PREEK · KERKELIJK JAAR

De kindermoord in Bethlehem - Mattheüs 2

Kerst - 29 december 2024

Mattheüs 2:17-18: Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den profeet Jeremía, zeggende: Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet getroost wezen, omdat zij niet zijn.

INLEIDING

Op de zondag na Kerst klinkt in Mattheüs 2 een schrijnend contrast met het kerstevangelie: koning Herodes laat de kinderen van Bethlehem doden, en Rachel weent om haar kinderen, "omdat zij niet zijn." Deze leespreek over Mattheüs 2:16-18 toont hoe de HEERE Zijn verbond staande houdt dwars door onbegrijpelijk verdriet heen, en wijst de treurende lezer de weg naar de enige ware Trooster, het Kind van Bethlehem.

THEMA

Tranen en troost

KERNPUNTEN

  1. De historische lijn
  2. De geestelijke lijn

MATTHEÜS 2:12-18

12 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.
13 Toen zij nu vertrokken waren, zie, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kindeken zoeken om Hetzelve te doden.
14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte,
15 En was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
16 Als Herodes zag dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen die binnen Bethlehem en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.
17 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den profeet Jeremía, zeggende:
18 Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet getroost wezen, omdat zij niet zijn.

VOLLEDIGE TEKST

De kindermoord in Bethlehem - Mattheüs 2

ds. J. IJsselstein - Mattheüs 2:17-18

THEMA

Tranen en troost

LITURGIE

Psalm 137:1,4

Lezen Mattheüs 2:16-18; Jeremia 31:15-20

Psalm 8:1,2,3,4

Psalm 106:24

Psalm 2:6

Gemeente, op deze zondag na kerst, op deze laatste zondag van het snel vervlogen jaar, preek ik u het Woord van God vanuit Mattheus 2:16-18, waar staat: Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar de tijd, die hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had. Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!

Mattheüs haalt deze woorden aan uit Jeremia 31:15, 16 en 17, waar staat: Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn. Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen. En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale.

Gemeente, deze profetie van Jeremia is eigenlijk geen gewone profetie. Immers, meestal wezen profeten vooruit: ‘In de toekomst dan zal het geschieden, dat…’ Maar deze profetie wijst eigenlijk terug. Naar Rachel, de vrouw van Jakob, eeuwen geleden. Deze profetie van Jeremia is een bijzondere soort van profetie. Het is een profetie naar analogie, een profetie naar overeenkomst. Die eigenlijk zegt: Zoals toen, bij Rachel… Zo is ook nu, in de tijd van Jeremia… En zo zal ook later zijn…

Zoals Rachel toen huilde, zo wordt ook nu gehuild bij de wegvoering naar Babel. En zo zal er ook straks gehuild worden in Bethlehem. Immers, Mattheüs zegt: Dit wat nu in Bethlehem gebeurd is, dat is opnieuw vervulling van de oude profetie van Jeremia. Dat eerst even als toelichting.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: Tranen en troost We kijken samen naar twee lijnen. We kijken in de eerste plaats naar wat er destijds gebeurde. Bij Rachel, in de tijd van Jeremia en later in Bethlehem: de historische lijn. En in de tweede plaats kijken we naar wat daarvan de betekenis is voor nu: naar de geestelijke lijn. Dus: Tranen en troost 1. De historische lijn 2. De geestelijke lijn

Als eerste dus:

1. De historische lijn

Jongens en meisjes, heel lang geleden gebeurde er iets verschrikkelijks. Jakob hield zo veel van haar, van zijn vrouw, van zijn eerste liefde. En Jozef hield ook zo veel van haar, van zijn moeder. En Rachel zelf was de laatste maanden (sinds ze in verwachting was van haar tweede kindje) ook zo blij geweest.

Maar dan, als ze (terwijl ze op reis zijn) bijna in Bethlehem zijn, dan kan ze niet verder. Het moment van de geboorte is aangebroken. Langs de weg. Maar het gaat niet… Het gaat fout… Het staat in Genesis 35: En het geschiedde als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet, want dezen zoon zult gij ook hebben. En het geschiedde als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, dat is Bethlehem.

Rachel huilt over haar kinderen. En Rachel sterft… Moeder Rachel sterft, terwijl ze met tranen uitroept: ‘Ben-Oni, zoon van mijn smart, zoon van mijn verdriet, kind van tranen!’ Maar Jakob zegt: ‘Nee, hij heet Benjamin, zoon van mijn rechterhand!’

