PREEK · KERKELIJK JAAR

En die Man zal zijn, als een Verberging – Jesaja 32

Advent - 4 december 2022

Jesaja 32:2: En die Man zal zijn als een verberging tegen den wind en een schuilplaats tegen den vloed; als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.

INLEIDING

De komende Koning uit Jesaja 32 wordt getekend als een Man Die schuilplaats biedt tegen wind, vloed, hitte en dorst — beelden van zonde-ellende en toorn. Wat Hij voor Zijn volk wordt, droeg Hij Zelf in Gethsémané en op Golgotha. De vrucht: ogen die niet terugzien naar het oude leven, oren die opmerken, harten die verstaan en tongen die bescheiden spreken. Voorbereiding op het Avondmaal vraagt eerlijk zelfonderzoek: alleen arme, dorstige zondaars vinden in Christus hun enige Toevlucht.

THEMA

De komende Koning, Die heersen zal

KERNPUNTEN

  1. Hoe Hij zal zijn
  2. De vrucht van Hoe deze Koning is, van wat Hij doet en heeft gedaan

JESAJA 32:1-8

1 Zie, een Koning zal regeren in gerechtigheid; en de vorsten zullen heersen naar recht.
2 En die Man zal zijn als een verberging tegen den wind en een schuilplaats tegen den vloed; als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.
3 En de ogen dergenen die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen die horen, zullen opmerken.
4 En het hart der onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong der stamelenden zal vaardig zijn om bescheidenlijk te spreken.
5 De dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en de gierige zal niet meer mild geheten worden.
6 Want een dwaas spreekt dwaasheid en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen en om dwaling te spreken tegen den HEERE, om de ziel des hongerigen ledig te laten en den dorstige drank te doen ontbreken.
7 En eens gierigaards ganse gereedschap is kwaad: hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt.
8 Maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden, en staat op milddadigheden.

VOLLEDIGE TEKST

En die Man zal zijn, als een Verberging – Jesaja 32

ds. J. IJsselstein - Jesaja 32:2

THEMA

De komende Koning, Die heersen zal

LITURGIE

Psalm 63:1

Psalm 63:3

Lezen Jesaja 32

Psalm 65:2,7

Lofzang van Maria:1,6

Psalm 130:3

Psalm 89:8

Op deze …e adventzondag preek ik u, gemeente, in deze dienst van voorbereiding op de aanstaande bediening van het Heilig Avondmaal uit Jesaja 32, vers 1 tot en met 4. De tekst vindt u in Jesaja 32:1-4, waar we Gods Woord als volgt lezen: Zie, een Koning zal regeren in gerechtigheid; en de vorsten zullen heersen naar recht. En die Man zal zijn als een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed; als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land. En de ogen dergenen die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen die horen, zullen opmerken. En het hart der onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong der stamelenden zal vaardig zijn om bescheidenlijk te spreken.

Het thema voor de preek is: De komende Koning, Die heersen zal We letten op twee aandachtspunten: 1. Hoe Hij zal zijn (dat ziet u in vers 1 en 2) 2. De vrucht daarvan (dat ziet u in vers 3 en 4: de vrucht daarvan voor ogen, oren, hart en tong)

Zie (zo begint vers 1), een Koning zal regeren in gerechtigheid; en de vorsten zullen heersen naar recht. Het is waarschijnlijk in de tijd van koning Achaz (een donkere tijd, vol dreiging vanuit Assyrië) als Jesaja deze hoopvolle profetie opschrijft. Er komt een tijd van zegen: een Koning zal regeren in gerechtigheid. De jonge Hizkia, die straks koning zal worden. En die met eerlijkheid en wijsheid zal besturen, in vrede.

Maar achter die komende koning Hizkia schittert de veel grotere Koning: de komende Messias, Jezus Christus. Die Koning genoemd wordt vanwege Zijn weergaloze macht. Zoals David Hem beschrijft in Psalm 24: De HEERE, sterk en geweldig; de HEERE, geweldig in den strijd (Ps. 24:8).

