21 november 2013
Galaten 3:1: O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen tevoren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?
INLEIDING
Paulus verwijt de Galaten dat zij, na begonnen te zijn door de Geest, hun heil weer zoeken in eigen werken naast Christus. Hij wijst op het begin: niet uit de wet, maar uit de prediking des geloofs ontvingen zij de Geest. Ook Abraham werd gerechtvaardigd door geloof, niet door werken. Wie op eigen bekering, gevoel of ijver bouwt, valt terug in de wet. De enige plaats blijft aan de voeten van Christus, met lege handen, heil zoekend buiten zichzelf.
GALATEN 3:1-5
1 O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen tevoren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?
2 Dit alleen wil ik van u leren: Hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?
3 Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen hebt, voleindigt gij nu met het vlees?
4 Hebt gij zoveel tevergeefs geleden? Indien maar ook tevergeefs.
5 Die u dan den Geest verleent en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken der wet of uit de prediking des geloofs?
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Galaten 3:1
Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over Galaten 3. Wat is er eigenlijk aan de hand in Galatië, in die streek waar ooit christelijke gemeenten zijn ontstaan, gesticht door de apostel Paulus? In Lystre en Derbe, in Ikonium en Antiochië? De Heere heeft het hart van de Galaten geopend door de prediking van het Evangelie. Maar als God werkt (en dat is nog steeds zo) is er ook altijd de duivel, die tegenwerkt. Daar moet u ook nu nog op rekenen. Als het Evangelie klinkt dat er genade is voor de grootste van de zondaren, enkel en alleen door het bloed van Christus, dan zijn er direct (ook nu nog) tegenstanders. Zo ook bij de Galaten. Mensen die zeggen: ´’Ja, maar dat gaat zomaar niet. Dat gaat veel te gemakkelijk.’ Waarmee ze tegelijk het binnenste van hun hart verraden, namelijk dat ze de kracht van het kruis van Christus nooit hebben gekend. Die mensen in Galatië zeiden: ‘Ja, het is natuurlijk niet alleen Christus. Je moet ook zelf je best doen om je aan de wetten van Mozes te houden. Want anders…? Ja, anders kweek je slordige en onheilige christenen. Dus het is en en. Het is Christus en Mozes.’
En daar heeft Paulus zich in de Galatenbrief ondertussen met hand en tand tegen verzet. Bijvoorbeeld in Galaten 2:19 toen hij zei: Ik (en dan neemt hij zijn eigen leven als voorbeeld) ben door de wet aan de wet gestorven. De weg van de wet (van werken, van zelf verdienen, van zelf werken), de weg van de wet om daardoor de zaligheid te verdienen, die is geblokkeerd. Uit de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden (Galaten 2:16). Eigenlijk zegt Paulus, kijkend naar zijn eigen leven: Ik wilde dat zelf ook, dat was ook mijn natuur, dat was ook mijn hart. Zelf doen. Zelf werken. Zelf verdienen. Maar dat ‘zelf willen doen’ is door Gods genade een pijnlijke dood gestorven. Ik ben door de wet aan de wet (als weg tot de zaligheid) gestorven. Ik leefde eerst onder de wet (ik dacht dat ik het zelf kon verdienen), maar ik ben door Gods genade gebracht onder de genade.
Ik ben door de wet aan de wet gestorven (en niet vergeten wat daarop volgt), opdat ik Gode leven zou. Dat wil zeggen: de wet zelf heeft niet opgehouden te bestaan. De wet van de Tien Geboden is niet vervallen. Maar het is geen weg om de hemel te verdienen. Het is een regel voor het leven van dankbaarheid. Sindsdien, zegt Paulus, heb ik maar één begeerte: om uit liefde naar al Gods geboden te leven.
Maar (en dan zijn we ondertussen in hoofdstuk 3) er zijn in Galatië ook andere mensen. Die zeggen: ‘Ja, dat is waar. Christus alleen. Zo begint het. Natuurlijk! Maar we plaatsen
die werken (dat zelf doen) wat later, wat verderop op de weg. Niet aan het begin. Nee, het begin is uit God. Maar… later? Als je nu eens begint met Christus…, maar dan moet je het zelf af maken. Je moet het zelf perfectioneren. ‘Genade is eigenlijk de grondverf, maar de hoogglans, de zijdeglans, dat is je eigen werk. Je moet werken aan je heiligmaking. Je moet je best doen, je moet je zelf inzetten, om een beter mens te worden. Over (eigenlijk moet ik zeggen: tegen) die mensen gaat het in het begin van Galaten 3.
