PREEK · VRIJE STOFFEN

De wet een tuchtmeester tot Christus (deel 8) - Galaten

30 januari 2014

Galaten 3:24: Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.

INLEIDING

Paulus stelt de vraag: “Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden” (Galaten 3:24). Deze leespreek laat zien dat de wet niet gegeven is om ons beter te maken, maar om ons vast te zetten en uit te drijven naar Christus, opdat wij als kinderen van God, bekleed met Zijn gerechtigheid, vrij zouden worden.

GALATEN 3:19-29

19 Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het Zaad zou gekomen zijn, Wien het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand des middelaars.
20 En de middelaar is niet middelaar van één, maar God is één.
21 Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want indien er een wet gegeven was die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.
22 Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus den gelovigen zou gegeven worden.
23 Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden.
24 Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.
25 Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.
26 Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus.
27 Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.
28 Daarin is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw. Want gij allen zijt één in Christus Jezus.
29 En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.

VOLLEDIGE TEKST

De wet een tuchtmeester tot Christus (deel 8) - Galaten

ds. J. IJsselstein - Galaten 3:24

Gemeente, we overdenken in deze dienst met Gods hulp samen het u voorgelezen Bijbelgedeelte: Galaten 3, de verzen 19 tot en met 29. We gaan deze verzen vers-voor-vers met elkaar overdenken.

Er zijn in Galatië mensen die zeggen: ‘Als je nu goed je best doet, dan kom je vanzelf in de hemel. Dat heeft de Heere toch gezegd? Doe dat en gij zult leven! Nou, doe je best, doe het zelf, dan zal je leven!’ Maar Paulus zegt: ‘Laat je niet betoveren, dat is onmogelijk! Er is maar één weg en dat is de weg van het geloof.’

Ja maar, dat geloof… is dat misschien toch ook iets wat je zelf moet doen? Een doe-het- zelfgeloof? Geloven? Doen! Als een werk, als een prestatie van jezelf: Geloof en u zult zalig worden!? Nee. Zo niet. Want geloven is geen doen. Geloven is juist afzien van jezelf. Afzien van al je werken, ook van al je godsdienstige werken. Geloven is jezelf overgeven, overleveren, uitleveren aan God, als een mens die niets verdient, als een mens die alles verzondigd heeft, terwijl God het stempel van de vloek op je leven zet. Het is jezelf uitleveren als een mens, die roept vanuit de diepte: ‘O God, wees mij, zondaar, genadig!’ Als een mens die zegt: ‘Ik strek (terwijl ik wegzink in mijn verlorenheid) mijn lege handen uit tot U. O, Heere, redt U mijn ziel. Op U alleen verlaat ik mij.’

‘Nou ja’, zeggen sommige Galaten, ‘als je dan door de wet toch nooit meer tot God kunt komen…, waar is die wet dan nog goed voor? Waarvoor hebben we die wet eigenlijk dan nog?’ Over die vragen gaat het in de verzen die onze aandacht vragen, vers 19 tot en met 29.

Kijk maar in vers 19: Waartoe is dan de wet? Dat is hun vraag. Paulus zegt: Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de middelaar.

Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld. Wat betekent dat? Ik las in een boekje bij de voorbereiding op deze preek een voorbeeld van een snelweg.

Er stond (en ik vertel het even in mijn eigen woorden): we zijn allemaal principiële hardrijders, tenminste zolang we niet geflitst worden. Maar de wet lappen we aan onze laars. Dat grote ronde bord ‘100’, dat flitst voorbij als je 140 rijdt. Ben je de maximumsnelheid misschien vergeten? Zwak excuus. Want meestal staat er na iedere oprit wel een bord ‘100’ en om de paar honderd meter staan er naast de weg vaak ook nog van die andere bordjes met zo’n klein rondje. Je ziet ze voortdurend aan de rechterkant voorbij flitsen: 100… 100… 100… Paulus zou zeggen: ‘Die bordjes aan de zijkant van de weg zijn om der overtreding wil daarbij neergezet.’ Ieder bordje, al die kleine rondjes ‘100 km’ zijn als een openbare aanklager en zeggen je, terwijl je daar zo hard rijdt: Je overtreedt de wet…! Je overtreedt de wet…! Je overtreedt de wet…!