Wat zal Jakob gehuild hebben. Zijn lieveling Rachel sterft. Wat zal Jozef gehuild hebben. Wel een klein broertje, maar geen moeder meer. Rachel wordt begraven, langs de weg. Nooit heeft ze in het beloofde land gewoond.

Wat een verdriet. Het is dubbel verdriet. Er is verdriet bij Jakob, en er is ook verdriet bij de jonge Jozef. En misschien zie ik ook wel tranen in uw of jouw ogen glinsteren. Uw vrouw, uw man… Je vader, je moeder… Je kind, je kleinkind… Hij of zij stierf ook. Hij of zij is ook niet meer.

Kerst is voor altijd anders dan vóór die tijd. Je hebt alles, maar het blijft knagen. Voor altijd. Zeker, het kan je troosten, als je weet dat hij of zij in de hemel is. Maar toch, je

bent haar wel kwijt. En de Heere kan je troosten, meer dan een moeder troosten kan. Maar er blijft toch een leegte in je hart.

Het is dubbel verdriet. Er zijn tranen van een liefhebbende man. En er zijn kindertranen… Maar, er zijn nog meer tranen! Hier zijn ook de tranen van een stervende moeder. Het is alsof ze haar kind, haar zoon probeert vast te houden. Wat een verdriet, dat ze haar kinderen niet meer zal zien opgroeien. En terwijl ze haar laatste adem uitblaast, grijpt ze als het ware haar kind vast (alsof ze hem wil blijven vasthouden) en roept uit: Ben-Oni!

Juist op een dag als vandaag, op deze laatste zondag van het jaar, kan zulk verdriet weer zo omhoogkomen. Het verdriet om het verlies van uw vrouw, om het gemis van uw man. Het verdriet om het verlies van je vader of moeder. Het verdriet om je peutertje, waar je zo aan gehecht was. Het verdriet om het verlies van je zwangerschap, om je ongeboren kindje dat stierf in je buik. Het lijkt wel of de tranen daarover nooit zullen opdrogen. Luister vanmorgen. Dit staat hier niet om je pijn te doen. Dit staat hier niet om je wonden open te halen. Dit staat hier omdat de Heere een boodschap voor je heeft.

Heel veel tranen dus langs de weg bij Bethlehem: tranen bij Jakob, kindertranen bij Jozef, moedertranen bij Rachel. Maar er is meer… De moedertranen van Rachel zijn zelf ook dubbele tranen. Want, waarom huilt ze zo? Ja, vanwege haar kind. Maar er is meer! Want wie in Israël een zoon kreeg, die kreeg hoop. Die kreeg hoop voor de toekomst, hoop op de komst van de Messias! Maar nu Rachel voelt dat ze sterven gaat, nu vervliegt die hoop. En dat maakt haar tranen zo bitter. Niet voor niets zegt Jakob: ‘Nee, er is wel hoop. Hij heet Benjamin!’ Jakob ziet dwars door de dood heen, dat de hoop niet is vergaan! Dat was toen…

Het is eeuwen later, in dezelfde streek, bij Rama, een kilometer of 8 ten noorden van Jeruzalem. Een stad in het gebied van de stam van Benjamin, ergens op de grens tussen de twee rijken: tussen het noordelijke rijk en het zuidelijke rijk, tussen Israël en Juda. Ruw worden de mensen bijeen gejaagd. Het doet denken aan de deportatie van onze Joden destijds in de Tweede Wereldoorlog.

De Babyloniërs jagen de mensen bij elkaar. Er wordt geschreeuwd, geschopt en geslagen. Rama is verzamelpunt, Rama is het laatste station voor de lange reis naar Babel. En, wie het niet gaat redden, die wordt hier alvast afgeslacht: jonge kinderen, zieken, ouderen. Rama is een bloedbad! En Jeremia is erbij. Later mag hij terug. Hij schrijft het in Jeremia 40:1.

Jeremia ziet het allemaal weer voor ogen, als hij profeteert in vers 15 en zegt: Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen (meervoud!); zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn (Jer. 31:15). Als dat verschrikkelijke drama zich voltrekt langs de weg bij Rama, dan is het alsof Rachel opnieuw wakker wordt. Zo hoort het gehuil en gaat meehuilen. Opnieuw huilt ze bittere tranen. Ze snikt het uit. Opnieuw druppen er tranen langste weg bij Rama. Zal ze deze kinderen ooit weerzien? Deze kinderen die nu geboeid worden weggevoerd naar Babel?