We overdenken met elkaar vers voor ver Galaten 3, vers 1 tot en met 9. Te beginnen bij vers 1: O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? Uitzinnige Galaten! Uitzinnig: buiten de zin, buiten het zinnige. Met andere woorden: dwaze, onverstandige Galaten! De toon is heel scherp. Maar vooral als uitdrukking van grote zorg, als uitdrukking van perplex zijn: hoe is het toch mógelijk…! Wie, Galaten, heeft u betoverd?
In de context van de toenmalige wereld denk je direct aan de betovering door het kwade oog. Maar dit is de invloed van het kwade woord, van dwaalleraars. ‘Ik heb u de waarheid verkondigd, voor ogen geschilderd.’ Zoals de meester tekent op het bord en de kinderen met ingehouden spanning kijken wat er gebeurt, wat er gevormd wordt op dat bord. Zoals een stadsdienaar een mededeling met nieuws aanplakt op het mededelingenbord, terwijl het publiek zich verdringt om te zien wat er op staat. Zo, zegt Paulus, heb ik Christus u voor ogen geschilderd, gekruist zijnde. Ik heb u in de prediking verteld hoe de allerhoogste Zoon van God vlees, hoe Hij mens geworden is. Hij heeft de hemelse heerlijkheid achter Zich gelaten en wilde komen in deze zondige wereld. Altijd was Hij gehoorzaam aan de wil van Zijn Vader. Nooit heeft Hij gezondigd. Heilig en volmaakt was Hij. Maar hoe is Hij geworpen uit de synagoge! En hoe zijn Zijn woorden veracht en hoe is Zijn liefde versmaad!
Zie Hem, zegt Paulus. En ik zeg het in deze dienst ook: Zie Hem! Als ik Hem u voor ogen schilder. Door Zijn discipelen niet begrepen, maar gehinderd. Door Zijn kinderen tegengestaan. Ze wilden een koning. maar geen Borg. Hoe diep boog Hij in Gethsémané. Zijn zweet werd als grote stolsels bloed, die op de aarde vielen. Toen Hij de beker met toorn die Hij drinken moest voor Zich zag. Zijn rug werd gegeseld en een kroon van doornen werd gedrukt op Zijn hoofd. En toch bad Hij: Vader, Uw wil geschiede! Hij droeg vrijwillig Zijn kruis en liet Zich vrijwillig binden op het altaar. Zijn handen en Zijn voeten werden doorgraven met spijkers. Naakt werd Hij gehangen aan het kruis. Van God verlaten, waar Hij moest roepen: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten? Mij dorst. Totdat Hij uiteindelijk met kracht riep: Het is volbracht!
Het Avondmaalsformulier zegt (en dan ziet u deze Christus opnieuw met woorden geschilderd): Hij is van de Vader in deze wereld gezonden. Ons vlees en bloed heeft Hij
aangenomen. De toorn van God onder welke wij eeuwig hadden moeten verzinken, heeft Hij van het begin van Zijn menswording tot het einde van Zijn leven heeft Hij voor ons gedragen. En alle gerechtigheid van de Goddelijke wet heeft Hij voor ons vervuld, Voornamelijk toen Hem de last van onze zonden (dat, kinderen van God, dat was wat Hij droeg op het kruis!) en de toorn van God het bloedige zweet in de hof van Gethsémané uitgedrukt heeft. Waar Hij gebonden werd, opdat Hij ons zou ontbinden. Daarna heeft Hij ontelbare smaadheden geleden, opdat wij nimmermeer te schande zouden worden. Onschuldig is Hij ter dood veroordeeld, opdat wij voor het gericht Gods vrijgesproken zouden worden. Ja, Zijn gezegend lichaam heeft Hij aan het kruis laten spijkeren, opdat Hij het handschrift van onze zonden daaraan hechten zou. En zo heeft Hij de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegening vervullen zou. Hij heeft Zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der hel met lichaam en ziel aan het hout van het kruis, toen Hij riep met luider stem: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt u Mij verlaten? Opdat wij (doodschuldige zondaars, die de toorn van God verdiend hadden) tot God genomen en nimmermeer door Hem verlaten zouden worden. En eindelijk heeft Hij met Zijn dood het nieuwe en eeuwige Testament, het verbond der genade en verzoening, besloten toen Hij zei: Het is volbracht!
