere nacht van Gethsémané. Dat gezicht, die gezichtsuitdrukking, die later in die nacht het hart van Petrus breekt. Maar bij Judas niet: Niet onder de indruk! Zo dicht bij het gezicht van de Zaligmaker, maar niet onder de indruk van Zijn majesteit. Niet onder de bekoring van Zijn aantrekkelijkheid. Niet geraakt door Zijn liefde. Hard, heel hard is zijn hart. Wij zouden zeggen tegen Judas: ‘het kan nog, je kunt nog buigen!’ Maar hij wil niet.
Midden in de nacht. Je zegt, kon het niet overdag? Dat was toch veel eenvoudiger? Ja, dat kon wel, maar ze waren eigenlijk heel erg bang. Bang dat er oproer, dat er opstand zou komen. En ze waren nog veel banger voor Zijn bovennatuurlijke krachten. Want was Hij hen niet eerder een keer ontglipt?
En dan volgen die ontroerende woorden in vers 50: Toen kwamen zij en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. Nog een ogenblik had Hij Zijn Koninklijke macht laten zien. Ze waren allemaal achterover gevallen. Iedereen, plat op de grond.
Het ontbreekt Hem niet aan macht. Hij heeft alle macht in de hemel en op de aarde. Maar Hij legt die af. Die gaat Hij nu niet meer gebruiken. Vanaf nu schittert meer dan ooit tevoren Zijn vrijwillige, gevende liefde. Hij had gebeden, kort daarvoor: Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker, de drinkbeker van Uw toorn, van Mij voorbijgaan. Maar er kwam geen antwoord uit de hemel. En toen zei Hij: niet gelijk Ik wil, Vader, maar zoals U wilt. En dit is de wil van de Vader, dat Hij Zichzelf overgeeft in het lijden, tot aan de dood van het kruis toe. En dus, ze grijpen Hem. Hier is de vervulling van de profetie van psalm 78: Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid (Zijn goddelijke heerlijkheid en Zijn heerlijkheid als volmaakt mens) in de hand van de wederpartijder, van de vijand. Hier, zegt Mattheus, is de vervulling van de profetie van Jesaja: Toen Dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open. Als een Lam wordt Hij even later ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Hij, de eeuwige, de almachtige God, Zoon van de eeuwige God, mens geworden, de menselijke natuur aangenomen. Hij geeft Zich hier met al de liefde van Zijn hart, gewillig in de handen van Zijn grootste vijanden. Koning der koningen is Hij, en Heere van de hemel en van de aarde. Maar Hij wordt vrijwillig: Lam, worm en geen man. En dat(!) was de wil van de Vader in de hemel. Dat Zijn lieve Zoon, Zijn enig geliefde Zoon, het allerliefste wat Hij had, Zich in de handen zou geven van Judas en van de zijnen, in de handen van Zijn vijanden. En het was Zijn eigen wil, want zegt Johannes: Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde. O liefde, die om zondaars te bevrijden, zo zwaar, zo diep wou lijden. Ons tweede punt:
Vers 51 zegt: En ziet een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande de dienstknecht van de hogepriester Kajafas, hieuw (hakte) zijn oor af. Van Johannes weten we dat die man met dat zwaard, dat dat Petrus was. En die man met dat ene oor, dat was Malchus. Een overval. Zoals je soms ook leest in de krant: Twee, drie overvallers dringen overdag plotseling de zaak van een juwelier binnen… En (wat er ook gebeurd is) voordat iemand het weet: er wordt een wapen getrokken en… het loopt slecht af. De gevolgen zijn niet te overzien.