En opnieuw zijn Rachels tranen: dubbele tranen. Want de kinderen van Juda, worden weggevoerd uit het beloofde land, weg van de plaats der verzoening, weg van de offers, weg van de priesterdienst, weg van alles wat vooruitwees naar de komst van de Messias. En wat te denken van de Messias Zelf? Juda wordt weggevoerd. Dus ook het Kind uit de stam van Juda, de grote Davidszoon. Dan is de hoop vergaan! Dan is het echt een verloren zaak!

Hier klinkt niet alleen de klacht van een moeder, hier klinkt ook de roep uit een hart zonder hoop: nu is alles over en uit! Wanhoop op de plaats van de deportatie… Maar, luister! Was er bij de dood van de Rachel, Jakob die zei: ‘Er is hoop’? Nu is het Jeremia, die zegt in vers 16 en 17: Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen (niet huilen!); want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen. En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale (Jer. 31:16-17).

Hoe donker de weg weg naar de vervulling van Gods belofte ook is. Hoe hopeloos en verloren het ook lijkt te zijn. Maar het is niet verloren! Want God houdt Zijn beloftewoord!

Het is weer 600 jaar later. Het heeft gegonsd van de geruchten en van de berichten. De herders uit de velden van Efratha (dat is diezelfde omgeving, van Rama) hebben verteld wat ze gezien en gehoord hebben: een geopende hemel, een spreekkoor van engelen, en vooral het Kind in de kribbe. De Messias is geboren! En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders (Luk. 2:18). En ook anderen hebben Hem gezien: Simeon en Anna. En zij, Anna sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten (Luk. 2:38). En toen waren er de wijzen, de magiërs uit het Oosten, die de boodschap brachten in Jeruzalem: de Koning der joden is geboren, de grote Davidszoon!

Plotseling was er hoop, bij het volk dat zo verdrukt werd door de Romeinen. Eindelijk! Eeuwenlang klonk het: Er zal verlossing komen. En nu wordt er gezegd: de Verlosser is gekomen! Na eeuwen wachten en verwachten, is eindelijk de Messias geboren. In…? In Bethlehem!

En toen, die bloedige dag in… Bethlehem. De moeders van Bethlehem weten het nog als de dag van gisteren. Het was een dag als alle andere dagen. Totdat... plotseling de deur werd opengerukt door een Romeinse soldaat. Hij duwde iedereen opzij, keek om zich heen, liep regelrecht af op het bedje, en greep zonder aarzelen dat jongetje, dat kleine kereltje, dat daar zo heerlijk lag te slapen. Even flikkerde het zwaard. En toen was het gebeurd… Nee, nee! Mijn kind!

En terwijl moeder hartverscheurend riep, klonk even later diezelfde klacht uit het huis van haar buurvrouw ‘Nee, nee!’, en van daarnaast, en van daarnaast… Wat een tranen! Wat een verdriet! Mijn kind, ons kindje vermoord! Wat verschrikkelijk! Sommigen van u herkennen dit. Natuurlijk anders, maar toch ook weer niet. Want u voelt dezelfde pijn vanbinnen, als u in uw hart ook weer terugdenkt aan toen… Toen u thuis naast het bedje van uw kind zat. Toen u zat in die kamer op de intensive care. Waar u uw kindje in uw armen had, precies zoals die moeders in Bethlehem: levenloos, stil, de laatste adem weg, kwijt voor altijd… ‘O God, hoe moet het verder? Waarom toch?’ Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn! (Matth. 2:18)

Tranen na kerst. ’t Zijn opnieuw en wel heel bijzonder: dubbele tranen! Want de kinderen van Bethlehem zijn gedood. En dus… is ook het Kind gedood! Met Hem verging ook hun hoop. De Messias was geboren. Maar… hebben we ons dan toch vergist? Is nu toch alles alsnog verloren?

Maar dan klinkt opnieuw, dwars door alle verdriet en tranen heen, de stem van de profeet Jeremia: Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia… En wat zei Jeremia? In Jeremia 31:16-17? Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween en uw ogen van tranen (niet huilen!), want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen. En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale.

