PREEK · VRIJE STOFFEN

Genezing zoon koninklijke hoveling – Johannes 4

17 mei 2020

Johannes 4:49: De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.

INLEIDING

Een koninklijke hoveling reist vier uur naar Jezus met de dringende vraag om zijn stervende zoon te genezen. Drie punten: (1) de Heere brengt hem met een vraag – uit nood, maar hopend op een teken; (2) de Heere bestraft zijn gebreken – "tenzij u tekenen ziet, zult u niet geloven", een liefdevolle ontdekking van zijn ongeloof; (3) de Heere geeft hem geloof – zijn bidden verandert van "kom en genees mijn zoon" naar "Heere, kom Zelf". Hij gelooft het Woord zonder het teken te zien, en gaat rustig naar huis: "uw zoon leeft" – en hij geloofde zelf, en zijn gehele huis.

THEMA

De heerlijkheid van Christus geopenbaard in het wonder van de genezing van de zoon van de koninklijke hoveling

KERNPUNTEN

  1. De Heere brengt deze hoveling met een vraag.
  2. De Heere bestraft zijn gebreken
  3. De Heere geeft hem geloof

JOHANNES 4:46-54

46 Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galiléa, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapérnaüm.
47 Deze gehoord hebbende dat Jezus uit Judéa in Galiléa kwam, ging tot Hem en bad Hem dat Hij afkwame en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.
48 Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.
49 De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.
50 Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord dat Jezus tot hem zeide, en ging heen.
51 En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft.
52 Zo vraagde hij dan van hen de ure in welke het beter met hem geworden was; en zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts.
53 De vader bekende dan, dat het op dezelve ure was in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf en zijn gehele huis.
54 Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judéa in Galiléa gekomen was.

VOLLEDIGE TEKST

Genezing zoon koninklijke hoveling – Johannes 4

ds. J. IJsselstein - Johannes 4:49

THEMA

De heerlijkheid van Christus geopenbaard in het wonder van de genezing van de zoon van de koninklijke hoveling

Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over het Schriftgedeelte dat ons zojuist is voorgelezen, over Johannes 4:46-54. Ik lees u daarvan nu alleen nog het 49e vers. Ik lees u Gods Woord vanuit Johannes 4:49, waar staat: De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.

Het thema voor de preek is: De heerlijkheid van Christus geopenbaard in het wonder van de genezing van de zoon van de koninklijke hoveling Nadat we gezien hebben wie die koninklijke hoveling precies is, letten we samen op drie dingen die de Heere in zijn leven doet. De Heere brengt hem in de eerste plaats met een vraag aan Zijn voeten. We zullen in de tweede plaats zien dat de Heere zijn gebreken bestraft. En we zien tenslotte in de derde plaats dat de Heere hem geloof geeft. Dus drie aandachtspunten: 1. De Heere brengt hem met een vraag 2. De Heere bestraft zijn gebreken 3. De Heere geeft hem geloof

Wie is die man eigenlijk, die koninklijke hoveling? Als we lezen in vers 46: Er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon ziek was, in Kapernaüm? We weten een paar dingen over deze man. a. Hij is in de eerste plaats een hoveling, iemand die werkt aan het hof van een koning. Daarom heet hij ook een ‘koninklijke’ hoveling. Hij werkt waarschijnlijk aan het hof van koning Herodes Antipas. Sommigen denken aan de man die later door Lukas wordt genoemd ‘Chusas, de rentmeester van Herodes’, maar dat weten we niet zeker (Lukas 8:3). b. We weten in de tweede plaats dat hij rijk is, want hij heeft meerdere dienstknechten (vers 51). Maar het feit dat hij rijk is, beschermt hem niet tegen de ellende van dit aardse leven. Misschien is hij voorheen wel zorgeloos geweest. Hij heeft alles wat zijn hart begeert. Maar ineens is alles in een ander perspectief komen te staan. Zijn lieve zoon, van wie hij zoveel houdt (want dat blijkt!), is stervend. Gelukkig maar, dat het Evangelie niet alleen voor armen is, maar ook voor welgestelden zoals hij.

