PREEK · KERKELIJK JAAR

In doeken gewonden - Lukas 2

Kerst - 25 december 2023

Lukas 2:7: En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.

INLEIDING

Deze kerstpreek voor kinderen legt uit: dat Maria haar Kindje in doeken wond, is een teken van onze zonde, want Adam en Eva verloren hun kleed van Gods heerlijkheid. Tegelijk bewijst het dat Jezus een echt kind was, arm en vrijwillig vernederd, niets van onze rijkdom vragend. Juist arme, zondige mensen mogen bij de kribbe komen, zoals de herders. En de doeken wijzen vooruit: naar het doodskleed en uiteindelijk naar het bebloede kleed van de overwinnende Koning.

LUKAS 2:1-7

1 En het geschiedde in diezelve dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.
2 Deze eerste beschrijving geschiedde als Cyrénius over Syrië stadhouder was.
3 En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad.
4 En Jozef ging ook op, van Galiléa, uit de stad Nazareth, naar Judéa, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt (omdat hij uit het huis en geslacht Davids was),
5 Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was.
6 En het geschiedde als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou.
7 En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.

VOLLEDIGE TEKST

In doeken gewonden - Lukas 2

ds. J. IJsselstein - Lukas 2:7

LITURGIE

Psalm 68:2 NGB artikel 18

Psalm 116:1

Lezen Lukas 2:1-7

Psalm 98:2,3,4

Psalm 72:7

Psalm 72:8,11

Jongens en meisjes, het is voor jullie vast niet zo gemakkelijk om in deze dagen zo vaak en zo lang in de kerk te zitten. Dat snap ik. Daarom is de preek van vanmorgen, op deze eerste kerstdag, niet zo moeilijk. Als jullie goed je best doen om te luisteren, dan kan je vast het meeste van de preek wel begrijpen. Dus probeer vanmorgen goed mee te denken met de preek en te luisteren naar… wat de Heere tegen je zegt.

De preek van vanmorgen gaat over Lukas 2, over vers 1 tot en met 7, maar vooral over het middelste stukje van vers 7. Ik lees die bekende tekst, die je vast ook uit je hoofd kent, nog een keer voor: Lukas 2 vers 7 En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.

De preek van vanmorgen gaat over de middelste stukje van vers 7, over deze woorden: En wond Hem in doeken. Straks ga ik daar zeven dingen over zeggen. Maar is even iets anders.

Een poosje geleden was ik in Indonesië. Op zondagochtend mocht ik de preek doen, op zondagmiddag preekte dominee Nebius Maling, zo heet die dominee, dominee Nebius Maling. Hij preekte over Adam en Eva in het paradijs. En hij begon natuurlijk helemaal aan het begin van die geschiedenis. Hij ging vertellen hoe de Heere Adam en Eva gemaakt, geschapen had. Adam uit het stof van de aarde en Eva uit een rib van Adam. En toen zei hij, toen vroeg hij: ‘Hoe heeft de Heere de mensen eigenlijk geschapen?’ Hij gaf zelf het antwoord, hij zei: ‘de Heere schiep de mensen met kleren aan…’ Ik dacht: ‘He, klopt dat wel? Dat heb ik nog nooit gehoord…!’

Maar hij ging gewoon verder. Hij vertelde hoe goed en mooi het was in het paradijs. Hoe Adam en Eva dichtbij de Heere leefden en de Heere liefhadden. En ook dat toen dat verschrikkelijke gebeurde. Adam en Eva hebben heel bewust niet geluisterd naar de Heere en toch gegeten van de boom die stond in het midden van het paradijs: de boom van kennis van goed en kwaad. Ze hebben gezondigd. En ze moeten sterven. Hij zei: ‘en toen, ineens…, toen keken ze naar zichzelf…, en toen zeiden ze allebei…:

m’n kleren zijn weg!’ Je snapt, ik snapte er helemaal niets meer van. Adam en Eva hadden is toch geen kleren aan? Ze waren toch niet met kleren aan geschapen?