En zo ook hier. Althans, zo lijkt het. Maar, zou je zeggen, dit is een overval met grote overmacht. Dit moet natuurlijk wel geweldloos verlopen. Dat was ongetwijfeld ook de bedoeling. Maar met Petrus niet gerekend. Want terwijl die achterover gevallen soldaten nog bezig zijn overeind te krabbelen, trekt Petrus zijn korte, scherpe zwaard (scherp aan twee kanten), en hij haalt er mee uit… Malchus kan nog net bukken… Bijna was zijn hoofd er af geweest. Het zwaard schampt zijn oor en zijn oor valt op de grond. Kijk, daar ligt het. Een oor…
Malchus, hij kreunt van pijn en het bloed druipt langs zijn gezicht. Maar ja, ’t is maar een slaaf. Wie kijkt er nou om naar een slaaf? Toen zei Jezus tot hem in vers 52, tot Petrus: doe uw zwaard weer terug in zijn plaats, want allen die het zwaard nemen zullen door het zwaard vergaan. En dokter Lukas vertelt (ja dat is echt iets voor een dokter): Jezus pakt het oor van de grond, Hij plakt het aan het hoofd van Malchus en Hij geneest het. Het is weer helemaal gezond. Zelfs geen litteken te zien.
En gemeente, dat was genade. Dat was genade voor Petrus en dat was genade voor Malchus. Genade voor Petrus, want Petrus, vanaf nu ben je echt: een moordenaar. Volgens de wet zou dit je eigen oor kosten. Als je een slaaf een oor afhakt, kost het je je eigen oor. Maar in Gods oog ben je vanaf dit moment echt een moordenaar. Want de Heere Jezus had gezegd: Wie zijn broeder haat, die is een moordenaar. Nou, dan zeker als je iemand met je zwaard probeert te onthoofden. En bovendien dit, Petrus, wat je doet is vechten tegen de overheid, tegen de politie! Wij zouden dat tegenwoordig wederrechtelijk geweld noemen. Noodweer? Nou ja, wel heel erg buiten proportie, als iemand met een knuppel voor je staat en je probeert z’n hoofd met een zwaard er af te slaan. Het ligt voor de hand, Petrus, dat je opgepakt wordt. En vanaf nu zit je in de gevangenis: levenslang, op zijn minst. Maar, Petrus, dit geweld is ook helemaal niet nodig. Ik heb een vrijgeleide voor je bedongen. Toen ik zei: ‘Als je Mij zoekt, hier neem Me maar, maar laat deze discipelen heengaan.’ Het is alsof de Heere Jezus zegt: ‘Petrus, doe je zwaard nou toch weg. Dan ga je Mij weer in de weg staan. Petrus, dit is Mijn keus. Ik ben hier de grote Leider, en het is nu helemaal niet de tijd voor een oorlog met je eigen zwaard. Nu is het Mijn tijd. De tijd om Mezelf (met al de liefde van Mijn hart) over te geven in de handen van Mijn vijanden. Dit is Mijn wil en dit is de wil van Mijn Vader in de hemel. Dat Ik als een Lam geslacht zal gaan worden, om vijanden, om moordenaars met God te verzoenen. Als Ik wil, dan kan ik twaalf legioenen engelen oproepen, bijzetten: 72.000 engelen, maar Ik wil het niet, Ik doe het niet. En bovendien, de Schrift, de Bijbel moet vervuld worden: Als dezelve geëist werd toen werd Hij verdrukt, doch Hij deed Zijn mond niet open, Hij verzette Zich niet. Als een Lam ter slachting geleid en als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
Gemeente, wat komt dat dichtbij, wat Petrus hier doet. Eerst sliep hij, kortgeleden. Zijn Meester worstelde in grote strijd. En het bloed werd uit Zijn aders gedrukt en viel als stolsels op de grond. En nu? Nu vecht hij voor…, ja, of moet ik zeggen tegen…? In ieder geval vecht hij voor zijn Meester zonder opdracht. Terwijl de Heere had gezegd: Ik zal voor u strijden en u zult stil zijn. Hij vecht met zijn zwaard om het lijden van zijn Meester te voorkomen. En hij is er blind voor. Hij heeft er geen enkel zicht op, dat dit lijden van de Meester echt nodig is. Dat dit echt moet, om de toorn van God en de straf tegen de zonde te dragen. Wat komt dat dichtbij, ook in het leven van hen die God vrezen. Zelf vechten om zalig te worden. Ja, dat doe ik, en dat probeer ik. Zo lang ik denk, dat dat misschien nog wel
lukken zal. Totdat God mijn ogen opent en ik iets, iets maar, zie van het gewicht van de toorn van God over mijn leven. Totdat ik er iets van zie, dat ik echt een verloren mens ben voor God. Die onmogelijk zijn eigen zaligheid kan bevechten, kan verdienen. Wat een wonder wordt het dan, als ik zien mag dat Hij gaat lijden voor mij. Niet ik strijden voor Hem, maar Hij lijden voor mij.