Zoals iedere zondag de Tien Geboden gelezen worden, als een openbare aanklager, terwijl we in onze gedachten de afgelopen week terugkijken. De wet die overal een rood stempel zet: eerste gebod – tekort, schuldig. Tweede gebod – schuldig. Derde gebod – schuldig. Vierde, vijfde… en zo tot en met het tiende gebod toe. Schuldig!

De wet: de openbare aanklager. Met welk doel? Calvijn zegt: ‘Om de slaper wakker te maken.’ Paulus zegt in Romeinen 5: De wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest (Romeinen 5:20). Paulus zegt als het ware: de wet is een vergrootglas. Je dacht dat het kleine stippeltjes waren, maar als je dat vergrootglas erbij haalt, dan zie je dat het allemaal heel grote vlekken zijn. Vroeger zei je: ‘Ik ben een zondaar. Ja, natuurlijk. Zijn we allemaal, toch?’ Maar als de wet in je leven komt, als God de wet gaat gebruiken als een vergrootglas, als een aanwijsstok, dan wordt het anders. Dan zeg je: Ik zie mijn zonden steeds voor mijn ogen zweven. Dan zeg je met Psalm 143: En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (Psalm 143:2).

Dus, is er iets mis met de wet? ‘Nee’, zegt Paulus, ‘helemaal niets.’ De wet is juist gegeven om onze zonden aan te wijzen, als een aanwijsstok, als een vergrootglas.

Totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was (aan Wie de belofte gedaan was, namelijk Christus). Tot die tijd was er de wet. En wat deed de wet? De zonde aanwijzen en veroordelen. Maar verlossen, vrijspreken, gratie verlenen? Nee, dat kon de wet niet. Alles wachtte vroeger op de komst van de grote Verlosser, de Messias, Christus Jezus, Die al in het paradijs beloofd was.

En, ik lees even verder in vers 19, zij is door de engelen besteld in de hand van de middelaar. Als u goed kijkt in de Statenvertaling ziet u dat ‘middelaar’ met een kleine letter staat. Althans, zo stond het er in het oorspronkelijke wel. Het is een moeilijke tekst om te begrijpen. De kanttekening zegt: ‘De middelaar, dat is Mozes, hoewel sommigen zeggen: Christus.’

Dit is waarschijnlijk de betekenis van deze en de volgende tekst: Als er vroeger een vorst was (een koning of een keizer) die een wet uitvaardigde, dan gaf hij die uitgeschreven wet aan zijn lakeien. En die gaven ze door aan de knechten. En zij gaven ze weer door aan de leiders van het volk. En zo kwam zo’n nieuwe wet uiteindelijk bij het volk terecht. ‘Zo’, zegt Paulus, ‘heeft God Zijn wet gegeven.’ Aan de engelen. En (menselijk gezegd) hebben die de wet misschien weer doorgegeven aan andere engelen. En aan Mozes. En die heeft de wet weer doorgegeven aan het volk. Mozes was Gods woordvoerder, de middelaar, die stond tussen God (en Zijn heilige engelen) en het volk. Met andere woorden, en daar gaat het Paulus om, de Israëlieten kregen de wet niet rechtstreeks, via-via. Uit tweede hand, uit derde hand misschien wel.

En die uitleg past ook bij vers 20: En de middelaar (Mozes) is niet middelaar van één (dat wil zeggen: hij werkt niet alleen, het loopt via verschillende schakels, personen of engelen), maar God is één. Wat God deed aan Abraham ging niet via-via, dat was rechtstreeks en heel persoonlijk. God sprak met Zijn eigen mond tot Abraham en gaf hem de belofte. Dus, nu samenvattend: de wet kwam via-via (via verschillende schakels, indirect), maar de belofte kwam rechtstreeks van God tot Abraham. Dus, conclusie: de wet moet onderdoen voor de belofte. De rechtstreekste belofte gaat boven de wet.