Die Koning genoemd wordt vanwege Zijn onvergelijkbare wijsheid. Raad en Wezen zijn bij Hem, Hij is het Verstand, van Hem is de Sterkte (Spr. 8:14). Die Koning genoemd wordt vanwege Zijn wonderlijke goedheid, liefde en trouw. Zoals de profeet Zacharia Hem voor ogen schilderde: Zie, uw Koning komt tot u, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm en zachtmoedig (Zach. 9:9; Mat. 21:5).

En onze Koning (zingt Psalm 89) is van Israëls God gegeven. Hij zal (zo zingt Psalm 72) als wijze Koning: de ellendigen des volks richten, Hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en de verdrukker verbrijzelen (Ps. 72:4). De Koning, van Wie we hopen en bidden, dat Hij bij de komende bediening van het Heilig Avondmaal zal schitteren als de grote Gastheer aan Zijn tafel.

Ons eerste punt:

1. Hoe Hij zal zijn

Vers 2 zegt: En die Man zal zijn als een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed; als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land.

Hij wordt een Man genoemd, om Zijn mens-zijn, en om Zijn grote aanzien. En Hij wordt getekend in hoe Hij zal zijn, en in wat Hij voor Zijn volk betekenen zal.

Zij worden beschreven als mensen die gehinderd worden door de wind, door de vloed (dat wil zeggen: door stormen met heel veel regen), door droogte, hitte en dorst. En Hij wordt beschreven als een verberging, als een schuilplaats, als waterbeken, en als een schaduw voor hen. En dat zegt direct al iets over wat ‘echt geloven’ is. Dit zegt iets over de kenmerken van Gods oprechte kinderen. En dus ook over wat nodig is om aan de bediening van het Heilig Avondmaal te gaan.

Geloof is niet alleen en in de eerste plaats iets van ons verstand. Geloven is niet hetzelfde als zeggen: Ik geloof dat mijn zonden vergeven zijn. Of: Ik geloof dat Jezus mijn Zaligmaker is. Geloven is een zaak van het hart, en van een nieuwe wil.

Het veronderstelt kennis, bevindelijke kennis, ervaringskennis van onze ellende. Hier getekend met de metaforen van wind, watervloed en storm, en van: droogte, hitte en dorst. De wind en de regen slaan op mijn hart. De hitte van de zon brandt op mijn ziel. Als een teken dat de toorn van God op mijn leven brandt. Zoals bij Heman in Psalm 88: Ik ben neergedrukt door Uw golven (Ps. 88:8,16,17). Zoals bij David in Psalm 42: Al Uw golven en Uw baren zijn over mij heengegaan (Ps. 42:8). Ik vind mijn hart van mezelf zo onvruchtbaar, zo hard, zo geesteloos. En mijn misschien eerder gekregen geloof, hoop en liefde zijn zo vaak verdord. Ik zie uit, ik verlang naar God, van uit een dorstig land. Maar het blijft zo stil...

Waarom zou een hart dat nooit is gedrukt door zonde-overtuiging verlangen naar Christus? Als ik nooit ‘tekort’ heb leren schrijven op alles van mezelf, zal ik nooit iets zien in Christus.

Het verlangen naar Hem, het uitzien naar Hem, het hopen op Hem, het groeit allemaal op de bodem van mijn gemis, van mijn ‘niet hebben’, van mijn ‘niet weten’. En dat drijft heen om de toevlucht tot Christus te zoeken. En om uiteindelijk (hoe de Heere ook werkt) in te stemmen met Gods plan tot de zaligheid: Niets uit u, alleen genade. In u alleen maar zonde en ellende, nood en dood. Maar Ik de Heere heb hulp besteld bij een Held. Ik heb een Koning gegeven, Die past bij mensen zoals u!

Een Man. Die zal zijn als een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed; als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land. Hij kan en wil u verbergen onder de schaduw van Zijn hand. Bij Hem mag u schuilen tegen de vloed van Gods toorn tegen uw zonden. Onder de schaduw van Hem, mag u zitten en rusten. Hij zal u verbergen tegen uw geweten dat u aanklaagt, tegen de satan die u beschuldigt, tegen de verlating die u aangrijpt.

