PREEK · VRIJE STOFFEN

De rechtvaardige zal leven door geloof (deel 7) - Galaten 3

16 januari 2014

Galaten 3:11: En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

INLEIDING

Deel 7 van serie Bijbellezingen over de Galatenbrief

GALATEN 3:10-18

10 Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
12 Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven.
13 Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt;
14 Opdat de zegening Abrahams tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof.
15 Broeders, ik spreek naar den mens: zelfs eens mensen verbond dat bevestigd is, doet niemand teniet, of niemand doet daartoe.
16 Nu, zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn Zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw Zaad, Hetwelk is Christus.
17 En dit zeg ik: Het verbond dat tevoren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis teniet te doen.
18 Want indien de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven.

VOLLEDIGE TEKST

De rechtvaardige zal leven door geloof (deel 7) - Galaten 3

ds. J. IJsselstein - Galaten 3:11

Gemeente, in deze dienst wil ik uw aandacht vragen voor het Woord van God, dat u vinden kunt in Galaten 3, daarvan de verzen 10 tot en met 18. Galaten 3:10-18, verzen die we met Gods hulp één voor één met elkaar zullen overdenken.

Er zijn, als u Galaten 3 leest, twee soorten mensen. In Galatië, maar ongetwijfeld ook in [uw woonplaats]. Kijkt u maar in vers 9. Daar wordt de eerste soort van mensen genoemd: zij, die uit het geloof zijn. En de tweede groep, dat staat in vers 10, zijn zij die uit de werken der wet zijn. Twee soorten van mensen: die uit het geloof zijn en die uit de werken der wet zijn. De een loopt op het smalle pad naar de hemel, zo smal dat je je eigen werken niet kunt meenemen. Want die passen niet door de enge poort. En de ander loopt op de brede weg, waar je alles van jezelf kan meesjouwen. Letterlijk alles van jezelf.

Maar de vraag is (en dat komt aan de orde in vers 10) of je daar genoeg aan hebt. Want, staat er in vers 10, zovelen als er uit de werken der wet zijn (van die ene groep), die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk (een ieder), die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. U zegt bij uzelf: ‘Nou, ik ben minstens in staat om de helft van de wet te houden. Vijftig procent. Dan ben je toch wel aardig op weg, of niet soms?’ Een ander fronst, als hij dit hoort, zijn wenkbrauwen en zegt: ‘De helft? Ik doe mijn uiterste best en ik kom misschien wel aan 90 procent, aan de 95, aan de 99 procent?

Is dat genoeg? Nee, want God neemt geen genoegen met half werk. En laten we maar eerlijk zijn, Jakobus schrijft in Jakobus 3:2: Want wij struikelen allen in… vele. Ja, al zou ons leven voorbeeldig zijn wat betreft doen en laten, Jakobus zegt: Indien iemand in woorden (met zijn tong) niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in de toom te houden. Niemand van ons is in staat om al Gods geboden te houden. Er is, zegt de Bijbel, niemand die goed doet.

U zegt: ‘Ja, maar volgens mij, ben ik toch goed bezig?’ Nee, zegt God, u bent fout bezig. Want de bron (en daar gaat het om) van uw werken is fout. U doet misschien wel uw uiterste best, maar diep in uw hart doet u het voor uzelf. Kijk maar in uw eigen leven, dan zal ik dat ook doen: waar is in ons leven de toewijding

aan God, het bedoelen van Zijn eer? Dat was toch doel van onze schepping: leven tot de eer en de heerlijkheid van onze Schepper en Maker?

Dus wat doet de wet? Wat zegt God? God pakt (nu, in deze dienst) ons levensboek en begint te bladeren. Pagina 1? Tekort. Rood stempel. Pagina 2? Tekort. Tekort, tekort… En uiteindelijk wordt het boek dichtgeklapt en is er maar één conclusie mogelijk: Eén groot stempel aan de voorkant van dat levensboek: Vervloekt! Vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

Als u denkt, dat u door doen en laten, door uw manier van leven, door denken en praten, door netheid en goede werken zalig kan worden… Als u denkt, dat het op die manier uiteindelijk aan het eind van uw leven toch nog een beetje mee zal vallen, ja, dan krijgt u nu dit stempel: Vervloekt! U misleidt uzelf als u denkt dat dát de weg is, om door doen en werken in de hemel te kunnen komen. Die weg loopt dood! Want de wet zegt: ‘Nee, u kunt zoals u bent voor God niet bestaan. Weg. U bent vervloekt!’ Want de wet zegt: ‘Het is niet genoeg, dat je het allemaal precies weet, dat je precies weet hoe je leven moet. En het is ook niet genoeg, als je dat allemaal heel precies en goed kunt vertellen, wat je wel en niet mag doen, wat goed en fout is. Je moet het doen. Stipt! Volmaakt! Perfect! Voor honderd procent!’