‘Het ging’, zegt Paulus als het ware, ‘al vanaf het paradijs om de belofte, om de genade.’ En de wet is (hoe zal ik het zeggen?) altijd bedoeld geweest als hulpmiddel, als aanwijsstok, als vergrootglas. Met van het begin af aan als doel: dat we zouden zien dat er door de wet van ons uit, door doen-en-laten, geen weg is terug naar God toe.

Dus de wet was en is een hulpmiddel om ons te overtuigen van zonde. Maar dan is daar wel de vraag aan gekoppeld: Is dat ook zo in uw leven? Heeft de wet (die iedere zondag voorgelezen wordt) als een aanwijsstok in Gods hand u al gewezen op uw zonden? En nee, niet op de zonden in het algemeen, maar op uw persoonlijke zonden? Heeft de wet al een vergrootglas bij jouw zonden gehouden, zodat je bent gaan zeggen: ‘Heere, ik leg mijn hand op de mond. Ik heb niets tegen U terug te zeggen. Het is waar: ik heb gezondigd. Het eerste gebod, het tweede gebod, het derde, vierde… tot en met het tiende toe! Ik heb in alles overtreden!’

De wet was en is een hulpmiddel om ons ervan te overtuigen dat we, zoals we van nature zijn, niet voor God kunnen bestaan. Maar dan is daar wel de vraag aan gekoppeld: Is dat ook zo in uw persoonlijk leven? Zegt en gelooft u ook, zoals we zojuist gezongen hebben: ‘Heere, als U de ongerechtigheden gadeslaat…, dan kan ik voor U niet bestaan?’

De wet was en is een hulpmiddel om ons zelfvertrouwen, hoogmoed en onze geestelijke zekerheden te breken, zodat we als een verslagen, gebroken en niet meer wetende mens aan Zijn voeten zouden komen. Maar dan is daar wel de vraag aan gekoppeld: Is dat ook zo in uw leven? Dat de roep uit uw hart naar boven klinkt: ‘Heere, hoor hoe een boeteling pleit.’

Tegelijkertijd betekent dit wat Paulus zegt, dat je het helemaal mis en bij het verkeerde eind hebt, als je denkt dat je de wet moet doen om een beter mens te worden. Want je wórdt nooit beter. Je denkt misschien dat je de wet moet doen, om je geschikt te maken voor genade, maar je bent en blijft ongeschikt! Hier klinkt de echo door van vers 10: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet (eerste gebod, tweede gebod, derde gebod tot en met het tiende gebod) om dat te doen. Pas op dat je die aanwijsstok, dat vergrootglas niet probeert te gebruiken als een reddingsboei. Want dat gaat fout. Daar ga je mee zinken.

Is dan, zo zegt Paulus in vers 21, de wet tegen de beloftenissen van God? Dat zij verre (dat wil zeggen: zeker niet!); want indien er een wet gegeven was, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn. Botsen die twee nu met elkaar? Zo lijkt het wel. Alsof God twee botsende, twee tegenstrijdige dingen heeft gegeven: wet en genade, wet en belofte. ‘Nee’, zegt Paulus, ‘zeker niet!’