Als God, als Koning, als Middelaar, als Borg voor uw schuld. Als een Herder. Hij zal u weiden als een Herder, u als een lammetje in Zijn armen dragen (Jes. 40:11) Als uw Man, en Bruidegom Als uw Voorbidder in de hemel. Als uw Toevlucht en Sterkte op de aarde.

Hij zal u schaduw geven als een grote en sterke rots. Tegen de hitte van Gods toorn. Hij zal water gieten op de droge woestijn van uw hart. Als een overlopende beek (Jes. 66.12). Dan zullen in de woestijn wateren uitbarsten en beken in de wildernis (Jes. 35:6). Hij zal uw dorre en droge hart (voor het eerst of opnieuw) weer vruchtbaar maken. Immers Hij maakt het aardrijk week door de druppels (Ps. 65:11).

En dat alles is omdat Hij wil staan in de plaats van Zijn volk. Want, als Hij iemand verbergt tegen de wind, dan zal die wind op Hem slaan! En als Hij schuilplaats zal zijn tegen de storm, tegen de stortregen, tegen de overstroming, dan zal dat water tegen Hem aan slaan! Als Hij rots zal zijn om verkoeling te geven in de hitte, dan zal die hitte op Hem branden! Zoals de hitte van Gods toorn ook op Hem gebrand heeft, in Gethsémané en op Golgotha.

Waar Hij uit moest roepen: Mij dorst! Daarom, omdat Hij daar de last van Gods toorn over de zonden van Zijn volk droeg, daarom is Hij nu voor hen als waterbeken in een dorre en dorstige plaats.

Omdat Hij alles droeg en verdroeg. Daarom is Hij, Christus, nu alles voor een geestelijk ellendig en arm mens.

En dat geeft tegelijkertijd aan, gemeente, dat u niet naar het Heilig Avondmaal moet komen, als u daar niets van kent: van uw ellende en zondenood. Want onze ellende en de trekkende liefde van Christus doen ons hart (dat is geloven!) leunen op Hem, hongeren naar Hem, dorsten van Hem, vluchten tot Zijn schaduw, op Hem wachten, Hem verwachten en op Hem vertrouwen. Als de enige Weg tot de zaligheid.

Dat is misschien wel de diepste kern van geloven: Mijn ellendige en zondige hart keurt Gods manier van zalig maken volkomen goed. En ik verblijd me daarin. Dat God het zo wil doen en niet anders! Zijn genade alleen, voor mij: arme. Zijn bloed alleen, voor mij: doodschuldige. Zijn reddingsplan alleen, voor mij, die mezelf nooit meer redden kan.

Dat brengt ook (zo geloven brengt ook) tot nederigheid, tot ootmoed, tot verbazing, tot diepe verwondering. Daar verdwijnt ook al het hoogmoedige aangaan aan de heilige tafel van de Heere, al het vanzelfsprekende aangaan uit gewoonte, zonder goede voorbereiding. Want hoe zal ik… verschijnen voor… God?

Voor mensen die zichzelf bedriegen (en ik roep u en mezelf op om ons hart eerlijk voor God te onderzoeken), voor mensen die zichzelf bedriegen, is de Heere Jezus geen totale verberging, geen totale schuilplaats. Als u al wind, storm of watervloed ervaart… Want u hebt het gevoel, dat u zelf ook nog wel iets kunt bijdragen. U hebt nooit ‘de dood’ geschreven op uzelf en op uw eigen mogelijkheden.

