24 oktober 2013
Galaten 2:19: Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou.
INLEIDING
Paulus verdedigt de rechtvaardiging door het geloof alleen: niemand wordt gerechtvaardigd uit de werken der wet. Toch is dit geen vrijbrief tot zonde. De wet bracht Paulus tot sterven aan zichzelf — hij zag zijn onvermogen en werd heengedreven naar Christus. Met Christus gekruisigd, leeft hij niet meer zelf, maar Christus in hem. Wie zo aan de wet gestorven is, gaat juist Gode leven: niet uit angst voor straf, maar uit liefde, als kind, gedreven door dankbaarheid voor Christus' genade.
De rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof alleen
GALATEN 2:16-21
16 Doch wetende dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden.
17 Maar indien wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde? Dat zij verre.
18 Want indien ik, hetgeen ik afgebroken heb, datzelve wederom opbouw, zo stel ik mijzelven tot een overtreder.
19 Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou.
20 Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.
21 Ik doe de genade Gods niet teniet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Galaten 2:19
THEMA
De rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof alleen
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, in het hoofdstuk dat ons voorgelezen is, in Galaten 2, horen we hoe Paulus Petrus bestraft heeft, omdat hij mee deed en mee huichelde met de Joden uit Jeruzalem. Zij vonden dat de heidenen de wet moesten houden, als een voorwaarde om zalig te worden. De werken der wet (goed doen, zelf presteren) als voorwaarde om behouden te worden. Maar, zo zegt Paulus in vers 16, de mens wordt niet gerechtvaardigd uit de werken der wet. Daarover en over de volgende vijf verzen gaat de preek van vanmorgen/-middag.
De mens, zegt Paulus, wordt niet gerechtvaardigd uit de werken der wet. Maar, ja u hoort de reactie natuurlijk al aankomen. Kijk maar in vers 17: Maar indien wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde? Dat zij verre. Dat zij verre, zegt Paulus. Hij bedoelt te zeggen: als zelfs wij (nette Joden) die de wet houden, even grote zondaars zijn als de heidenen, ja, waar doe je het dan allemaal voor? Dan lijkt het alsof Christus een vrijbrief geeft om te zondigen: Doe dan maar, leef dan maar normloos en wetteloos. Maar Paulus zegt: dat zij verre. Duizend keer nee!
Twee argumenten geeft Paulus aan. Kijkt u maar in vers 18 en 19. Twee verzen die beginnen met het woordje want. a. Het eerste argument staat in vers 18: Want indien ik, hetgeen ik afgebroken heb, datzelve wederom opbouw, zo stel ik mijzelven tot een overtreder. Als ik de muur van de ceremoniële wetten die Jood en heiden scheidden, die door de dood van de Heere Jezus Christus afgebroken is, weer opbouw en mijzelf daar achter verberg en verschuil, dan, zegt Paulus, ben ik weer een overtreder. Want de wet beschuldigt mij. Dan word ik een overtreder. Ikzelf. Niet Christus, maar ik die de wet niet kan houden. Met andere woorden: je moet Christus niet beschuldigen, maar je moet jezelf beschuldigen.
b. Het tweede argument, wat staat in vers 19, is eigenlijk een heel persoonlijk argument van Paulus. Hij zegt: Als deze leer zou leiden tot een zorgeloos en wetteloos leven, dan zou dat ook botsen met mijn diepste bevinding, met mijn persoonlijke ervaring voor God.
Want, zo zegt hij in vers 19: Ik ben door de wet der wet gestorven, opdat (met het doel) ik Gode leven zou. Ik ben door de wet aan de wet gestorven. En, vers 20, ik ben met Christus gekruisigd. Toen Hij aan het kruis hing, nam Hij mij in Zijn armen, droeg Hij mij in Zijn hart. En zo ging Hij de dood in en zo is Hij opgestaan.
En ik leef, zegt hij in vers 20, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Letterlijk staat er: het is niet langer ik die leef, want ik ben met Christus gekruisigd. Met andere woorden: ik was een trotse farizeeër en ik dacht dat ik de wet wel zou kunnen vervullen. Maar dat ik is gekruisigd, dat is gedood. Ik ben verlost van die zondige dwaasheid. Ik heb het allemaal schade (dat wil zeggen: verlies) en drek (dat wil zeggen: vuilnis) geacht om de uitnemendheid van Christus Jezus (Filippenzen 3:8Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.).
