28 november 2021
Richteren 15:11: Toen kwamen drieduizend mannen af uit Juda tot het hol der rots van Etam en zeiden tot Simson: Wist gij niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan? En hij zeide tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hunlieden gedaan.
INLEIDING
Simson wordt afgewezen door zijn schoonvader en verbrandt in wraak het land der Filistijnen. Zij nemen op hun beurt wraak op zijn vrouw en haar vader. Als de Filistijnen Simson zoeken, leveren de mannen van Juda hun eigen verlosser uit hem te binden, liever gebonden dan in verzet tegen hun overheersers. Simson laat zich gewillig binden. Dit is profetie: zo werd ook Christus door de Zijnen uitgeleverd en liet Zich vrijwillig binden, om vijanden met God te verzoenen.
Simson overgegeven aan de Filistijnen
RICHTEREN 15:9-15
9 Toen togen de Filistijnen op, en legerden zich tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi.
10 En de mannen van Juda zeiden: Waarom zijt gijlieden tegen ons opgetogen? En zij zeiden: Wij zijn opgetogen om Simson te binden, om hem te doen gelijk als hij ons gedaan heeft.
11 Toen kwamen drieduizend mannen af uit Juda tot het hol der rots van Etam en zeiden tot Simson: Wist gij niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan? En hij zeide tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hunlieden gedaan.
12 En zij zeiden tot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand der Filistijnen. Toen zeide Simson tot hen: Zweert mij dat gijlieden op mij niet zult aanvallen.
13 En zij spraken tot hem, zeggende: Neen, maar wij zullen u wel binden en u in hunlieder hand overgeven, doch wij zullen u geenszins doden. En zij bonden hem met twee nieuwe touwen en voerden hem op van de rots.
14 Als hij kwam te Lechi, zo juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest des HEEREN werd vaardig over hem, en de touwen die aan zijn armen waren, werden als linnen draden die van het vuur gebrand zijn, en zijn banden versmolten van zijn handen.
15 En hij vond een vochtige ezelskinnebak, en hij strekte zijn hand uit en nam ze en sloeg daarmede duizend man.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Richteren 15:11
THEMA
Simson overgegeven aan de Filistijnen
Simson is woedend naar huis gegaan. In Timnath is het feest gewoon doorgegaan. Want de bruid is weggegeven aan een ander, waarschijnlijk aan de ceremoniemeester. ‘Zo, dat probleem is opgelost. Die Simson, die zijn we kwijt. Voorlopig is het weer rustig in Timnath.’
Simson zit thuis. Het verkeerde huwelijk met die heidense vrouw is door God geblokkeerd. God heeft hem de pas afgesneden. Wat is dat een zegen, als de Heere dat doet. Het dringt ons allemaal tot de vraag: Ben ik nog wel op de goede weg? Of, ben ik ondertussen ook van Gods weg afgegaan? Wat een zegen is het dan, als de Heere ons tegenkomt. En zegt: ‘Stop, tot hier toe en niet verder. Je roeping is anders: leven tot Mijn eer!’
Voor de grote Verlosser, de Heere Jezus Christus, was dat nooit nodig. Hij hoefde nooit gecorrigeerd te worden. Hij hoefde nooit herinnerd te worden door Zijn Vader aan Zijn roeping. Hij deed altijd wat Zijn Vader wilde. En Hij stond ook nooit bij de scherven van een verzondigd leven. Daarom mag je juist, wie je ook bent, met je verzondigde leven biddend naar Hem toegaan. Simson zit thuis. God heeft hem de pas afgesneden en gaat hem opnieuw de pas afsnijden. Wat is Simson, wat zijn wij toch hardleers!