En toen…, toen zei de dominee ineens met een brede glimlach (want hij wist natuurlijk, dat wij dachten dat hij het allemaal verkeerd vertelde): ‘Geschapen met kleren aan…? Adam en Eva…? Jazeker, Adam en Eva waren geschapen naar Gods beeld, en het kleed dat ze van de Heere gekregen hadden was het kleed van Gods heerlijkheid!’ Wat hij daarmee bedoelde, dat moet ik je even uitleggen. Wat is dat: het kleed van Gods heerlijkheid?

Misschien moet je daarvoor even denken aan een andere geschiedenis in de Bijbel. Het volk Israël is in de woestijn en Mozes is op de berg Sinaï geklommen. Daar krijgt hij van de Heere de Wet, de Wet van de Tien Geboden. Veertig dagen en nachten is Mozes op de berg, met de Heere. En als hij dan terugkomt, dan zien de mensen dat het vel van zijn gezicht helemaal glinstert… Ze zien niet gewoon zijn huid, zijn velletje, maar zijn gezicht straalt, het straalt van licht! (Exodus 34:29-35). Er straalt iets af van… Iets van het licht (daar hebben we aan het begin van de dienst van gezongen), iets van het licht dat van Gods aangezicht, van Gods gezicht straalt. Dat licht, die glans (zo zou je kunnen zeggen) is eigenlijk ‘zijn kleed’ geworden: het licht, de glans van Gods heerlijkheid… Omdat hij bij God geweest is.

Adam en Eva leven ook, dag in dag uit, heel dicht bij God. Ook zij (maar we weten niet hoe dat eruit zag) hadden zonder twijfel iets, waarvan wij zouden zeggen…: ‘Kijk, ze dragen (nee, ze dragen geen gewone kleren), maar ze dragen het kleed van Gods beeld, van Gods grootheid, van Gods heerlijkheid, ze stralen van het licht van Gods gezicht’.

Je ziet het trouwens in het Nieuwe Testament nog een keer. De Heere Jezus is met drie van Zijn discipelen op de berg van de verheerlijking…, en dan ineens gebeurt er iets. Voor hun ogen zien de discipelen dat de Heere Jezus er anders gaat uitzien. Zijn gezicht blinkt, schijnt als de zon, en Zijn kleren worden wit als het licht (Mattheüs 17: 2).

Adam en Eva dragen geen gewone kleren, maar dragen iets van de stralende grootheid van de Heere, van het licht van Zijn gezicht, ze dragen het kleed van Gods heerlijkheid… En ze zondigen… en… ‘hè…, mijn kleed is weg…, ik ben naakt!’ Zoals Paulus later ook zegt: Ik ben naakt, ‘ik mis de heerlijkheid van God’ (Rom. 3:23). Kijk maar. ’t Is weg! Gelukkig dat de Heere toen Zelf kleren gemaakt heeft voor Adam en Eva. Want wat zij gemaakt hadden van bladeren, dat leek helemaal nergens naar. De Heere gaf hen nieuwe kleren van dierenvellen, en beloofde toen al in het paradijs dat de Heere Jezus geboren zou worden. Als Kind van een moeder, als het vrouwenzaad. En wij weten (heel veel jaren later) dat die moeder Maria heette.

Wat ik nu verteld heb, jongens en meisjes, is eigenlijk het eerste wat ik wilde zeggen over de babykleren van de Heere Jezus.

1. Dat is in de eerste plaats vooral een bewijs van onze zonde. Dus is het iets waar wij ons voor moeten schamen. Het kindje Jezus is geboren, zoals ieder kindje, zonder kleren. En moeder Maria neemt doeken, stroken, repen van stof, en kleedt haar baby aan. Ze wikkelt Hem lekker in (want het kan koud zijn), in stroken stof, in doeken.