Zie hier, met woorden van het formulier. Christus geschilderd in Zijn kostbaarheid en in Zijn heerlijkheid. De Zaligmaker staande in de plaats van verloren ellendelingen. De Borg en Middelaar, hangend tussen de heilige, rechtvaardige God en Zijn vijanden.
‘O dwaze Galaten’, zegt Paulus, ‘hoe is het mogelijk?’ Zijn bloed, zegt Calvijn, drupte op u in het Evangelie. Maar, vers 2 en 3: Dit alleen wil ik van u leren (met andere woorden: vertel me nu eens): hebt gij de Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs? Bent u zo uitzinnig (zo dwaas, zo onverstandig), daar gij met de Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu (maakt nu af) met het vlees? Paulus zegt: ‘Galaten, vertel me eens. Hoe is het begonnen? Waarmee, Galaten, is het in uw leven begonnen?’
Goede vraag. Ook in een week van voorbereiding, voor ons allemaal. Hoe is het eigenlijk begonnen in mijn leven? Zeg het eens eerlijk, u die de Heere vreest. Hebt u ooit naar God gevraagd? Hebt u ooit God gezocht? Was het uw werk, was het jouw keus, jouw initiatief? Heeft God u uitgekozen, omdat u beter was dan andere mensen? Is het zo begonnen? Nee, zegt Mozes in Deuteronomium 7:7De HEERE heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken. en 8: De HEERE heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren om uw veelheid (om uw uitblinken) boven alle andere volken; want u was het weinigste (de minste, de meest verachte) van alle volken. Maar –en dan komt het– omdat de HEERE ulieden liefhad.
Dat is toch onbegrijpelijk? Wat een onbegrijpelijk begin bij God vandaan! Want je moet toch eerlijk zeggen, kinderen van God: ik heb God nooit gezocht, mijn hart was even hard als dat van iedereen en ik heb me altijd verzet.
Maar God, zegt Paulus, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; uit genade zijt gij zalig geworden (en dus niet uit de werken!) (Efeze 2:4-5Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden),). Het is de Geest van God, Die in ons leven kwam (zo begon het toch?), Die ons oren gaf om te luisteren, ogen om te zien en Die ons hart opende om acht te geven, om echt te luisteren op hetgeen gezegd werd in de prediking.
Uit de prediking des geloofs, zo staat er. Letterlijk staat er zoiets als: door te horen met geloof. In die weg hebben we het Woord, dat tot ons kwam, aangenomen. Dat wil zeggen: we hebben leren buigen onder het Woord, dat ons als misdadigers veroordeelde. En datzelfde Woord heeft ons voor ogen geschilderd de kostbaarheid, de dierbaarheid van het lijden en sterven van Christus Jezus. Van de Man, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Dat heeft de Geest gebruikt om onze ogen op Hem te richten.
‘Ja’, zegt Paulus, ‘zo is het toch gegaan, zo is het toch begonnen? Of…? Of hebt u de Geest ontvangen uit de werken der wet? Ben u zelf uit uw ellende omhoog geklauterd door uzelf te verbeteren, door te werken? Of…? Nee, zo is het toch niet gegaan. De Heere heeft u toch opgevoerd uit een ruisende kuil, uit modderig slijk? Hij heeft toch uw rechterhand gevat? Nou dan, was het dan genade of was het werk? Sla de blik eens naar binnen, in uw hart, kinderen van God. Hoe was het begin van het geestelijke leven in uw leven? Was het genade, of was het werk?
