16 juli 2023
2 Koningen 2:14: En hij nam den mantel van Elía, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elía? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elísa ging erdoor.
INLEIDING
Elia werpt zijn mantel over Elisa, die zijn ossen achterlaat en gewillig gaat dienen. Later ziet Elisa zijn meester ten hemel varen en roept: 'Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls!' Verscheurd van verdriet neemt hij Elia's afgevallen mantel op en vraagt bij de Jordaan: 'Waar is de HEERE, de God van Elia?' Het water splitst zich — bewijs dat dezelfde God met hem is. Les: dienaars gaan voorbij, maar de God van Elia blijft Dezelfde, gisteren, heden en tot in eeuwigheid.
Elisa, zijn roeping
2 KONINGEN 2:14-22
14 En hij nam den mantel van Elía, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elía? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elísa ging erdoor.
15 Als nu de kinderen der profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zo zeiden zij: De geest van Elía rust op Elísa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem neder ter aarde.
16 En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig dappere mannen; laat hen toch heengaan en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest des HEEREN hem opgenomen en op een der bergen of in een der dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet.
17 Maar zij hielden bij hem aan, tot schamens toe; en hij zeide: Zendt. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden.
18 Toen kwamen zij weder tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet?
19 En de mannen der stad zeiden tot Elísa: Zie toch, de woning dezer stad is goed, gelijk als mijn heer ziet; maar het water is kwaad en het land onvruchtbaar.
20 En hij zeide: Brengt mij een nieuwe schaal en legt er zout in. En zij brachten ze tot hem.
21 Toen ging hij uit tot de waterwel en wierp het zout daarin, en zeide: Zo zegt de HEERE: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden.
22 Alzo werd dat water gezond, tot op dezen dag, naar het woord van Elísa, dat hij gesproken had.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 2 Koningen 2:14
THEMA
Elisa, zijn roeping
AANDACHTSPUNTEN
LITURGIE
Lezen 1 Koningen 19:19-21 2 Koningen 2:1-18
Gemeente, we maken vanmorgen een begin met een serie preken over de profeet Elisa Vandaag luisteren we met elkaar, met Gods hulp, naar twee dingen. Naar de: 1. Roeping van Elisa (vanuit 1 Koningen 19:19-21Zo ging hij van daar, en vond Elisa, den zoon van Safat; dezelve ploegde met twaalf juk runderen voor zich henen, en hij was bij het twaalfde; en Elia ging over tot hem, en wierp zijn mantel op hem. En hij verliet de runderen, en liep Elia na, en zeide: Dat ik toch mijn vader en mijn moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zeide tot hem: Ga, keer weder; want wat heb ik u gedaan? Zo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees, hetwelk hij aan het volk gaf; en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem.) En naar 2. Zijn opvolging van de profeet Elia (vanuit 2 Koningen 2:14-18En hij nam den mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging er door. Als nu de kinderen der profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zo zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa; en zij kwamen hem tegemoet, en bogen zich voor hem neder ter aarde. En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig dappere mannen; laat hen toch heengaan, en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest des HEEREN hem opgenomen, en op een der bergen, of in een der dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet. Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zeide: Zendt. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden. Toen kwamen zij weder tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet?)
Als eerste dus:
In 1 Koningen 19:19-21 lezen we hoe de Heere Elisa leidt, om hem te brengen tot Zijn dienst, tot het werk in Zijn Koninkrijk. En ik hoop en bid dat meerderen van ons, ook zo door God geroepen zullen worden.
We lezen in vers 19-21 van 1 Koningen 19: Zo ging hij van daar, en vond Elisa, de zoon van Safat; dezelve ploegde met twaalf juk runderen voor zich henen, en hij was bij het twaalfde. En Elia ging over tot hem, en wierp zijn mantel op hem. En hij verliet de runderen, en liep Elia na, en zeide: Dat ik toch mijn vader en mijn moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zeide tot hem: Ga, keer weder; want wat heb ik u gedaan? Zo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees, hetwelk hij aan het volk gaf; en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem.