En nu? Nu zondig ik lekker door, want ik ben toch vrij van de wet? Nee, zegt hij in vers 21. Want hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God Die mij liefgehad en Die Zichzelf voor mij overgegeven heeft. Ik leef niet meer voor mezelf en van mezelf, maar Christus leeft in mij. En ik put kracht uit Hem om te leven. Uit Hem, Die Zich voor mij, in mijn plaats, overgegeven heeft. Waarom deed Hij dat? Opdat ik zou leven tot eer van Hem. Voor Hem, met Hem, tot Hem en op Hem gericht.
Geeft deze leer van de rechtvaardiging uit het geloof (want daar gaat het over in deze verzen) een vrijbrief om te zondigen? Nee. Want, zegt Paulus in vers 19 (en ik neem dat als uitgangspunt voor deze dienst) Ik ben door de wet der (aan de) wet gestoven, opdat ik Gode leven zou.
Je zou kunnen zeggen dat de tekst, vers 19, de samenvatting is van wat Paulus bedoelt in vers 16 tot en met 21. Het gaat vanmorgen/-middag over (fat si het thema van de preek): De rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof alleen
Er zijn twee delen in de tekst, en dus zijn er twee aandachtspunten in de preek: 1. Gestorven aan de wet 2. Gode leven
Als u trouwens (even tussendoor) thuis nog wat verder wilt lezen over deze tekst, over Galaten 2:19, er is een heel leerzame preek van dominee Ralph Erskine getiteld Het sterven aan de wet. U moet maar eens kijken of u die hebt of dat u die van internet kunt downloaden. Een heel leerzame preek. Ik heb hem, zeg ik u eerlijk, ook bij de voorbereiding van deze preek gebruikt. Ons eerste punt:
Ik ben, zegt Paulus, gestorven aan de wet. Dus… ik ben vrij. Want, zegt Paulus in Romeinen 7, als je man of vrouw gestorven is, dan ben je vrij.
Dus, als je gestorven bent aan de wet, dan ben je vrij, dan ben je niet meer gebonden. Ik ben aan de wet gestorven. Ik ben vrij. Dus ik mag… alles? Ben ik nu vrij om te zondigen en te doen wat ik zelf wil? Nee, want dat zou volledig strijden met het tweede gedeelte van vers 19: opdat ik Gode (tot eer van God) leven zou.
Wat Paulus eigenlijk wil zeggen, is dit: ik heb geleerd en door Gods genade gezien dat de wet niet de weg is tot het leven, dat de wet geen weg is tot behoud voor mijn ziel. Uit de werken der wet (door doen, werken, presteren, goed je best doen) zal geen vlees (zal niemand) voor God rechtvaardig worden.
Vroeger was dat wel zo, in het paradijs. Daar sloot God (je weet dat, jongens en meisjes, van de catechisatie) een werkverbond met Adam. De opdracht, de eis van dat verbond was: doe dat (wees gehoorzaam, doe je best en luister) en u zult leven. Maar als je het niet doet, dan zul je sterven. Dat is de taal van de wet: doe dat, doe je best. Werken en verdienen.
Heel veel mensen (en kijkt u maar in uw eigen hart en ik in het mijne), heel veel mensen leven nog volgens dat oude levensprincipe: Doe dat en u zult leven, en zo niet, dan zult u sterven. En… ze denken dat ze het daarmee gaan redden voor de eeuwigheid.
Kijk maar in uw hart: het zijn mensen die zich uitsloven in het vervullen van hun plichten, nauwlettend kijkend naar de zuiverheid van de leer, ijverig, netjes, voorbeeldig. Maar (en daar gaat het om) diep in hun hart, daar zit het echte probleem: stiekem stellen ze hun hoop op de dingen die ze doen, die ze werken. En ze vergeten ondertussen wie ze zijn in hun hart, verloren Adamskinderen, onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. Maar Paulus zegt: Ik ben daar aan gestorven. Die weg is geblokkeerd. Dat is een doodlopende weg. Door de wet ben ik gestorven aan die manier van proberen zalig te worden, door te werken, te doen en te verdienen. En dat heb ik geleerd door de wet. Ik ben door de wet aan de wet gestorven. Door de wet van de Tien Geboden. Die wet heeft mij laten zien dat dat de wet een onbegaanbare, geblokkeerde en doodlopende weg is.