Wat een wonderlijke troost (voordat we verder gaan met de geestelijke betekenis van deze Schriftwoorden), wonderlijke troost voor de moeders van Bethlehem: Er is loon voor uw arbeid. Uw tranen zijn niet tevergeefs, spreekt de HEERE. Want zij zullen uit des vijands land wederkomen. De bekende bijbeluitlegger Matthew Henry zegt: ‘Ze zullen terugkeren, in hun gelukkige lot, door de opstanding, en ze zullen hun deel hebben in het hemelse Kanaän. De eerste martelaartjes hebben hun bloed gegeven voor Hem, Die na hen Zijn bloed zal geven tot hun verzoening.’ En een andere oude godgeleerde zegt: ‘Ze zullen opstaan (deze kinderen) en voor altijd met Christus wonen, op Wiens rekening hun leven genomen werd.’ Er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale (Jer. 31:17).

Dat is ook de werkelijkheid voor onze vroeg gestorven kinderen. Er is verwachting voor onze nakomelingen. Dat is de troost van gelovige ouders, van wie de Heere kind of kinderen in hun vroege jeugd heeft weggenomen. Wij zullen in de dag der dagen verenigd worden met onze kinderen. En zij zullen zien, het erfdeel dat voor hen verworven is door het Kind van Bethlehem. Zij zijn ons, vaders, moeders, niet ontvallen. Ze zijn ons voorgegaan.

Voordat we verder gaan met ons tweede punt, met de geestelijke lessen uit deze geschiedenis, gaan wij nu samen eerst zingen uit Psalm 106, daarvan het 24e vers. Nochtans was God met hen begaan, Hij zag hun angst, hun tranen aan, En hunner hateren verwoedheid, Hij dacht aan Zijn gestaafd verbond, En had berouw, naar al Zijn goedheid, Meêdogendheid met Israëls wond. ------

Gemeente, laat ik het laatste wat ik zei nog wat verder toelichten. Naar ik hoop en bid tot troost van ouders van vroeg gestorven kinderen.

Waarom spreken wij met zoveel hoop en verwachting over onze jong gestorven kinderen? a. Om dat, wat de Heere in Zijn Woord over hen zegt. Het valt namelijk op, dat God de kinderen in Israël en dus ook de kinderen van de nieuwtestamentische gemeente nadrukkelijk ‘Zijn kinderen’ noemt. Het zijn kinderen over wie Hij Zijn Naam uitgeroepen heeft. Het valt ook op dat de Bijbel nergens spreekt over kleine kinderen die verloren zijn gegaan.

Het valt verder op dat God in Zijn Woord op meerdere plaatsen op bijzondere wijze of met bijzondere liefde spreekt over kleine kinderen. Denk maar aan Psalm 8:3: Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest. God veracht de kleintjes niet, maar zorgt ervoor dat Zijn lof klinkt en klinken zal uit hun monden. Denk ook maar aan Jesaja 40:11, waar staat: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen.

En wat denkt u van Mattheüs 18:14? Waar de Heere Jezus zegt: Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren gaat. Of van Markus 10:16? Waar van de Heere Jezus geschreven staat: En Hij omving ze (de kinderen) met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.

Betekent dat, dat alle gestorven kinderen van de gemeente automatisch naar de hemel gaan?

Nee, daar zit helemaal niets in van automatisme of van vanzelfsprekendheid. Want we kennen ook de zucht van Job, die zegt: Wie zal een reine geven uit de onreine, niet één!

Waar hangt het lot van onze vroeg gestorven kinderen dan vanaf? Hangt het af van het getuigenis van een kind van God of van een bijzondere openbaring? Nee, dat kan een zegen zijn die de Heere geeft, maar beslissend is het niet. Hangt het af van de staat van de ouders, of ze bekeerd zijn of nog onbekeerd? Nee, dat zeker ook niet. Dat bepaalt wel of zij de troost ervan mogen ervaren. Immers troost van God ontvangen, dat kan niet zonder geloof.

Wat bepalend is en wat ons hoop en troost geeft als het gaat om de vroeg gestorven kinderen van de gemeente, is de toezegging van God. Dat wat de catechismus zegt: Hun is door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest Die het geloof werkt, toegezegd. De belofte rust op hen: Ik zal u tot een God zijn. En: U komt de belofte toe.

De belofte van het verbond, die deze kleine kinderen niet door hun zondige leven en dadelijke zonden hebben veracht, zoals bij anderen later in ongeloof en onbekeerlijkheid openbaar komt. Zij waren (zo zeggen de Dordtse Leerregels) heilig uit kracht van het genadeverbond.

Op hen rustte… Ja, zeker, ook de last van geestelijke dood en verlorenheid, de last van de erfzonde en de erfsmet. Maar tegelijkertijd ook de belofte, die aan hen is toegezegd. En daarom heeft de kerk altijd beleden, zoals staat in artikel 2 van de Contraremonstrantie: Dat voor Gods uitverkoren kinderen te houden zijn, niet alleen de volwassenen die in Christus geloven, maar ook de kinderen des verbonds, zolang als zij metterdaad niet het tegendeel bewijzen.

Dat is géén geloof in een veronderstelde wedergeboorte. Wie dat zegt, heeft er niets van begrepen. Onze kinderen zijn van nature verloren! Maar dat is een hartelijk geloof in de betekenis en de reikwijdte van de belofte van God voor de kleine kinderen van de gemeente, die de Heere in hun kindsheid wegneemt door de dood.

Waarom spreken wij met zoveel hoop en verwachting over onze jong gestorven kinderen? b. In de tweede plaats ook om wat onze belijdenis over hen zegt. Ik doel op artikel 17 van het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels, waar staat: Nademaal wij van den wil Gods uit Zijn Woord moeten oordelen, hetwelk getuigt dat de kinderen der gelovigen (volgens de akta van de synode zijn dat ‘de kinderen van de gemeente’) heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn, zo moeten de godzalige ouders (daarmee worden wedergeboren, godvrezende ouders bedoeld) niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt.

In dit artikel van onze belijdenis, dat wij van harte onderschrijven, worden eigenlijk twee dingen gezegd: a. De jonggestorven kinderen van de gemeente zijn heilig uit kracht van het verbond. Niet vanwege hun ouders, maar vanwege het genadeverbond. b. Maar de werkelijke troost ervan, is een zaak van geloof. En dus wordt die troost toegezegd aan godzalige ouders.

Waarom spreken wij met zoveel hoop en verwachting over onze jong gestorven kinderen? 3. In de derde plaats ook om wat onze gereformeerde vaders over hen gezegd hebben. Laten we luisteren naar een citaat van vader Brakel, die zegt: Alle kinderen der bondgenoten, hetzij bekeerden of onbekeerden, hetzij voor of na het ontvangen van de doop, in hun jonkheid stervende, moeten gehouden worden zalig te zijn, uit kracht van het verbond Gods in hetwelk zij geboren zijn, en alzo te zijn kinderen des verbonds. Zijn de ouders onbekeerd en trouweloos in het verbond, dat is op hun eigen rekening: de zoon zal niet dragen de misdaad van de vader.

Wie goed luistert, hoort in dit alles doorklinken de triomf van vrije genade, een halleluja op het eeuwig verbond der genade. En dat ver boven alle menselijke redeneren verheven! Want (zo zegt Paulus in 1 Korinthe 1:27): Het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; God zal, om Hem, om Hem alleen, om Zijn eeuwige welbehagen, uit de mond van miljoenen kinderen lof worden toegezongen!

We gaan naar ons tweede aandachtspunt:

2. De geestelijke lijn

Wat is nu de geestelijke les van deze geschiedenis? Ik noem vanmorgen een vijftal geestelijke lessen.

1. Hier is een eerste les voor iedereen die in de afgelopen periode een geliefde verloren heeft: een man of vrouw, vader of moeder, kind of kleinkind, vriend of vriendin. Je kunt je, met al je onopgeloste vragen, zo ontroostbaar voelen als Rachel. Wie kan je troosten? Niemand, zegt de wereld. Want niemand is ooit in staat om je vader of moeder, om je kind, om je vrouw of man terug te geven. Ja, dat laatste is waar, maar dat eerste niet. Wie kan troosten? God. Het is(!) geen schrale troost, wat de Heere zegt in Jesaja 66: Als een, dien zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten; ja, u zult te Jeruzalem getroost worden (Jes. 66:13).

U zegt: Hoe zal ik ooit die troost krijgen? Christus zegt: Kom tot Mij, Ik zal u rust geven (Matth. 11:28). Hij is de Weg, om tot die enige troost te komen. Zou Hij, Die van harte bereid is om uw zondetranen te drogen, niet de tranen willen drogen van uw stille verdriet? Hij wil ze beiden drogen. Bij God alleen is troost, ook voor alle tranen van dit leven.