Maar, vers 3, als God dan zo in uw leven begonnen is, hoe is het dan mogelijk dat u dan toch weer weggelopen bent bij de boodschap van het kruis? U bent begonnen met de Geest (de genade van Christus is door de Geest in uw hart gewerkt) maar nu…? Nu voleindigt u (maakt het af) met het vlees? Gaat u het nu uiteindelijk zelf af maken, zelf perfectioneren, met uw eigen werk? Is dat zo? De Geest begint en wij maken het af? Dan heb je weer hetzelfde, als waar heet in de Galatenbrief steeds over gaat: Christus alleen is niet genoeg, er moet wat bij van jezelf.
Wat zijn dat eigenlijk voor mensen die dat zeggen in Galatië? Als je verder leest in de brief wordt dat helder. Dat zijn kinderen van God, die in beginsel Christus hebben leren kennen als hun Zaligmaker. Die tot Hem de toevlucht hebben genomen en met de nood van hun verloren leven bij Christus terecht zijn gekomen. Maar die kinderen van God steunen ondertussen toch weer op hun eigen werken. En Paulus zegt: ‘Dat is dwaas, dat is onverstandig!’
Het is trouwens wel erg dwaas ook, dat je als heidense Galaten denkt, dat je op de werken van de wet kunt bouwen. Als je nu Jood was geweest en altijd de wet had gehouden, ja, dan kan je dat misschien nog begrijpen. Maar voor heidenen, zoals de Galaten, zoals wij, is het wel heel erg dwaas om daar je heil te zoeken.
Het zijn dus kinderen van God, die na hun bekering teruggevallen zijn in het zoeken van het heil in zichzelf en in eigen hart, in hun goede werken.
Dat is een groot gevaar! Ook in een week van voorbereiding. Als je niet ontkennen kan, mag en wilt dat God met Zijn genade in je hart is begonnen te werken, dat je dan in deze week van voorbereiding probeert om voor jezelf een optelsom maken, van…? Ja, van alles wat je zelf hebt. Van je zondekennis, je liefde, je tranen, je gebeden, van je ernstige zoeken… Hoe botst dat, met wat het Avondmaalsformulier zegt! Ik lees u voor: Uit deze inzetting des Heiligen Avondmaals van onze Heere Jezus Christus zien wij, dat Hij ons geloof en betrouwen op Zijn volkomen offerande (die eenmaal aan het kruis geschied is) als op de enige grond en fundament onzer zaligheid wijst, waar Hij onze hongerige en dorstige zielen tot een waarachtige spijze en drank des eeuwigen levens geworden is.
De week van voorbereiding wil ons dringen om de innerlijke armoede, zonde en schuld in ons hart nadrukkelijk onder ogen te zien. Daarom worden we opgewekt om ons te onderzoeken. Maar als je dat dan doet (zeg eens eerlijk) wat vind je dan in jezelf? Het formulier zegt: zonde en vervloeking. Meer is er van jezelf niet. En dat is geen grond, dat is geen fundament! Wat is eigenlijk het doel van zelfonderzoek in deze week van voorbereiding? Dit is het doel: dat we de enige grond, het enige fundament, buiten onszelf in Christus Jezus zoeken, omdat we zien dat we zelf midden in de dood liggen. Het ligt buiten ons, in Christus. Zijn werk heeft geen enkele aanvulling nodig!
Maar, hoe, op welke manier kan je als kind van God toch weer terugvallen (dat blijkt hier) in de werken van de wet? Laat me u vanavond een aantal voorbeelden noemen. Maar zie ondertussen voor uzelf (en ik heb het ook tegen mijzelf) hoe dat de eer van Christus schaadt! Hij wil de Enige zijn, onze Liefste. Hoe kan je als kind van God weer terugvallen in de werken van de wet?
a. In de eerste plaats: Als je je troost zoekt in je gevoel, in hoe je zelf bent voor God. Als je denkt: ik ben in deze week van voorbereiding goed bezig, ik ben aangedaan, ik word geraakt door het Woord en door het formulier… Maar als ik in deze week van voorbereiding alleen maar dodigheid vind in mijn hart? Ja, wat dan? Dan zegt het geloof met Habakuk: Al zou de vijgenboom niet bloeien (…) zo zal ik nochtans in de HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in de God mijns heils (Habakuk 3:17a, 18). Want in mij is de dood, maar het leven is in Hem! Hoe kan je als kind van God weer terugvallen in de werken van de wet?