Een paar dingen vallen als eerste op… a. Hij heet Elisa, dat betekent: God is Redder. Hij woont in Abel-Mehola, aan de westelijke oever van de Jordaan, ten zuiden van het Gilboa-gebergte. b. En hij ploegt (zo staat er) met twaalf juk ossen. En hijzelf is bij het twaalfde. Dat wil zeggen: hij heeft het overzicht. Hij is de toekomstige eigenaar van dit grote boerenbedrijf. Want als je je akkers moet ploegen met twaalf taktoren, dan ben geen klein boertje. c. En (het derde wat opvalt), hij is aan het werk. God wil geen luie mensen in Zijn dienst. Elisa is geen man die lui thuis zit, nee, hij doet ijverig zijn werk. En hij heeft ook, zo blijkt, een goede relatie met medewerkers.
Hij is heerlijk aan het werk, in zijn gewone boerenleven. Als (vers 19) onverwacht de profeet Elia naar hem toe komt. En zijn mantel, de profetenmantel op hem werpt. Eigenlijk staat er: Hij wierp zijn mantel naar hem toe. Het is niet de bedoeling dat hij hem direct aantrekt, want voorlopig is die mantel nog van Elia. Maar hij mag hem dragen. Als een soort bagagedrager: ‘Hier, draag jij mijn jas…’ De bedoeling is helder. De Heere roept hem tot Zijn dienst.
Zoals dat ook nu plotseling in je leven kan geburen. Je bent er niet op berekend. Maar ineens gebeurt er iets: Gods spreekt. Je kunt niet onderuit. Vanaf nu is alles veranderd.
En dan blijkt die schatrijke Elisa een ootmoedig mens te zijn. Want uit heel zijn houding blijkt: Het is goed, ik draag uw jas.
Jonge broeders en zusters, u die nog niet zo lang geleden getrokken bent tot de dienst van de Heere, ootmoed en nederigheid zijn een sieraad voor een kind van God. Hét kenmerk van onze Meester was dat Hij boog! Denk maar aan wat Petrus schrijft in 1 Petrus 5:5Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.: Wees met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
Dat Elisa die jas aanpakt, geeft iets aan van de houding van een leerling. Het is alsof de Heere tegen hem zegt: Elisa, je moet veel achterlaten, maar Ik heb een bijzondere bedoeling met je leven. Maar het is niet zo, dat je direct alles weet. Je mag nog een poosje leerling zijn van je oudere broeder. Je mag nog een poosje zijn jas dragen.
Jonge broeders en zusters, Timotheüs-sen, Maria’s, door de Heere gebracht op Zijn weg, dit is één van de gevaren die ons vroeger ook bedreigden. En nog steeds. De gedachte: ‘Nou, ik ben er, nu ben ook een kind van God. Moedig en dapper als Elia.’ Maar, we zeggen eerlijk: We zijn daarna zo vaak gevallen, we zijn daarna zo vaak gestruikeld door die overmoedigheid, door die hoogmoed, omdat we dachten dat we het allemaal zelf wisten en zelf konden. Je mag eerst een poosje leren. Levenslang van de Heere, maar ook een poosje van oudere christenen.
Maar dan moet je wel met ze meelopen. Kijken naar hun doen, luisteren naar hun woorden. Kijken naar hun eenvoud, naar hun gebedsleven, naar hun gehoorzaamheid. Luisteren naar wat ze vertellen over hun dwalen, over hun struikelen en over de trouw van hun God.