Dat is mooi om aan te denken, om dat in gedachten voor je te zien…, maar je moet niet vergeten, dat wijst eigenlijk vooral terug naar het paradijs. Toen het nog goed was tussen de Heere en Adam en Eva, toen hadden zij geen kleren van stof nodig. Dat dat vanaf toen wel zo geworden is (alle baby’s krijgen toch kleren aan?), dat is een teken en bewijs van onze zonde. Hier moeten wij ons diep voor schamen.

De Heere Jezus wilde geboren worden zoals wij, als mens. Omdat wij dat kleed, dat glanzende kleed van de heerlijkheid, van het licht van de Heere, kwijt zijn geraakt, en in het paradijs door de Heere Zelf aangekleed moesten worden, daarom moet ook de Heere Jezus (en dat wil Hij ook!) door Zijn moeder Maria aangekleed worden.

In doeken gewonden, dat is een teken van onze zonde. We moeten ons ervoor schamen. Maar er is nog een tweede ding.

2. Dat is in de tweede plaats ook een teken dat de Heere Jezus een ‘echt kind’ was. Je zegt: ‘natuurlijk, dat kan je toch gewoon zien met je ogen: het is een echt kind, een echte baby…’ Jazeker, dat klopt. Dit is ook een bewijs dat de Heere echt mens geworden is. We hoorden dat zojuist ook uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Maar ik bedoel het eigenlijk een beetje anders. Er werd vast over gepraat… En Jozef was er ook bezorgd over geweest… Maria is in verwachting, maar… van wie is dat kindje eigenlijk? Wie is eigenlijk de vader? Is het van vader Jozef, of…? (Johannes 8:41).

Nee, de engel had gezegd: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden (Lukas 1:35). Gods Zoon! Een Maria en Jozef hebben dat ook geloofd. Dit Kindje is niet van ons tweeën. Maar dit is Gods Zoon. Maar de mensen denken misschien nog wel steeds stiekem: ‘Is dit Kindje niet geboren uit overspel? Is Maria geen hoer? Is Maria niet stiekem bij een andere man geweest?’

Als dat vroeger zo was, in de tijd van de Bijbel, als een kindje buiten een huwelijk van een vader en een moeder geboren was, bijvoorbeeld een kindje van een vreemde man…, dan kreeg zo’n kindje (dat ‘uit hoererij’ geboren was, zo noemen we dat) niet altijd zo’n goede en lieve behandeling. De profeet Ezechiël (16:4) vertelt wat er dan kon gebeuren. Hij ziet als profeet in gedachten zo’n kindje en zegt: het wordt niet schoongewassen, niet lekker ingewreven met zout (dat dezen ze vroeger), en… het wordt ook niet in doeken gewikkeld. Maar het wordt weggedaan, het wordt geworpen op het veld. Iedereen haalt zijn neus ervoor op…

Nee, zegt Maria resoluut, ik geloof het: dit is niet zo’n kind, dit is geen onecht kind. Wat de mensen er ook van denken: Dit is Gods Zoon! Maria heeft het woord van de engel, het woord van de Heere geloofd. Dat zie je hier. Hoe moeilijk en onbegrijpelijk het ook voor haar was. Maar ze heeft geloofd: dit is Gods Zoon, dit is mijn Zaligmaker (Lukas 1: 47). En dus wikkelt ze haar baby gewoon, zoals het hoort, in doeken. Ze doet het zelf. Dat staat er heel nadrukkelijk, heel expres bij. In doeken gewonden, dat is een bewijs dat dit kind een ‘echt kind’ is, niet geboren uit hoererij. Maar, er is nog derde ding.

3. Dat is in de derde plaats ook een teken van diepe armoede en vernedering. Een kindje, geboren in een stal, gelegd in een voerbak, gewikkeld in repen van stof, dat is een teken van heel grote armoede. Dit is de Zoon van God! De Bezitter, de Eigenaar van de hemel en de aarde. Vol van heerlijkheid en eer. Paulus zegt: Hij was zo rijk! En kijk nu: Hij is zo arm geworden! (2 Korinthe 8:9) Waarom was dat zo, zegt Paulus tegen de mensen in Korinthe? Hij zegt: dat was om u! Want u bent door uw zonden zo arm geworden. Maar nu kunt u door de Heere Jezus Christus weer rijk worden. Nu kan het weer goed komen tussen u en tussen de Heere God.