Paulus verwijst in dit stukje wat voor ons ligt, steeds naar teksten in het Oude Testament. En in deze tekst, vers 10, verwijst hij terug naar Deuteronomium 27:26. Eeuwen geleden stonden de Israëlieten op twee bergen: Ebal en Gerizim. En toen hadden de Levieten de opdracht van de Heere om te zeggen (en ze deden dat ook): Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, doende dezelve! Vervloekt degene, die niet al Gods geboden doen zal. En al het volk zal zeggen (dat was de opdracht van de Heere): Amen! En dat zeiden ze ook. En dat zeggen wij nu ook: Amen! En als je dat zegt, als je amen zegt op die vloek, dan teken je je eigen vonnis en zet je vanavond (doe het maar!) je handtekening op dat rode stempel: Vervloekt. Dan zeg je: ‘U hebt gelijk, Heere. Het is waar.’ Of wilt u uw handtekening daar niet op zetten?

Nooit zal Christus werkelijk waarde voor ons krijgen, nooit zal Christus alles voor ons worden, zolang we onze handtekening niet op dat stempel zetten met de belijdenis in ons hart: ‘Ja Heere, het is waar. Al Uw geboden (gebod één tot en met tien) heb ik zwaar en menigmaal overtreden. Uw vloek is rechtvaardig.’ Dan pas, als je je handtekening zet, krijgt vers 13 waarde, wat we straks zullen zien: Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons (in onze plaats); want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt.

Paulus vervolgt zijn betoog in vers 11: En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God is openbaar (dat is helder en duidelijk), want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Doe-het-zelven, door de wet zalig worden, door goede werken zalig worden? Dat is uitgesloten! Dat is een doodlopende weg. En dan volgt er weer een terugwijzing naar een andere tekst uit het Oude Testament, uit de profetie van Habakuk: De rechtvaardige zal door zijn geloof leven (2:4).

Habakuk was, net zoals de profeet Micha, iemand die het oordeel moet uitroepen over Juda en Jeruzalem: de dreiging van de Chaldeeën, van de Babyloniërs die Juda zullen gaan wegvoeren. Maar Habakuk vindt het moeilijk en begrijpt het niet. Moet nu het verbondsvolk van Juda gestraft worden om hun zonden, door de Chaldeeën die nog vele malen slechter zijn dan de Israëlieten? Hij begrijpt het niet. En dan geeft de Heere antwoord aan Habakuk: ‘Ja, het is waar, de mensen in Juda zullen gestraft worden, maar uiteindelijk zullen ook de Babyloniërs gestraft worden. Want alle zondaars die Mijn geboden overtreden hebben, zullen gestraft worden.’ ‘Maar, Habakuk (en dan komt deze tekst: Wie heeft er toekomst? Wie zal er leven?), de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.

Weer even terug naar de Galatenbrief. De Judaïsten, de mensen van de doe-het-zelf partij, zeiden: ‘Je moet vertrouwen op je werken, op wat je doet en laat.’ Habakuk dacht: ‘Ik vertrouw, als het gaat om het moeilijke beleid van Gods voorzienigheid, op wat ik denk, op mijn eigen gedachten, op mijn oordeel, op mijn logica.’ Maar dat is net zo goed een doodlopende weg! Want alle mensen (en dat is de boodschap uit Habakuk en Galaten 3), alle mensen zijn zondaars. De Babyloniërs, maar ook de mensen van Juda en Jeruzalem. De mensen van de wereld, maar ook de mensen van de kerk. Ze worden letterlijk op één hoop gegooid: allemaal zondaars, allemaal hebben ze al Gods geboden overtreden en tegen God gezondigd. En het enige wat uitkomst, wat toekomst, wat perspectief biedt, Habakuk en Galaten, is: leven door het geloof.