Plotseling komt de Heere in het leven van Elisa met een bijzondere roeping. Daar had hij die morgen niet op gerekend. Ineens is daar de roep van de Heere, zoals tegen Zijn discipelen: Volg Mij. Ik zal jullie vissers van mensen maken. Zoals Amos geroepen werd: De HEERE nam mij van achter de kudde (Amos 7:15Maar de HEERE nam mij van achter de kudde; en de HEERE zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot Mijn volk Israël.). Zoals David geroepen werd door Samuël: Zend heen, laat hem halen (1 Sam. 16:11Voorts zeide Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zeide: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zeide tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn.).
Op Gods tijd roept God Zijn dienaars. En Hij weet ze ook precies te vinden. Al komen ze uit Nazareth, en al zegt iedereen: ‘Kan uit Nazareth iets goed komen?’ Als Hij een man roept tot een ambt, als Hij een vrouw roept tot een bijzondere taak in Zijn Koninkrijk…, het zal gaan zoals Hij het wil!
Zoals hier, bij Elisa. Elia werpt hem zijn mantel toe. Als teken van Goddelijke roeping. En dan ziet die oudere Elia (ongetwijfeld tot zijn verwondering en blijdschap) ineens iets in die jongere Elisa van de vrucht van het werk van de Heere in zijn hart. Van welke vrucht? Van zijn bereidwilligheid. Er staat in vers 20: Hij verliet de runderen. Hij verlaat zijn boerenbedrijf. Hij geeft het allemaal op. En (vers 20) hij loopt Elia na. Hij loopt niet voor hem uit. Hij volgt hem, als discipel, als leerling.
Jonge broeders en zusters, Timotheüs-sen, Maria’s, hoe moet je de roep van de Heere in je leven beantwoorden? Zo, zoals Elisa deed. Gewillig en met blijdschap. Zoals Elisa, die alles opgeeft. Voor de toekomst wacht hem welvaart, aanzien, rijkdom en bezit. Maar nee…! Liever met het volk van God kwalijk behandeld, dan voor een tijd de genieting van de dingen van nu. Gehoorzaam volgen. Laat het gaan zoals U wilt, Heere. Ik zal U volgen. Ook in de voor mij, in de voor ons onbekende toekomst.
Zo gaat het nog steeds, jonge broeders en zusters. Ik weet van sommigen iets van je teleurstelling en vragen. Maar laat de roep van Elisa je tot troost zijn. De Heere roept Zijn dienstknechten heel verschillend. Sommigen van jongs af aan, met hartelijke liefde voor de dienst van de Heere, later bevestigd door een Goddelijke roeping. Anderen worden onverwachts uit hun werk gehaald. Hun leven opgeëist. Maar één ding is zeker. Als Heere je hart en leven opeist voor Zijn dienst, dan ben je klaar met je andere werk. Dan ziet de toekomst er anders uit. Weg wereld, weg schatten! Ik zal U, o Heere, volgen, waar U ook heengaat. Want dan is er de roep van de Heere in je hart. En de nood van ongeredde zielen, die je drukt.
Net als bij Elisa. Hij laat zijn werk, hij laat zijn toekomst zonder enige aarzeling achter. En gaat de man achterna, wiens bestaan een zwerftocht is, wiens leven vogelvrij verklaard is. Voorspoed en welvaart zijn voorbij. Maar wat een troost: ‘U weet, o God, hoe ik zwerven moet op de aarde. Mijn tranen hebt U in Uw fles bewaard.’ Ja, zijn keus is zo beslist, dat hij niet aarzelt om afscheid te nemen van zijn ouders, van zijn ouderlijke gezin en van zijn collega’s. Het is allemaal voorbij! Mijn leven is voor God! Mijn hart, o Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid.
Is deze roeping spectaculair? Voel je de aarde beven? Hoor je de wind bulderen? Zie je bliksemschichten? Nee, in deze roeping is, net als bij Elia bij de Horeb, iets van het suizen van een zachte stilte. Het geruisloos toewerpen van een jas… Maar zó helder, zó vol van Goddelijke kracht. Ineens is het helder: Ik ga! Er ligt nog heel leven voor hem. Maar dat leven is voor de Heere en Zijn dienst.