b. In de tweede plaats: als je het zien van je zonden, ongerechtigheid, onheiligheid en ongeloof, ook in een week als deze, je in grote vertwijfeling brengt. Want het overdenken van zonden en vervloeking, zoals het Avondmaalsformulier zegt,
heeft dit doel: dat we onszelf mishagen (dat we walgen van onszelf) en dat we ons voor God verootmoedigen (klein worden voor God). Maar niet het doel dat we gaan zeggen: ‘Mijn hart is zo slecht, er is zoveel zonde in mijn hart, dus dan zal het werk van God wel niet waar zijn in mijn leven.’ Want het geloof zegt, terwijl ik mezelf mishaag en verootmoedig: Ongerechtige dingen (zondige dingen) hadden de overhand over mij, maar onze overtredingen die verzoent Gij (Psalm 65:4Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.). In mij is schuld, maar in Hem is verzoening. In mij is de dood, maar in Hem is het leven. Hoe kan je als kind van God weer terugvallen in de werken van de wet?
c. In de derde plaats: als het zien van je zonden, ook in deze week van voorbereiding, je weg drijft bij Christus vandaan. Dan val je weer terug in het spoor van de werken. De zonden moeten ons juist uitdrijven, niet om bij Christus vandaan te gaan, maar juist om tot Hem te vluchten! We moeten de zaligheid juist buiten onszelf in Hem zoeken! En daarom is Petrus het spoor behoorlijk bijster als hij zegt: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens! (Lukas 5:8En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.). Want het geloof zegt: ‘Heere, kom in mij en blijf in mij, want ik ben een zondig mens.’ Hoe kan je als kind van God weer terugvallen in de werken van de wet?
d. In de vierde plaats: als je meer op je genade en bekering vertrouwt, dan op Christus. En wat is dat gevaar groot, zeker ook als de Heere ons al langer geleden gebracht heeft op de weg van de genade. Het gevaar dat we zo zelfverzekerd worden, dat we met de dichter zeggen: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid (Psalm 30:7Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.). Het gevaar dat we ons verheffen, trots worden op de uitnemendheid, zoals Paulus dat zegt, van de openbaring. Hebben juist Gods kinderen, die langer op de weg van de genade zijn, geen geloof nodig, geen genade nodig, geen ootmoed en afhankelijkheid nodig om terug te gaan naar Christus? En dus niet terug te gaan naar het spoor van de werken van de wet? Waar we gaan rusten, op…? Op onszelf en op wat wij van de Heere ooit gekregen hebben. Hoe kan je als kind van God weer terugvallen in de werken van de wet?
e. In de vijfde plaats: als heel ons leven uit niets anders meer bestaat, ook in deze week van voorbereiding, dan uit het vragen en zorgen maken over: hoe maak ik mezelf tot een beter mens? ‘Heere, wat moet ik toch doen, om mezelf beter te maken? Dominee, preek alsjeblieft over heiligmaking, want ik moet iets doen om mezelf beter te maken.’ Wij worden niet geroepen om zelf op te staan, maar we zoeken kracht en leven in de opstanding van Christus. Hoe kan je als kind van God weer terugvallen in de werken van de wet?
f. In de zesde plaats: vooral als ons hart, zoals nu in een week van voorbereiding, getroffen wordt door moedeloosheid en strijd, en de weg niet meer ziet. Dan zijn we zo geneigd om terug te vallen naar de werken van de wet, om ons heil daar in te zoeken. In het maken van die optelsommen: gelukkig heb ik nog dit, gelukkig heb ik nog een beetje van dat, en van dat…
Terwijl Christus zegt: ‘Komt herwaarts tot Mij, u die vermoeid en belast zijt. De rust vindt u nooit in uzelf. Ik zal u rust geven.’ Hoe kan je als kind van God weer terugvallen in de werken van de wet?