Op een andere plaats zegt Paulus (Filippenzen 2:6,7): Hij was zo hoog, zo groot! Maar Hij heeft (dat zie je hier in de kribbe!) zo diep gebogen. Hij was Koning, Hij was Heere, Hij was God. En dat bleef Hij ook allemaal. Maar Hij wilde Zelf mens worden, vooral ook zo nederig en zo armoedig. Een Koningskind in een kribbe, een Koningskind in een stal. Niet in een paleis, niet in een mooi wiegje, niet een prachtige kleedjes, maar in een kribbe in de stal.

Waarom? Om voor ons mensen, die altijd zo groot en trots willen zijn en blijven, om voor ons mensen, die niet willen luisteren naar God, de weg weer vrij te maken om weer kind van de Heere te kunnen worden, om een nieuw hart te kunnen krijgen. In doeken gewonden, dat is een teken van diepe armoede en vrijwillige vernedering. Maar er is nog een vierde ding.

4. Dat is in de vierde plaats ook een teken van heel erg gewillig zijn, van dit heel erg graag willen doen. En dat is bijzonder. We weten dat de Heere Jezus gekomen is om zondige mensen zalig te maken. De engel had ook gezegd: daarom moet u dit kindje Jezus noemen, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden… (Mattheüs 1:21) En wij denken: ‘nou…, als Hij over een poos groot is, dan zal Hij daar wel een keer mee gaan beginnen…’ Maar weet je wat je nu ziet? Hij, de Heere Jezus, begint er nu al mee! Met Zijn werk als Zaligmaker.

Hij is werkelijk nog geen minuut op de aarde, of Hij buigt, Hij vernedert zich. Hij laat Zich wikkelen in een stel repen stof en Hij laat Zich leggen in een voerbak voor beesten. Hij doet, wat niemand van ons uit zichzelf ooit doen wil of doen zal: Hij buigt… Hij wordt nederig en arm. Hij is werkelijk nog geen minuut op de aarde of (net als iedere baby) Hij huilt. Moet Hij huilen? Heeft Hij dan zonde gedaan? Waarom heeft dit Kindje verdriet? Waarom moet Hij huilen voordat Hij drinkt bij Zijn moeder?

Hij moet niet buigen, want Hij is God. Maar Hij wil buigen. Hij moet niet huilen, want Hij heeft geen zonde. Maar Hij wil huilen.

Hij is heel gewillig, dat wil zeggen: Hij wil het heel erg graag doen, alles wat gedaan moet worden om zondige mensen terug te brengen bij God. In doeken gewonden, dat is een teken van heel erg gewillig zijn, van heel erg graag willen doen, alles wat gedaan moet worden. Maar er is nog een vijfde ding.

5. Dat is in de vijfde plaats ook een teken dat Hij niets van ons wil hebben. Want…, ja, Zijn vader en moeder waren wel arm, maar (zeg je) de Heere in de hemel had toch een mooi plekje voor de Heere Jezus kunnen regelen in het paleis van Herodes, in een groot huis of in een prachtige herberg? Ja, dat had wel gekund, maar dat wilde Hij Zelf niet. En ik bedoel dat niet alleen in de zin van: dat Hij arm wilde zijn en wilde buigen, ook bij Zijn geboorte… Maar ik bedoel ook iets anders: Hij wilde en Hij wil onze rijkdom niet.