Als God met de wet het doel had gehad om ons in te stellen zelf een weg te banen terug naar God toe, dan was het zeker zo gegaan. Maar dat was de bedoeling van God niet, dat is Zijn bedoeling nooit geweest. De Tien Geboden (die iedere zondag gelezen worden) hadden en hebben nooit als doel gehad, dat u zou denken: ‘Mooi, ik ben volgens mij al een aardig eindje op weg. Ik moet nog wel proberen om een beetje beter mijn best doen op dit punt en op dat punt, maar…’ Of je hoort de Tien Geboden en je denkt: ‘Ja, ik zal de zonde uit mijn leven verdrijven, ik zal met mijn zonden breken, ik zal… Ik ga mijn best doen! Dan zal ik een goed en beter mens worden.’ Hoort u het? ‘Ik zal het zelf doen.’ Of je hoort de wet, de Tien Geboden, en ondertussen kijk je in de spiegel van de wet en denk je: ‘Nou, dat ziet er redelijk uit. Dat kon slechter. Er zijn vast niet heel veel mensen die beter zijn dan ik…’

U dwaalt! U dwaalt!! Paulus zegt in vers 1: Gij uitzinnigen! U bent buiten zinnen. U hebt het helemaal verkeerd

begrepen. Want de wet wijst niet aan wat goed is, zodat je tevreden kunt zijn met wat je gedaan hebt. Maar de wet is een aanwijsstok, een spiegel, een vergrootglas om… om je zonden aan te wijzen. Een aanwijsstok, die als een priem in je hart wil steken, zodat de luchtballon van je geestelijke zelfvertrouwen en je eigen vroomheid en hoogmoed voor eens en altijd zal leeglopen!

Als de wet zegt: U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Dan is het niet de bedoeling dat je zegt: ‘Ja, klopt. Dat heb ik deze week ook niet gedaan.’ De bedoeling van die aanwijsstok is dat je zegt: ´Heere, ik sta schuldig aan dit gebod.’ Gedenkt den sabbatdag. Eert uw vader en uw moeder. ‘Ja Heere, dank U wel, dat ik de afgelopen week zo goed ben geweest.’ Nee! Het is een aanwijsstok, een priem die wil steken in je hart, zodat je zou gaan zeggen: ‘Heere, ik sta schuldig aan al deze geboden, van de eerste tot en met de laatste toe.’

Bedenk dat, lieve vrienden, voordat het te laat is. Want ik vrees dat heel veel mensen, ook in onze gemeente, met de wet in hun hand verloren gaan. Met de wet in uw handen, als een teken van eigen vroomheid. Maar ik zeg u: u weet werkelijk niet wat u in uw handen hebt!

Iemand van de ouderen vertelde me het verhaal dat hij vroeger als klein jongetje in de Tweede Wereldoorlog ergens een bom vond, in een weiland of zo. Hij vond het een prachtig ding, pakte het op, bond hem op z’n fiets en ging er zo mee naar huis. Mooie vondst! Niet wetend hoe gevaarlijk dat ding was… En zo zijn er heel veel mensen, ook onder ons, die dwepen met de wet, niet wetend hoe dodelijke de wet is! De wet is niet om ons te strelen! De wet is gegeven om de zonde van je hart aan te wijzen. De wet is gegeven om je als met een priem in je hart ter steken. De wet is gegeven om je dood te steken.

We gaan, voordat we verder gaan met vers 22, samen zingen uit Psalm 142, het zevende vers. Als vooruitblik op de volgende verzen uit Galaten 3: Voer mij uit mijn gevangenis tot roem Uws Naams, die heerlijk is. Dat mij ´t rechtvaardig volk omring en vrolijk van Uw weldaân zing.

Maar, zegt Paulus in vers 22, de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten (in de gevangenis gezet), opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden. Paulus gaat datgene wat hij verteld heeft nog een keer verhelderen met twee voorbeelden.

a. Dit is het eerste voorbeeld: de wet als cipier, als gevangenisbewaarder, als oppasser in de gevangenis. De Schrift (de wet), zegt Paulus, sluit alle mensen vanwege hun zonden op in de gevangenis. Het spreekt over alle mensen het oordeel uit.

Dus als je de prediking van de wet hoort, als jij en ik ‘s zondags luisteren naar de voorlezing van Gods heilige wet, dan hoor je je…? Je vonnis, je doodsvonnis.