2. Hier is een tweede les voor jongeren en hun ouders. Jongelui, je moeder, je vader kan stilletjes over je huilen. Zeker, ze zouden huilen als je sterven zou. Maar er zijn ook vaders en moeders die nu al huilen om hun kinderen. Om de weg die ze gaan, bij de Heere vandaan. Je bidt niet meer, je leest niet meer…

Dat is het stille verdriet van je vader en moeder. Vroeger hadden ze hoop. Ze stonden verwachtingsvol bij het doopvont. Maar nu lijkt hun hoop vergaan. Ik ben blij dat je er bent, dat je vanmorgen in de kerk bent. Maar pas op wat je doet. Zo gaat het fout. Je weg is een doodlopende weg. Als je doorgaat, kom je om. Straks is het te laat. Er is een weg terug! Het is de weg die Jeremia op zoveel plaatsen aanwijst: een weg van bekering, van berouw, van omkeren, van terugkeren naar God toe. Doe dat alsjeblieft!

En, ouders, bedwing uw stem van geween en uw ogen van tranen (niet huilen!), want er is loon voor uw arbeid. Betekent dat dat God het zal doen om onze tranen? Nee, maar het betekent wel dat uw tranen niet tevergeefs zijn. Houdt aan, grijp moed! Grijp God aan, om Zijn trouw, om Zijn verbondstrouw, om Zijn Naam, om Zijn eer en om Zijn zaak. Pleit biddend op de waarheid van Zijn beloftewoord. Want wat onze kinderen ook doen, God zal niet feilen in Zijn trouw, noch Zijn verbond ooit schenden!

3. Hier is een derde les voor troosteloze harten van ontwaakte zondaars. Voor mensen die wakker geschud zijn uit hun dodelijke rust. De Heilige Geest heeft Zelf uw ogen geopend. U zegt: ‘Nu zie ik mijn ellende en geestelijke nood’. En in diep besef van uw verloren staat, roept u tot God: ‘Wees mij toch genadig, Heere. Genâ, o God, hoor mijn gebed!’ U zegt: ‘Ik ben het waard, om net als in de tijd van Jeremia, om net als de ballingen van Juda, weggevoerd te worden. Ik zie geen hoop, ik heb geen verwachting. Het loopt zo vast in mijn leven.’

Hoe komt het dat u zo weinig hoop hebt? Hoe komt dat u geen licht ziet? Waarom heeft Rachel geen hoop? Waarom hebben de moeders in Bethlehem aanvankelijk geen licht? Omdat ze kijken naar de omstandigheden, naar hier en nu. Zoals we dat ook zo vaak doen. Onze ogen letten op de dingen die we zien, niet op de dingen die we niet zien. We kijken met twee ogen naar beneden, maar (zo zegt dominee Samuel Rutherford): u moet met één oog naar uzelf kijken, maar met uw andere oog omhoog!

Jakob kijkt omhoog, hij ziet op Gods belofte. En Jeremia wijst ons op het Woord van de Heere. En daarin alleen ligt hoop en houvast voor bedroefde, God zoekende zondaars. Luister naar het woord van de HEERE, u die God zoekt in al uw zielsverdriet.

Zo zegt de HEERE, de trouwe God van het verbond, Die Zijn beloften nooit schendt: ‘Het is niet hopeloos! Kijk niet naar de omstandigheden maar zie op Mij. Ik zal een weg banen!’

Jeremia heeft van die weg geprofeteerd. En zijn profetie is vervuld. Ik bedoel deze profetie uit Jeremia 23: Ik zal (zegt de HEERE) aan David een rechtvaardige Spruit verwekken. En dit zal Zijn Naam zijn: De HEERE ONZE GERECHTIGHEID (23:5,6). In Hem, in Christus, is gerechtigheid, voor mensen die geen gerechtigheid meer hebben van zichzelf. In Hem is hoop voor mensen die geen hoop meer hebben van zichzelf. In Hem is gerechtigheid, voor uw doodschuldige hart. In Christus, in het Kind van Bethlehem. Als Kind gelegd in de kribbe, als Lam geslacht aan het kruis. O, zie met een gebroken oog op Hem. Hij zal u genezen van uw dodelijke kwaal. Kom toch tot Hem, Die naar deze wereld kwam, juist om het verlorene te zoeken. U hoeft niets mee te nemen, dan uw verloren ziel. Zie op Hem en wordt behouden. Die tot Hem komt, zal Hij niet uitwerpen (Joh. 6:37).