Wij vechten ons liever dood, dan dat we leven van genade. We gaan liever op de vuist, dan op de knieën. Liever voor het Lam uit, dan achter Hem. Liever onszelf handhaven, dan onszelf verloochenen. Totdat we de grootheid van ons kwaad, van onze zonde gaan zien in het licht van Gods heiligheid. Wat wordt het dan een wonder van genade als ik belijden moet en ook mag: ik heb (straks) die doornenkroon gevlochten, ik heb die beker gevuld. Ik heb gezondigd.
Dan sla je niet meer. Dan krijg je zelf de genade-slag. Maar zover is het nog niet bij Petrus. En toch licht er, ondanks wat Petrus doet, iets van genade op, in die donkere nacht van Gethsémané. Als Jezus met goddelijke macht het oor van Malchus pakt en het weer aan zijn hoofd plakt. Het weer heel maakt, het weer heelt. Het is het laatste genezingswonder van de Heere Jezus op de aarde.
Misschien denk je bij jezelf jongelui, een beetje een anticlimax. Het laatste wonder en dan… een oortje... Het laatste wonder zou een toppunt moeten zijn van de macht van de Heere Jezus: iemand opwekken uit de dood. Maar dit is maar een simpel slavenoor... Ja, maar als je dat denkt, moet je je wel afvragen, hoe het komt dat alle vier de evangelisten (en dat is maar zelden zo) de aandacht vestigen, juist op dat oor van Malchus! Alle vier vertellen ze wat hier gebeurt. Dit is het laatste, indrukwekkende wonder van genade, waaruit de liefde van de Zaligmaker zo helder blijkt voor Petrus; en niet te vergeten ook voor Malchus!
In de eerste plaats voor Petrus. Petrus wordt, met al zijn dwaasheid en blindheid en onbezonnenheid, weggerukt door de Heere Jezus Christus uit de hand van de vijand. Want nu dat oor van Malchus er weer aan zit, nu is zijn arrestatie, zijn veroordeling, misschien wel zijn doodvonnis, voorkomen. Wat zien we daarin toch de liefde en het geduld van de Heere Jezus met zijn discipel-moordenaar. Die zo weinig begrepen heeft van de weg van het lijden, die de Heere zo in de weg staat, die Hem zo voor de voeten loopt. Maar zie toch hoe Hij hem, Petrus, beschermt. Hoe Hij voor hem zorgt. Hoe Hij hem bewaart. Hij heeft hem – moordenaar – liefgehad tot het einde. Dat is de liefde van Christus voor zijn discipel Petrus.
En let in de tweede plaats ook, gemeente, op de liefde van de Heere Jezus Christus voor Malchus, de slaaf van Kajafas. Zijn baas Kajafas, erkent Hem, de Heere Jezus, niet als de Messias. Anders was hij geen slaaf meer geweest. Als de Messias komt dan breekt het jubeljaar aan en worden alle slaven vrijgelaten. Maar hij is nog steeds slaaf... Een verachte slaaf. Wie maakt zich nu druk om een slaaf? Wie maakt zich nu druk om het oor van een slaaf? Hij heeft er toch nog een?
Niemand kijkt om naar Malchus, behalve… Jezus. Hij heeft oog voor het verachte, voor het minste. Hij heeft oog voor de vijand. Hij heeft oog voor slaven van de vijand. De genezing van het oor van Malchus is vol van het evangelie van vrije genade. Het is een preek voor Malchus midden in de nacht van Gethsémané: ‘Malchus, de handen die je wil binden, die willen je helen, die willen je gezond maken. Ik wil niet alleen je oor helen. Ik wil je hele leven redden. Malchus, slaaf van Kajafas, zou je Mij niet willen dienen? Malchus, als je Mij dient, zal Ik je werkelijk vrijlaten. Dan wordt het het jubeljaar van de vrijlating’. Dit wonder van de genezing van het oor van Malchus is voor Malchus een indringende en liefdevolle boodschap van genade.