c. We weten in de derde plaats dat hij een vader is van kinderen. Hij heeft een gezin (vers 53), maar vooral ook een doodzieke zoon, die hoge koorts heeft en die (zoals ik net al zei) op sterven ligt (vers 49, 52). d. Verder lijkt het er in de vierde plaats op, dat hij een man is van Joodse komaf, want hij wordt in één adem genoemd met al de Joodse omstanders, als de Heere hen allemaal aanspreekt in vers 48 en zegt: Tenzij dat u tekenen en wonderen ziet, zo zult u niet geloven. e. En we weten in de vijfde plaats en als laatste dat hij Jezus van Nazareth niet persoonlijk kent, maar wel gehoord heeft van de wonderen die Jezus gedaan heeft. Misschien moeten we denken aan de wonderen die Jezus gedaan heeft op het paasfeest in Jeruzalem (2:23), misschien heeft hij gehoord van het wonder dat de Heere in Kana gedaan heeft, toen Hij op een bruiloft water in wijn veranderde. Hoe dan ook, hij heeft van Jezus gehoord, maar persoonlijke kennis aan Hem heeft hij niet. Maar wat hij gehoord heeft, namelijk dat Jezus macht heeft om wonderen te doen, is genoeg voor hem om een reis van vier uur te maken, van Nazareth naar Kana, op zoek naar Jezus.

Daar, in Kana, heeft Jezus kort geleden dus dat andere wonder gedaan. Om Zijn heerlijkheid, om de glorie en de luister van Zijn majesteit en macht tonen, als de Zoon van God die in de wereld komen zou. En Zijn discipelen geloofden in Hem, zo schrijft Johannes (2:11). Maar, zover is het wat de koninklijke hoveling betreft nog niet. We gaan, in ons eerste aandachtspunt, zien wat er gebeurt. Ons eerste aandachtspunt:

1. De Heere brengt deze hoveling met een vraag.

Want, zo lezen in vers 47: Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwam, en zijn zoon gezond maakte, want hij lag op zijn sterven. Heeft gehoord dat Jezus komt. Die Jezus, die wonderen doet. En: zijn zoon ligt op sterven. Hoe oud die zoon is, dat doet er eigenlijk niet toe. Het is zijn zoon. En dus moet hij naar Jezus toe! Misschien kan Hij redding brengen. In nood, angst, paniek en verdriet heeft hij zijn stervende kind achtergelaten en heeft hij dus een reis van vier uur gemaakt om Jezus te zoeken. Zal hij ooit zijn kind nog levend terugzien? Zal het ooit nog goed komen? Of zal dit zijn gezinsleven voor altijd en definitief veranderen?

Zoals je vanmorgen misschien ook wel in de kerk zit. Met nood en verdriet, met angst en paniek in je hart. Je hebt een uitslag gehad van de dokter. De ziekte is dodelijk. Het gezwel is uitgezaaid, en niet meer te behandelen. Je bent opgegeven. Niets meer aan te doen. Zal het ooit nog goed komen? Of: je kind heeft een dodelijke ziekte, ondergaat zware chemokuren, maar het lijkt niet aan te slaan. Zal het ooit nog goed komen?

Of: je kind of een ander familielid heeft een psychische ziekte. Is depressief, denkt aan zelfmoord, is al zo vaak opgenomen, maar wordt maar niet beter. Zal het ooit nog goed komen? Pijn en verdriet, angst en nood drijven deze man naar die andere, voor hem nog steeds onbekende Man, die Jezus van Nazareth heet. Met een dringend verzoek om hulp in zijn grote zorg: ‘Heere, maak mijn zoon toch gezond, want hij ligt op zijn sterven!’

Nee, nu geen rare dingen zeggen of denken. Niet heel vroom zeggen: ‘Ja, dat was maar tijdelijk nood, maar dat is natuurlijk niet genoeg…’ Want wie echt nood en verdriet kent, die zegt (en ik hoop en bid dat u dat ook zegt): ‘Heere, zo zit ik hier ook. Hij was Jood, maar hij kende U niet. Ik ben lid van de gemeente, ik ben gedoopt en heb belijdenis gedaan, maar ik ken U ook niet. Maar ik heb zoveel pijn, zoveel nood, zoveel angst en paniek!’ U bent aan het goede adres. Bij de Man die u niet kent, maar als u naar Hem toe gaat, zal Hij u niet afwijzen. Het lijkt misschien wel zo, maar het is zeker niet zo.

Hij komt met zijn nood tot Jezus. Hij komt, en hij gaat ook niet meer weg. Maar er zijn in zijn hart wel dingen die hem erg hinderen. Terwijl hij dat ondertussen zelf niet doorheeft. Hij wordt vooral gehinderd (dat is echt een struikelblok voor hem), hij wordt vooral gehinderd door zijn verlangen naar iets bijzonders, naar iets speciaals: Als Jezus nu bij eens hem thuis zou willen komen en daar een wonder zou willen doen!