4. Hier is een vierde les voor allen die God vrezen Waarom is Rachel zo troosteloos? Waarom stond ze als het ware op uit haar graf in Rama, toen het volk werd weggevoerd naar Babel? Waarom zijn de moeders van Bethlehem aanvankelijk zo ontroostbaar?

Omdat ze hun hoop kwijt zijn. Rachel wist dat de Messias komen zou. Juda hoopte op de komst van de Messias. Maar hun hoop ontviel hen. En de mensen in Bethlehem hadden het gehoord: de Messias is geboren. Maar hun hoop ontviel hen. En toen werd alles weer zo donker, misschien wel donkerder dan ooit tevoren.

En zo vergaat het ook zo vaak Gods volk nu. Er was blijde hoop en moed: het oog gericht op Jezus, zicht op Christus: mijn Hoop, mijn Troost, mijn Verwachting. Maar even later zong u: ‘Waar was mijn hoop, waar was mijn moed gebleven?

Luister eens. Gaat Juda niet in ballingschap om de zonden van het volk? Zucht Israël niet onder het juk van Herodes de Edomiet vanwege hun zonden? Is de troosteloosheid en donkerheid in ons leven niet vaak het gevolg van onze zonden? Als (zo zegt de profeet Jesaja heel eerlijk) onze ongerechtigheden scheiding maken tussen ons en tussen onze God, als onze zonden Zijn aangezicht voor ons verbergen, dat Hij niet hoort (Jes. 59:2). We bedroeven de Heilige Geest en… het wordt donker. Daar moeten we niet de Heere de schuld van geven. De oorzaak ligt meestal hier, bij ons!

Er zijn twee dingen, die ik hier graag van zou willen zeggen. In de eerste plaats is er in de Bijbel altijd de oproep: Bekeer u, keer terug!

En tegelijkertijd is er, Gode zij dank, ook altijd weer de belofte, ook bij de profeet Jeremia: Ik, de HEERE, zal ze Zelf terug brengen. Terugkeer, bekering, is opdracht. En, terugkeer, bekering (Jeremia is er vol van) is het werk van Gods Geest. Die Zelf altijd, voor het eerst en opnieuw, bekering en terugkeer werkt in het hart van mensen die uit zichzelf nooit zouden terugkeren.

Hoe? Door welke weg? Door een weg van berouw, van hartetranen en verdriet: ‘Heere, waarom ben ik toch weer van U weggelopen?’ Zijn dat uw tranen? Er is loon voor uw arbeid. Dat wil zeggen: uw tranen zijn niet voor niets. Dat is de weg om terug te keren. En waarom is die weg er? Waarom mogen we terugkeren? Niet om onze tranen of om iets anders van ons. Het kan alleen om de tranen van het Kind van Bethlehem, om de gebeden van de Man van smarten en om het zuchten van de Heilige Geest in onze harten.

De Heere zegt: Zij zullen wederkomen, want Ik zal het doen. Laten wij dan biddend zeggen (na al ons dwalen en verdwalen): Laat ons dan wederkeren tot de HEERE (Hos. 6:1).

5. Tot slot, een vijfde, een laatste geestelijke les. Het is een vraag voor u, voor mij, voor ons allemaal. Gemeente, u kunt niet twee heren dienen. U dient één van twee. a. U dient of God, Die Zijn Zoon gaf, Die vrede bracht op aarde. De engelen zongen ervan. Bij Hem is zelfs troost voor het allerbitterste verdriet dat u in het afgelopen jaar of in de tijd daarvoor overkwam. b. Of u dient de duivel, die zwakken en kinderen doodde langs de weg in Rama, en die de kleintjes van Bethlehem liet doorsteken met een zwaard.

Geliefde gemeente, bedenk op deze laatste zondag: Wie is uw meester? Wie dien jij? Kies u heden wie u dienen zult (Joz. 24:15).

Onbekeerde vrienden, laat u op deze laatste zondag toch nog met God verzoenen. Breek met uw zonden. Breek met uw vroegere meester. En kus de Zoon. Kus het Kind van Bethlehem.

Amen.