Wat is geloof? Dat is een lege hand, die (door genade) de reinigende, afwassende kracht van het bloed van Christus aangrijpt. Het geloof, dat de Heilige Geest plant in mijn hart, ontdekt me eraan wie ik ben, aan wie ik ben voor God. Dat ik verloren lig. Dat het stempel van de vloek op mijn leven staat. Opdat (en dat is het doel) ik de zaligheid niet meer in mezelf zou zoeken, maar opdat ik de zaligheid buiten mezelf zou zoeken. En wat is daar dan, buiten jezelf? De weg die God uitgedacht heeft. Waar geen mensenhand aan te pas is gekomen. De weg die Christus gebaand heeft, de weg van de zaligheid. Voor? Voor goede mensen, die zo goed proberen hun best te doen en die daarom toch net een beetje beter zijn, dan de mensen van buiten de kerk?

Nee! Eén weg is er voor…? Voor verloren mensen. Christus heeft de deur van hoop geopend voor vervloekten, die hun handtekening zetten op dat rode stempel: Vervloekt!

Maar het kan dus niet door het doen en laten van jezelf, want Paulus zegt in vers 12: Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens die deze dingen doet zal door dezelve leven. Weer een citaat uit het Oude Testament, uit Leviticus 18:5, waar de Heere zegt: Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE. U zegt: ‘Maar waarom zegt de Heere dit dan? U zegt dat dit in de Galatenbrief een gesloten weg is, maar hier zegt de Heere: Doe dat en u zult leven! Waarom zegt de Heere dat dan?’ Om twee redenen. a. In de eerste plaats opdat wij, mensen, zouden gaan zien dat die verplichting naar al Gods geboden te leven en die te doen, ons vermogen eindeloos overstijgt. Om te laten zien, dat we dat niet kunnen. b. Zodat we, in de tweede plaats, onze verlorenheid, onze verloren staat, zouden gaan zien. Die opdracht van God uit Leviticus 18, de prediking van het onmogelijke, de prediking van de wet, wil God gebruiken om mensen als ons in wanhoop aan eigen vermogen uit te drijven naar Christus!

Maar de mensen in Galatië en veel mensen onder ons (kijk maar in uw hart) maken bij die tekst (die God wil gebruiken om ons te laten zien, wat we niet kunnen) een verkeerde toepassing. Die mensen zeggen: ‘Goed, als de Heere dat van me vraagt, dan ga ik dat doen. Dan ga ik mijn best doen en dan zal ik daardoor uiteindelijk naar God terugkeren. Ik doe het zelf. Ik houd de geboden van God. Ik doe mijn uiterste best. 90, 99 procent, moet ik kunnen halen. Zo zal ik uiteindelijk zelf de toegang kunnen verdienen tot het Koninkrijk der hemelen.’ Maar… dat is de verkeerde toepassing. Dat is leunen, dat is steunen op jezelf. En dat is een totaal andere levenshouding dan die Habakuk ons voorhoudt: De rechtvaardige zal leven door zijn geloof.

Leven door het geloof. Dan zeg je, dan belijd je: ‘In mij is geen leven. En mijn werken? Ik dacht dat ze goed waren. Ik deed mijn uiterste best. Maar ze voldoen niet.’ Dan zeg je eerlijk tegen de Heere: ‘Heere, ik verdien alleen maar de vloek, dat rode stempel, ik verdien de dood.’ Maar (en dat is leven door het geloof) dan zoek je het leven buiten jezelf. Niet het leunen op jezelf, maar het leunen op Christus. Dat is de enige weg om zalig te worden.

Want, zegt vers 13, Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt. De wet eist en de wet vloekt. Als je daar aan denkt, als je dat ziet voor je eigen hart en leven, dan zou je wanhopen. En misschien is dat nu ook wel de benauwde twijfel van uw hart, als u die strenge wet hoort echoën in uw hart.