Zoals zoveel andere mensen ook zo gehinderd worden door dit soort van gedachten: Ikzelf, mijn man of vrouw, mijn kind is doodziek. Als Jezus nu eens een wonder deed! ‘Heere, genees toch!’ Zoals zoveel andere mensen, als het gaat om het kennen van de Heere en Zijn genade ook zo gehinderd worden door te hopen op iets spectaculairs. ‘Heere, ik zal geloven, als U een wonder doet! Een bijzondere tekst (ik zal hem zelf wel aan U voorschrijven) of een bijzondere gebeurtenis. Maar als het maar iets buitengewoons is, zodat er geen vergissing mogelijk is.’ Iets bijzonders, zoals u dat misschien gelezen hebt, in een of ander wonderlijk bekeringsverhaal. Begrijp me niet verkeerd, er kunnen in het verleden in levens van mensen wonderlijke dingen gebeurd zijn. Maar de bedoeling ervan is in ieder geval niet dat u(!) om die reden ook zou gaan hopen op iets wonderlijks.

Veel mensen blijven, door dat hopen op iets buitengewoons, door dat verlangen naar iets heel speciaals, lang, soms levenslang in geestelijke duisternis. Want ondertussen hopen ze niet op, geloven ze niet in, en vertrouwen ze zichzelf niet toe aan het woord van Jezus. Ze wachten op iets spectaculairs. En zo niet, zo zeggen ze diep in hun hart met Thomas: Ik zal geenszins geloven (20:25). Eerst zien, dan geloven! Want dan kan ik me voor altijd vasthouden aan dat wonder. Ja, en dat is nu net het probleem. Dan zou u zich vasthouden aan het teken, maar de Persoon van Jezus loslaten en Zijn Woord vergeten. Zoekers van tekenen, wachters op wonderen, luister naar het Woord van God.

Zo zegt de Heere Jezus Christus, die u kan en wil redden van de dood (in vers 48): Tenzij dat ulieden tekenen en wonderen ziet, zo zult u niet geloven. We zien het verder in ons tweede aandachtspunt:

2. De Heere bestraft zijn gebreken

Tenzij dat ulieden tekenen en wonderen ziet, zo zult u niet geloven. U wilt iets spectaculairs zien. Eerst zien, en dan geloven. In plaats van eerst geloven, en dan zien. Net zoals Paulus later schrijft in 1 Korinthe 1:22: De Joden begeren een teken! Bij alles wat de Heere tegen u zegt en in het verleden tegen u gezegd heeft, is er altijd weer diezelfde vraag: ‘Heere, mag ik een teken van U? Heere, wilt U een wonderlijk ding doen, zodat ik echt kan geloven?’ Als de Heere moe kon worden, dan zou Hij er doodmoe van worden.

Als U een teken doet, dan kan ik, dan kan ik zelf geloven. Nee, dat kan u niet! En dat zult u nooit kunnen ook. Alleen als u uw leven, uw nood en verlorenheid op Jezus werpt, op deze Jezus, die ook nu weer voor u staat, dan zal Hij u leren geloven. Door Zijn ontdekkende vragen en door Zijn liefdevolle spreken. Het voelt als een persoonlijke bestraffing voor deze koninklijke hoveling en ook voor de mensen die daar omheen staan. En dat is het ook. Maar het is, want zo is onze Heere, het is voor hem een bestraffing met een liefdevol doel.

Want, je zou denken… Ja, wat zou u denken, als u daar zelf voor Jezus stond? Mensen, met tijdelijke zorg en nood, dodelijk ziek, opgegeven, met een ziek kind, met een zieke man, met een zieke vrouw? Mensen met de vraag: ‘Heere, alstublieft genees! Ik heb gehoord, hoewel ik U niet ken, maar ik heb gehoord dat U wonderen doet. Doe het alstublieft! Doe een wonder, Heere!’ Antwoord…? Nu, tegen u persoonlijk: Tenzij dat u tekenen en wonderen ziet, zo zult u niet geloven.