Zoals velen van ons korter of langer geleden ook zo’n boodschap meekregen. Sommigen van ons werden getroffen door een ziekte en werden genezen. Sommigen kregen een indringende klop op de deur van het hart en werden gespaard en genezen. Uw geslaagde knieoperatie, buikoperatie, hartoperatie is als de genezing van het oor van Malchus. Anderen onder ons lijden aan een ernstige ziekte, maar kregen en krijgen toch nog verlenging van levenstijd. Het is alsof de Zaligmaker, Jezus Christus, met Zijn eigen hand uw ziekte genas, geneest, verlicht, vertraagt, terwijl Hij u aankijkt en zegt: ‘Wilt u niet helemaal genezen worden? Dit is alleen maar iets van uw lichaam. Mag Ik niet uw hele hart en uw hele leven genezen? Ik heb zoveel meer voor u!’ En daar hoef je niet goed voor te zijn. Dat is voor mensen zoals Malchus. Dat is voor vijanden, die klaar staan om de Heere Jezus te binden. Dat is voor slaven van de vijand. Dat is voor slaven van de zonde en van de duivel.
Zeg het maar eerlijk. U bent ook lid van de slavenfamilie van de vijandige Kajafas. Laat u vanmorgen toch overhalen om u gezond te laten maken door de grote en enige Hogepriester. En ik weet het, zo gaat het altijd. Nu komen in uw hart weer allerlei excuses naar boven, maar dat moet u niet doen. Straks staat u voor de grote Rechter, dan staat u voor dit geslachte Lam. Dan krijgt u niet een van die excuses meer over uw lippen.
Wij gaan eerst samen zingen voordat wij verder gaan uit Psalm 76, het tweede vers.
Daar heeft de vijand boog en schild En vurige pijlen op verspild; God brak het zwaard, bedwong den krijg. Dat vrij het roofgebergte zwijg'; Uw roem, o groot en heerlijk Wezen, Is tot veel hoger top gerezen.
We lezen in vers 52: Toen zei Jezus tot hem, tot Petrus, keer uw zwaard weer in zijn plaats, want die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Geen oproep aan de vijanden van Jezus, maar aan Zijn vrienden. Want het zwaard baant niet de weg tot het leven. U voor Mij vechten, Petrus? Nee! Ik de Heere Jezus Christus zal Mij geven voor u. Hinder Mij toch niet. Loop Me toch niet in de weg. Allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Dat is geen pleidooi tegen alle geweld, maar wel tegen alle ondoordacht, alle onnodig geweld. Petrus heeft notabene niet eens gewacht op het antwoord van de Heere Jezus, toen Hem gevraagd was: Heere zullen wij het zwaard nemen? Hij wachtte niet, hij sloeg er gelijk op los. We kunnen, en het geld ook Gods kinderen, met impulsiviteit, met onnadenkendheid, met blindheid, zoveel schade aanrichten. Ook wij, als ambtsdragers, in de dienst van de Heere. Ons past voorzichtigheid in alles. Geduldig wachten op het antwoord van de Heere. Een volgzame houding, de voetstappen van de Heere Jezus Christus drukken en niet vooruitlopen. Niet met het zwaard gaan zwaaien, maar de voetstappen drukken van de Meester. Ook in het gemeenteleven. Ook in het geheel van het kerkelijke leven. Niet door kracht. Niet door geweld. Ook niet als het gaat om je kinderen. Niet door geweld. Ook niet als het gaat om oudere kinderen die het spoor een beetje bijster raken. Want onze wapens, als ambtsdragers, als ouders, als gemeenteleden, wie we ook zijn, onze wapens behoren geestelijk te zijn. Zoals Paulus zegt: Het zwaard van de Geest is het Woord. Een open Bijbel. En verborgen gebed. En we zien juist hier in Gethsémané tot onze grote troost, juist in die diepe benauwdheid van die donkere nacht, dat de Vader juist dat bidden in het verborgen hoort. En tegelijkertijd zien we dat de Vader ook veel beter dan wij weet wat goed voor ons is. Ons derde punt:
3. De overgave En dan denk ik vooral aan vers 55 en 56. Terzelfder ure, toen, sprak Jezus, tot de scharen, tot de menigte mensen, tot al die mannen: U bent uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaard en stokken en knuppels, om Mij te vangen. Dagelijks, iedere dag, zat Ik bij u, lerende in de tempel, en u hebt Mij niet gegrepen. Doch dit alles is geschied opdat de Schriften van de profeten vervuld zouden worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende. Zijn verweer is kalm, ernstig en met macht. U komt tot Mij als of ik een terrorist ben, een moordenaar, een misdadiger. Maar u weet ook: als Ik niet gewillig zou zijn, zou het er voor u slecht uitzien. Weet u nog, dat u net allemaal achteroverviel? Ik ben altijd vredelievend en vredezoekend geweest. Iedere dag was Ik in de tempel. Ik heb Mij nooit verstopt, ik Hem me nooit verborgen.
In alle rust wijst Hij Zijn vijanden op hun schuld. Zoals Hij dat ook zo vaak in ons leven doet en gedaan heeft. Toen Hij u en mij wees en wijst naar toen… en toen… en daar… en daar... En toen was Ik bij u en toen heb Ik tot u gesproken, maar u wilde niet… Hij wijst in alle vriendelijkheid, zo ook nu, hen en ons op onze schuld. Waarom? Om ons te brengen tot belijdenis van schuld. Want èn Malchus, èn de tempelpolitie èn de Romeinen, ze zijn allemaal welkom bij Hem. Die gekomen is (en wat blijkt dat hier, juist
in die nacht van Gethsémané) om het verlorene te zoeken. Om vijanden met God te verzoenen.
En wat is het dan, beste vrienden, een grote vergissing, om door te gaan. Wat is het een ellendig besluit geweest van Malchus: om in dienst te blijven bij zijn baas Kajafas. En wat is het een ellendig besluit geweest van al die mannen: om Hem te binden en mee te nemen. Wat een vergissing! Ze binden de handen van Hem Die hen wil bevrijden. Zoals u zo vaak Zijn handen gebonden hebt, en de mond gestopt hebt van Diezelfde Zaligmaker.
Lieve vrienden, kom toch tot inkeer. En laat uw schuld nog aanwijzen door Deze lijdende Hogepriester, en belijd het toch en buig toch voor Hem. Zijn handen, gebonden handen, straks gekruisigde handen, zijn bereid om u te verlossen uit de slavernij en de macht van de zonde.
Maar zo, staat hier, wordt de Schrift vervuld. Het ene Godswonder schakelt zich vast aan het andere. Gods beraad, Gods plan zal bestaan, zal doorgaan. En Hij zal al Zijn welbehagen, al de goede gedachten van Zijn wil, doen. Zo heeft God het bepaald en zo gaat het gebeuren. En niets en niemand kan dat plan verhinderen. Geen soldaat, geen Romein, geen tempelpolitie, geen discipelen, geen mensen, geen duivels, niemand. Die Hem door de Vader gegeven zijn, al in de stilte van de eeuwigheid, die zal Hij verlossen.