Het is ondertussen een mooie, zomerse dag in de maand mei. Simson kan dan wel boos geweest zijn, maar hij is ook een man die weer kan afkoelen. Hij klopt op de deur in Timnath. Met twinkeling in zijn ogen en met een jong geitje onder zijn arm als cadeau, als verzoenend gebaar. Het is duidelijk: hij is bereid om te vergeven en te vergeten. Hij klopt. De deur gaat open. Schoonvader. ‘Simson…’ Een misselijkmakend gevoel draait door zijn maag. ‘Simson…?’ Vers 1: ‘Schoonvader, ik wil mijn vrouw!’ ‘Ja, maar -vers 2- Simson, ik dacht dat je haar haatte. En dus heb ik haar aan een ander gegeven. Maar ik heb nog wel een andere dochter, haar jongste zusje. Is dat niet iets voor je?’
Vers 3: Toen zeide Simson tot henlieden (tegen de Filistijnen): ‘ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe.’ Is dit heilig vuur? Is dit het drijven van de Geest van de HEERE? Zeker, Gods doel wordt uiteindelijk wel bereikt. Daar zorgt de Heere Zelf wel voor. Maar dat de Geest van de HEERE hem drijft, staat er dit keer niet bij. En dat ‘ik’ staat wel heel erg centraal: ik ben onschuldig, als ik kwaad doe. En even verderop zien we hetzelfde, in vers 11: ‘Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hunlieden gedaan; zoals ze mij gedaan hebben, zo heb ik hun gedaan. Zo zij, zo ik.’ Of is er dwars door dat egocentrische, dat ik-gerichte van Simson toch ook iets van verborgen drang van de Heere om de vijand te verslaan? Zonder twijfel.
Simson -vers 4- vangt driehonderd vossen. In Nederland zou dat niet lukken, maar het Filistijnse land zat vol met vossen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit 1 Samuel 13:17, waar het land van de Filistijnen Sual wordt genoemd, vossenland. Maar dan nog! Hoe slim, jongens en meisjes, moet je zijn om een vos te vangen. En dan driehonderd! Hij krijgt zonder twijfel bijzondere kracht van de Heere. Dit is een daad van geloof. Hij vangt er driehonderd! En hij bindt ze met twee staarten als koppels aan elkaar, met een fakkel ertussen, en steekt die fakkels in brand. Die vossen natuurlijk totaal in paniek! Van angst en pijn rennen ze overal heen, dwars door het rijpe koren van de Filistijnen. Ze verspreiden zich als een lopend vuur, als een leger van viervoetige brandstichters door het land en verwoesten de complete oogst. Kijk maar in vers 5: het koren, maar ook wijngaarden en olijfbomen. Alles! Dit is echt een nationale ramp! Dit is hun voedselvoorziening, dit is hun eten en drinken. Dit zijn hun offers voor Dagon. Maar alles gaat in vlammen op. Door het geloof doet Simson grote dingen. Maar vooral: God is bezig om Israël te verlossen. Toen zeiden de Filistijnen (vers 6): ‘Wie heeft dit gedaan?’ En men zeide: ‘Simson, de schoonzoon van de Thimniet, omdat hij zijn huisvrouw heeft genomen en haar aan zijn metgezel gegeven.’ ‘O, Simson… Ja, maar die durven we niet zomaar even aan te pakken.’
Toen kwamen -vers 6- de Filistijnen op en verbrandden haar(!) en haar vader met vuur. Het loopt niet goed af, met degene die op de weg van de zonde loopt. Zij verraadde Simson. Er werd mee gedreigd, en nu voert God Zelf het oordeel uit. Daar kan je je neus voor ophalen, voor zo’n onbetrouwbaar mens. Maar zijn wij anders? Zijn het niet de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn? (Klaagl. 3:22Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;)
Die wraak van de Filistijnen kan, wat Simson betreft, niet onbeantwoord blijven. Vers 8 zegt: En hij sloeg hen, de schenkel (het onderbeen) en de heup, met een grote slag. Het klinkt als: Hij hakte ze in de pan, hij sloeg ze kort en klein. Het lijkt alsof het besef van zijn roeping begint door te dringen: niet trouwen met een Filistijnse, maar de vijanden van de Heere moeten verslagen worden. Want Zijn volk moet verlost worden.
Voelt u met mij hier (en trouwens in heel dit hoofdstuk) ook niet iets van heilige ironie, van heilige spot? Steeds weer denken de vijanden, de Filistijnen, dat ze Simson een stapje vooruit zijn. Ze komen op de bruiloft triomfantelijk met het antwoord op zijn raadsel. Maar dat kost hun dertig man. Simson is weg, ze denken dat de rust in Timnath is teruggekeerd. Maar dan rennen er ineens 150 brandende fakkels rond. Zij nemen wraak. Maar de wraak van Simson is veel groter. En straks juichen ze bij Lechi. Maar als Simson losbreekt, wordt het een ramp. Hier is iets van wat staat in Psalm 2:4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.: Die in de hemel woont, zal lachen; de Heere zal hen bespotten. Dat geldt Gods vijanden. Maar het komt dichterbij. Het geldt uiteindelijk alle mensen die niet voor Hem hebben willen buigen. Die in den hemel woont, zal lachen; de Heere zal hen bespotten. Dewijl Ik geroepen heb en u geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte. En u hebt al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild, zo zal Ik ook in uw verderf lachen; Ik zal spotten wanneer uw vreze komt (Spr. 1:24-26Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.). Vijanden van God, ook hier in [plaatsnaam], wees gewaarschuwd!
En hij ging af -vers 8- en woonde op de hoogte van de rots van Etam. In (zo staat in vers 11) een hol, in een kloof in die rots, ergens in de buurt van Zora. Daar vindt Simson voorlopig een veilige plek. Wachtend op de reactie van de Filistijnen. Want die komt natuurlijk! Die Simson, die moet eraan. ‘Opsporing Verzocht! Most wanted: Simson!’ Waar is die gebleven? Natuurlijk, -spionnen zijn er in overvloed-, ze komen er achter. En met een stevig leger strijken ze neer in diezelfde buurt, bij Lechi.
En dat leidt tot grote verlegenheid bij de mannen van Juda. Tot eenzelfde verlegenheid die je in de kerk soms ook kan hebben. Als de grote Verlosser, de Heere Jezus Christus, ineens heel dichtbij komt. Want…, ja, dan moet je kleur bekennen. Voor wie van de twee ben je? Ben je voor Simson, voor de verlosser? Nou, dan is je rustige leventje voorbij. Dan krijg je de Filistijnen op je dak. Of ben je voor de Filistijnen? Dan moet je zorgen dat je de verlosser kwijtraakt.
Ze proberen het voorzichtig aan te pakken. Kijk maar in vers 10: En de mannen van Juda zeiden: ‘Waarom zijt gijlieden tegen ons(!) opgetogen?’ Met andere woorden: Wij hebben toch niks gedaan? Wij zijn voorbeeldige mensen, toch? En zij (de Filistijnen) zeiden (nee hoor, we laten jullie echt wel met rust, het gaat ons alleen om Simson!): Wij zijn opgetogen om Simson te binden, om hem te doen gelijk als hij ons gedaan heeft.
Als jullie die man nu eens aan ons uitleveren.
Ze spannen Juda voor hun karretje. Zoals de duivel ook vaak anderen voor zijn karretje spant, om zijn doel te bereiken. Eerst die heidense vrouw. En nu die laffe mannen van Juda. Vers 11: Toen kwamen drieduizend mannen af uit Juda tot het hol der rots van Etam en zeiden tot Simson: Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dan dit gedaan? Simson is hun door God gestuurde verlosser. Wat is dit laf, wat is dit onbetrouwbaar, wat is dit corrupt! Juda was een leeuwenwelp. Maar nu is hij bang als een haas (Gen. 49:9Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?). Dit is het gevolg van de zonde van Juda. Zonde maakt laf, zonde maakt bang om eerlijk te zijn en om ermee te breken. Lafheid en angst laten hen en ons wegduiken, laten ons kiezen voor rust. Voor de rust van het door willen gaan in de zonde, in plaats van daarmee te breken, die te belijden voor God en te buigen en terug te keren naar de Heere.
Ze zeggen: ‘Zeg, Simson, weet je soms niet, dat de Filistijnen hier de baas zijn?’ Wat een misverstand! ‘Simson, dit heet wel Israël, maar de Filistijnen zijn hier de baas!’ Ze schikken zich erin. Ze zijn er tevreden mee: zij, de Filistijnen, zijn hier heer en meester. En de verlossing door de aanstaande verlosser Simson zien ze als bedreiging van hun rust en vrede.
Dit is uit het leven gegrepen. Uit ons leven. Uit uw leven, onbekeerden, hier in de kerk. ‘Laat me met rust. Ik dien de vijand, dat weet ik, maar ik heb me erin geschikt.’ U dient de duivel, maar u hebt er geen last van. Liever dat dan onrust, dan slapeloze nachten, dan hartelijke tranen van berouw en van buigen onder Gods recht. U hoort wel graag de verlossingsverhalen van anderen. U zegt: ‘Wat mooi, hoe God Zijn kinderen bekeert. Maar…, laat mij maar met rust.’ O dodelijk gevaar! O dodelijk rust! Och, of u heden bekende, wat tot uw vrede dient! U hebt een tijd van oorlog voor uzelf verklaard tot een tijd van vrede. U zegt: ‘Vrede, vrede en geen gevaar, terwijl een haastig verderf dreigt (1 Thes. 5:3).’
Tevreden met de dienst van de duivel, en geen oog voor de Verlosser. Er is een Verlosser door God tot u gezonden. En Hij is beschikbaar voor u. Het woord van de zaligheid is tot u gezonden (Hand. 13:26Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden.). En de Zaligmaker roept u toe: ‘Bekeert u, want waarom zou u sterven?’ Maar u zegt: ‘Laat me met rust. Laat me genieten van wat ik heb. Verstoor mijn rust niet. Ik vecht nog liever tegen de Verlosser, dan dat ik iets van Hem verwacht.’
Is dat niet uw leven, onbekeerde vrienden? Tevreden en vechtend tegen de Verlosser? O, hoe beklagenswaard, hoe gevaarlijk is uw toestand! U voegt u in een lange rij van mensen, die ooit hetzelfde gedaan hebben. Kiezen voor rust, voor dodelijke rust, zonder last te hebben van een verlosser. Zo ging het met de verlosser Mozes, die een Egyptenaar doodde. Maar hij werd verraden door zijn eigen volk.
Zo gaat het hier met Simson, door God gestuurd om Israël te verlossen. Maar ze zijn hem liever kwijt. Zo gaat het zo vaak, ook nu, met mensen die u oprecht proberen te waarschuwen voor zonde en zelfbedrog, die u oproepen met de zonde te breken en heilig voor God te leven. Reactie in uw hart? ‘Waarom tegen ons? We zijn zo slecht toch niet? Laat ons met rust!’ Zo ging het vooral ook en in de eerste plaats met de Heere Jezus Christus. Hij kwam om te verlossen. Hij deed goed. Hij genas zieken. Hij wekte doden op. Zeker, Zijn woorden waren scherp, maar tegelijkertijd eerlijk, gedoopt in liefde en gericht op hun behoud. Maar Hij werd verraden door Petrus, en verlaten door al Zijn discipelen. En Kajafas zei: ‘Het is ons nut, dat één Mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga (Joh 11:50En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat een mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.).’
Zo hebben zij Hem uitgeleverd aan de vijand. Hij kwam als de Leeuw uit de stam van Juda, om de kop van de slang te verslaan, om dood en hel te overwinnen. En uiteindelijk hebben ze Hem door de handen van de onrechtvaardige Romeinen aan het kruis gehecht en gedood (Hand. 2:23). Huil, breek van berouw, u, die Hem zo behandeld hebt. Want wij hebben het gedaan. Wij hebben God op het hoogste misdaan. God stuurde ons de uiteindelijke Verlosser. Maar wij hebben Hem niet aangenomen. Wij hebben Hem weggedaan. Liever Bar-Abbas, liever een moordenaar, liever een terrorist, dan Jezus! We gaan, terwijl we daaraan denken, zingen uit Psalm 69, daarvan het vierde vers. Mijn broed'ren ben ik vreemd, door elk onteerd, En onbekend de zonen mijner moeder; 'k Vind onder hen noch schutsheer, noch behoeder; Want d' ijver van Uw huis heeft mij verteerd. Ik draag de schimp, de smaad en overlast Dergenen, die, alziende God, U smaden; Ik heb geweend, mijn ziel heeft steeds gevast, Maar 'k word te meer met smaadheid overladen.
Misschien hebt u altijd gedacht: O, wat erg, wat verschrikkelijk erg! Dat Judas Jezus verraadde met een kus. Dat Petrus Hem verloochende. Dat de bende in Gethsémané Hem bond. Dat de Joodse Raad Hem veroordeelde vanwege Godslastering. Maar wij hebben precies hetzelfde gedaan! En u, onbekeerde vrienden, doet tot op de dag van vandaag precies hetzelfde! U zegt: ‘Laat me met rust! Laat me gewoon verder gaan met netjes zijn, met mijn trouwe kerkgang, met mijn ijverige leven. Maar… (ja, helaas, maar daar kan ik verder ook niets aan doen!), maar zonder Jezus.’
Omdat u Hem niet wilt. U hebt uw Verlosser laten binden ter wille van uw eigen rust.
U wilt uw hart niet onderzoeken, uw nood niet voelen, uw gevaar niet zien, uw schuld niet belijden. U wilt geen zondaar, u wilt geen vijand zijn. We willen netjes en vroom zijn, goedgelovig en ijverig, liefdevol en goed bezig. We willen zingen van Jezus’ liefde, maar geen tranen huilen vanwege onze haat. We willen niet staan voor het oog van de alwetende God, ontmaskerd als zondaars en verwerpers van de Zaligmaker. We haten, allemaal, dat ontmaskerende werk van de Heilige Geest, Die ons wakker wil schudden uit die dodelijke rust.
Maar kijk toch, zondaars, wat u gedaan hebt! God stuurde u de Verlosser. Maar u wilde Hem niet. God stuurde u de Zaligmaker. Maar u hebt Hem geweigerd. En waarom? ‘U hebt Mij’, zucht Christus, ‘zonder oorzaak gehaat (Joh. 15:25Maar dit geschiedt, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat.).’
Wat hebt u toch gedaan? Uw Redder geweigerd? Uw Verlosser gehaat? Is er dan nog wel een weg om zalig te worden?
Jazeker, die is er. Kom dan en ga die weg. Alleen ken uw ongerechtigheid, dat u tegen den HEERE uw God hebt overtreden (Jer. 3:13Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den HEERE, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen groenen boom, maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de HEERE.). Erken dat. Zeg niet: ‘Zo ben ik niet.’ Maar zeg: ‘Ja, Heere, zo ben ik. Dat heb ik gedaan.’ Kom met een gebogen hoofd en met een gebroken hart om zoveel kwaad. En buig aan de voeten van Hem, Die u gehaat hebt, Die u niet gewild hebt.
Zondaars, kom! Omhels met tranen van berouw Christus, de Zaligmaker. Want Hij kwam (o, dat is uw redding!), Hij kwam om goddelozen te rechtvaardigen. En goddeloos, dat bent u. Hij kwam om vijanden met God te verzoenen. En een vijand, dat bent u. Zie op Hem en word behouden (Jes. 45:22Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.). Kom tot Hem. Hij zal u rust geven. Geef uw vijandschap op. Sluit Hem niet langer buiten. Haat Hem niet zo, dat u liever verloren gaat, dan dat u door Hem behouden wilt worden (citaat John Owen). Als u Zijn genade veracht, als u Zijn liefde vertrapt en Zijn gunst weigert, dan bewijst u dat u Hem haat. En dan zult u helaas voor eeuwig omkomen. Bedenk wat u doet, want u bent op weg naar de eeuwigheid!
Kent u iets, gemeente, van de belijdenis van de Kananese vrouw: ‘Ja, Heere, zo ben ik; ik ben een hond?’ (Matt. 15:27En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren.) Kent u iets van de rouwklacht van Zacharia: Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben; en zij zullen over Hem rouwklagen als met de rouwklage over een enige zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene (Zach. 12:10Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.)? Kent u iets van de belijdenis van Robert Murray McCheyne: ‘Ik heb Uw doornenkroon gevlochten, ik heb met mijn vijandschap Uw beker gevuld?’ Ik wilde U niet. Ik was een vijand. Ik heb gedaan dat kwaad was in Uw oog?
Zal niet ieder kind van God dat willen toegeven? Maak, lieve mensen, Jezus niet tot een Vriend van vrienden en tot een Bewonderaar van goedwillige en voorbeeldige mensen. Jezus (dat is de bitterheid en tegelijkertijd de zoetheid van het Evangelie!), Jezus is gekomen om zondaars zalig te maken en om vijanden met God te verzoenen.
O, wilde iedereen van ons door het werk van de Heilige Geest maar zo diep buigen. Want wie dat doet, valt in de genadige armen van een liefhebbende Jezus. Wie van ons, geliefde gemeente, zegt: ‘Ja, amen, Heere, dat ben ik?’
Het levend hart, een levende gemeente herkent iets van de rouwklacht van Zacharia, en weet van het ontmaskerende werk van de Heilige Geest.
Wat doet Simson? Hij zegt: ‘Dood mij niet, mannen van Juda. Maar u mag mij wel overleveren in de handen van de Filistijnen.’ En -vers 13- zij bonden hem met twee nieuwe touwen en voerden hem op van de rots. Dit is profetie. ‘Simson, wij doden u niet. Dat laten we aan de Filistijnen over.’ ‘En ik, Pilatus, was mijn handen in onschuld.’ ‘En wij, vrome en godsdienstige mensen, laten de Romeinen het vuile werk opknappen.’ Wij hebben het echt niet zelf gedaan, hoor!
Gemeente, dit is ons grote gevaar. We willen goed lijken en niet slecht. Maar wat zijn we door en door slecht voor God. Want ook wij hebben de Zaligmaker, met diepe haat in ons hart, verworpen. En velen van ons verwerpen Hem tot op de dag van vandaag nog steeds: ‘Weg met Hem! Wij willen niet dat deze Koning over ons zij. Geef ons de Filistijnen maar!’
Ik bedoel u, persoonlijk, u die uw hart niet wilt onderzoeken. U die met rust gelaten wilt worden in uw zonden, in uw vroomheid, in uw blijheid, in uw liefde. Ik bedoel u, die niet wilt erkennen, dat u vijand van Christus bent.
O, doorzie toch uw lot, lieve vrienden. Zie toch wat uw hart en handen ondertussen doen. Niet één keer, zoals hier, maar al zo vaak en steeds weer. U verwerpt de Verlosser, de Zaligmaker van vijanden en goddelozen. En u zegt: ‘Laat de Filistijnen, laat de duivel maar over mij heersen.’
Hier zien we de zwartheid van onze haat tegen God en Christus. Maar tegelijkertijd schittert hier, tegen die zwarte achtergrond, de liefde van God en Christus voor Zijn volk. Juda verwacht veel verzet. En komt met drieduizend man (vers 11). De Romeinen verwachten veel verzet. En komen met een leger, met zwaarden en stokken. Maar Simson geeft zich vrijwillig over en laat zich binden. En Christus geeft Zich vrijwillig over en laat Zich binden: ‘Als u Mij zoekt, laat dezen heengaan (Joh. 18:8Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.).’
Hij had ze kunnen doden. Met een legioen engelen. Eén engel was al genoeg geweest. Want zij hebben Hem wel zonder oorzaak gehaat. Maar Hij had hen lief. Hij wilde lijden en sterven voor Zijn vijanden, voor zulke mensen. Hij was immers gekomen om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen (Matt. 20:28Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.). Hij was immers gekomen om te dienen, om Zichzelf te vernederen, om Zichzelf te vernietigen. En dus zei Hij: ‘Heere, bind Mij maar.’
Hij liet Zich binden. Door de Romeinen. Jazeker, maar vooral door het straffende recht van Zijn Vader. Want ten diepste was het de Vader Die Hem bond en terechtstelde tot de dood van het kruis. Wat schittert op Golgotha de liefde van de Vader. En wat schittert daar tegelijkertijd de liefde van Christus voor goddelozen, voor vijanden. Als je jezelf goed vindt, dan draai je jezelf om en loop je door. Maar als je jezelf hebt leren kennen als een goddeloze, als een vijand, en God je ogen richt op dat wat daar gebeurd is, dan roep je uit: ‘O liefde, die om zondaars te bevrijden, zo zwaar wilde lijden.’ En dat zo gewillig, zo vrijwillig, en zo van harte.
En zij -vers 13b en 14a- bonden hem met twee nieuwe touwen en voerden hem op van de rots. Als hij kwam te Lechi, zo juichten de Filistijnen hem tegemoet Simson laat zich binden, als een type van Christus, Die Zich vrijwillig liet binden door Zijn Vader. Opdat Hij, zo zegt ons avondmaalsformulier, ons, kinderen van God, zou ontbinden. Simson laat zich verlaten door zijn broeders, als type van Christus: alleen, verlaten door Zijn broeders en verlaten door Zijn Vader. Opdat wij, kinderen van God nimmermeer door God verlaten zouden worden.
Hier wordt ten diepste Christus voor onze ogen geschilderd (zoals Paulus later schrijft) onder ons gekruist zijnde (Gal. 3:1O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?). Wend u dan, geliefde gemeente, naar Hem toe en word behouden. Zie op Hem en geloof. Zie in geloof op Zijn heerlijkheid, op Zijn liefde, op Zijn vernedering, op Zijn kruis dragen, op Zijn verlating. Zie op Hem, als Degene Die veel schoner is dan de mensenkinderen. Want om dat lijden, om die kruisdood is er genade op Zijn lippen uitgestort (Ps. 45:3Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.).
Gaat u gebukt onder uw vijandschap, onder uw onwil en totale onvermogen? Kijk, in Simson ziet u een beeld van Christus. Die die vijandschap vrijwillig wilde verdragen. Die Zich liet binden tot de dood toe. Hij wil uw banden breken. Buig dan aan Zijn voeten. Erken en belijd uw opstand en vijandschap, uw nood en dood. Zeg: ‘Heere, Zoon van David, ontferm U over mij!’
Laat Hem het werk doen. Want uw werk is nutteloos en waardeloos.
Zalig worden is immers Gods werk. Het werk van God de Vader, het werk van God de Zoon en het werk van God de Heilige Geest. Daar kwam nog nooit een mens aan te pas. Nooit ging iemand geloven in eigen kracht. Maar tot op de dag van vandaag is God bereid om vijanden met Zich te verzoenen door de dood van Zijn Zoon. Door God gebonden. En gezonden tot u. Om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Hem gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis (Jes. 61:1De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis;).
Kom, zondaars, er is genade. Voor vijanden. Daarom, buig vandaag uw knieën en bid: ‘Heere, om de meerdere Simson, om Uw lieve Zoon, breek mijn vijandschap en maak mijn banden los. Tot roem van Uw Naam en tot heerlijkheid van Uw Christus.’
Bid en houd aan in het gebed, totdat u uit Zijn mond zult horen: ‘Zoon, dochter, uw geloof heeft u behouden. Uw zonden zijn u vergeven. Ga heen in vrede.’
Amen.
Slotzang Psalm 116:2,3:
Ik lag gekneld in banden van de dood, Daar d' angst der hel mij alle troost deed missen; Ik was benauwd, omringd door droefenissen; Maar riep de HEERE dus aan in al mijn nood:
"Och HEERE, och, wierd mijn ziel door U gered!" Toen hoorde God; Hij is mijn liefde waardig; De HEERE is groot, genadig en rechtvaardig, En onze God ontfermt Zich op 't gebed.
Andere preken over Richteren
Andere preken voor Simson