U zegt: ‘Zo kan ik niet voor God bestaan.’ Maar luister eens naar wat Paulus zegt. Er is een weg gebaand. De eis van de wet is ingewilligd, de schuld is betaald, de vloek is weggedragen… door Christus! Wanneer? Toen Hij aan het kruis gehangen werd, uitgespuugd door de aarde en niet ontvangen door de hemel. Hij droeg in Zijn bitterste lijden de uiterste consequentie van de wet: de vloek. In heel Zijn leven droeg Hij het heilige van Gods wet in Zijn binnenste ingewand. Hij was volmaakt, perfect, honderd procent gehoorzaam aan Gods wet. Maar die Onschuldige werd uiteindelijk aan het kruis met de misdadigers gerekend. De vloek kwam op Hem terecht. Hij is, zegt de Bijbel, tot zonde gemaakt. En Jesaja zegt: de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid (waarop de vloek rust!) op Hem doen aanlopen (Jesaja 53:6). Dit is het Evangelie: Christus is een vloek geworden in de plaats van vervloekten, toen Hij met al de liefde van Zijn hart zei: ‘Zet dat rode stempel waarop staat vervloekt maar op Mijn hart’. Op dat volmaakte hart.

Want er is geschreven: Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt. Weer een terugwijzing naar het Oude Testament, naar Deuteronomium 21:23, waar staat dat de kruisdood door God vervloekt was: Want een opgehangene is Gode een vloek. De kruisdood kenden de Israëlieten in die tijd eigenlijk niet. Dat was typisch een Romeinse straf. Wat wel gebeurde was, als een misdadiger de doodstraf had gekregen en inmiddels gestorven was, dat zijn dode lichaam alsnog gespijkerd werd aan een boom, aan een hout. Een overledene gehangen aan een boom, daarop rustte een zware vloek. Hoeveel te meer, hoeveel te groter is de vloek die op Christus gelegd wordt, als de Levende gespijkerd wordt aan het hout. Hij, Die in diepe pijn en uiterste schaamte de vervloekte kruisdood droeg, roept het u toe (u die zegt: ‘Ja, ik zet mijn handtekening op dat rode stempel: U, o God, hebt gelijk. Uw vloek rust op mij’), Hij roept u toe: ‘Ik, de Volmaakte, voor u, vervloekten, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven.’ Dat is het Evangelie.

Ik begon de preek met twee soorten mensen. En nu dringt zich de vraag op, beste vrienden, bij welke soort van de twee hoort u? Kijk eens naar uw hart. Hoort u, als u heel eerlijk bent, nog bij die mensen die leven onder de wet? Dat wil zeggen: met een godsdienst van doen en laten, en van proberen je zelf te verbeteren en goed te presteren, in de hoop dat je uiteindelijk toch nog een beetje goed terecht komt? Maar wat heb je dan? ‘Ja’, zegt u, ‘dan heb je gerechtigheid van jezelf.’ Dat klopt. Eigen gerechtigheid. En dat is tekort. Dat is schijn. Want eerlijk is eerlijk (en dat geldt voor u en voor mij): u hebt de wet niet voor honderd procent gehouden! En dan leeft u, zegt Paulus tegen de Galaten (maar ook tegen ons), dan leeft u onder de vloek van de wet. En dan loopt u, hoe netjes u ook leeft, op de brede weg naar het verderf. Een eindeloze eeuwigheid tegemoet.

Of hoort u bij het andere soort van mensen? De eerste soort van mensen hebben gerechtigheid van zichzelf. De andere soort… Ja, hoe moet je die nu typeren? Misschien moet je daarvan zeggen: die missen gerechtigheid. Die hebben geen

gerechtigheid, maar die missen gerechtigheid. Hugo Binning, een bekende puriteinse theoloog zegt: Deze mensen zijn uitgedreven, uitgeslagen uit hun eigen gerechtigheid.

Ja, want wat kost dat een moeite, om alles los te laten, om alles van jezelf prijs te geven. Want hoeveel mensen (kijk maar naar het gewone, maatschappelijke leven) die dreigen failliet te gaan, doen niet hun uiterste best om toch nog in eigen kracht hun vermogen in stand te houden en weer een beetje aan te vullen? Wie van ons wil zich verlagen tot de bedelstaf? Niemand toch? Wie van ons wil met lege handen bedelen aan de troon van Gods genade? Wie van ons wil uit zichzelf zeggen: ‘O God, wees mij zondaar genadig?’ Niemand. We zijn vijanden van genade. We willen werken. We willen het zelf doen.

Geef eens eerlijk antwoord, gemeente: Waar zoekt u uw gerechtigheid? Denkt u nog steeds dat u kunt sterven, voor God kunt verschijnen en de hemel kunt binnengaan, met wat u zelf denkt te hebben, met uw eigen gerechtigheid? Het zal niet kunnen.