Dat ben ik gaan zien, zegt Paulus, door de wet. Er is een moment gekomen in mijn leven dat de wet kwam. Om Bijbelse beeldspraak te gebruiken: die wet priemde als het ware in mijn hart (Handelingen 2:37En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?). Als een naald kwam de wet in mijn leven. De wet ging eisen, ging me een spiegel voorhouden die steeds dichterbij kwam. De wet liet me zien dat God heilig is, en dus helemaal geen genoegen neemt met een beetje inspanning, met een beetje mijn best doen. God vraagt alles, volkomen heiligheid. God spreekt letterlijk de vloek uit over alles wat maar enigszins te kort en gebrekkig is. Zoals Paulus later schrijft: Want zovelen er uit de werken der wet gerechtvaardigd zijn, die zijn onder de wet (die leven volgens dat
principe). Want er is geschreven: vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen (in alles wat) geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Galaten 3:10Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.).
De wet kwam in mijn leven, prikte in mijn hart en me liet zien: God is heilig. De wet liet me ook de uitgebreidheid, het geestelijke karakter van de wet zien. Zoals de dichter zegt: Uw gebod is zeer wijd (Psalm 119:96In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.). En toen, zegt Paulus, zag ik het. Ik dacht dat ik goed bezig was, maar nu, Heere, nu zie ik dat ik al Uw geboden overtreden heb. Zwaar (heel erg) en menigmaal (heel vaak) heb ik gezondigd. Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. En toen, zegt Paulus als het ware, toen zag ik, diep overtuigd in mijn hart: ik doe alleen maar zonde. Met mijn ogen, met mijn oren, mijn handen, met alles. En daarbij draag ik ook de zonde mee uit het paradijs. Het is eigenlijk nog erger. Ten diepste ben ik zonde. En ik heb dus geen enkel vermogen in mijn om de wet te houden. Daarom zegt Paulus op een andere plaats: het vlees (de zondige mens) is krachteloos (Romeinen (8:3).
Toen de wet in mijn leven kwam, toen erkende ik uiteindelijk ook Gods rechtvaardigheid. Toen ben ik gaan buigen en heb ik gezegd: Uw doen, o heilige God, is gans rechtvaardig. Toen raakte ik al mijn excuses en uitvluchten kwijt en zei ik: Heere, U hebt gelijk! In de nacht van mijn zonde-overtuiging riep en zei ik: Onrein, schuldig, verloren sta ik tegenover U. Toen, toen ben ik door de spiegel van de wet, waar de Heere me in liet kijken, gaan wanhopen aan alles in mezelf, aan mijn eigen vermogen en aan mijn eigen kracht. Voorheen zag ik zoveel goeds in mezelf. Dat gaf me hoop. Maar toen zag ik: het is allemaal een wegwerpelijk kleed. Schade. Geen winst, maar verlies. Drek, vuilnis, waardeloos! Het zal me nooit tot God terugbrengen. Het zal me nooit terugbrengen in een staat van vrede en verzoening met God. Sterker nog: het is (dat werken) ten diepste vijandschap tegen God! Zoals Paulus zegt in Romeinen 8: Daarom, het bedenken des vleses is vijandschap tegen God. Je denkt wel dat je werkt, dat je meewerkt, maar het is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet. Die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen!
Kijk eens in uw hart, gemeente. Hebt u dat wel eens persoonlijk in stilte voor God beleden, in de nacht van uw zonde-overtuiging? Heere, in mij is niets. Ik heb wel gedacht dat ik altijd goed bezig was en een voorbeeldig mens was, maar doorgrond mij en ken mijn hart, o Heere. Hier is helemaal niets. Alles aan mijn kant is verloren! Heb u dat wel eens tegen de Heere gezegd?
Paulus zegt: Zo heeft de wet (die scherpe priem die in mijn hart prikte) me het doodlopende, het geblokkeerde van die weg laten zien. Van het doen van de wet om zalig te worden. Ik ben gaan wanhopen aan mijn eigen kracht en aan mijn eigen vermogen. En dat(!) heeft me uitgedreven naar Christus. Zo heb ik geleerd dat ik Hem nodig heb tot verzoening van mijn schuld.
Wanhopen… eigenlijk is het nog sterker, want Paulus zegt: Ik ben er aan gestorven. Gestorven aan de wet als weg, als manier om zalig te worden. De wet is niet veranderd, maar er is in het leven van Paulus iets veranderd. De wet, het gebod is precies hetzelfde gebleven. God heeft Tien Geboden gegeven, maar Hij heeft ze niet ingetrokken. De wet is gebleven, maar Paulus heeft door Gods genade leren zien: de wet als weg naar de hemel, als manier om behouden te worden? Dat is uitgesloten! Hij zegt: Ik ben er aan gestorven. Dat wil zeggen: ik ben al mijn hoop op mezelf kwijt geraakt. Want als de dood komt, dan is er geen hoop meer.
En daarom ligt hier ook een toets voor ons hart. Zolang je niet gestorven bent aan de wet, koester je hoop van binnen in je hart. Je zegt dat natuurlijk niet hardop, maar van binnen is het er wel. De hoop dat God toch aan me zal denken en toch tenminste gunstig gestemd zal worden door wat ik doe, of door wat ik laat. Door mijn netheid en mijn ijver, door mijn godsdienst (net als Paulus) en door mijn goede levenswandel. Maar wie Christus toebehoort, heeft geen enkele hoop meer op iets van zichzelf. Die zegt: Het is uitgesloten dat er ooit iets zal zijn van mezelf, wat God in mij ziet en wat aangenaam is in Zijn oog. Dat is uitgesloten! Ik ben daar aan gestorven, zegt Paulus. Ik heb er geen hoop meer op en (dat is ook een betekenis van ‘gestorven zijn’) ik kan er ook niet meer mee werken.
Als je zogezegd ‘getrouwd bent met de wet’ als manier om zalig te worden, en je doet je best en het lukt een beetje, dan vind je rust en ben je ook weer een beetje blij in je slavenwerk. Maar als het niet lukt? Ja, dan word je geplaagd door angst en schrik. Want je hebt het gebod overtreden. Maar als je in Christus bent, vind je rust in Hem. Rust in Hem, Die gezegd heeft: Komt herwaarts tot Mij (met de ondragelijke last van uw zondeschuld) die vermoeid en belast zijt (belast met zonde en vermoeid werken) en Ik zal u rust geven (Matthéüs 11:28).
Dood aan de wet als manier, als regel om zalig te worden. Dat wil letterlijk zeggen: het is over, het is uit, het is voorbij, met mij. Gaat dat gemakkelijk? Nee, want u weet net zo goed als ik, dat sterven een moeilijk, verdrietig en pijnlijk proces is. Dat is hier ook zo, met het sterven aan de wet als weg, als manier om zalig te worden. Want ik wil eigenlijk zo graag vasthouden aan dat meewerken, aan het doe-het-zelven. En het oude ik in mij wil maar niet sterven. Ook al ben ik van eigenaar verwisseld en leef ik onder een ander Hoofd, namelijk Christus, maar mijn hart wil maar niet. Mijn hart helt altijd maar weer over naar dat oude systeem van werken, verdienen, je best doen en bang zijn om gestraft te worden. Mijn hart helt daar naar over, omdat ik me daar zo goed bij voel, omdat dat zo goed bij me past. Ik verwacht de gunst van de Heere als ik goed mijn best heb gedaan en ik verwacht harde slagen als ik in zonde gevallen ben. Ten diepste wil ik in mijn hart niet sterven aan dat oude systeem van werken en verdienen. Weet u waarom niet? Omdat het me volledig, maar dan ook volledig uitschakelt.
Het zet me volledig aan de kant en dat vernedert me zo diep, mijn trotste hart wil daar niet voor buigen. Ik wil ook een rol spelen! Ik wil meedoen! Mijn gerechtigheid, mijn goede werken, mijn goede leven, mijn probeersels… Maar de wet smijt me als het ware op de grond en zegt: waardeloos! Ik krabbel weer overeind, krijg weer een beetje hoop en probeer het nog een keer. Weer gooit de wet me ondersteboven en dringt me om in hopeloosheid (als het gaat om mijn eigen proberen) te vluchten naar Christus! Mijn hart verzet zich daar tegen, daar ben ik een vijand van. En toch…, en toch: als de Heilige Geest me leert buigen, erkennen en belijden, dan is dat sterven aan jezelf zo bevrijdend en verblijdend. Het vernedert je diep, het legt je als zondaar plat op de grond voor God. Maar daar rust je op de Rots Christus en daar wordt Christus juist verhoogd.
Dat is tegelijkertijd de bedoeling van dat sterven, want dat sterven staat niet op zichzelf, dat is niet het einde. Dominee Ralph Erskine zegt in het eerder genoemde boekje dat de naald van de wet (die zo prikt) de weg baant voor de draad die er achter aan komt, de draad van het Evangelie. De wet, zegt Paulus later in hoofdstuk 3:24, is de tuchtmeester tot Christus. Dat is het doel van de wet. De wet drijft tot Christus, opdat we gerechtvaardigd worden door het geloof. Die hopeloosheid over onze eigen mogelijkheden drijft ons uit onszelf weg, naar Christus toe en brengt ons als arme bedelaars, als failliete zondaars aan Jezus’ voeten. De wet laat ons zien, dat er in ons en van ons geen hoop meer is, zodat we de zaligheid buiten onszelf gaan zoeken in de Heere Jezus Christus. We vluchten, zegt Erskine, onder de strenge hand van schoolmeester Wet naar de liefelijke vleugels van Christus Jezus.