Wat denkt u dan? Wat doet u nu? Doet u wat de rijke jongeling deed? Bedroefd weggaan? ‘Want de Heere wil geen teken doen! Hij doet geen wonder!’ O nee? Zegt Hij dat tegen u? Nee, u moet goed luisteren. Hij bestraft uw ongeloof. En is dat niet terecht? Want kwam en komt u nu echt om Jezus? Om Hemzelf? Om wie Hij is? Om de Zoon van God, om de Zaligmaker van de wereld? Nee. Zeg nu maar gewoon eerlijk: ‘Nee, Heere, ik kwam voor mezelf, ik kwam voor mijn kind, om genezing, om verlost te worden van mijn tijdelijk nood.’ En trouwens, geloofde hij en gelooft u wel echt, dat de Heere dat wonder kan doen, dat u hoopt dat Hij zal doen? Hij (deze hoveling) vindt in ieder geval dat de Heere met hem mee naar huis moet. Hij gelooft niet dat de Heere op afstand kan genezen. En hij gelooft ook niet dat de Heere macht heeft over de dood. Want hij zegt met zoveel woorden: als U niet snel opschiet, dan kan het wel eens te laat zijn. Dus, is er aan zijn kant, wat geloof betreft, veel tekort. Net als bij mij en bij u.

Maar er gebeurt iets wonderlijks. Nee, ik bedoel niet het wonder waar hij op hoopte, maar een ander wonder. En is dat niet echt een wonder? Ik bedoel dit: hij blijft staan. Hij gaat niet weg, hij blijft staan. Hoewel hij in wereldlijke status ver boven Jezus staat, als dienaar van koning Herodes, tegenover een eenvoudige rabbi, zoon van een timmerman uit zijn dorp, toch buigt hij onder de bestraffing van Jezus. Het is net als bij de Kananese vrouw. ‘Het brood is niet voor de honden.’ (Mat. 15:26) Zal ze gaan of zal ze blijven? Nee, ze blijft. Ze klemt zich te meer vast aan Jezus. En ook hij klemt zich te meer vast aan Jezus.

Het geloof dat Heere werkt, wordt vaak (zo lijkt het tenminste) afgewezen. Maar dat doet de Heere juist om dat geloof te versterken. Zodat we nog meer onze nood, onze echte nood zullen zien. En zodat we nog meer met onze nood, met onze echte nood tevoorschijn zullen komen. En ons des te meer, met die nood, met die echte nood aan Jezus zouden vastklampen en zouden zeggen: ‘Heere ik laat U niet gaan’. Niet: ‘Ik ga niet weg zonder het wonder, dat ik van U gevraagd heb.’ Maar anders: ‘Heere, ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent.’ We gaan het zien in ons derde punt, maar laten we samen eerst zingen uit Psalm 68, daarvan het 10e vers. Geloofd zij God met diepst ontzag! Hij overlaadt ons, dag aan dag, Met Zijne gunstbewijzen. Die God is onze zaligheid; Wie zou die hoogste Majesteit Dan niet met eerbied prijzen? Die God is ons een God van heil; Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil, Ons 't eeuwig, zalig leven; Hij kan, èn wil, èn zal in nood, Zelfs bij het naderen van den dood, Volkomen uitkomst geven.

Gemeente, we gaan verder met ons derde aandachtspunt

3. De Heere geeft hem geloof

Jezus dan zei tot hem (en tot ons): Tenzij dat ulieden tekenen en wonderen ziet, zo zult u niet geloven. Het is een liefdevolle bestraffing. En deze man, die wat betreft wereldlijke status veel hoger staat dan Jezus, buigt het hoofd en laat zich bestraffen. Hij ziet het, hij voelt het, hij weet het. Het is waar: ik wil een teken, ik wil een wonder, precies zoals ik van Jezus vraag, maar… wil ik deze Jezus Zelf wel? Zijn persoon? Wie Hij is en wat Hij doen wil? Wil ik Hem werkelijk als Genezer van heel mijn hart en leven, van mijn lichaam en van mijn ziel? Het is een ontdekkende vraag, die zijn gebrek blootlegt. En die ook ons gebrek wil blootleggen.

Je worstelt zo met vragen om de gezondheid van jezelf of van je kinderen, en je stelt die vragen ook aan de Heere. En dat mag ook. Maar…, zou je niet meer van Hem willen? Is dit echt alles, wat je wilt? Je worstelt al zo lang met de duisternis van je hart en met je onvermogen om te geloven. En daarbij vraag je altijd maar weer om bijzondere tekenen en wonderen, zoals je die aan de Heere voorschrijft. Maar…, zou je niet meer van Hem willen? Is dat echt alles? Wil je niet meer? Alleen maar een teken of een wonder? Wil je Hem niet?

Hij verdraagt de bestraffing. U ook? En hij gaat des te meer pleiten. U ook? Maar het is nu anders, anders dan voorheen. Kijkt u nog maar eens even heel goed naar het verschil tussen vers 47 en vers 49. In vers 47 staat: Hij bad Hem, dat Hij afkwam, en zijn zoon gezond maakte, want hij lag op zijn sterven. En in vers 49 staat: De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft. Het lijkt erg op elkaar, maar het is anders geworden. Heere, kom en genees mijn zoon, want hij ligt op zijn sterven. Ik heb Uw genezing nodig. Voor mijn zoon. En dan: Heere, kom, kom Zelf, voordat mijn kind sterft. Hij heeft U, sterker nog: Wij hebben U nodig, Heere, voordat het te laat is.

Hij grijpt zich meer dan ooit aan Jezus vast. Hij laat Hem niet gaan, hij zegt: Heere, kom! Dus, wat doet het geloof, dat nu steeds meer zichtbaar wordt in het hart van deze man en vader? Gewerkt door de Geest van de Man die voor hem staat? Presteert het iets? Brengt het iets aan? Ja, het brengt iets. Ellende en nood. Hartelijke nood en diepe ellende. Lichamelijke nood en nu ook zielennood. Maar verder niets. Lege handen, die zeggen: ‘Kom, Heere!’ Lege handen, die bedelen: ‘Help, Heere. Geef ons Uzelf! Kom! Gaat U Zelf met me mee naar ons huis?’

Het geloof dat de Heere in stilte in zijn hart werkt, komt al meer en meer aan het licht. Nu hij de bestraffing verdraagt. Nu hij Jezus’ ontdekkende woorden ter harte neemt. Nu de noodzaak van lichamelijke genezing steeds meer op de achtergrond verdwijnt, en nu zijn nood en gebed zich steeds meer richt op Jezus Zelf. En ik hoop en bid dat ook uw nood, ernstige zieken onder ons en mensen in allerlei andere vormen van nood, ik hoop en bid dat ook uw nood door deze ontdekkende woorden zal veranderen. Dat die nood verdiept zal worden, tot een zodanige nood die u uit zal laten roepen: ‘Heere, kom! Kom Zelf! Voordat het te laat is!

Want dat is wat dreigt. Hier, en ook bij u, die nog onverzoend doorleeft zonder God en zonder Christus. En ook bij u, die alleen maar zit te wachten op tekenen en wonderen, ook in geestelijke zin, zonder ooit in geloof en vertrouwen heel uw verprutste en

verzondigde leven gelegd te hebben in de handen van deze almachtige en liefdevolle Zaligmaker. Eer het te laat is! Eer het te laat is, moet en mag u komen met smeken en geween, terwijl u zegt: ‘Heere, kom!’

Ik zal u niet in het onzekere laten over de goede wil, over de macht en genade van deze Christus. Wie zo de nood van zijn of haar leven aan de voeten van Jezus legt, niet met een verzoek om een wonder, maar met het verzoek om Hemzelf te mogen hebben, die zal nooit beschaamd worden.

Kijkt u maar in vers 50. Daar staat: Jezus zei tot hem: ga heen, uw zoon leeft. Zo’n gebed in nood, zo’n gebed in doodsnood wordt verhoord. Niet het gebed om een wonder. Maar wel het gebed om Jezus.

Zeg daarom nu niet in ongeloof en vijandschap: ‘Wie zo bidt, in deze tijd, zal heus niet weer zoiets meemaken.’ U hebt er niets van begrepen. Beledig onze God en Heere niet. Want wat hier gebeurt, is dat Jezus Christus Zijn heerlijkheid openbaart: Zijn macht, Zijn heerschappij, Zijn wijsheid en kracht over alle dingen die Hem gegeven zijn. Zijn scheppende en herscheppende macht over lichaam, hart en ziel. En dit lichamelijke genezingswonder is een teken van Zijn heerlijkheid, van de heerlijkheid van Zijn Messias-zijn. Van Zijn gekomen zijn als Messias om te lijden en te sterven, om meer te redden dan het lichaam alleen. Hij kwam om zondaars geheel en al, helemaal te redden van de dood en van de ondergang. En de genezing van deze zoon van deze hoveling is daar een teken van.

Een teken, om zo te zeggen (maar ik bedoel dat niet zonder meevoelen en medelijden met uw nood, verdriet en pijn), een teken dat wij zo, op deze manier, niet meer nodig hebben. Wij hebben het profetische woord, het beloftewoord, dat zeer vast is (2 Petrus 1:19). Luister, vooral u die in nood bent, in welke nood dan ook, en u allemaal! Zo zegt de Heere: Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken. Namelijk, indien u met uw mond zult belijden de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult u zalig worden (Romeinen 10:8-9). Als u dit Woord gelooft, (nee, niet als u een wonder of teken ziet, maar) als u dit Woord gelooft, dan zult u zalig worden. Dit Woord, dat u veroordeelt. Dit Woord dat u schijnbaar afwijst. Dit Woord dat u nodigt en trekt. Dit Woord dat u vraagt om onvoorwaardelijk al uw ellende te erkennen en aan de voeten te leggen van deze Zaligmaker. O, kom dan toch! Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jesaja 1:18). Wie niet komt, gaat verloren. Dat zegt deze man toch ook: ‘Kom, Heere, voordat het te laat is! De dood wenkt ieder uur. Geloof dan toch Zijn heil- en troostrijk Woord (Psalm 95:4, ber.).

Hij, deze koninklijke hoveling, die met de nood van zijn hart en leven tot Jezus komt, gelooft. Wat gelooft hij? Hij gelooft wat Jezus zegt. Hij gelooft het Woord. Niets anders, dat alleen. Veel mensen zoeken, juist ook in deze tijd, het spectaculaire van wonderen, van tekenen en bijzondere bedieningen. Anderen (en misschien kom ik dan dichter bij huis) vertellen, wat deze man eerst ook deed, precies aan de Heere wat Hij moet doen, om aan hun wensen en behoeften tegemoet te komen. Ook in geestelijke zin. Ze vertellen wat de Allerhoogste (vanwaar zulke hoogmoed en arrogantie?), ze vertellen de Allerhoogste precies wat Hij moet doen, om hen te laten geloven. Maar wat een klein geloof, wat een ongeloof, ja, wat een opstand! Buig! Buig voor deze Jezus! Met heel de nood van uw bestaan en met de nood van de uwen. En geloof wat Hij zegt! Geloof Zijn Woord. Nogmaals, dat Woord dat u veroordeelt, dat u schijnbaar afwijst, maar dat u tegelijkertijd probeert te nodigen en te trekken. Dat Woord vraagt u onvoorwaardelijk al uw ellende en nood te erkennen en aan de voeten te leggen van deze Zaligmaker. En als u dat doet, dan zal Hij u genezen. Ja, Hij zal grotere dingen doen dan dat. Immers, zo zegt de apostel: God doet boven bidden en denken (Efeze 3:20).

Leest u nog maar even mee in vers 50 tot en met 53: Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen. En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft! Zo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts. De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis.

De Heere houdt Zijn Woord. De dingen die door de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden (Lukas 1:45). Zijn Woord is betrouwbaar. Het houdt stand in de nood, ja, zelfs in de dood. Want dit zijn levende woorden. Johannes schrijft ervan: de woorden die Hij spreekt, zijn Geest en leven (6:63). En wie dat sprekende Woord gelooft, die heeft alles, die heeft de Zaligmaker. Die is Zijn eigendom geworden. Het geloof ziet af van zichzelf, en leert op Jezus te zien. Het geloof ziet op Christus en gelooft Zijn woord. En het ziet in Christus iets van Zijn heerlijkheid, van de heerlijkheid van Zijn vernedering, en van de heerlijkheid van Zijn verhoging.

Na het eerste teken dat de Heere Jezus deed in Kana, is dit nu het tweede teken waarmee Jezus Zijn heerlijkheid heeft geopenbaard (2:11). En toen in Kana, toen geloofden Zijn discipelen in Hem (2:11). En nu staat hier ook: En hij geloofde. Christus openbaart Zijn heerlijkheid, en hij gelooft! Ziet u, dat het bij het geloof gaat om het zien van de heerlijkheid van Jezus? Zijn

heerlijkheid als Genezer van ziekten, waarbij afstand geen belemmering is, maar vooral ook Zijn heerlijkheid als Zaligmaker van zondaars en als Koning van deze wereld?

En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis (vers 53). Nee, het gaat hier niet meer om het wonder van de genezing. Dat was een teken. Een teken dat wees op Christus en op Zijn heerlijkheid. Als een wonder wijst op een mens, als een wonder niet wijst op Christus en Hem in het middelpunt zet, als een wonder niet brengt tot het Woord, dan is het geen teken. Althans niet van Christus. Een wonder van God, een teken van God wijst terug naar God en naar Christus. En daarmee heeft het teken zijn werk gedaan. Nu staat Christus Zelf in het middelpunt en gaat het niet meer om het teken.

En hij (de hoveling) gelooft. Hij gelooft in Christus. Nood en hoop zijn veranderd in geloof en vertrouwen. Want Christus kon en kan, wilde en wil, zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven. En nu omhelst deze man, in al zijn onwaardigheid en buigend onder de bestraffing van Jezus, niet alleen dat ‘Hij kan en wil’, maar ook dat ‘Hij zal, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven.’ Hij gelooft het woord van Christus. Hij acht Hem betrouwbaar. Hij heeft het gezegd, dus zal Hij het doen. Sterker nog: Hij heeft het gezegd, en dus heeft Hij het gedaan.

En wat geeft dat aan deze man blijdschap, rust en vrede op zijn terugreis naar huis. Hij lijkt daar namelijk nogal lang over gedaan te hebben. Kennelijk heeft hij geen haast meer. Er is reden om God te loven. Ook al heeft hij het nog niet gezien. Maar hij heeft het geloofd. Hij hoeft niet naar huis te rennen om te zien of het echt gebeurd is. Hij heeft het geloofd, en het geloof is zeker, ook al heb je nog niets gezien. Het geloof is een bewijs van zaken die je niet ziet (Hebreeën 11:1). En het geeft zekerheid, ook als je het niet voelt.

Je kan je trouwens de thuiskomst van deze man wel een beetje voorstellen. ‘Kind, je bent beter. Ik had het nog niet gezien, maar Jezus heeft het gezegd, en ik heb het geloofd.’ Nee: ‘Ik heb Hem geloofd!’ ‘Vrouw, kinderen, knechten en dienstmeisjes, Jezus heeft het gedaan. O, kom, maak Hem met mij groot. Hij gaf bij het naderen van de dood volkomen uitkomst. Zouden we dan niet allemaal in Hem geloven? Hij is het zo waard! Hij is zo groot, zo machtig en zo getrouw. Hij is de beste Meester. En dit is de goede boodschap die ik meebreng naar huis: Hij wil de Heere en Zaligmaker zijn van ons allemaal’

En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis (53). De Heere geeft Zijn rijke zegen en de overvloed van Zijn genade, ook nu nog, in de lijn van het verbond (Genesis 17:7, Handelingen 2:39). En deze God, gemeente, deze Christus leeft nog steeds. Hij is niet veranderd. Als u Hem aanroept in de nood, en als u Hem op Zijn Woord gelooft, zal Hij u verhoren.

Is dat zo moeilijk? Roepen om Hem? Ja, dat is zo moeilijk. Omdat? Omdat ik zo vaak graag wil dat de Heere precies dat zal doen, wat ik van Hem vraag. Hij moet doen wat ik wil. Maar Hem…, heb ik Hem wel nodig? Daarom blijft u zo van verre staan. En daarom blijft het zo donker in uw leven. Luister eens naar wat Maria zei, vlak voordat het eerste wonder in Kana gebeurde. Ze zei: Zo wat Hij u zeggen zal, doet dat (2:5).

Wat Hij nu zegt, tegen u en tegen mij? Dit zegt Hij. Maar geloof het, en doe het. Het zal u, misschien wel na veel duisternis en zorg, na veel pijn en verdriet, eindelijk rust geven. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht (Mattheüs 11:28-29). De Heere Zelf, die vanmorgen weer opnieuw voor u stond, geve het door Zijn genade in uw hart, tot lof en eer van Zijn heerlijkheid.

Amen.

Slotzang Psalm 34:3,11

Zij sloegen 't oog op God; Zij liepen als een stroom Hem aan. Hij liet hen nimmer schaamrood staan, En wendde straks hun lot. Hij die door smart op smart Gedrukt werd, zond tot God zijn beê; Terstond verdween 't ondraagbaar wee, Uit zijn benepen hart.

De HEER verlost en spaart Zijn volk, dat op Zijn hulp vertrouwt. Het zal, door Hem in gunst beschouwd, Niet schuldig zijn verklaard.