De gerechtigheid in Christus zoeken, leunen op Hem, wat is dat? Dat is met lege handen, met de handtekening op dat rode stempel, met je verloren leven vluchten tot Hem. Voordat we verder gaan met vers 14, gaan we samen zingen uit Psalm 49, het derde vers: Hij (de mens) kan die prijs der ziele, dat rantsoen, aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen. Hij wenst vergeefs hier altoos ´t licht te zien en door zijn schat het naar bederf ´t onvlien. Hij ziet elk uur der wijzen levensend, der dwazen dood blijft hem niet onbekend. Hij ziet, dat hun in ´t sterven niets kan baten, maar dat zij ´t al aan anderen overlaten.

Christus stierf de vloekdood aan het kruis. Paulus zegt, en dan komen we bij vers 14, dat dit een dubbele doelstelling had: Opdat (dat is het eerste doel) de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou (niet door de werken van de wet, maar) in Christus Jezus en opdat (dat is het tweede doel) wij de belofte des Geestes (het is ook om te keren: de Geest van de belofte) verkrijgen zouden door het geloof (in Hem en niet door de werken). Dus Jezus’ dood had een tweeledig doel. a. Het eerste doel was: de weg naar de heidenen, naar de volken zou daardoor open gaan, zoals beloofd was aan Abraham. In hem zouden al de geslachten van de aarde gezegend worden. Maar dat kon niet door de werken van de wet, maar alleen door de dood van Christus, Die de weg daarmee geopend heeft. b. En het tweede doel was: opdat wij, gelovigen in Galatië, de belofte van de Geest of de beloofde Geest ontvangen zouden. Dat kon ook niet door eigen werken of door eigen prestatie. Dat kon ook alleen maar dankzij de dood van Christus. Daardoor mocht ook u, Galatiërs, de Geest ontvangen en door die Geest troost vinden in het bloed van Christus, vrede met God en vrijmoedigheid in het gebed.

Broeders, zegt Paulus in vers 15 (en dat klinkt heel vriendelijk), ik spreek naar de mens (alsof hij zegt: ik zal u een voorbeeld geven): zelfs eens mensen verbond (of testament) dat bevestigd is, doet niemand teniet, of niemand doet daartoe (niemand voegt daar iets bij). Paulus zegt: Ik zal het u met een voorbeeld duidelijk maken. Een testament, een laatste wilsbeschikking voordat iemand sterven gaat, als dat eenmaal is vastgelegd, als dat eenmaal is gelegaliseerd (de handtekening eronder, het stempel erop), dan is niemand meer in staat om dat te veranderen. Niemand kan daar meer iets aan toevoegen of uit halen. Dat testament is onherroepelijk en rechtsgeldig.

Nu (en dan komt de toepassing in vers 16), zo (onherroepelijk en rechtsgeldig) zijn de beloftenissen (aan) Abraham en zijn zaad gesproken. Paulus zegt: Zo is het ook met het verbond dat God met Abraham gemaakt heeft.

Wat was ook alweer de inhoud van dat verbond, van dat testament? Er staat: Hij zegt niet: en den zaden, als van velen; maar als van één: En uw zaad, hetwelk is Christus. Een moeilijke zin. God sprak niet in het meervoud, maar in het enkelvoud. Als ik het in eigen woorden zeg: God heeft, heel lang geleden, iets beloofd aan Abraham en aan zijn zaad. Aan Zijn zaad in het enkelvoud. En Wie was dat Zaad? Paulus zegt: Dat was Christus. God heeft iets beloofd aan Christus. Dus (en nu komt de toepassing) wat u nodig hebt, Galatiërs, is niet werken (dat komt nooit goed), maar vertrouwen op Gods belofte, Die Hij aan Christus gedaan heeft. U ontvangt niet de zegen als u vertrouwt op eigen werken, op doen of laten, op uzelf verbeteren, maar wel als u de belofte gelooft, Die God aan Christus gedaan heeft.

Hoort u hoe de mens hier helemaal buiten valt? God heeft beloofd aan Christus en die belofte is vervuld door de weg van het kruis! Christus heeft de wet volkomen gehoorzaamd en heeft op Golgotha de straf, de vloek gedragen en zo de vloek van Zijn volk weggedragen. Zo is de hitte van Gods gramschap geblust. Er is geen weg door werken. Maar er is een weg, door de belofte. Door die te omhelzen, door de belofte te geloven. Namelijk de belofte die aan Christus is gedaan. En Hij (u hoeft niks te doen!) heeft de eisen bij die belofte ingevuld en vervuld.

En, zegt Paulus, dat was eigenlijk al duidelijk in de tijd van Abraham. Al jaren voor de afkondiging van de wet, voordat klonk: Doe dat en u zult leven, had God dat al bekend gemaakt aan Abraham. Kijk maar in vers 17: En dit zeg ik: Het verbond (het testament) dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt (het testament is niet meer open te breken, het is vast, het is rechtsgeldig, het is niet meer te herroepen) om de beloftenis te niet te doen. Het testament bij God vandaan, is bekend gemaakt aan Abraham. Je zou kunnen zeggen: in de tijd van Abraham is het bevestigd, is het vastgelegd. En toen duurde het nog wel 430 jaar, voordat de wet afgekondigd werd vanaf de Sinaï. En

iets wat zoveel jaar later komt (bij elkaar opgeteld 650 jaar!), is toch niet meer in staat om dat eerdere testament open te breken? Dat testament ligt vast in God. En Hij heeft het aan Abraham bekend gemaakt.

Dus Galatiërs, ik vertel jullie niet iets nieuws. Dat was toen al zo, in de tijd van Abraham. En in de tijd van de Sinaï. En nu in de tijd van de Galaten. En, nu is het nog steeds precies hetzelfde: De hele erfenis, namelijk bekering, rechtvaardiging, heiliging en zaligheid is het resultaat van? Van werken? Van je best doen? Uitgesloten! Dat is een doodlopende weg. De hele erfenis is het resultaat van Gods belofte, Die Hij aan Abrahams zaad, Die Hij aan Christus deed. En Christus heeft de voorwaarde van die belofte vervuld.

Dus, Galatiërs, dus [naam inwoners gemeente] het is van tweeën een. Vers 18 zegt: Want indien de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de belofte genadiglijk gegeven. Steeds komt dezelfde conclusie weer bovendrijven. Het is óf door de werken. En als je dat denkt, dan krijg je in deze dienst het rode stempel van de vloek op je leven. Of het is genade. En dan is het door de belofte van God aan Christus gedaan. En dan betekent dat, dat je daar zelf helemaal buiten staat. Dan betekent dat, dat je alles moet loslaten en dat je je handtekening moet zetten over het rode stempel van de vloek, om daarmee je bekennen: ‘O God, het is waar. Ik heb niets, helemaal niets wat telt.’ Als je van genade wilt leven, dan moet je jezelf als een ellendige en failliete zondaar overgeven in de handen van een rechtvaardige God. Die dan vol van genade en barmhartigheid blijkt te zijn! Omdat Hij de vloek die op mij ligt, op Hem liet aankomen, op Christus heeft gelegd. En dan mag je, om het woord van de belofte, je lege handen uitstrekken naar het bloed van het Lam en zeggen: ‘O God, wees mij genadig. Vergeef mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te noemen.’

U zegt: ‘Zou je het één toch ook niet een beetje met het ander kunnen combineren? Want ik ben toch ook wel… een goed mens. Ik leef netjes, ik doe m’n best. U kunt zich niet voorstellen hoe vaak ik bid. Ik houd de geboden van God (althans, dat probeer ik), ik leef niet in de zonde, ik zoek de zonde niet op. Ik ben niet zo iemand die de grens opzoekt en op het randje loopt. Ik doe echt mijn best! Kan dat toch niet een beetje gecombineerd worden? Het bloed van de Heere Jezus Christus, iets van Hem en een beetje van mij? Dat van mij is toch ook waardevol? Kan dat niet samengaan?’ Nee. Dat kan niet.

Zo zegt de Heere: Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk (iedereen!) die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (vers 10). Dit is het doodvonnis voor goddeloze mensen, die leven in de zonde. En dit is ook het doodvonnis(!) voor nette kerkmensen, die denken dat ze met goed te doen en goed te zijn, uiteindelijk in de hemel kunnen komen. Of dat het daardoor op zijn minst een beetje mee zal vallen.