Maar zij hebben daarin geen enkel aandeel. Want, zo staat er: ze vluchten allemaal. Ze zijn allemaal weggevlucht. Ze hebben Hem allen verlaten. En weer wordt de Schrift vervuld. Zwaard! goddelijk zwaard van de Vader, ontwaak tegen Mijn Herder, tegen de Man, die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen. Sla die Herder (nee niet Malchus!). Sla die Herder! En de schapen zullen verstrooid worden. Maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. Groot is hun ontrouw. De ontrouw van de discipelen. Ze gaan allemaal op de vlucht en verlaten hun Meester. Groot is hun zonde. Hij had hen eerder een vrijgeleide gegeven: Nu mag je gaan. Toen gingen ze niet. En nu proberen ze zichzelf, hun vege lijf te redden. En weer brengen ze voor de zoveelste keer lijden toe. Aan het diepe en zware lijden van de Heere Jezus Christus. Door Hem in de steek, door Hem alleen te laten. Job heeft daar eeuwen geleden al over geprofeteerd, toen hij zei: mijn broeders, broeders van de Heere Jezus Christus, heeft Hij ver van mij gedaan. En die mij kennen zekerlijk, ze zijn van mij vervreemd. En nu staat Hij daar: alleen.
Zojuist perste de toorn van de Vader Hem bloederig zweet uit de aders. Toen verraden door een vriend. En nu in de steek gelaten door Zijn discipelen. Opdat vervuld zou worden het woord van Jesaja: Ik heb de pers alleen getreden en er was niemand, niemand van de volken, was met mij. En Ik zag toe en er was niemand die Mij
hielp. En Ik ontzette Mij en er was niemand die Mij ondersteunde. Daarom heeft Mijn arm, Gods arm, Mij heil beschikt. En Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund. Had Zijn Godheid Hem niet ondersteund, Hij zou bezweken zijn. Maar nu gaat Hij.
Zie je Hem in gedachten gaan? Gebonden, meegenomen door die groep mannen. Moedig en onverschrokken gaat Hij de weg van Zijn bittere lijden. Voor Petrus, weggevluchtige moordenaar… Voor Johannes, weggevlucht… Voor Thomas, weggevlucht… Voor al de Zijnen. Liefgehad tot het einde. Hij gaat Zijn weg alleen. Onbegrijpelijk wonder van Gods eenzijdige liefde en trouw. Voor ontrouwe, wegvluchtende, verloochenende discipelen. Voor een moordenaar. Hij gaat Zijn weg alleen.
Hij heeft, zegt Jesaja, de pers alleen getreden. En dus, en dus hoeft niemand van Gods kinderen ooit nog iets te verwachten van zichzelf. Het is allemaal uitgesloten. Want wij zijn weggevlucht en hebben Hem verloochend. En dus is genade onverdiend. Want Hij heeft het verdiend en wij zijn weggevlucht.
Hij gaat alleen de weg van Zijn bittere lijden. En daarom kan Hij, en dat is ook de troost van deze geschiedenis, Zijn kinderen in een weg van bitter lijden, te hulp komen. Maar… dan moeten we niet gaan vechten. Dan moeten we niet het zwaard gaan trekken, Dan moeten we vluchten, achter Hem aan. En de geestelijke wapens gebruiken die Hij ons heeft gegeven: het Woord, de kracht van verborgen gebed, en het krachtige wapen van een christelijke levenswandel, van een christelijke levensstijl: de voetstappen drukken van de Zaligmaker.
Tot slot: Je kunt je het verdriet en de vertwijfeling van de discipelen wel voorstellen. Ze rennen weg zo hard ze kunnen. En een eind verder komen ze hijgend tot stilstand. Hun Meester verlaten, verloochend…
En dan wordt het ook in het leven van de discipelen echt nacht... Maar, Gode zij dank, de Meester gaat door, alleen. En dus wordt het Jezus alleen. Dus wordt het genade alleen. En dus is alle roem uitgesloten. Onverdiende zaligheden hebben we van onze God genoten. We roemen in vrije gunst, in vrije genade alleen.
Amen. Slotzang Psalm 44:2:
Hun zwaard deed hen dit land niet erven; Hun arm deed hen geen heil verwerven; Maar Uwe rechterhand, Uw macht Heeft hun dien voorspoed toegebracht; De glans van 't Godd'lijk aangezicht Heeft hen de zege weg doen dragen; Want Gij omscheen hen met het licht Van Uw genadig welbehagen.
Andere preken over Mattheüs
Andere preken voor Lijdenstijd
Andere gerelateerde preken