PREEK · VRIJE STOFFEN

Sunamitische vrouw: Het is wel (Elisa 5) - 2 Koningen 4

27 september 2023

2 Koningen 4:26: Nu, loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel.

INLEIDING

De Sunamitische vrouw ontvangt van God een zoon, maar verliest hem weer aan de dood. In plaats van te wanhopen, gaat ze met haar verdriet naar de man Gods, en zegt zelfs: "Het is wel." Elisa blijkt beperkt in kennis en kracht; alleen door zijn worstelend gebed wordt het kind opgewekt. De geschiedenis wijst uit boven Elisa naar Christus, die met gezag spreekt en zelfs de dood overwint.

THEMA

Gods weg met de Sunamitische vrouw

KERNPUNTEN

  1. Het wonder van Gods goedheid
  2. Het onbegrijpelijke van Gods weg
  3. De beperktheid van Gods knecht
  4. De kracht van het gebed

2 KONINGEN 4:24-32

24 Toen zadelde zij de ezelin en zeide tot haar jongen: Drijf en ga voort; houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zegge.
25 Alzo toog zij heen en kwam tot den man Gods, tot den berg Karmel. En het geschiedde als de man Gods haar van tegenover zag, dat hij tot Gehazi, zijn jongen, zeide: Zie, daar is de Sunamitische.
26 Nu, loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel.
27 Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe om haar af te stoten; doch de man Gods zeide: Laat haar geworden, want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en de HEERE heeft het voor mij verborgen en mij niet bekendgemaakt.
28 En zij zeide: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Zeide ik niet: Bedrieg mij niet?
29 En hij zeide tot Gehazi: Gord uw lendenen en neem mijn staf in uw hand en ga heen; zo gij iemand vindt, groet hem niet, en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van den jongen.
30 Doch de moeder van den jongen zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Hij stond dan op en volgde haar na.
31 Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; en hij legde den staf op het aangezicht van den jongen, doch er was geen stem noch opmerking. Zo keerde hij weder hem tegemoet en bracht hem boodschap, zeggende: De jongen is niet ontwaakt.
32 En toen Elísa in het huis kwam, zie, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed.

VOLLEDIGE TEKST

Sunamitische vrouw: Het is wel (Elisa 5) - 2 Koningen 4

ds. J. IJsselstein - 2 Koningen 4:26

THEMA

Gods weg met de Sunamitische vrouw

LITURGIE

Psalm 8:1,2 Dordtse Leerregels I, art. 17

Psalm 8:3,4

Lezen 2 Koningen 4:8-37

Psalm 42:4,5,7

Psalm 77:6

Psalm 77:7,8

Gemeente, we overdenken in deze dienst met Gods hulp samen het aan ons voorgelezen Schriftgedeelte 2 Koningen 4:8-37. We gaan al lezend op zoek naar twee dingen: naar de letterlijke betekenis van de tekst en ook naar de geestelijke lessen die in deze geschiedenis liggen.

Het thema voor de preek is: Gods weg met de Sunamitische vrouw

Er zijn vier aandachtspunten: 1. Het wonder van Gods goedheid (vanuit vers 8-17) 2. Het onbegrijpelijke van Gods weg (vanuit vers 18-26) 3. De beperktheid van Gods knecht (vanuit vers 27-31) 4. De kracht van het gebed (vanuit vers 32-37)

Als eerste dus:

1. Het wonder van Gods goedheid

Het speelt zich allemaal af in het dorpje Sunem. Een dorpje 24 km ten zuidwesten van het uiterste zuidpuntje van het Meer van Galilea. De profeet Elisa, de man Gods, wordt er gastvrij onthaald door een welgestelde, rijke vrouw, samen met haar man. Niet één keer, maar vaker. Zo vaak, dat ze uiteindelijk besluiten een logeerkamer voor hem te maken. Waar Elisa, als hij er is, zich rustig kan terugtrekken. Waar hij wat kan werken en uitrusten.

Want ze zijn erg op hem gesteld, op die (kijk maar naar vers 9), op die heilige man Gods. Die woorden van God tot hen spreekt. Voorbeeldige vriendelijkheid, voorbeeldige gastvrijheid… Het doet denken aan wat de apostel schrijft in Hebreeën 13: Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd (Hebr. 13:2).

En Elisa is er, samen met zijn knecht Gehazi, blij mee. Hij wil haar er graag voor belonen. Immers (zo zegt Heere Jezus in Mattheüs 10:41): Die een profeet ontvangt in de naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en

die een rechtvaardige ontvangt in de naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen.

Hij wil haar graag belonen. Maar eigenlijk heeft ze alles al. En ze heeft eigenlijk ook geen hulp nodig, om een goed woordje voor haar te doen bij de overheid. Ze zegt: ‘Ik woon in het midden mijns volks.’ Met andere woorden, ik ben tevreden met wat ik heb. Ik heb alles. Voorbeeldige tevredenheid… Midden in pijnlijk levensverdriet.

Want wat blijkt? Er is wel iets wat ze mist. Hoewel het er op lijkt, dat ze dat gemis in haar hart begraven heeft. Een pijnlijk gemis, wat niet, wat nooit verdwijnt, wat blijvend is. Gehazi zegt tegen Elisa (in vers 14): ‘Ze heeft geen zoon.’ Elisa roept haar (in vers 16): En hij zeide: ‘Op deze gezette tijd, omtrent deze tijd des levens zult u een zoon omhelzen.’

Ze kan het niet geloven. En zij zeide: ‘Neen, mijn heer, gij man Gods, lieg tegen uw dienstmaagd niet.’ Maar de Bijbelschrijver gaat onverstoord verder in vers 17: En de vrouw werd zwanger en baarde een zoon op die gezette tijd, omtrent de tijd des levens die Elísa tot haar gesproken had. Gods belofte wordt immers vervuld. God laat nooit één van Zijn woorden op de aarde vallen.

Maar dan… Ons tweede aandachtspunt:

2. Het onbegrijpelijke van Gods weg

Het kind wordt groot. En op een dag gaat het (het is oogsttijd) naar zijn vader en de maaiers op het veld. Maar het is heet! Vers 19: En het zeide tot zijn vader: ‘Mijn hoofd, mijn hoofd…’ Hij dan zeide tot een jongen: ‘draag hem tot zijn moeder.’ Hij wordt thuisgebracht. Hij zit op moeders schoot. Tot de middag. En sterft…

Het voelt als een minibiografie. In drie verzen: Hij wordt groot, hij wordt ziek, en sterft. Ooit had ze geen wensen. Wat was ze blij geweest, toen ze dit mannetje kreeg. Maar nu maakt die gift, nu maakt dit geschenk van God haar meer dan ooit bitter bedroefd. Dit breekt haar moederhart. God heeft gegeven en genomen.

Sommigen van ons herkennen dit. Weten meer dan anderen hoe dit is. De gebrokenheid in dit verdriet. En de vragen die het oproept. Heeft God ons blij gemaakt, om ons meer dan ooit pijn te doen? Heeft Hij ons opgetild, om ons des te harder te laten vallen?

Waarom, o God, zulk bitter lijden, zulk snijdend verdriet? Waarom is Uw weg zo onbegrijpelijk? Je zou het uitsnikken, toch? Van verdriet… Je zou wezenloos voor je uit staren, toch? Van gebrokenheid… Ja, begrijpelijk. Voor zover het te begrijpen is... [stil]

En toch lezen we van deze vrouw iets anders. Als voorbeeld ook, om de weg te wijzen. Niet hard terechtwijzend, niet berispend. Dat zou de pijn alleen maar verbitteren. Maar richting wijzend, naar troost, midden in alle verdriet.

We lezen in vers 21-23: En zij ging op en legde hem op het bed van de man Gods; daarna sloot zij voor hem toe en ging uit. En zij riep om haar man en zeide: ‘Zend mij toch een van de jongens en een van de ezelinnen, dat ik tot de man Gods loop en wederkom.’ En hij zeide: ‘Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan noch sabbat.’ En zij zeide: ‘Het zal wél zijn.’

De bekende Bijbeluitlegger Matthew Henry schrijft erbij: Hoe bewonderenswaardig bewaart de voorzichtige, vrome moeder haar lippen onder deze onverwachte beproeving! Geen enkel onbetamelijk woord komt uit haar mond. Ze heeft een sterk geloof, dat het kind tot het leven teruggeroepen zal worden (…) wetend dat God machtig is, hem ook uit de doden te verwekken. Zij had gehoord van de opwekking van de zoon van de weduwe van Zarfath. En dat de geest van Elia rustte op Elisa. En zij had zo’n vertrouwen in Gods goedheid dat zij geloofde, dat Hij, Die zo spoedig wegnam wat Hij had gegeven, zou weergeven wat Hij nu genomen had. Door dit geloof hebben de vrouwen, zegt de Hebreeën-brief, haar doden wedergekregen (Hebr. 11:35).

En in dat geloof gaat ze geen begrafenis voorbereiden, maar ze legt hem neer op het bed van de profeet als voorbereiding voor zijn opstanding!

Ze legt haar jongen op het bed van Elisa. En zadelt een ezelin en gaat met grote haast naar hem toe. Niet het meest voor de hand liggende moment. Het is (zo zegt haar man in vers 23): geen sabbat, en geen nieuwe maan-dag. Dagen, waarop men naar de huizen van de profeten ging, om te luisteren naar woorden van God.

Nee, maar het is nood! Ze moet nu naar Elisa toe, naar de man Gods. Haar nood drijft haar uit tot de God van Elisa. In nood. En met hoop en verwachting! Terwijl alles wanhopig zou moeten maken. Want haar kind is gestorven. Maar nee, naar Elisa toe. Naar God toe. Met hoop!

Want het geloof richt zich niet op wat we zien, maar op wat we niet zien. Op God, op Zijn Woord, op Zijn betrouwbaarheid.

Waar moet je heen, in deze tijd, als de handen van de Heere je zwaar treffen? En je alles kwijt raakt? Je kind, je man, je vrouw? Je gezondheid, je verwachte levensjaren? Je ambt, je werk, je inkomen? De vrede in je huis? Als je leven breekt onder Gods slaande hand? Waar moet je heen met dat snijdende verdriet? Lieve mensen, naar God! Snik je tranen uit aan Zijn voeten. Niet in wanhoop, maar met verwachting. Hoe donker ook Gods weg moog wezen. Vlucht niet weg, bij God vandaan.

Want, zo zegt Heere: ‘Ik dood en maak levend, Ik versla en Ik heel (Deut. 32:39).’ ‘Want Hij’, zegt Job, ‘doet smart aan en Hij verbindt; Hij doorwondt en Zijn handen helen (Job 5:18).’ Zeg dan toch alleen en met elkaar, wat staat in Hosea 6:1: ‘Komt en laat ons wederkeren tot de HEERE, want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen en Hij zal ons verbinden.’ Door weg te vluchten van de Heere, zal je pijn niet minder worden, zal je wond niet genezen. Vlucht toch naar de schaduw van Gods vleugels.

In alle tijdelijke verdriet. Maar ook in alle geestelijke nood en vertwijfeling. Want hier zijn niet alleen lessen voor het tijdelijke leven, maar ook voor het geestelijke leven. We kunnen veel van de Heere ontvangen hebben: troost, hoop, moed, blijdschap in ons hart, vreugde in God, vrede in het geloven. Maar we kunnen het ook weer zo kwijtraken. De Heere kan het ons weer afnemen. Waardoor we (in onze ervaring) alles weer kwijt zijn. En niets anders overhouden dan: onze ellendige leegte. Waar is God op Wie ik bouwde en aan Wie ik mijn zaak vertrouwde? Waar is mijn hoop, mijn moed gebleven? Eerst was er zoveel licht, zoveel blijdschap en zoveel hoop. Maar dan zucht je hart.

De psalmen zijn er vol van. Lees die dan ook maar biddend, juist in zulke donkere perioden: Psalm 13:2: Hoelang, HEERE, zult U mij steeds vergeten? Hoelang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen? Psalm 42:8: De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gegaan. Psalm 77:8-10: Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn? Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten?

Laten we dat samen eerst gaan zingen, voordat we verdergaan: Psalm 77:6 Zou God Zijn genâ vergeten? Nooit meer van ontferming weten? En wat er verder volgt in Psalm 77:6.

Hoe nu verder, in die donkere tijden waarin je (in de ervaring van je hart) alles verliest? Je kan niet ontkennen, hoe goed de Heere voor je was in het verleden. Je kreeg niet een kind, maar je mocht door het geloof zien op het Kind van Bethlehem, de Heere Jezus Christus, de Zaligmaker van zondaars, ook voor mij… Maar nu, zegt u, is het weer zo donker. Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten?

Hoe nu verder? Zoals Psalm 77 begint: Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen (Ps. 77:2). Hoe nu verder? Zoals deze verdrietige moeder. Lees maar mee in vers 25 en 26: Alzo toog zij heen en kwam tot de man Gods, tot den berg Karmel. En het geschiedde als de man Gods haar van tegenover zag, dat hij tot Gehazi, zijn jongen, zeide: ‘Zie, daar is de Sunamitische. Nu, loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind?’ En zij zeide: ‘Het is wel.’

Gehazi loopt haar tegenmoet: ‘Is het wel met u?’ Antwoord: ‘Shalom, vrede. Het is wel.’ Ik zal Gods lof, zelfs in de nacht zingen, daar ik Hem verwacht. En mijn hart, wat mij moog treffen, tot de God mijns levens heffen.

Hier onthult ze iets van de diepe troost, die de Heere haar geeft na het sterven van haar kind. Ja, het is wel, ook met mijn kleine jongen. Iets van de diepe troost, waar onze belijdenis van spreekt in de Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 17: Nademaal wij van de wil Gods uit Zijn Woord moeten oordelen, hetwelk getuigt dat de kinderen der gelovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn, zo moeten de Godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt (Gen. 17:7; Hand. 2:39; 1 Kor. 7:14).

Het is de diepe troost, waar vader Brakel over schrijft: Zij, (de kinderen), voor of na het ontvangen van de doop, in hunne jonkheid stervende, moeten gehouden worden zalig te zijn, uit kracht van het verbond Gods in 't welk zij geboren zijn, en alzo te zijn kinderen des verbonds. Zijn de ouders onbekeerd en trouweloos in het verbond, dat is op hunne eigen rekening; de zoon zal niet dragen de misdaad des vaders.

Het is wel met hem. Het is goed met hem. Matthew Henry schrijft: Als God onze dierbaarste betrekkingen van ons weg roept, dan betaamt het ons (maar dat is genade!) kalm en rustig te zeggen: Het is wel, beiden met hen en ons. Want alles is wel, wat God doet. Alles is wel met hen, die heengegaan zijn, als ze naar de hemel zijn gegaan. En alles is wel met ons, die achterblijven, indien wij door de beproeving op de weg erheen voort geholpen worden.

Ons derde aandachtspunt:

3. De beperktheid van Gods knecht

We lezen in vers 27: Toen zij nu tot de man Gods op den berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe om haar af te stoten; doch de man Gods zeide: Laat haar geworden, want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en de HEERE heeft het voor mij verborgen en mij niet bekendgemaakt.

Zij pakt de voeten van Elisa. En daarmee de voeten van de God van Elisa. Immers hij is de vertegenwoordiging van God, hij is de man Gods. En waar moet ze anders heen, dan naar de Heere Zelf?

Zij vatte Elisa’s voeten. Maar Gehazi trad toe om haar af te stoten Dit, broeders (van de kerkenraad), is een indringende waarschuwing voor ons. We kunnen zo gemakkelijk bitter bedroefde harten misverstaan. Misschien omdat we die ellende liever niet horen willen. Misschien omdat we zelf ver weg leven van dat arme en bedelende leven aan Gods genadetroon, van dat gebroken zijn van hart.

We kunnen zo gemakkelijk bitter bedroefde harten misverstaan. En die (net als Gehazi) proberen weg te stoten, weg bij de voeten van de Heere vandaan. Door ze niet te begrijpen. Door ze hard te behandelen. Wat hebben we de voortdurende oefeningen van het geloof nodig, de verborgen omgang met God, om met wijsheid bedroefden van hart en verslagenen van geest te troosten. Die onze Meester zalig spreekt. Laten wij die dus niet met Gehazi proberen weg stoten.

‘Haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd (zegt Elisa), en de HEERE heeft het voor mij verborgen en mij niet bekendgemaakt.’ Ineens blijkt de grote profeet Elisa een beperkt mens te zijn. Zijn kennis is beperkt. Want hij zegt: ‘De HEERE heeft het voor mij verborgen en mij niet bekendgemaakt.’ En zijn kracht is beperkt. Want als Gehazi zometeen met de staf van Elisa vooruit gestuurd wordt, dan blijkt dat dat niets uitricht.

Geen van Gods knechten is groot. Niemand van ons, broeders, is groot. Niet in kennis, niet in kracht, nergens in. Paulus is niets, Apollos is niets, laat staan wij. We zijn in alles totaal afhankelijk van de kracht van God.

De Sunamitische vrouw zegt (in vers 28), en wat klinkt dat verdrietig: En zij zeide: ‘Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Zeide ik niet: Bedrieg mij niet?’ Met andere woorden: Is mijn verdriet nu niet veel bitterder dan voorheen?

Het verdriet van mijn kinderloosheid had ik in mijn hart begraven. Maar nu moet ik mijn lieve kind gaan begraven.

Maar het is tegelijkertijd een uitdrukking van hoop: Ze heeft haar van God gekregen kind niet voor niets op het bed van de man Gods gelegd…

En dan stuurt Elisa Gehazi met zijn staf, om die op het gezicht van de jongen te leggen. Misschien was Elisa van plan om Gehazi met zijn staf te laten gaan, en zelf thuis te gaan bidden. Maar de moeder zegt vers 30: ‘Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten.’ Met andere woorden: ‘Man Gods, u moet zelf komen!’ Hij stond dan op en volgde haar na.

Gehazi is ondertussen vooruit gegaan. Maar de staf, zonder gebed, zonder geloof in Gods beloftewoord, kan niets uitrichten. Van onszelf zijn we machteloos. Tenzij ons verborgen gebed een beroep doet op de almacht van God en op het woord van Zijn belofte.

Ons vierde en laatste aandachtspunt:

4. De kracht van het gebed

Want we lezen in vers 32-35: En toen Elísa in het huis kwam, zie, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed. Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot de HEERE. En hij klom op en legde zich neder op het kind, en leggende zijn mond op deszelfs mond en zijn ogen op zijn ogen en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit; en het vlees des kinds werd warm. Daarna kwam hij weder en wandelde in het huis eens herwaarts en eens derwaarts, en klom weder op en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open.

Het valt op, hoe toegewijd Elisa te werk gaat. Hij bidt om de opwekking van het kind. Dat is het eerste. Hij legt zich ook neer op het kind. Alsof hij levenswarmte aan hem wil meedelen. Hij legt ook zijn mond op de mond van het kind, alsof hij hem levensadem wil inblazen. Het zijn allemaal uitdrukkingen van de ernst van zijn verlangen, van zijn hopen op Gods ontferming, van zijn bange worsteling met de dood en van de biddende worsteling in zijn hart, om de eer van God en om de vervulling van Zijn belofte.

En dan blijkt zijn gebed stapsgewijs verhoord te worden. Eerst wordt het lichaam van de jongen warm. Dan niest hij zeven keer. En dan opent hij zijn ogen.

Vers 36 en 37: En hij riep Gehazi en zeide: Roep deze Sunamitische. En hij riep haar en zij kwam tot hem; en hij zeide: Neem uw zoon op. Zo kwam zij, en viel voor zijn voeten en boog zich ter aarde, en zij nam haar zoon op en ging uit.

Groot is de dankbaarheid van deze moeder, die wel haar zoon verloor, maar niet haar geloof. En die door Gods genade, als verhoring op het gebed, door het geloof haar kind uit de doden wederkreeg.

Hoe nu verder met u, in tijdelijke nood? Hoe nu verder met jou, in geestelijke nood? Lieve mensen, werp al uw bekommernissen op God. De Heere is een Hoorder der gebeden. Die uitkomst wil geven, zelfs in de meest donkere nacht. Hij, en Hij alleen, kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven. Aan diegenen die nederig knielen. Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend (levend!) make den geest der nederigen, en opdat Ik levend (levend!) make het hart der verbrijzelden (Jes. 57:15).

Het is eeuwen later als vlak bij diezelfde heuvel een ander wonder geschied. Waar Sunem ligt aan de zuidkant van de heuvel, ligt Naïn aan de noordkant. En daar gebeurt een veel groter wonder. Door de meerdere Elisa, Jezus Christus.

Het staat in Lukas 7: En het geschiedde op de volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Naïn, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen en een grote schare. En als Hij de poort der stad genaakte, ziedaar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe, en een grote schare van de stad was met haar. En de Heere haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet. En Hij ging toe en raakte de baar aan (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op. En de dode zat overeind en begon te spreken; en Hij gaf hem aan zijn moeder (Luk. 7:11-15).

In alles stijgt Christus uit boven de profeet Elisa. a. Elisa ziet dat deze vrouw bitter bedroefd is, maar daar moet het bij blijven. Maar Jezus, Die alle macht heeft, zelfs over de dood, zegt met gezag tegen de weduwe uit Naïn: Ween niet! b. Elisa bidt. Maar Jezus spreekt, tot de dode! En hij zit overeind. De dode jongeling van Naïn hoort de stem van de Zoon van God en leeft!

Trouwens, waarom wekte de Heere in Zijn tijd sommigen op uit de dood, en heel veel anderen niet? En ook uw kind, ook uw kleinkind niet? Omdat het opgewekt zal worden op Gods tijd, op de opstandingsdag. Dit zijn alleen maar previews, dit zijn alleen maar enkele vooruitblikken, die ons willen verzekeren van de komende werkelijkheid. De doden zullen op Gods tijd opstaan! De dood heeft niet het laatste woord, ook niet over het leven van uw jonggestorven kindje. De dood zal straks definitief overwonnen worden.

Tot slot, gemeente.

a. Deze geschiedenis is in de eerste plaats bedoeld als bron van hoop voor u die nog onbekeerd bent. Elisa kan u het leven niet geven. En wij helemaal niet. Maar van Christus geldt: Als de doden Zijn stem horen, dan zullen ze leven. En Hij roept u vanmorgen toe: ‘Hoor, luister naar Mij, en uw ziel zal leven (Jes. 55:3).’ Wat u doen moet met uw dode ziel? Roepen tot de levende God! Roepen: ‘Zone Davids, ontferm U over mij! Wek me toch op uit mijn geestelijke dood, en red mijn ziel!’ Meer dan Elisa is hier. Onze Heere en Zaligmaker is gewillig en bereid u te geven boven bidden en denken.

b. Deze geschiedenis is in de tweede plaats bedoeld als bron van hoop voor iedereen die in duisternis wandelt en geen licht geeft. Laat hij of zij betrouwen op de Naam des Heeren. Laat de stem van uw roepen tot Hem komen, zoals de dichter van Psalm 77 dat doet: Mijn stem is tot God, en ik roep. Mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen. Leg uw nood, net als deze Sunamitische vrouw, neer aan de voeten van Christus.

c. Deze geschiedenis is in de derde plaats bron van troost voor al Gods kinderen. Zelfs de dood kan ons en onze geliefden die in de Heere gestorven zijn, niet plaatsen buiten de macht van God en Christus. Onze zielen, zegt artikel 37 van de Kleine Catechismus van Westminster, worden bij ons sterven volmaakt geheiligd en onmiddellijk opgenomen in heerlijkheid. Onze lichamen, die nog steeds met Christus verenigd zijn, rusten tot de opstanding in onze graven.

Want niets (zelfs de dood niet) kan iemand van Gods kinderen, ook niet van de allerjongste en de allerkleinste, scheiden van de liefde van God in Christus. Kleine kinderen en zuigelingen, zegt Psalm 8, bezingen Gods heerlijkheid!

Amen.

Slotzang Psalm 77:7,8:

'k Zal gedenken, hoe voor dezen Heilig zijn, o God, Uw wegen; Ons de HEER heeft gunst bewezen; Niemand spreek' Uw hoogheid tegen; 'k Zal de wond'ren gadeslaan, Wie, wie is een God als Gij, Die Gij hebt van ouds gedaan; Groot van macht en heerschappij? 'k Zal nauwkeurig op Uw werken Ja, Gij zijt die God, die d' oren, En derzelver uitkomst merken; Wond'ren doet op wond'ren horen; En, in plaats van bitt're klacht, Gij hebt Uwen roem alom Daarvan spreken dag en nacht. Groot gemaakt bij 't heidendom.