Voor mensen die zichzelf bedriegen (en ik roep u en mezelf op om ons hart eerlijk voor God te onderzoeken), voor mensen die zichzelf bedriegen, is de Heere Jezus ook niet de enige waterbeek, niet enige schaduw. Als u al hitte, droogte of dorst kent in uw hart… Want u kunt altijd geloven. Maar het geloof is een gave van God, die -zo blijkt uit heel de Bijbel-, aangevochten en bestreden wordt. Die soms bloeit en soms kwijnt. Maar u kunt blijkbaar uw eigen ziel nog steeds van water voorzien…

Beste vrienden, ik zeg dat met het oog op het welzijn van uw hart, van uw ziel. Want: ziel verloren is alles verloren. Onderzoek uw hart! Je kan de hemelpoort straks alleen maar binnengaan als een arme zondaar. Die de hoop op zichzelf totaal en voor altijd opgegeven heeft. En die zijn of haar hoop op Christus, en op Christus alleen heeft gesteld.

Onderzoek u nauw, ja zeer nauw, heel nauwgezet! U, die nooit last hebt van uw zonden. U, die nooit zucht ons de last van uw zondige bestaan. U, die zo gerust bent. Immers, de profeet Amos zegt: Wee, de gerusten in Sion en de zekeren op de berg van Samaria (Amos 6:1). U, die zo zorgeloos bent, zoals getekend wordt in vers 9 tot en met 13. U bedriegt uzelf. En de tekenen van brood en wijn zijn niet voor u bestemd.

Maar de Heere zal een toevlucht zijn, een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed; als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land. En dus zal de Heere Zijn avondmaalstafel aanrichten voor mensen die zuchten om hun zonden, om hun blijvende onheiligheid, om de slechtheid van hun hart, om hun hinder van satan. Dat laat hun hart zo uitgaan naar Christus!

Wees niet bang, vrees niet, kreupele Mefiboseths. De Heere roept volgende week juist u! Kom, door onweder voortgedrevenen, ongetroosten, ontroostbaren (Jes. 54:11). Kom, u, die vermoeid en belast bent (Mat. 28:11). Kom, armen. Kom, hongerigen. Kom, u, die dorst naar Christus. Omdat u niets hebt. Kom, u, die op Hem hoopt. Omdat u alles kwijt bent.

Hij wil uw ziel vertroosten. Hij wil der armen spijs hier zegenen op de ruimste wijs. Door uw hart te richten op wat Hij, op wat Christus voor u deed: Ik voor u. In de nacht van Zijn stille worstelingen in Gethsémané. Op de dag van Zijn bittere lijden aan het kruis. Omdat u anders de eeuwige dood moest sterven, daarom stierf Hij, voor u. Alles wat u anders had moeten dragen, droeg Hij, voor u!

Armen, u die niets hebt en op Christus hoopt, Hij zal u verzadigen met het goede van Zijn huis, met het heilige van Zijn paleis (Ps. 65:5). Maar u, rijken, u die zoveel hebt, u die alles zo goed weet, u die nooit last hebt van uzelf, u die nooit walgt van uw zondige hart, de Heere zal u (als u komt) met lege handen wegsturen.

We zingen ervan uit de Lofzang van Maria, vers 1 en 6:

Mijn ziel verheft Gods eer; Hij heeft, na lang geduld, Mijn geest mag blij den HEER Met goederen vervuld Mijn Zaligmaker noemen, Der hongerigen monden; Die, in haar lagen staat, Hij zag geen rijken aan; Zijn dienstmaagd niet versmaadt, Maar heeft z', in hunnen waan, Maar van Zijn gunst doet roemen. Gans ledig weggezonden.

Onze tweede aandachtspunt:

2. De vrucht van Hoe deze Koning is, van wat Hij doet en heeft gedaan

Vers 3a: En de ogen dergenen die zien, zullen niet terugzien. Die zullen niet meer verblind zijn. Die zullen niet meer naar iets anders kijken. Zeker, er is in al Gods kinderen veel neiging tot dwalen en verdwalen overgebleven. We kunnen zo onverwachts onszelf realiseren hoe we weer teruggevallen zijn in de hoop op verbetering vanuit onszelf.

Maar toch is er blijvend iets veranderd: onze ogen zien. We zien iets van onszelf, als zondaars voor de heilige God. We zien iets van de schoonheid en van de heerlijkheid, van Christus. En dat heeft de brug naar ons oude leven opgehaald. We willen niet meer terugzien naar ons vroegere leven, naar de wereld, naar onze eigen gerechtigheid.