Het is niet alleen de vrijwillige keus van de Heere Jezus om hier geboren te worden, om in deze doeken gewikkeld te worden en in deze kribbe te worden gelegd… Dit is ook een afwijzing van onze rijkdom! Het is alsof de Heere Jezus zegt: ‘Die hoef Ik niet! Ik hoef al dat mooie van de wereld niet! En Ik ben ook helemaal niet onder de indruk van al jullie moois!’

‘Wil je met mooie kleren op bezoek komen bij een prachtige wieg? Blijf dan maar thuis, dan moet je bij Mij niet zijn! Voor zulke mensen heb Ik toch geen waarde… Maar, ben je arm…? Dan durf je vast wel aan te kloppen bij een beestenstal. Herders, jullie durven vast niet naar het paleis van koning Herodes, waar alles zo mooi en prachtig en duur is…, kom maar naar de stal, daar staat de deur open… voor armen.’

Dus, wat wil ik nu zeggen, als ik zeg dat de Heere niets van ons wil hebben…? Dit: als je denkt dat je goed bent, dat je goed je best doet, en dat het niet zo erg is met je zondige hart, dan heb je eigenlijk voor je gevoel helemaal geen Zaligmaker nodig. Dan is kerst gewoon gezellig feest: gezellig thuis, gezellig bezoek van opa en oma, lekker eten met elkaar, leuke kaarsjes, mooie lichtjes…, maar verder niks.

Maar, kerst is een heel bijzonder feest voor mensen, bij wie het precies andersom is. Voor mensen die zeggen: ‘Heere, ik ben niet goed, maar ik ben slecht. Mijn zondige hart is zo slecht. En dit, dat U naar deze wereld moest komen, dat is mijn schuld! Als ik denk aan de kribbe in Bethlehem, aan de doeken waarin U gewonden werd, dan schaam ik me diep!’ ‘Ik heb tegen U gezondigd, Heere. En… (en dan komt het): ik heb niets goeds van mezelf. Ik heb niks. Ik ben arm.

Als je dat zegt vandaag, terwijl je kijkt naar je hart (‘ik heb niks, ik ben arm’), o kom, dan durf je vast wel naar een beestenstal. Daar is alles een en al armoe. Een kribbe, geen wieg. Een stal, geen paleis. Doeken, geen prachtige babykleertjes. Maar kijk: de deur staat open!

En wie mag er binnenkomen? Iedereen! Maar…, de meeste mensen willen niet binnenkomen. En de armen durven misschien wel niet… Maar, jongens en meisjes, een dominee die preekt is eigenlijk iemand die de deur open zet, en die zeggen mag: ‘Mensen, welkom!’ ‘Kijk, daar ligt de Heere uit de hemel, de Zaligmaker. Die arm is geworden voor mensen die niets hebben, die straatarm zijn en die een hemelhoge schuld hebben.’ Nee, Hij zal onze trots niet strelen. Maar Hij zal nooddruftigen, dat zijn mensen in nood, verschonen (dat wil zeggen: verlossen en vergeven). En armen uit genade Zijn hulp tot verlossing tonen. Hij ziet hun hart. Dat gaan we nu eerst zingen uit Psalm 72, het 7e vers.

Nooddruftigen zal Hij verschonen; Aan armen, uit genâ, Zijn hulpe ter verlossing tonen; Hij slaat hun zielen gâ. Als hen geweld en list bestrijden, Al gaat het nog zo hoog; Hun bloed, hun tranen en hun lijden Zijn dierbaar in Zijn oog.

Vijf dingen hebben we ondertussen gezien. Maar er is ook nog een zesde ding.

6. Dat is in de zesde plaats ook bedoeld als troost. We hebben gezongen over mensen in nood, over nooddruftigen (daar zit het woordje ‘nood’ in, dat hoor je: nood-druftigen). Dat zijn mensen die hulp nodig hebben. Die roepen: ‘Help me, Heere!’ Mensen in nood, nooddruftigen, en armen, wil de Heere uit genade, door Zijn hulp verlossen. Moeder Maria heeft daar tevoren al van gezongen: Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken heeft Hij ledig weggezonden (Lukas 1:53).