Heel veel mensen denken, dat ze lid kunnen zijn van de Stichting Vrienden van de Wet. En ze zeggen ook (soms hardop, maar meestal in hun gedachten): het is goed, dat de wet scherp gepreekt wordt! Dat is goed voor…? Voor andere mensen. Ik zelf heb zo veel liefde tot Gods wet, ik loop de benen uit mijn lijf om de wet te doen. Maar… u vergist u! Want wat u een vriend noemt (de wet) is in werkelijkheid niemand anders dan een cipier, een gevangenisbewaarder, die u met uw vrienden opsluit en zegt: ‘Beste vriend, je bent ter dood veroordeeld! Je noemt mij wel vriend, maar ik, de Wet, ben je vijand. Ik zet je in bewaring, ik sluit je op in de dodencel.’

Waarom? Om je uit te drijven naar Christus. Opdat je in dat donkere hol van die dodencel zou gaan roepen vanuit de nood van je hart: Gij Zone Davids! Ontferm U mijner (Markus 10:48). Het doel van de wet is, zegt Paulus, nooit geweest om mensen beter, om mensen levend te maken. Maar het doel van de wet is en was: leren wanhopen (in geestelijke zin) aan onszelf, aan onze eigen inspanningen, en ons vooruit te stuwen, vooruit duwen naar de genade. Naar de belofte, zoals dat staat in vers 22: Opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden. Zou gegevene worden. Niet als loon, maar als een gift, als genade.

‘Daarvóór’, zegt Paulus, ‘zaten we in de gevangenis.’ Kijk maar in vers 23: Doch eer (voordat) het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld (opgesloten in de gevangenis) en zijn besloten geweest (opgesloten in het huis van bewaring) tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. ‘ God gaf verandering. Dat hebben we niet zelf gemaakt, dat heeft God gedaan. Deze weg heeft God geopend, die heeft Hij geopenbaard.

Zo is het gegaan in de heilsgeschiedenis. De wet op de Sinaï werd niet gegeven om te werken, maar om wanhopig te gaan hopen op de komst van de Messias, Jezus Christus, Die gekomen is. Zo gaat het ook als God met Zijn genade in ons leven werkt. De wet sluit ons op. We dachten vroeger (zo heerlijk algemeen): ‘Zeker, ik ben een zondaar. Dat zijn we allemaal, toch?’ Maar toen ging de wet wijzen, die aanwijsstok, dat vergrootglas, die priem. Toen ging de wet ons vastzetten in de dodencel, waar boven de deur stond: ‘Vervloekt. Wacht op uitvoering van het vonnis.’ De priem, de pijl van de wet raakte ons hart. En we bogen en we braken. Het liep steeds meer vast in ons leven. Hoop gehad…, maar de hoop weer kwijtgeraakt.

Zoals McCheyne zingt: Toen mij Gods Geest (al) mijn schuld had ontdekt, toen werd in mijn ziel de vreze gewekt, toen voelde ik (opgesloten in die dodencel) wat eisen Gods heiligheid deed, toen werd al mijn deugd (netheid, vroomheid) een wegwerpelijk kleed.

Daar werd het onmogelijk aan mijn kant. Ja, want als je in een gevangenis, als je in een dodencel zit, dan is er voor optimisme niet zoveel ruimte meer. Dan zeg je, dan roep je vanuit de diepen: ‘Heere, is er nog een weg om die welverdiende straf (ik heb het echt verdiend) te ontgaan en tot genade te komen?’

En wat zegt dan, tot onze grote schrik, de catechismus? God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Dat zegt de wet, die de handboeien nog eens wat steviger aandraait, die het mes als het ware op de keel zet. Waarom? Om ons klem te zetten, om ons te pressen, om ons te laten doen wat we niet willen. Want, wat willen we wel? We willen werken, we willen verdienen. Maar de wet zet ons vaster, zet ons steeds meer klem, opdat we om hulp, opdat we om genade zouden gaan roepen. Opdat we vluchten zouden, zoals we gezongen hebben: Ik wou vluchten, maar kon nergens heen, zodat mijn dood voorhanden scheen.