Wie zal Ik zenden? Naar onbekeerden dichtbij, en naar de miljoenen onbereikten in deze wereld? Heere, zend mij! Want mijn hart o Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid.
Een onbekende toekomst tegemoet, net als Elia? Nee! De Heere Jezus zegt toch (in Matth. 19:29En zo wie zal verlaten hebben, huizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven.): En zo wie zal verlaten hebben huizen of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen en het eeuwige leven beërven.
Moet iedereen dan zijn taak en roeping opgeven en zo Elia volgen? Het is inderdaad niet zo, gemeente, dat iedereen geroepen wordt tot een bijzondere taak of tot een bijzonder ambt, zoals Elisa hier. Maar de les is wel deze: Weiger geen dienst, omdat het botst met luxe, met aanzien, met geld, met carrière, met plezier, rust, veiligheid, behaalde diploma’s of gekregen talenten. En vervul zo, als kind van God, in uw dagelijkse leven uw roeping. Waar de Heere u ook roept. Als licht in deze donkere wereld, als het zout van de aarde. Want wij zijn, kinderen van God, geroepen tot een nieuwe gehoorzaamheid, om de Heere met liefde te dienen.
Elisa stond op en volgde Elia. Hij volgt de roep van de Heere, door de weg van het volgen van zijn nieuwe meester. Jonge broeders en zuster, vergeet niet de wijze les van deze geschiedenis. De Heere dienen en vrezen, ook door de weg van het volgen van oudere christenen, die de Heere Zelf geleerd heeft. Je mag ons volgen op die weg van beproeving, van tegenslag, en van goede zorg van de Heere. Kom ga met ons!
Kan die oudere Elia ook nog wat leren van die jongere Elisa? Jazeker! Het leven van Elisa lijkt anders geleid dan het leven van Elia. Dat maakt ons mild. We weten dag de Heere in ieder van Zijn kinderen werkt op eigen manier, volgens een eigen patroon. Het blijkt uiteindelijk uit de vruchten.
Zou Elia zich niet erg geschaamd hebben? Zo bereidwillig als Elisa is, zo onwillig was hij voorheen. Jonge broeders en zusters, we schamen ons vaak als we kijken naar jullie bereidwilligheid.
Maar, er zitten ook gevaren aan. Aan dat enthousiaste. Loop maar een tijdje ons mee…
Maar, Elia’s, dan moeten wij wel bereid zijn om die jongere Elisa’s mee te nemen. Dat vraagt ook wat van ons. Dan kan je niet meer eenzaam en alleen in je grot kruipen. Er loopt van nu af aan altijd iemand met je mee. Dat vraagt om eerlijkheid, om openhartigheid als het gaat om wie zelf bent. Dat vraagt om iets uit te stralen van het wonder van Gods onbegrijpelijke, van Zijn blijvend onverdiende genade, van de warmte van Zijn liefdedienst.
Laten dan zo maar verder gaan, de ouderen en de jongeren, op de weg die de Heere ons wijst. Terwijl we zingend bidden: Leer ons, o God van zaligheden, ons leven in Uw dienst te besteden. We zingen dat vanuit Psalm 143:10: Leer mij, o God van zaligheden, Mijn leven in Uw dienst besteden; Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand; Uw goede Geest bestier' mijn schreden, En leid' mij in een effen land.
Ons tweede aandachtspunt:
We lazen zojuist uit 2 Koningen 2:12-14 (ik lees het u nog een keer voor): En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. Hij hief ook Elia's mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weder, en stond aan de oever van de Jordaan. En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging erdoor.
En Elisa zag het (zegt vers 12), en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters! Met een vurige wagen met vurige paarden ervoor wordt zijn meester door engelen meegenomen van de aarde naar de hemel. Vol majesteit, in een onweer, in een wervelwind. Elisa, hij ziet het! Daar gaat hij! Vaarwel, lieve broeder!
Hij ziet het, en roept: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters! Mijn vader… Was Elia echt de vader van Elisa? Nee toch? En toch is de band tussen die twee mannen gaan voelen als een band tussen vader en zoon. Een band vol van respect en vol van liefde. In de afgelopen tijd, waarin hij de jas mocht dragen van Elia, is Elia voor Elisa een geestelijke vader geworden.
Wat hij geleerd heeft van zijn vader? Van zijn geestelijke vader en leermeester? Zijn ijver voor God. De kracht van zijn verborgen gebed. Zijn afhankelijkheid van de Heere. Zijn moed en dapperheid.
Wat hij gezien heeft bij zijn vader? Gods goede zorg voor Zijn kind en knecht. De verhoring van zijn stille gebeden. De kracht van zijn geloof. Vlak hiervoor nog, op weg naar deze plaats. Kijk maar naar vers 8: Toen nam Elia zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld.
En nu gaat hij heen, naar de hemel: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters! ’t Is een uitdrukking van diep respect. Maar ook van grote rouw en van diep verdriet. Juist die dubbele uitdrukking ‘mijn vader, mijn vader’ drukt dat uit. Denk maar aan de rouw van David: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! (2 Sam. 18:33Toen werd de koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal der poort, en weende; en in zijn gaan zeide hij alzo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!). Denk maar aan de rouwklacht van Jeremia: O land, land, land! hoor des HEEREN woord! (Jer. 22:29O land, land, land! hoor des HEEREN woord!).
Mijn vader, mijn vader… Het is een uitroep van diep, persoonlijk verdriet! Wagen Israëls en zijn ruiters… Mijn vader was een man in een strijdwagen. Een strijder voor de eer van God en voor de terugkeer van Israël tot de dienst van de Heere. Maar nu, is zijn strijd gestreden, nu gaat hij heen. Nu gaat hij in, in de rust, om te rusten van zijn arbeid, en zijn werken volgen met hem. (Openb. 14:13En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.).
Mijn vader was een man in een strijdwagen… Achab had tal van die wagens, en paarden in overvloed. Elia had er maar één. Elias was (zo schrijft de apostel Jakobus) een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort (Jak. 5:17-18Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort.). Hij had maar één wagen, getrokken door paarden, door engelen die zijn gebeden brachten tot voor de hemelse troon. Eén wagen, machtiger dan alle wagens en paarden van Achab.
En (vers 12) hij zag hem niet meer. Het is de les van de heengaande dienaar. Elia is er niet meer. Hij heeft veel gedaan. Hij heeft veel betekend, ook voor Elisa. Hij was de grote profeet van het Oude Testament. Maar hij is niet meer.
Gods dienaars, Zijn knechten gaan voorbij. We zijn op reis naar de grote eeuwigheid slechts kleine voorbijgangers. Wij, ook wij moeten sterven. We zijn hier slechts (ook ik) voor een tijd. Ons werk is door de Heere vastgesteld. Onze tijd is bepaald.
Ons genadeloon wordt gemeten met termen van eeuwigheid, zeker. Maar onze arbeid, ons werk wordt gemeten in termen van tijd. Een vastgestelde tijd waarin de Heere ons, mij en anderen, bevoegdheid gegeven heeft om in Zijn Naam, namens Hem, te onderhandelen met zondaars. Om hen te bewegen tot geloof, opdat ze gebracht zouden worden tot verzoening met God. Misschien zult u luisteren en tot bekering gebracht worden, misschien ook niet.
Maar na een vastgestelde tijd (in het licht van de eeuwigheid: na een korte tijd) worden al Gods knechten (net als Elia) teruggeroepen tot voor de troon. Om verantwoording af te leggen van wat we gedaan hebben. En om te vertellen hoe onze boodschap onthaald is. Daarom laten we onze oren niet hangen naar wat mensen zeggen. Die ons oordeelt, is de Heere, zegt Paulus (1 Kor. 4:4Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.).
Voor Elia, voor Gods knechten, voor allen die dienen in Gods Koninkrijk is er straks genadeloon. We weten ons hier op aarde in alle omstandigheden geliefd en bemoedigd door Christus, onze Heere en Zender. Maar hierna is er, zegt Paulus: de kroon der rechtvaardigheid, die de Heere, de rechtvaardige Rechter ons geven zal.
En we kunnen die kroon alleen maar ontvangen door heen te gaan, door te vertrekken van de aarde naar de hemel. Elia is weggenomen van de aarde. Zijn diensttijd, als soldaat, als strijder in het leger van de Heere, zit erop. Hij is heen gegaan om loon te ontvangen en te rusten.
Maar dat heengaan van Elia is voor Israël, is voor Achab en Izebel en voor zoveel anderen die hem veracht en vervolgd hebben, een straf. Een straf voor hun ondankbaarheid. We horen hier de latere klacht van de Heere Jezus: Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild (Mat, 23:37, zie ook 1 Kor. 4:13). En nu neem Ik hem tot Mij.
Dat wegnemen door de Heere van Elia laat ook zien, aan Israël destijds en aan ons nu, dat de dag der genade hoogst onzeker is. De stem van Elia klonk maar enkele jaren. Soms klinkt de stem van Gods boodschappers maar een korte periode. Een seizoen, een dag. De Heere zegt in Genesis 6:3Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, dewijl hij ook vlees is.
Er is, gemeente, een dag van genade, een Evangelie-dag. Een dag waarin Christus tot u komt, met een aanbod van genade, van vrede en verzoening met God. Maat het is maar een dag... Het duurt geen eeuwigheid. En als kaf gaat die dag voorbij. En, die dag… is vandaag.
De kalender van Evangelie kent maar één dag. De kalender van de duivel kent ook maar één dag. Morgen! Altijd maar: morgen! Maar de kalender van het Evangelie zegt: Heden! Heden zo u Zijn stem hoort! Want morgen is het misschien wel te laat. Och, of u ook bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient (Luk. 19:42Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.).
Die dag van genade is nu. De preek is nu. Het aanbod is nu. Voor u! Morgen kan mijn Zender het aanbod intrekken. Luister toch nu naar Zijn heil- en troostrijk woord. Reken niet altijd met morgen. Uw toekomst is hoogst onzeker. Luister alsof u nooit meer horen zou. Want u weet niet, hoe lang u nog horen zult.
Dit aanbod van genade en deze aanbieding geldt nu, alleen vandaag: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God, en niemand meer (Jes. 45:22Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.). Verlies uw kostbare tijd niet. Laat uw geestelijke gelegenheid toch niet voorbijgaan. Laat u toch nu, vandaag, met God verzoenen!
Elia is weg. Zijn tijd is voorbij. Zijn mond zwijgt op de aarde. Zijn stem wordt niet meer gehoord. Vers 12 zegt: En hij (Elisa) zag hem niet meer; en hij vatte zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. Hij scheurt zijn eigen mantel. Als teken van diep verdriet. Maar ook als een teken, als een symbool van definitief afscheid nemen van zijn oude leven, van zijn oude beroep. Dat leven, dat oude leven van die rijke boerenzoon is nu voorbij!
Een nieuwe periode ligt voor hem. Net als bij zijn vader, een tijd van moeite, van zorg en verdriet. Maar zij die mogen dienen in Gods Koninkrijk krijgen vaak voor moeite, eerst troost. Zo was het bij de discipelen: En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende (eerst een belofte vol troost): Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. En dan, na die troostvolle belofte, de opdracht: Gaat dan henen (Mat 28:18-19).
Daar staat Elisa, in zichzelf een klein, onvermogend mensje. Staand voor de grote taak, om zijn meester op te volgen. Aan de overkant van de Jordaan staan de zonen van de profeten, verwachtingsvol te kijken. Ze hebben steun en leiding nodig in deze moeilijke tijd in Israël.
Maar ineens… Kijk…! Daar ligt de mantel van Elia! Elisa (kijk maar naar vers 13), hij heft de mantel van Elia op, die van hem afgevallen is, en keert terug, en staat aan de oever van de Jordaan. Die mantel, die hem ooit was toegeworpen, toen de Heere hem riep tot profeet.
Hij had ootmoedig gevraagd om een van de deel geest die rustte op zijn geestelijke vader. En nu, kijk daar ligt hij… zijn profetenmantel. Teken van zijn ambt, teken van zijn gezag. Hij is, terwijl Elia naar de hemel ging, van hem afgevallen. Niet door Elia naar beneden gegooid. Maar door Gods hand van Elia afgevallen en hem toegeworpen. Teken en bewijs dus, dat de Heere zijn gebed heeft verhoord. Die mantel is van nu af aan blijvend voor hem.
Eerst troost, dan werk. De toekomst kent hij niet. Maar hij weet zich verzekerd blijvende troost en van persoonlijke toerusting. Van de zegen van de Heere, die en persoonlijk en ambtelijk op hem rusten zal. Die afgevallen mantel is hemels gebaar, een knik van de hemel, een teken dat de Heere Zelf hem dit ambt gegeven heeft.
En dan? Dan keert hij terug. En dan staat hij ineens voor een gesloten weg, voor de rivier de Jordaan. Zoals degenen die door God geroepen zijn, Gods kinderen en knechten vaker in hun leven voor gesloten wegen kunnen staan. Met zorg. Maar als we omhoog zien, als we op het Woord van de Heere zien, zonder paniek. Hopend op het Woord van de Heere Zelf: Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal kromme wegen recht maken; koperen deuren zal Ik verbreken, ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan (Jes. 45:2)
Zoals Heere destijds ook tegen Mozes zei: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan u doen zal, want de Egyptenaars, die u heden gezien hebt, zult u niet weder zien in eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en u zult stil zijn (Ex. 14:13-14Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.).
En hij (14) nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging erdoor. Waar is Elia? Nee! Maak van dienaars van God geen idolen. Het zijn sterfelijke mensen! Het is geen vraag naar zijn heengegane vader.
Elia is wel heengegaan, maar de God van Elia leeft! Je kunt veel verliezen in je leven: dierbare geliefden, ambtsdragers, geestelijke vaders of moeders (omdat ze vertrekken van het lagerhuis van de aarde naar het hogerhuis van de hemel), werk, gezondheid… Maar God! De Heere blijft! Gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid (Hebr. 13:8Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.).
En met die God staat Elisa voor een gesloten weg. Al is uw weg gesloten, al staat u voor een rivier, waar u niet door kan. Wees gerust als God uw God mag zijn. Zoek geen bootje om zelf over te varen. Vertrouw niet op mensen.
Maar… geloof! In de belovende God! Alles wat Hij ooit beloofd heeft, zal bestaan!
Want wat gaat hier nu blijken aan de rivier de Jordaan? a. Vijfhonderd vijftig jaar geleden ging het volk Israël hier door de Jordaan onder leiding van Jozua (Joz. 3). En nu eeuwen later blijkt de God van Jozua, de God van Elia, de God van hemel en aarde, Dezelfde te zijn. Mensen in die tijd zeiden vast: Nu is alles veel erger dan toen, vroeger was het zoveel beter. Nu is er zoveel afgodendienst, zoveel verval, zoveel politieke spanning ook. Zoals ook wij in deze tijd zo kunnen klagen en zeggen: Vroeger, toen was er dit, en toen was er dat… Maar nu? Weet u, vroeger was God er. En Hij is er nog steeds. Gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. Dat blijkt hier aan de Jordaan.
b. En er blijkt nog iets. Die God is niet afhankelijk van welk instrument dan ook. Want (zo zeggen de zonen van de profeten in vers 15): de Geest van Elia rust nu op Elisa. Dus, stop met het bewonderen, met het aanbidden van dominees, van vroeger of nu. Hou op met het uitmeten van hun hun gaven of talenten. Zij waren en wij zijn slijk aan Gods vingers. Tijdelijk en voorbijgaand Maar de Hand die krachtige daden deed en doet, was en is van Hem.