Dat is het wonder van kerst! De Koning van de hemel komt als een arm Kind, in onze armoede. En dat is troostvol. Want dat betekent, jongens en meisjes: als je tranen huilt om je zonden, als je je arm voelt in je hart (terwijl je zegt: Heere, ik heb alleen maar zonde, ik heb een slecht hart, o geef me toch een nieuw hart!), dan mag je komen. Net als de herders!

Ik zei toch: bij een koning durven de herders vast niet binnenstappen, maar nu wel. ‘Herders, dit zal u een teken zijn: Hij draagt een kroon van zuiver goud, kleertjes gestikt met zilverdraad, een wieg geborduurd van de mooiste stof, en Hij slaapt in de kamer voor het kroonprinsje in het paleis…’ ‘Heere, ik durf niet. Mijn kleren zijn vies, mijn handen zijn smerig, zo kan en durf ik niet te gaan…’

Nee. ‘Herders, dit is voor u het teken: u zult het Kindje vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. Hieraan kunt u de geboren Koning, de geboren Zaligmaker herkennen. Wees maar niet bang!’ En zij kwamen met haast en vonden Maria en Jozef en het Kindeke liggende in de kribbe (Lukas 2:16).

Arme kinderen (nee, ik bedoel niet de kinderen die weinig geld hebben, maar de kinderen die zoveel last hebben van hun zondige hart), arme kinderen, kerstfeest is voor jullie. De Heere is arm geworden voor kinderen zoals jullie. Hij weet, dat je misschien wel niet durft te komen. Je schaamt je zo erg voor zo veel zonden. Je denkt misschien dat je te slecht bent, en dat je hart te vuil is. Maar nu krijg je van de Heere een teken, een knikje…: toe maar, kom maar…

Daar mag je binnenkomen met vuile kleren, met smerige handen, met vieze voeten, met… je zondige hart. Daar ben je op het goede adres. Een wieg in een paleis staat te hoog voor je. Daar kan je niet bij. Maar de kribbe staat op de grond. Je kan erbij. Je hoeft alleen maar te bukken.

Kijk, hoe arm Hij is! Hij is arm geworden om jou. Door Zijn armoede wil Hij jou rijk maken! In doeken gewonden, dat is bedoeld als troost. Maar er is nog een zevende ding.

7. Dat is in de zevende plaats profetie. Dit wijst vooruit, naar de toekomst. Want hoe ze nu verder gegaan, met de kleding van de Heere Jezus? Later is de Heere Jezus opgegroeid, als een gewone jongen. Zijn ouders waren niet rijk, hij droeg gewone kleding. En daarna lees je lange tijd weinig of niets meer over de kleding van de Heere Jezus. Hier en daar kom je iets tegen. Bijvoorbeeld in de geschiedenis van de verheerlijking op de berg (dat zei ik in het begin al). Daar wordt de kleding van de Heere Jezus even wit als sneeuw en blinkend als de zon (Markus 9:3).

Vooral aan het einde van het leven van de Heere Jezus lezen we weer over Zijn kleren. Bij Pilatus doen Zijn vijanden Hem een purperen mantel om en zetten Hem een kroon op Zijn hoofd. Ze spotten met Hem en ze slaan en spugen Hem (Markus 15:18-19). En op Golgotha pakken de soldaten de Heere Jezus Zijn kleren af en verdelen die (Lukas 23:24, Johannes 19:24).

En dan wordt Hij weer en nog meer, hoe wij(!) hadden moeten zijn, om onze zonden. Hij lijdt het ook allemaal voor Zijn kinderen. Hij wordt: bespot, geslagen, en naakt (zonder kleren) aan het kruis hangen. Die straf hadden wij verdiend. Het is toch onze schuld dat wij ons eerste kleed, dat mooie kleed van Gods heerlijkheid zijn kwijt geraakt?

Maar kijk, dat is nu het bijzondere werk van de Heere Jezus. Omdat God het wilde (God had daarvoor in de eeuwigheid al een plan gemaakt, eindeloos lang voordat de wereld begon), omdat God het wilde, daarom kwam de Heere Jezus Christus naar deze aarde, om dit te doen. Om dit te ondergaan, om dit te lijden, en uiteindelijk te sterven in de plaats van al Zijn kinderen. Nu hangt Hij, in de plaats van al Zijn kinderen, zonder kleren, naakt aan het kruis! Zonder heerlijkheid, in diepe schande en vernedering.

En nadat Hij gestorven was, werd Zijn gestorven lichaam… in doeken gewikkeld en begraven. Het begin en het einde van het leven van de Heere Jezus Christus liggen heel dicht bij elkaar. Grote armoede en diep lijden, het begint hier in Bethlehem, het eindigt straks op Golgotha en in de hof van Arimathea.

Maar dat (dat de Heere Jezus in doeken werd gelegd in het graf) was niet het einde. De Heere is opgestaan uit de dood. Als Koning heeft hij de overwinning behaald!

Aan het einde van de Bijbel ziet Johannes op Patmos de Heere Jezus in gedachten in de hemel staan… Hij kijkt, en hij schrijft…: ‘Ik zag Hem, in doeken gewonden…?’ Nee, hij ziet Hem daar als de verhoogde Koning, en (zo schrijft hij) hij ziet Hem Bekleed met een lang kleed tot op de voeten en omgord aan de borst met een gouden gordel (Openbaring 1:13). En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze naam geschreven: Koning der koningen en Heere der heren (Openbaring 19:16). En dat kleed is, als Johannes goed kijkt…, en je schrikt er een beetje van als je dat leest: met bloed geverfd (Openbaring 19:13). Zo staat het trouwens ook al in het Oude Testament: er zit rood aan Zijn kleren (Jesaja 63:1-3). Aan Zijn kleren zit bloed... Het is een teken van oorlog. Het is een teken dat Hij als Overwinnaar overwonnen heeft en als Held bezig is om Zijn vijanden te verslaan.

En dat geeft aan, jongens en meisjes, gemeente, dat iedereen op één van deze twee manieren kan en moet en zal bukken voor deze geboren Koning.

Als je je te rijk voelt met de dingen die je hebt…, dan ga je de stal niet binnen, dan buig je niet voor een kribbe. Als je het te druk hebt met van alles en nog wat, van de dingen van nu, van deze tijd…, dan is er geen plaats in de herberg van je hart Dan moet je vrezen, dan moet je bang worden voor dit Kind. Want… er zit bloed aan Zijn kleren, het bloed van Zijn vijanden. Wie niet buigen wil, die zal verliezen! Wie niet buigen wil, zal verslagen en overwonnen worden.

Maar als je als een arm kind, met je verloren leven, met je vuile hart vanwege je zonden, rood van schaamte om alles wat je deed en om wie je bent…, als je zo bukt aan de kribbe, dan zal je (zo zei vroeger dominee Kohlbrugge dat), dan zal je bij de kribbe van Bethlehem ‘de fluisterstem horen: laat de kinderen tot Mij komen!’ Dan zal Ik je rijk maken. Dan zal Ik je geven wat je niet meer hebt, wat je door eigen schuld bent kwijtgeraakt. Dan zal Ik je uit genade geven een nieuw kleed, het kleed van Mijn heil, het kleed van Mijn zaligheid (Jesaja 61:10).

Amen. Slotzang Psalm 72: 8 en 11

Zo moet de Koning eeuwig leven, bidt elk met diep ontzag; Men zal Hem 't goud van Scheba geven, Hem zegenen, dag bij dag. Is op het land een handvol koren, gekoesterd door de zon, 't Zal op 't gebergte' geruis doen horen, gelijk de Libanon.

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen; men loov' Hem vroeg en spâ; De wereld hoor', en volg' mijn zangen, met Amen, Amen na.