g. In de zevende plaats: wanneer we zeggen, in deze week van voorbereiding: ‘Als ik nu goed zou kunnen bidden, als mijn hart nu levendig was en als ik een vurig verlangen had…, ja, dan had ik goede hoop voor zondag.’ Maar dát is vertrouwen op jezelf en niet op Christus. Wat schuilt er ook een gevaar in een goede en gezegende voorbereiding (dat is de keerzijde) als er ruimte was in ons bidden en geloof in ons hart en verlangen in onze ziel. Wat is het gevaar dan groot, dat we ingenomen raken met onszelf en heimelijk trots worden (we zeggen dat natuurlijk niet hardop, maar in ons hart) op wat we hebben. In plaats dat we blijvend als een arme zondaar, met lege handen onze hoop bouwen op Christus en de zaligheid buiten onszelf zoeken.
Laat dit toch onze belijdenis zijn in deze week van voorbereiding, wat het Avondmaalsformulier zegt: Aangezien wij ons leven buiten onszelf zoeken in Christus Jezus, zo bekennen wij daarmee dat wij midden in de dood liggen (dat is alles wat we van onszelf hebben: we liggen midden in de dood). Maar we zoeken het leven buiten ons in Christus. Laat dit toch onze belijdenis zijn deze week: Overmits, door de genade van de Heilige Geest, onze gebreken ons van harte leed zijn en wij begeren tegen ons ongeloof te strijden en naar al Gods geboden te leven, zo zullen wij gewis en zeker zijn dat geen zonde, noch zwakheid die nog tegen onze wil in ons hart overgebleven is, ons kan hinderen dat God ons niet in genade zou aannemen, (Hij ontvangt zondaars en eet met hen), en alzo deze hemelse spijze en drank waardig en deelachtig maken. Wij gaan samen zingen uit Psalm 65, het tweede vers: Een stroom van ongerechtigheden, had de overhand op mij, maar ons weerspannig overtreden verzoent en zuivert Gij. Welzalig, dien Gij hebt verkoren, die Ge uit al ´t aards gedruis doet naderen en Uw heilstem horen, ja, wonen in Uw huis.
In vers 4 zegt Paulus: Hebt gij zoveel tevergeefs geleden? Indien maar ook tevergeefs! Moeilijk vers. Want van lijden, in de zin van vervolging, in de gemeente van Galatië weten we eigenlijk helemaal niets. Het lijkt alsof het hier meer gaat om innerlijke strijd, om innerlijk lijden. Alsof Paulus zegt: ‘Hoeveel moeite heeft het u gekost, om afgebracht te worden van dat eigen fundament, van dat werken? Hoeveel pijn, strijd en moeite heeft het u gekost, om te sterven aan de wet als aan een weg om zalig te worden?’ Als het dan inderdaad zo is, dat Christus aangevuld moet worden met uw werken, ja, dan is dat dus allemaal tevergeefs geweest.
Die u dan, vers 5, de Geest verleent en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs? God, die met Zijn Geest onder u werkt, doet dat toch door de prediking des geloofs? Letterlijk staat er: door horen met geloof.
Nu, maar ook eerder toen u begon te leven. Maar het was ook eerder al zo, bij vader Abraham. Kijk maar in vers 6: Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft (dat is ons voorgelezen) en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend. Abraham heeft het Woord van God geloofd. Niet iets van zichzelf. Hij steunde niet op zijn eigen werken, maar zijn geloof (dat God in zijn hart had gewerkt) richtte zich op God. Hij zocht het leven buiten zichzelf in God. Hij greep zich vast aan de woorden van God. Hij zocht het heil in de komende Messias en rustte op het Woord, op het woord van Gods belofte. En dat is hem gerekend (staat in Genesis 15) tot rechtvaardigheid. Abraham deed niets anders dan zich verlaten, zich vasthouden aan de woorden van Gods belofte. Hij hing, zou je kunnen zeggen, aan Gods lippen. Dat is hem gerekend tot rechtvaardigheid. En zo kon hij voor God bestaan. Zo werd hij door God, voor God, voor recht gehouden. Niet door zijn werken, maar doordat hij zich door genade vastgreep en vastklampte aan de woorden van God.
Paulus zegt eigenlijk: ‘Jullie denken wel, Galaten, dat vader Abraham gerechtvaardigd is door het werk van de besnijdenis, maar dit gebeurde allemaal voor hij besneden werd!’ Hij geloofde in het Woord, in het woord van de belofte van de komende Messias. Al voor zijn besnijdenis.
Zo verstaat gij dan, vers 7, dat degenen die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. Dus wat maakt je nu tot een kind van Abraham? Wat maakt je tot een kind van God? Dat is maar één ding: het geloof in Christus. En niets anders. Die van het geloof zijn, die zijn kinderen van Abraham.
En de Schrift, vers 8, te voren ziende dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren (heel lang geleden al) aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden. God had toen al voorzien dat heidenen, zoals u, Galaten, zoals u, Nederlanders, op dezelfde manier zouden zalig worden: door het geloof.
Vers 9: Zo dan, die uit het geloof(!) zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham. Het gaat om het geloof. En het geloof zoekt altijd grond, fundament, vastheid buiten zichzelf. Wat kan je in een week van voorbereiding (ik kijk ook maar naar mezelf) bezig zijn met je eigen hart. Zeker, het is goed (en dat is onze roeping) om ons te onderzoeken voor Gods alwetend aangezicht. Maar niet om een grond te vinden in wat je hebt. Want als je zoekt, en je zoekt verder…, uiteindelijk vind je in je hart helemaal niets van jezelf wat waarde heeft voor God. Het gaat nooit om dat wat wij hebben of denken te hebben.
Het wordt nooit een optelsom van ‘ik heb dit’ en ‘ik heb dat’. Er blijft voor Gods kinderen, in een week van voorbereiding en daarbuiten, maar één weg over: met al je zonden, met al je struikelen, met al je ongeloof, met al je ongehoorzaamheid, met al je onheiligheid te vluchten tot Christus. De zaligheid buiten jezelf zoeken in Hem.
Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham. Die uit het geloof zijn, zijn met de gelovige Abraham. Wie zijn er met Abraham? Dan moet u kijken naar de gelijkenis van Lazarus en de arme man. Wie hoort er bij Abraham? Wie is er met Abraham? Wie ligt er in de schoot van Abraham, dat wil zeggen: wie wordt er omarmd door vader Abraham? Lazarus, die arme man. Een mens vol van zweren, vol van gebrek, vol van armoede. Een bedelaar, die in zichzelf helemaal niets heeft. Zulke mensen zijn kinderen van Abraham. Ze zaaien hier op aarde vaak bedrukt met tranen. Ze zijn arm in zichzelf en zien niets in hun eigen hart. Maar ook daar bouwen ze niet op. Ze verlangen als arme mensen innig naar de nabijheid van de Heere en zeggen: ‘Spreekt U toch tot mijn ziel: Ik ben uw heil alleen.’ Hun leven is een verborgen worsteling tegen de zonde, terwijl ze moeten zuchten: Want het goede dat ik wil, doe ik niet en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens! (Romeinen 7:19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik., 24).
Het leven van die arme Lázarussen is gericht op de hemel, op de dingen die boven zijn. Maar, als het goed is, bouwen ze er niet op. En als ze daar toch op gaan bouwen (op hun ervaringen, op hun bevindingen) zoals de Galaten dat deden, dan gebruikt de Heere Zijn Woord om die dwaze, uitzinnige, dwaalzieke kinderen toch weer terecht te brengen. Terecht, dat wil zeggen: op de juiste plek. En wat is de juiste plek voor al Gods kinderen, in deze week van voorbereiding, in nood en ellende? Aan de voeten van Christus. Dat is de enige juiste plek. Aan de voeten van Christus, waar we met de nood van ons leven uitroepen: Ik geloof, Heere! Kom mijn ongelovigheid te hulp (Markus 9:24En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.). Welzalig hij of zij, die zo, al zijn kracht en hulp alleen van Hem verwacht. Terwijl wij, midden in de dood liggend, het leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken.
Amen. Slotzang Psalm 84:3,4
Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alleen van U verwacht.
Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort; Elk hunner zal, in 't zalig oord Van Sion, haast voor God verschijnen.
Andere preken over Galaten