Ik ben door de wet aan de wet (als weg ten leven) gestorven. Maar, zo zult u zich ondertussen afvragen: Hoe weet ik voor mezelf of ik nu ook aan de wet gestorven ben als weg tot behoud en tot leven? Dat kan je weten. Als je gestorven bent aan de wet, dan heb je geleerd (dat is dat stervensproces) dat je voor de heilige en rechtvaardige God onbekwaam bent tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. Misschien heb je wel geprobeerd om het wat beter te maken, maar uiteindelijk heb je het toch moedeloos opgegeven: ik ben onverbeterlijk. Je hebt er iets van geleerd, van wie je zelf bent. En als je aan de wet gestorven bent, dan heeft de wet je heengedreven naar Christus. Dat wil zeggen, dat je helemaal niets meer van jezelf verwacht, maar in alles op Hem ziet. En al je kracht is alleen maar geleende kracht van Hem.
Je kunt dat zeggen met je mond, maar misschien blijkt dat nog het meest uit je leven, uit je hart, of je gestorven bent aan de wet of niet. Want als ik naar het tegenovergestelde kijk (het nog leven volgens het oude principe van werken, verdienen en straf krijgen, het oude levensprincipe van het paradijs), dan ben je misschien diep in je hart toch nog een beetje gelukkig met jezelf.
Kijk maar in uw hart. U zult het niet hardop zeggen, maar misschien dankt u soms wel stilletjes bij u zelf in uw hart: ‘Heere, dank U, dat ik niet ben zoals die… of die…’ Dat is een bewijs dat u leeft onder de wet en niet bent onder de genade, wanneer u ook naar maar enigszins gelukkig bent met uzelf. Op een ander moment zegt u van uzelf: ‘Ik val mezelf zo tegen!’ Hoezo? Had u dan nog enige verwachting van uzelf?
Het is een bewijs dat u niet leeft onder de genade, maar onder de wet, als u behoorlijk geraakt kan zijn als God ineens naar uw hart wijst. En hoewel u zegt, dat u van een ontdekkende prediking houdt, als die prediking ineens ontdekkend naar uw eigen hart wijst, en alle stekels gaan overeind en (dan komt het) u zegt: ‘zo ben ik niet!’, dan is een teken dat u leeft onder de wet.
Het is een teken dat u leeft onder de wet en op een dood spoor bent, als u ontevreden bent, moppert en niet begrijpt waarom God toch geen antwoord geeft op uw gebeden. U denkt: ‘God moet mij toch wel een keer antwoord geven, als ik zo mijn best doe en zo vaak bid?’ Zoals staat in Jesaja 58: Waarom vasten wij, en Gij ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziel (dat is slavengodsdienst!) en Gij weet het niet? (Jesaja 58:3a). Dan leeft u onder de wet.
En u leeft óók onder de wet, op een wettische wijze, als u gerust leeft en tevreden bent als een preek, een meditatie, een stukje in de Saambinder uw hart raakt (er is emotie, er is weer een traan) en u zegt: ‘Gelukkig, zie je wel: het zit toch goed met me, want (en dat zit erachter!) ik heb iets.’
Het is, gemeente, allemaal van het oude principe uit het paradijs: doe dat en gij zult leven. Dat kan je wel proberen, hoor, maar je gaat het niet redden. Paulus zegt: het vlees is krachteloos, niet in staat, onbekwaam.