Het gaat erom, en daar gaat het echt om: Of de God van Elia met ons is. Gezegend is de man, die op de HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is! (Jer. 17:7Gezegend daarentegen is de man, die op den HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is!) Elisa (vers 12b) sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, Dezelve?’ Het is geen vraag, het is een gebed vol geloofsvertrouwen. Gegrond op? Op de trouw van God, Die zijn gebed verhoord heeft en Zijn belofte zal vervullen. Hij geeft deze boerenzoon genade, gaven en talenten, en maakt hem bekwaam tot Zijn dienst.
En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging erdoor. Dat is niet alleen een feitelijke vertelling. In dit wonder blijkt het antwoord van de Heere. De Heere kan antwoorden door Zijn Woord, door wat Hij zegt. Maar soms en vaak ook, door wat Hij doet. Dat water van de Jordaan dat naar links en naar rechts weggaat, dat pad dat gebaand wordt, dat klinkt als: Elisa, zie, hier ben Ik. Vrees niet. Ik ben met u!
Door de loop van decennia, door de loop van eeuwen is de God van Elia Dezelfde gebleven. Ook bij ons, ook in onze kerk. Sommigen gebruiken die wetenschap alleen om te klagen. Zeker zij spreken groot over Gods werk in verleden. Maar de vraag is: worstelt u wel om Gods daden in het heden?
Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeeën, geveinsden, zei de Heere Jezus, want u bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen (Matt. 23:29Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen;).
Alleen maar bezig met het verleden. Maar waar is de worsteling met God in het heden? Laat het werk van de Heere in het verleden ons dringen om de Heere, de God van onze vaders te zoeken. Om te bidden met Habakuk: HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in de toorn gedenk des ontfermens (Hab. 3:2HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens.).
Laat ons de Heere zoeken: Waar is de HEERE, de God van Elia? Door de Heere achterna te klagen. Zoals in de dagen van Samuël: het ganse huis van Israël klaagde de HEERE achterna (1 Sam. 7:2En het geschiedde, van dien dag af, dat de ark des Heeren te Kirjath-jearim bleef, en de dagen werden twintig jaren; en het ganse huis van Israël klaagde den HEERE achterna.). Door een leven ook in godzaligheid, in liefde, in eensgezindheid, in heiligheid en goede werken.
Tot slot, gemeente. Kent u de HEERE, de God van Elia? Als een God, Die helpt in nood, Die redt uit de ellende, Die schuld vergeeft, Die ongerechtigheid verzoent? U gaat een goede toekomst tegemoet. De dag komt, dat u met vreugde en blijdschap zult zeggen: Daar is de God van Elia!
Kent u Hem niet? Dan zult u in de dag van het gericht uitroepen, met grote schrik en ontzetting: Daar is de God van Elia, met Wie ik gebroken heb, Die ik verworpen heb.
Deze Evangeliedag kan voorwaar de laatste zijn voor u. Wendt u naar God toe en wordt behouden. Amen.
Slotzang Psalm 108:1
Mijn hart, o Hemelmajesteit, Is tot Uw dienst en lof bereid. 'k Zal zingen voor de Opperheer; 'k Zal psalmen zingen tot Zijn eer. Gij, zachte harp, gij schelle luit, Waakt op; dat niets uw klanken stuit'; 'k Zal in de dageraad ontwaken, En met gezang mijn God genaken.
Andere preken over 2 Koningen
Andere preken voor Elisa