Nee, Paulus zegt niet: De wet hoef je niet meer te doen, leef maar gewoon raak. Het eerste stukje blijft staan, dat zult u begrijpen: Doe dat! God heeft er recht op, dat wij gehoorzaam zijn aan Zijn geboden. Maar die combinatie: doe dat en daardoor zult u leven, daardoor zult u de hemel verdienen, dat is onmogelijk, dat is uitgesloten.

De grote vraag, beste vrienden, is nu: wat doet u met deze boodschap van Paulus, met deze boodschap van God? U gaat zo meteen naar huis en dan…? Het kan zijn dat u zegt: ‘Nou, ´t is redelijk goed uitgelegd. Ik weet weer wat nieuws.’ Maar daarmee gaat u het ook niet redden op reis naar de eeuwigheid. Misschien zegt u bij uzelf: ‘Kan het niet een beetje minder zwart-wit? Kan er niet wat meer nuance komen? Wij zijn nette mensen. Wij zitten toch hopelijk wel meer op het goede spoor, dan die mensen die het niet zo nauw nemen?’

Ja, het is waar, het is uw plicht om naar Gods geboden te leven. Maar het spoor waarop u gaat (als u denkt dat u door doen en laten uiteindelijk toch nog een beetje goed terecht zult komen), dat spoor is dezelfde weg die goddelozen en wereldse mensen gaan. En het komt uit op dezelfde plek! Het is de vierbaans brede weg naar de eeuwige rampzaligheid. En op de rechterbanen lopen nette mensen met tassen vol eigengerechtigheid en vroomheid. Links worden ze ingehaald door goddelozen en zondaren. Maar vergis u niet: die vier banen komen allemaal op hetzelfde punt uit. En dat eindpunt is de dood.

Misschien zegt u straks als u naar huis gaat: ‘Ik heb er eigenlijk een hekel aan, ik irriteer me aan die scherpe woorden. Notabene de vloek, een rood stempel op alles wat ik heb, denk en doe. Is dat dan allemaal vervloekt? Ik irriteer me daaraan!’ Ik snap dat. Ik irriteerde me daar vroeger ook aan. Maar niet doen! U moet niet denken dat die vloek het einde moet zijn. Die vloek heeft een doel. Er is een goed en hoger doel van God achter die vloek. Nooit is er sinds het paradijs één vloek, één dreiging, één oordeel over mensen uitgesproken, die niet als doel had om ons uit te drijven naar Christus. Maar zolang u nog probeert om het nog wat beter te doen en nog wat beter te maken (hoe dan ook) zult u die Christus, de Gekruisigde, de Vervloekte (hoewel Hij volmaakt was) niet nodig hebben. Zolang u het zelf nog kunt verdienen, zolang u zelf nog uw zaakjes kunt regelen, klopt u niet aan bij de diaconie en gaat u niet uw hand ophouden, toch? Zolang u het zelf nog kunt, zoekt u Jezus niet, toch?

Maar voor u, die door Gods genade bent afgebracht van dat verkeerde, doodlopende spoor ‘ik-doe-het-zelf-wel’, afgebracht van het spoor van de werken van de wet, veroordeeld en vervloekt, voor u die hebt leren wanhopen aan uzelf, voor u is er een weg geopend en een weg gebaand! Juist voor ons ligt er zo veel troost in dit woord. Nee, de vloek is niet opgelost en verdampt. Maar hij is gelegd op de Volmaakte, op Christus, en dat in onze plaats. Dit is onze troost, dit Evangeliewoord: Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons.

Onbegrijpelijk wonder van genade en van eenzijdige zondaarsliefde. Dat de Volmaakte, Jezus Christus, een vloek wilde worden in de plaats van vervloekten. Want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt. Gode zij dank voor die onuitsprekelijke Gave!

U zegt: ‘Wat moet ik doen? Wat moet ik doen om zalig te worden?’ Niets. Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden!

Amen.

Slotzang Psalm 143:2,8:

Wil Uwen knecht, door schuld verslagen, O HEERE, niet voor Uw vierschaar dagen; Want niemand zal in dat gericht, Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen, Rechtvaardig zijn voor Uw gezicht.

Laat mij Uw dierb're goedheid prijzen, Wanneer ik 't morgenlicht zie rijzen; 'k Betrouw op U in mijn ellende'; Wil mij het ware heilspoor wijzen; Mijn ziel heeft zich tot U gewend.