De grote levensvraag die opkomt uit deze tekst is, of u de Persoon van Christus kent in uw leven, of u de toevlucht tot Hem genomen hebt. Dat is nodig om straks te kunnen sterven. Maar (niet vergeten!) er komt nog iets voor: dat is ook nodig om hier op aarde Gode (gericht op God, voor God) te kunnen leven. En alles daarbuiten is niet genoeg. Er kan een omkeer gekomen zijn in je leven: een gedragsverandering, je kunt netjes geworden zijn, bekeerd van de kroeg naar de kerk, maar het is niet genoeg. Je kunt de rechtzinnige leer belijden, je kunt zelfs zeggen met je mond dat je de rechtvaardiging van de goddeloze belijdt en niet door de werken, maar dat is niet genoeg. Je kunt je vernederen, zoals koning Achab deed, je kunt tranen huilen zoals Ezau en Judas deden, je kunt zelfs (zoals de mensen die in de Hebreeënbrief genoemd worden) verlicht zijn, hemelse gaven gesmaakt hebben, je kunt voor het oog schijnbaar godzalig leven, maar daar gaat u het niet mee redden. Want, zo heeft de Heere Jezus: Ik zeg u: tenzij uw gerechtigheid (uw werken, uw proberen) overvloediger is dan de Farizeeën en de Schriftgeleerden (nou, zo goed bent u nu ook weer niet) u zult het Koninkrijk Gods geenszins ingaan (Mattheüs 5:20Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.).
U en ik, wij moeten het eigendom van Christus worden, met Hem verenigd worden door het werk van Gods genade in ons hart, afgesneden uit de oude stam van Adam en ingeplant, ingeënt in de nieuwe stam Jezus Christus. Verzoend met God door het bloed van Christus. En zolang we dat niet zijn, zal God geen enkel werk (helemaal niets!) van ons aannemen. Het zal Hem niet behagen. Hij walgt er van.
Want, zo zegt de Heere bij monde van Jesaja tegen mensen die alsmaar proberen hun best te doen, hun leven te verbeteren: brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden en sabbatten en bijeenroepen van vergaderingen, vermag Ik niet. Het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen (Jesaja 1:13Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.). En zo zegt de Heere, bij monde van Amos, tegen mensen die alsmaar proberen hun eigen leven te verbeteren in de hoop daarmee een weg naar de hemel te banen: Ik haat, Ik versmaad uw feesten en Ik mag uw verbodsdagen niet ruiken. Want hoewel u Mij brandoffers offert en spijsoffers, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag ik niet aanzien. Doe dat getier van uw liederen van Mij weg, want Ik mag ook het spel van uw luiten niet horen (Amos 5:21-23Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken. Want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien. Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uwer luitenspel niet horen.).
Gemeente, het maakt de duivel helemaal niet uit, hoe goed u bent of hoe goed u denkt te zijn. Hoe goed u uw best doet, hoe vaak u uw plichten vervult, hij vindt het allemaal prima. Als u maar niet tot Christus komt. Maar u en ik, wij moeten sterven aan de wet als weg naar de hemel. Het is een doodlopende weg. Anders –en dat is onze tweede gedachte– kunnen we Gode niet leven.
Laten we gaan zingen, voor we verder gaan met het tweede punt, uit Psalm 119, het 64e vers. 'k Heb Uw geboôn, mijn God, dies meer dan goud, Ja, 't fijnste goud, bemind, en Uw bevelen In alles recht en vlekkeloos geschouwd, Op 't hoogst volmaakt tot in hun minste delen; 'k Heb op geen pad der valsheid mij betrouwd, Maar dat gehaat, hoezeer 't mijn vlees kon strelen.
Je hoort de verwondering en de verbazing, de blijdschap en de dankbaarheid doorklinken in de stem van Paulus als hij zegt: Ik (vijand van God die me zo verzette) ben door Gods genade en kracht (het is Gods werk in mijn leven) gestorven aan de wet. Ik heb tenslotte gecapituleerd en heb me zelf overgegeven. Ik ben gestorven aan de wet. En de wet heeft mij heengedreven naar Christus. En dat alles had één doel (en dat is het tweede deel van vers 19): opdat ik Gode leven zou.
Als je door Gods genade aan de wet gestorven bent, als je in Christus overgezet, overgeplant bent door het werk van de Heilige Geest, dan pas kan je Gode leven.
Dat wil zeggen: je wordt geen godzalig persoon door heel hard te werken of heel hard je best te doen, maar je moet eerst een godzalig persoon zijn door de verbinding, de vereniging met de Heere Jezus Christus. Daar gaat het om! En als dat zo is, dan komen er vanzelf vruchten. Niet uit je eigen hart, maar uit Zijn hart. Uit Zijn bron vloeien ze in ons leven door. Door levendmaking, door wedergeboorte gaat een mens, gewerkt door de Heilige Geest over van het werkverbond (‘doe je best; doe dat en gij zult leven’) naar dat andere verbond, het verbond der genade.