Eén is onze Hoop, Eén is (in al ons gemis) ons verlangen (1 Tim. 1:1). Hem moeten we hebben. En Hem alleen. We willen het niet meer bij anderen of bij onszelf zoeken. We stemmen van harte in met genade, met Christus alleen. Onverdiend, zonder iets van ons.

Mensen die zichzelf bedriegen (en ik roep u en mezelf op om ons hart eerlijk voor God te onderzoeken), mensen die zichzelf bedriegen, nemen nooit Christus aan (hoewel ze dat misschien wel zeggen) als hun enige Hoop, als hun enige Profeet, als hun enige Hogepriester en enige Koning. Wat betreft Christus als Profeet, blijven ze vertrouwen hun eigen kennis en wijsheid. Wat betreft Christus als Priester, blijven ze hoop zoeken in zichzelf, in wat ze zelf doen en geloven. En wat betreft Christus als Koning, willen ze blijven meeregeren en willen ze geen afstand doen van hun vroegere koning: van hun eigen ik. Deze mensen zijn blind, van verre niet ziende (2 Petr. 1:9). Maar: de ogen dergenen die zien, zullen niet terugzien.

En (vers 3b): de oren dergenen die horen, zullen opmerken. Dat wil zeggen: Zij die horen, zullen (letterlijk): aandachtig luisteren. Zoals de dichter van Psalm 49 zingt: Ik neig het oor, daar ik op Gods inspraak wacht (Ps. 49:1, ber.). Terwijl anderen zeggen: Ik weet het zelf wel hoor. Je moet gewoon…, zeggen zij: Nee, maar ik wacht op de Heere. En bid: ‘zegt U tot mijn ziel: Ik ben uw Heil alleen.’

Maar (voeg ik daaraan toe): Merk dan wel op, wat antwoord God u geeft... Want u kunt ook in vrees en twijfel ieder woord van de Heere wegen en teruggeven. Moegestreden mensen, doe dat toch niet. Merk op, wat antwoord God u geeft! (Ps. 85:3, ber.)

Dit antwoord: Ik zal voor u zijn als een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed; als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land. Ik, Ik ben het, Die u troost. Meer dan een moeder troosten kan (Jes. 51:12, 66:13).

En (vers 4a): Het hart der onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan. Voorheen waren ze haastig, ze dachten niet na, ze waren niet bedachtzaam. Onnadenkend in hun gedachten: door tegenspreken, door spotten, door alle dingen zonder nadenken en onderzoek aan te nemen en te geloven. Onnadenkend in hun woorden: oneerbiedig sprekend over God, en over Zijn Woord en Wet. Zonder respect en zonder vrees voor de heilige God. Onnadenkend in hun gedrag: niet bang voor de zonde, en zonder ijver om God te dienen.

Maar nu (door het werk van de Messias en door het werk van de Heilige Geest) gaan ze: de wetenschap verstaan. Gaan ze de dingen van de Heere en Zijn dienst kennen en begrijpen. En dat brengt hen tot het zoeken van de Heere. Tot diepe eerbied voor Zijn Woord. Tot buigen voor de heilige God. En tot diepe vrees voor de zonde.

Toets, geliefde gemeente, in deze week van voorbereiding, uw hart en uw leven, aan deze vruchten. Een slordig leven (zonder vrees voor de heilige God, levend in de zonde, ver weg van de Heere) is niet te combineren met aangaan aan het sacrament van het Heilig Avondmaal. Onderzoek -ze worden hier genoemd- uw ogen, uw oren en uw hart.

En, als laatste uw tong. Door Jakobus genoemd: een vuur, een wereld van ongerechtigheid (Jak. 3:6). Het roemt grote dingen. Van nature vooral de grote dingen van onszelf. En niet de grote werken van God (Hand. 2:3, 11).