Opdat we vluchten zouden tot Christus. Waarvan u vroeger altijd zei: ‘Ja, maar dat gaat zo maar niet!’ Dat klopt. Dat wil ik niet. Ik ben er een vijand van. Diep in mijn hart ben ik een vijand van genade en een vijand van Christus. Maar dan wordt het toch waar, wat staat in Psalm 142: Ik zag uit ter rechterhand, en zie, zo was er niemand die mij kende, er was geen ontvluchten voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel. Tot U (en dat is het doel) riep ik, o HEERE! Ik zei: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden. Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. Voer mijn ziel uit de gevangenis (ik kan niet uitbreken, want ik ben gebonden door mijn zonde en schuld) om Uw Naam te loven. (Psalm 142:5-8a). De wet als gevangenbewaarder, cipier.

b. Maar Paulus gebruikt met een tweede voorbeeld, het beeld van een tuchtmeester. Kijk maar in vers 24: Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot (of: naar, in de richting van) Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. De puriteinse predikant Hugo Binning, zei ooit: ‘God heeft in zesduizend jaar nog nooit één ander doel op het oog gehad met dreiging, met oordeel, met Zijn wet dan dat mensen tot Jezus Christus zullen komen en in Hem zullen geloven.’

De wet leert ons onze uitzichtloze verlorenheid, de breuk die we geslagen hebben tussen God en ons hart door diepe onze val in Adam. Er zijn zo veel mensen die de wet in de hand hebben als waren ze, zoals ik zei, lid van de Stichting Vrienden van de Wet. Maar als de wet in de handen van de Heilige Geest zijn

werk doet in je hart, dan krimp je in elkaar en zeg je: ‘Wee mij, o God, dat ik zo gezondigd heb!’ Maar (niet vergeten!), het doel is niet dat je al krimpend zou omkomen en wegvluchten! Het doel van die diepe gevangenis en van die scherpe priem in je hart is, dat je al krimpend zou komen met smeking en geween, roepend: ‘Zone Davids! Ontferm U toch over mij!’

De wet is tuchtmeester. Geen schoolmeester, maar tuchtmeester. Dat was vroeger een slaaf die door zijn heer was aangesteld om de kinderen een beetje in het gareel te houden, op weg naar school en weer terug naar huis. Hij was aangesteld om toezicht te houden, zodat ze zich niet zouden misdragen. En ja, u snapt, dat was een man van discipline. En daar was je als kinderen bang voor. Want als je je misdroeg, dan kreeg je op je minst een uitbrander, maar (vroeger) ook al snel een stevig pak slaag. Paulus zegt: Wij leefden onder die strenge, slaande hand van de wet. Die sloeg ons. Maar die strenge meester deed ten diepste niets anders (het was een hulpmiddel) dan ons uitdrijven, dan ons heendrijven, richting het doel: Christus. De wet had in zichzelf geen doel, maar was als een slaaf om ons op de goede plek te brengen, om het leven buiten onszelf in Jezus Christus te leren zoeken en vinden.

En dat was, zoals hij in vers 23 zegt, geen werk van onszelf, maar openbaring bij God vandaan. Dat wil zeggen: Ik zag het niet, ik wilde het niet zien, ik kon het niet zien. Maar God greep in. Hij liet het me zien, Hij opende de weg, Hij richtte mijn oog op Christus en gaf me in beginsel genade in mijn hart om te geloven. Ons verloren leven, zegt Paulus als het ware, werd op Hem geworpen. Wij leverden ons uit en in als ter dood veroordeelden, als mensen op wie de vloek van de wet rustte. En Gode zij dank (dat was het diepste, achterliggende doel): Hij, Christus, nam die vloek over en legde die op Zijn schouder. Hij nam mijn dood en gaf Zijn leven. Zoals diezelfde dominee McCheyne zong: Toen vluchtte ik (in de nood van mijn leven, ik kon geen andere kant op) tot Jezus. Hij heeft mij gered. Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet. Mijn heil en mijn vrede, mijn leven werd Hij. Ik boog me (want van genade word je geen groot mens) en geloofde. En mijn God sprak mij vrij.

Hij zegt niet: Ik heb me vrij gewerkt, ik ben uitgebroken uit de gevangenis, ik heb mijn eigen schuld betaald. Nee. Hij zegt en zingt: Ik ben vrij gelaten. God sprak mij vrij. Door het werk en de genade van Christus alleen.

En dus, zegt Paulus in vers 25: Als het geloof gekomen is (geschonken door God, geopenbaard door de Heilige Geest), nu zijn wij niet meer onder de tuchtmeester. God heeft ons (het beeld verandert wat) tot kinderen aangenomen. De stok van de wet is neergelegd en nu is er vrijheid. Vrijheid, uit de gevangenis. De deur is opengedaan. Zoals Jesaja dat vroeger al profeteerde over de komst van Christus, toen hij zei: De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij (Christus) gezalfd heeft, om een blijde

boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij (Christus) gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart (eerst heeft Hij ze getroffen door de priemende kracht van de wet, maar nu), om de gevangenen (opgesloten door de wet) vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening van de gevangenis (Jesaja 61:1).

Dat is de weg, gebondenen, gevangenen. Dat is de weg, u die bent opgesloten in het huis van bewaring. Niet werken, niet verdienen, niet zelf doen! Geef het maar op. Laat los en u zult losgelaten worden (Lukas 6:37b). Teken dat vonnis maar. Zet uw handtekening maar onder dat rode stempel van de vloek. Verklaar God maar rechtvaardig in Zijn oordeel. En werp u maar als een verlorene, als een vijand aan Zijn voeten, terwijl u roept: O God, wees mij zondaar genadig!

U zegt: Ja maar…, dat moet de Heere doen. Dat is waar. Maar dat komt(!) omdat ik en u daar vijand van zijn. Want, zegt Paulus in vers 26, u bent allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. In die weg (van jezelf verliezen, van jezelf overgeven, van lege en verloren handen die zich uitstrekken naar de Redder en Zaligmaker), in die weg word je aangenomen als een kind. En dat is niet een weg van werken, maar van geloven. Zoals Johannes ooit schreef: Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht (bevoegdheid) gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven (Johannes 1:12). Geen knechten meer, geen afstand meer, maar kinderen, heel dichtbij. Met alle onverdiende voorrechten van het kindschap daarbij: het ervaren van de liefde van God, de zorg van Vader, vergeving, troost, nabijheid, bescherming, onderwijs.

Want, zegt Paulus in vers 27, zovelen als u in Christus Jezus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan. U hebt Hem aangedaan, namelijk het kleed van Zijn gerechtigheid. Het betekent zoveel als: Hij heeft dat vuile kleed van de zonde u uitgetrokken en heeft u een nieuw kleed gegeven, het kleed van Zijn gerechtigheid. Waardoor God, als Hij naar uw leven kijkt, u ziet alsof u zo rein was als Christus. Want u draagt Zijn kleed: zonder zonde, zonder schuld. Zoals McCheyne ook zingt: Nu ken ik (dat is openbaring bij God vandaan) die waarheid zo diep als gewis, Dat Christus alleen (niet gemengd met werken of zelf doen) mijn Gerechtigheid is.

Want zovelen als u in Christus gedoopt zijt, hebt u Christus aangedaan. Daarin klinkt ook iets door van hartelijke bereidheid. Als God in uw leven gekomen is en u de weg heeft gewezen, als Hij u tot Zijn genade heeft gebracht, dan is daar onlosmakelijk een hartelijke bereidheid aan verbonden om voor God te leven. Om te leven in een nieuw leven, gericht op God en toegewijd aan Zijn dienst. Levend naar Zijn geboden, maar: uit liefde en dankbaarheid.

Diezelfde Hugo Binning, die ik zojuist citeerde zegt ergens: ‘De wet brengt zondaars tot Christus en Christus brengt Zijn kinderen weer terug bij de wet. Niet meer om te verdienen, maar om te leven in dankbaarheid, in liefde tot God.’

Daarin, zegt Paulus in vers 28, is geen Jood noch Griek; daarin is geen dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus. Vroeger waren de heidenen honden. En een slaaf was niet meer dan ademend gereedschap. En vrouwen waren minder dan mannen. Maar nu u, zegt Paulus, aangenomen bent tot kinderen (en dat is ook een les voor ons gemeenteleven), nu bent u één. Ja, iedereen heeft zijn eigen talenten, plek en verantwoordelijkheden. Maar u bent één in Adam. Wij hebben allemaal gezondigd en missen de heerlijkheid van God. Maar nu zegt Paulus ook tegen de gelovigen in Galatië, niet alleen als constatering maar ook als opdracht: u bent ook één, u hoort één te zijn in Christus.

En nu ik dit alles gezegd heb, gemeente, blijft er nog één vraag over en die wil ik graag aan u meegeven, en ik hoop dat u die biddend gaat beantwoorden. Het gaat in de Galatenbrief steeds over twee dingen, over twee wegen: over wet en genade. Over doen of laten doen. Over zelf doen of als een arme bedelaar van genade leven. En mijn vraag aan jou, mijn vraag aan u is: van welke weg bent u?

Ik kan het anders vragen: van wie ben jij? Van wie bent u? Bent u van de wet, bent u van de Stichting Vrienden van de Wet? Dan zeg ik u op grond van dit woord: u vergist u. En als u zo doorgaat, dan vergist u zich voor eeuwig. Want uw vriend is uw aanklager en rechter en eist van u de doodstraf.

Of zegt u (en dat is de andere weg, de andere Eigenaar): ik ben het eigendom van Christus. Of zegt u met de bruid uit het Hooglied: zulk Een, Vriend van tollenaren en zondaars, Zulk Een is mijn Vriend, zulk Een is mijn Liefste, o gij dochters van Jeruzalem! Bent u Zijn eigendom? Zoals de catechismus het verwoordt: dat ik mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft?

En indien u, zegt Paulus in het laatste vers, van Christus bent, zo bent u Abrahams zaad en naar de belofte erfgenamen. Dat is de troost van dit laatste vers voor allen die het eigendom geworden zijn van Christus Jezus. Erfgenamen van, zoals McCheyne het zong, het erfgoed daarboven, in het Vaderlijke huis. Omdat we als vijanden verzoend zijn, als goddelozen gerechtvaardigd en als kinderen zijn aangenomen. Als dat zo is, dan is dit onze troost: Nu reis ik getroost onder het heiligend kruis, Naar het erfgoed (niet in deze wereld, maar) daar boven, in het Vaderlijk huis. Mijn Jezus geleid mij door de aardse woestijn, Gestorven voor mij zal mijn zwanenzang zijn.

Amen.

Slotzang Psalm 45:1,7

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen, Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen; Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft; Is z' als de pen van een, die vaardig schrijft. Beminnelijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven, Gaat al het schoon der mensen ver te boven; Genâ is op uw lippen uitgestort, Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.

Straks leidt men haar in statie, uit haar woning, In kleding, rijk gestikt, tot haren Koning; Zo treedt zij voort met al den maagdenstoet, Die haar verzelt, U vrolijk tegemoet. Zij zullen blij, geleid met lofgezangen, De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen, Tot zij, daar elk gewaagt van haren lof, Ter bruiloft treên in 't koninklijke hof.