Christus zegt: Die in Mij blijft, die draagt veel vrucht (Johannes 15:5m). En dat is de kern van deze verzen. Deze leer maakt geen zondige, slordige en luie christenen. Paulus zegt: Juist daardoor, doordat ik uiteindelijk moest capituleren als een onvermogend en onwillig zondaar voor God en heengedreven ben tot Christus, juist daardoor leef ik Gode. Dat wil zeggen: voor God, met God, gericht op God, in een nieuw leven door het geloof in de Heere Jezus Christus.
Dus: geen leven onder de wet, maar onder de genade. Zo zijn we geen slaven meer (waarom kwellen wij onze ziel dan, met al die regeltjes en wetjes in een poging om zo de hemel te bereiken?), we zijn kinderen. En dus? Als je kind bent ga je weer de zonde dienen? Nee, zegt Paulus, dat zij verre! Nee! Duizend keer: Nee! Als je kind van God bent, dan zeg je: ‘Hoe lief heb ik Uw wet, ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, met heel mijn hart en met heel mijn ziel. En dat doe ik niet omdat ik bang ben omdat ik straf krijg als ik uw wet niet houd, maar het is de hartelijke liefde van mijn hart om uw wil te doen. Als je kind van God bent, gestorven aan de wet, levend van genade dan is dat niet alleen een garantie voor de hemel straks, maar dan ga je hier op aarde in al je zwakheid en struikelen in beginsel Gode leven. Leven voor God, met God, gericht op God, gericht op de eeuwigheid. In een biddend leven, in een afhankelijk leven, in een leven dicht bij het Woord van God. Gods verborgen omgang, vinden zielen waar Zijn vrees in woont.
Maar dat verborgen leven wordt ook zichtbaar. Dat kan niet anders. Dat wordt zichtbaar in… alles. Zoals de Heere Jezus gezegd heeft in Mattheüs 5: Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken (uit liefde en dankbaarheid) mogen zien en (dan komt het doel) Uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken (Matthéüs 5:16). Het wordt zichtbaar in alles, in liefde tot elkaar, in oprechtheid en eerlijkheid, in betrouwbaarheid in het onderlinge contact. Het komt openbaar in de strijd tegen alle vuilheid die in deze moderne maatschappij iedere dag op je hart en je ogen afkomt. Dan wordt het zichtbaar in je leven, dat je je naaste lief krijgt als jezelf. Niet alleen je bevriende naaste, maar de Heere Jezus heeft gezegd: ook en juist je vijanden. Het wordt zichtbaar in het geven, zoals de Heere Jezus dat zei, van aalmoezen. Dat wil zeggen: barmhartig zorgen voor en wat je hebt delen met mensen in nood. Het wordt zichtbaar in het niet veroordelen van elkaar, in ootmoedig en bescheiden zijn.
Dat Gode leven wordt zichtbaar en merkbaar in je gerichtheid op de hemel. Daar word je, door Gods genade, een hemels mens van. Vergadert u geen schatten op de aarde. Waar uw Schat is, bij Christus, daar moet ook uw hart zijn!
Laten we de diagnose maar eerlijk stellen: is dat niet de nood van deze tijd, dat wij die door Gods genade kinderen van God werden, geen hemelse mensen zijn? Waar het aan te zien, aan te ruiken is, dat we met Christus geweest zijn? En daarom haken sommige van onze jongeren af. We moeten niet wijzen naar hen, het is onze schuld! Als wij meer Gode zouden leven, zou het veel meer jongeren en ouderen trekken tot de dienst van de Heere.
Als je kind van God bent dan zeg je: ‘Hoe lief heb ik Uw wet.’ Dan ga je niet zorgeloos worden. Dan ga je niet los worden. Dan ga je niet in de zonde leven. Dat kan niet. Want de liefde van Christus trekt aan je hart tot wederliefde om voor de Heere te leven. En als je dan zo leeft als kind, door Gods genade, krijg je geen slavenloon, maar een genadig kinderdeel. Slaven worden beloond naar wat ze presteren of naar wanprestatie. Als je goed presteert en heel hard werkt, krijg je een mager loon en een beetje te eten. Als je niet presteert krijg je een stevig pak slaag. Maar zo werkt het niet tussen vader en kinderen. Daar draait echt alles om liefde. Ik citeer u woorden uit Johannes 14, waar Jezus zegt: Die Mijn geboden heeft en dezelve bewaart (horen en doen dus!) die is het die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd en Ik zal hem liefhebben; en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren (Johannes 14:21). Dus: dat Gode leven heeft ook voor Gods kinderen zelf een gezegende vrucht in zich, namelijk dat in die weg de duisternis en donkerheid meer opgeklaard zal worden, omdat Christus Zichzelf meer aan ons gaat openbaren.
Als je kind bent, ben je ook vrij van dreiging. Als je leeft onder de genade (hoewel wij vaak overhellen naar dat oude levenspatroon) dan hoef je niet te vrezen voor straf, toorn en oordeel. En daarbij ben je in alle dingen van het dagelijkse leven verzekerd van de hulp en kracht die komt uit het Hoofd Christus. Hij geeft alles wat je nodig hebt: kracht, liefde, ijver en verbondenheid met de hemel. En daarom is het zo’n goed en gelukkig leven als een arme zondaar, levend van de rijkdom van de genade die er is in Christus Jezus.
Maar als je door die genade een zorgeloos en goddeloos mens wordt… dan zit het fout. Dan ken je geen genade. Het is alsof Paulus zegt: Ik preek niet alleen scherp de rechtvaardiging door het geloof en niet door de werken van de wet, maar ik preek net zo goed heiligmaking, Gode leven. En die twee zitten aan elkaar vast. Want het is niet zo dat ik gestorven ben aan de wet en daarna was alles voorbij. Nee (vers 20), nu leeft Christus in mij. Nu leef ik niet meer van mezelf, maar leef door het geloof in Hem, in de Zoon van God. Dat wil zeggen: in alles steun ik op Hem, put ik kracht uit Hem, verwacht ik alles van Hem. In alles is mijn oog op Hem gericht. Want, vers 20: Hij heeft mij liefgehad en Zichzelf voor mij overgegeven.
Wonderlijke ruil is dat, als je daar over nadenkt. Het verwijst terug naar hoofdstuk 1:4, waar staat: Christus Die Zichzelf overgegeven heeft voor onze zonden. De hitte van Gods gramschap die op ons leven moest rustte, heeft God op Hem gelegd. De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem. En door Zijn striemen, zegt Jesaja, is ons genezing geworden (Jesaja 53:5b).
En als je het dan toch weer van je eigen werk verwacht (dat is de ene kant) of als je doorgaat op het pad van de zonde (dat is de andere kant) en dus niet Gode leeft, dan is het niet goed. Dan doe je, vers 21, de genade Gods teniet. Dan doe je alsof Christus tevergeefs gestorven is. En hoe beledigend is dat!
Gemeente, laten we aan het einde van deze dienst nog één keer kijken in de spiegel van het Woord. Als ik u en mezelf de vraag voorleg: bent u aan de wet gestorven en leeft u hier op aarde, uit genade, tot eer van God? Bent u gestorven aan de wet? Hebt u alles van uzelf al schade en drek geacht om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus? Bent u overgebracht van die harde slavendrijver, de wet, naar die liefdevolle Meester, onze Heere Jezus Christus?
Als u eerlijk moet zeggen: ‘Nee, ik leef nog onder de wet’, wilt u dan niet vergeten dat de eis van de wet een zware eis is? Doe dat (volmaakt!) en dan zult u leven. Kunt u daar echt mee leven? Kunt u die wet dan echt volkomen houden? Als u ‘nee’ zegt, dan bent u echt in gevaar! Dan leeft u onder de dreiging van de wet, dan leeft u ten diepste onder de vloek van de wet. Val dan vandaag de Heere nog te voet!
Als het wél zo is, als u zegt: ‘Ja, de Heere heeft mij overwonnen. Ik wilde niet, het was een eenzijdig wonder van Zijn Goddelijke kracht en genade waardoor ik uiteindelijk gestorven ben aan de wet.’ Zeker, wij die de Heere mogen vrezen, vallen zo vaak weer terug in het oude patroon, maar als Christus uw Hoofd en uw Meester geworden is: geef dan God de eer. Dat is onze roeping. Leef dan hier op aarde van dag tot dag, van de zondag, de hele week door tot de volgende zondag, volgens deze dure roeping: Leef Gode. Leef, iedere dag door Gods genade en in biddende afhankelijkheid, voor God, met God en tot eer van God Drie-enig.
Amen.
Slotzang Psalm 119:67:
Maak in Uw woord mijn gang en treden vast, Opdat ik mij niet van Uw paân moog' keren; En wordt mijn vlees door 't kwade licht verrast, Ai, laat het mij toch nimmer overheren. Verlos mij, HEER, van 's mensen overlast, Dan zal ik U, naar Uw bevelen, eren.
Andere preken over Galaten