Maar, staat hier, door het werk van de komende en gekomen Koning, zal (kijk maar in vers 4b): de tong der stamelenden (…) vaardig zijn om bescheidenlijk te spreken. Voorheen: stamelend, stotterend sprekend. Hier symbool voor: niet willen spreken over God. Altijd zwijgend, altijd kritisch.

Maar nu: bescheiden sprekend. Letterlijk: eenvoudig, helder. Maar het woord heeft ook het aspect van: glinsterend. Eenvoudige tongen die ineens gaan glinsteren…, als de pen van een vaardige schrijver, om te vertellen dat Christus veel schoner is dan de mensen, omdat genade op Zijn lippen uitgestort is, voor mensen zoals ik (Ps. 45:2,3).

Gemeente, onderzoek in deze week voorbereiding niet alleen uw ogen, uw oren en uw hart, maar ook uw tong. Geef uw hart een goede rede op (Ps. 45:2)? Zijn de woorden van uw mond de Heere welbehagelijk (Ps. 19:15)?

Of is uw tong als een klein vuur, dat een grote brand veroorzaakt, roddelend, lasterend (Jak. 3:5)? Achten we de ander echt uitnemender dan onszelf (Fil. 2:3)?

Zijn dat allemaal volmaakte vruchten? Nee. Dat is ook ons verdriet. De vernieuwing van onze ogen, van onze oren, van ons hart en van onze tong is ten dele. Maar betreft wel ons hele leven, alle delen ervan! Onze ogen, onze oren, ons hart en onze tong. Onze verhouding tot de Heere en tot onze medemens. Ons leven thuis, op school, op ons werk, in de kerk en overal. Toon me, schrijft de apostel Jakobus, uw geloof uit uw werken (Jak. 2:18)! U kunt uzelf aan uw vruchten kennen (Mat. 7:20).

Tot slot, gemeente, nog vier dingen. a. Ik wil u als eerste oproepen, gemeente, om uzelf, uw hart en uw leven deze week voor Gods alwetende oog te onderzoeken. Neem daar tijd voor. Lees in uw Bijbel. Lees het formulier voor de bediening van het Heilig Avondmaal. En leg biddend eerlijk uw hart voor de Heere neer. Wees niet wijzer dan God, Die gezegd heeft: Onderzoekt uzelf of u in het geloof bent, beproeft uzelf (1 Kor. 13:5).

b. In de tweede plaats wil ik u oproepen, gemeente, om ook in deze tijd, ondanks alle verschillen die er in gemeente zijn, met respect over elkaar te denken en te spreken. Denk geen slechte dingen van elkaar. Zeg geen slechte dingen over elkaar. Let op uw hart. Let op uw tong. De apostel Johannes schrijft: Wij weten dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben. Die zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood (1 Joh. 3:14). Leg, gemeente, ook daar uw hart naast.

c. Ik wil u in de derde plaats oproepen om, als u aan het Heilig Avondmaal gaat, te komen in het diepe besef dat u nadert tot een heilige tafel. Christus is heilig. En de tekenen zijn heilig.

d. En ik wil u als vierde, als laatste, gemeente, oproepen om volgende week allemaal te komen. Want er zijn mensen die met het Avondmaal thuisblijven. Niet doen, mensen. Veracht Gods instelling niet. Het zal u geen zegen brengen. En neem gerust ook uw kinderen mee. Een kind heeft nog nooit een avondmaalsdienst verstoord.

Laat ons zo, gemeente, biddend de Heere verwachten. Want die de Heere verwachten, zullen niet beschaamd worden (Ps. 25:3).

We gaan samen zingen uit Psalm 130, daarvan het derde vers, lezen vervolgens het eerste gedeelte van het Avondmaalsformulier en eindigen daarna met dankgebed.

We zingen nu eerst Psalm 130:3: Ik blijf de HEER’ verwachten; Mijn ziel wacht ongestoord; Ik hoop, in al mijn klachten, Op Zijn onfeilbaar woord; Mijn ziel, vol angst en zorgen, Wacht sterker op den HEER, Dan wachters op den morgen; Den morgen, ach, wanneer? Amen.

Slotzang Psalm 89:8:

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht; Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen, Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven.