18 september 2016
Ezechiël 36:31: Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen die niet goed waren; en gij zult een walging van uzelven hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.
INLEIDING
Vervolg op de voorbereidingspreek over Ezechiël 36: het fundament van de genade ligt onvoorwaardelijk in God ('Ik zal'), niet in de mens. Daaruit vloeit rijke zegen — Woord, vruchten, stille vrede. De vrucht van die genade is verrassend: hoe meer genade ontvangen, hoe dieper de walging over eigen zonde en de schaamte dat Gods Naam ontheiligd is. Dit werkt door naar buiten: de volken moeten weten dat de HEERE God is. Alles blijft afhankelijk van gebed.
Beloften van genade en zegen
EZECHIËL 36:28-38
28 En gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.
29 En Ik zal u verlossen van al uw onreinheden, en Ik zal roepen tot het koren en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen honger op u leggen.
30 En Ik zal de vrucht van het geboomte en de inkomst des velds vermenigvuldigen, opdat gij de smaadheid des hongers niet meer ontvangt onder de heidenen.
31 Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen die niet goed waren; en gij zult een walging van uzelven hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.
32 Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere HEERE, het zij u bekend; schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, gij huis Israëls.
33 Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage als Ik u reinigen zal van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen bewonen en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden.
34 En het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was voor de ogen van eenieder die er doorging.
35 En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is geworden als een hof van Eden; en de eenzame en de verwoeste en verstoorde steden zijn vast en bewoond.
36 Dan zullen de heidenen die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten dat Ik, de HEERE, de verstoorde plaatsen bebouw en het verwoeste beplant; Ik, de HEERE, heb het gesproken en zal het doen.
37 Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal hen vermenigvuldigen van mensen als schapen.
38 Gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op haar gezette hoogtijden, alzo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Ezechiël 36:31
THEMA
Beloften van genade en zegen
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de tekst voor de preek in deze dienst van nabetrachting en dankzegging kunt u vinden in Ezechiël 36, daarvan de verzen 28 tot en met 38. Ezechiël 36:28-38, waarvan ik u samenvattend voorlees de verzen 31 en 32. Daar lezen we het Woord van God als volgt: Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en gij zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen. Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere HEERE, het zij u bekend! Schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, gij huis Israëls!
De voorbereidingsdienst ging over de beloften van het genadeverbond. We behandelden toen Ezechiël 36, vers 17 tot en met 27, verzen die gingen over: (1) gebogen onder Gods recht, (2) gewassen met rein water, en (3) geheiligd tot een nieuw leven.
Het gaat vanmiddag in deze nabetrachtingsdienst (opnieuw) over Gods beloften. Het thema voor de preek is: Beloften van genade en zegen Dat is het thema voor de preek: beloften van genade en zegen. Er zijn vier aandachtspunten. We letten op:
1. Het fundament van de ontvangen genade Ik denk aan vers 28b: en u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. En aan vers 32: Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere HEERE, het zij u bekend! 2. De zegen van die genade Dit gedeelte is doorspekt met beloften van genade en zegen. Ik zal het u straks preciezer aanduiden, maar ik denk aan vers 28, 29, 34 en 38. 3. De vrucht van die genade U ziet het vooral in vers 31: Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en gij zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen. 4. Het blijvende gebed om die genade Ik denk aan vers 37: Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe Dus: het fundament van de genade, de zegen ervan, de vrucht ervan en het blijvende gebed erom. Als eerste dus:
Als Ik, zegt de HEERE, u gevonden zal hebben, als Ik u teruggehaald zal hebben uit de ballingschap (beeld van verbannen zijn vanwege hun zonden) (vers 24), dan zal Ik rein water op u sprengen, dan zal Ik u een nieuw hart en een nieuwe geest geven (vers 25-26), dan zal Ik Mijn Geest in u (uw hart) geven en Ik zal maken dat u in Mijn wegen zult wandelen. Ik zal… Ik zal. Ik zal maken, En u zult. U zult (vers 28) wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, en: u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. Let op, voorwaarden staan er niet. Er zijn in Bijbel voorwaardelijke aansporingen en beloften. Ik denk aan wat de Heere Jezus Zelf gezegd heeft in Mattheüs 7: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden (7:7). Bidt u niet? Zoekt u niet? Klopt u niet? Dan zult u niet zalig worden.
Maar hier is geen enkele voorwaarde te bespeuren. De beloften van het genadeverbond, gedaan aan Christus en in Hem aan al de Zijnen zijn onvoorwaardelijk: zonder één enkele voorwaarde voor de mens. Er staat niet: als u Mijn volk wilt zijn, dan zal Ik uw God zijn. Nee, er staat: Ik wil, Ik zal, en dan zullen zij!
De oorsprong, het fundament onze zaligheid, kinderen van God, ligt in God. Paulus schrijft in Efeze 1: Hij (God) heeft ons verkoren, al van voor de grondlegging der wereld. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil. Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde (1:4-6). Wat een troost ligt er in dat vaste fundament, in die eeuwige verkiezing. Alles ligt vast in God!
Maar, kan je dan weten dat uitverkoren bent? Als u nog onbekeerd bent, dan is de verkiezing voor u geen zaak om u mee bezig te houden: niet uit nieuwgierigheid, en ook niet tot moedeloosheid of verontschuldiging. Maar de leer van de eeuwige verkiezing is voor Gods kinderen bedoeld als bron van troost. Onze belijdenis zegt (DL I, 12): Van deze hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheiden trappen en met ongelijke mate, verzekerd (…) Hoe? Als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord Gods aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.), in zichzelven met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen (2 Korinthe 13:5Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.).
Wat u daar ziet en hoort, is dat de troost van de verkiezing heel nauw samenhangt met een heilig leven. We mogen het weten uit de vruchten, uit de vruchten van de verkiezing.
Dat horen we ook doorklinken in de woorden van Paulus, als hij schrijft aan de gemeente van Kolosse: Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid, verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo (Kolossenzen 3:12-13Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid; Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.). Met andere woorden: Laat zo uw leven zijn, ‘uitverkorenen Gods’. Want zo heten Gods kinderen, dat is hun naam. Een heel troostvolle naam. Want daarin ligt de vastheid van ons leven, van ons geloof, van onze toekomst: in God! In Zijn verkiezend welbehagen!
Er is geen voorwaarde voor ons, die wij vervullen moeten. Er is geen beloning, die wij krijgen zullen. Het is uit genade en niet uit de werken (Romeinen 11:6En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.). De Heere zegt, en het is Zijn eenzijdige werk: U zult Mij tot een volk zijn en Ik zal dat doen!
Hebben we daar, kinderen van God, vanmorgen niet iets van geproefd? Van dat: Mijn kind, kijk nu, proef nu: U zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn. U was niet Mijn volk: Lo-Ammi, zoals de profeet Hosea dat zegt (2:23). Maar door het bloed van Christus heb Ik u tot kinderen aangenomen, tot Mijn volk (niet meer Lo- Ammi, maar Ammi), en dat zal zeggen: ‘Abba, onze Vader’ (Hosea 2:1Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen.; Romeinen 8:15Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!).
Dat zal straks ook de inhoud zijn van het lieflijke, zalige hemelleven. Blij vooruitzicht dat ons streelt. De dag komt, dat er hier geen avondmaal meer zijn zal, maar wel daar, eeuwig in de hemel. We zien deze uitdrukking van Ezechiël terug in Openbaring 21:3En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. en 7 (en dan zien we tegelijkertijd dat het hier maar een voorproefje is van dat wat komt). Johannes schrijft: En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.
Waarom? Waardoor? Door U, HEERE, door U alleen om het eeuwige welbehagen! Vanwege dat onbegrijpelijke, verkiezende welbehagen van God, waarmee Hij de Zijnen (later in de tijd: zondaars, even verloren en slecht als iedereen) in liefde aanzag en verkoor! Verkoren, zegt Petrus, naar de voorkennis van God de Vader, in heiligmaking des Geestes tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Christus (1 Petrus 1:2Den uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.).
Hier is veel reden tot verwondering, tot stille aanbidding. Uit ons kwam niets! Alles is uit God! Nooit heeft iemand van ons, kinderen van God, naar God gevraagd. Wij hebben Hem nooit gezocht (Jesaja 65:1Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.). Hij had ons lief, toen wij nog niet waren: met een eeuwige liefde. Hij zocht ons op, Hij raapte ons op, Hij trok ons met koorden van liefde. Hij waste ons in het bloed van Zijn Zoon, Hij gaf ons een nieuw hart en een nieuwe geest en Hij maakte en maakt ons tot Zijn volk. Het dat is alles Gods werk, gebouwd op een vast en eeuwig fundament van genade, verankerd in het eeuwige plan van Gods verkiezende genade.
Avondmaalgangers, is dit eeuwig bewogen-zijn van God in Zichzelf, is dit ongevraagd zoeken van ons, is dit eenzijdige, Goddelijke omzien naar ons, als naar verloren mensen, voor u al reden geworden tot verwondering en verbazing? Als u zich stoot aan de leer van Gods eenzijdige, verkiezende genade en welbehagen (die alles van ons mensen uitsluit!), dan betekent dat, dat u nog iets van uzelf verwacht. En dat betekent dat u of (in beste geval) mijlen ver van uw plaats bent, of (in slechtste geval) niet weet wat genade is. We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
Aan het eeuwige verbond der genade zijn heel veel zegeningen verbonden. Het kan lijken, jongelui, ouderen, dat je er van de dienst van de Heere niet beter op wordt. Hier blijkt dat dat niet waar is. Komen tot, en weer terug gebracht zijn in de herstelde verhouding met God, brengt de mens heel veel zegen. Niet omdat wij betere mensen geworden zijn, want het blijft genade.
Vroeger waren onze zonden een muur tussen ons en al het goede van God. Maar nu we door genade gewassen zijn met rein water, nu we gereinigd zijn door het bloed van Christus, nu God Zelf onze zonden weggewassen heeft door bloed van Zijn Zoon, nu is er ruimte voor heel veel zegen. Lees maar even mee in vers 29: En Ik zal u verlossen van al uw onreinigheden, en Ik zal roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen honger op u leggen. In vers 34: En het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was, voor de ogen van een ieder, die er doorging. In vers 38: Gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hun gezette hoogtijden, alzo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben. Ezechiël ziet in gedachten een menigte van mensen, toegewijd aan de Heere en Zijn dienst, tot lof van Zijn heerlijke Naam.
Zo gold het destijds letterlijk voor het volk Israël voor de tijd na de ballingschap. Zo geldt het nu voor al Gods kinderen. Er is na ontvangen genade bij de Heere heel veel zegen.
1. Ik denk (in de eerste plaats) aan de zegen van het mogen bezitten van het Woord, aan gekregen beloften van God. Aan zoveel beloften waarin God zegt, niet: ‘u moet, en dan zal Ik’, maar waarin Hij zegt: ‘Ik zal!’ God gaf het volk Israël het land en zijn vruchtbaarheid terug. God geeft ons, kinderen van God, Zijn woorden en de vervulling van Zijn beloften. Er is bij de Heere, na ontvangen genade heel veel zegen. De zegen van het bezit van Zijn woorden, van het ons mogen vasthouden aan het woord van Zijn beloften.
2. Ik denk (in de tweede plaats) ook aan de zegen van vruchten mogen dragen. Waarbij de Heere niet zegt: Daar moet u zelf voor zorgen. Maar, zo zegt Hij: Uw vrucht uit mij gevonden (Hosea 14:8Zij zullen wederkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.).
Zoals ook staat in vers 27: Ik zal maken (dat zal ik doen!), dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.
3. Ik denk (in de derde plaats) ook aan de zegen van stille rust in het hart, aan de zegen van stille vrede met God. U zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn! En dus hebben we geen gebrek aan enig goed (Psalm 34:9-10Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt. Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.). Want de Heere doet alles, voor ons: Hij reinigt ons hart, Hij vernieuwt ons leven (vers 25-26), en Hij verzadigt ons met het goede van Zijn huis (vers 29), en we mogen wonen bij Hem.
Eén vraag (en dan gaan we zingen van de overvloed van die zegen) U, die Heere niet kent, denkt u nu nooit eens bij uzelf: ‘Wat mis ik toch veel?’ Ik heb geen houvast aan deze bijzondere beloften van God, waarin Hij onvoorwaardelijk zegt: ‘Ik zal…’ Ik ken niet de blijdschap van het (door Gods genade) gaan in de weg van Gods geboden. En die stille vrede met God in mijn hart, die ken ik niet. Er is bij God zoveel goedheid, genade, zegen, maar ik kent het allemaal niet. Maak u toch op deze dag niet druk om deze of gene. Maar haast uzelf en spoed uzelf! Maak grote ernst met het werk van uw zaligheid, want wie weet hoe spoedig het daarvoor te laat is! We gaan samen zingen uit Psalm 4, het vierde vers. Gij hebt m' in 't hart meer vreugd gegeven, Dan anderen smaken in een tijd, Als zij, door aards geluk verheven, Bij koorn en most wellustig leven, In hunnen overvloed verblijd. Ik zal gerust in vrede slapen, En liggen ongestoord ter neer; Want Gij alleen, mijn schild en wapen, Schoon 't onheil schijnt voor mij geschapen, Zult mij doen zeker wonen, HEER’.
We gaan verder met ons derde aandachtspunt:
We zagen eerder een eerste vrucht van Gods genade in vers 27, waar staat: En Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. Ik zal(!), dat is Mijn werk, Ik zal maken dat u in Mijn wegen zult wandelen. En Ik zal u geven een nauw en ijverig leven, om naar de wil van Mijn geboden te leven in heiligheid en oprechtheid.
En nu een tweede vrucht in vers 31. Dit is één van de grote beloften van het genadeverbond: Dan zult u gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en u zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen. Dit is een van de grote beloften van het genadeverbond.
Hier worden heel veel tijdgelovigen ontmaskerd. Want wat gebeurt hier? Eerst werd Israël zelf gesmaad door de omliggende volken. Kijk maar in vers 15: er lag smaad op hen. Maar nu, nu de Heere werkt, nu gaan ze zien dat er door hen smaad en laster op God kwam! En dat brengt hen tot diepe schaamte.
De genade van de Heere, het opnieuw ervaren van Zijn goedheid en trouw, brengt hen tot diepe schaamte! En dat is iets heel kenmerkends voor oprechte bekering. Oprechtheid van bekering is niet altijd goed herkenbaar aan uiterlijke verandering, ook niet aan een mooi verhaal, ook niet aan indrukwekkende emoties, maar uiteindelijk wel aan dit: Het gaat niet meer om mij, om mijn reputatie, maar het gaat om God: Ik heb tegen God gezondigd!
Zo was het in het begin, toen de Heere met Zijn werk in het hart van Zijn kinderen begon. Maar nu, de Heere heeft doorgewerkt: Hij heeft hen een nieuw hart gegeven, een nieuw leven, de harten van Zijn kinderen zijn gewassen van ongerechtigheden, en nu…? Nu zijn ze dat station voorbij? Nu zeggen ze: Je moet blij zijn in de Heer’? Nee, nu schamen ze zich meer dan ooit tevoren, voor God!
Hun eerste berouw kwam voort uit de confrontatie met Gods wet Maar hier is een tweede berouw, een nog veel dieper, een evangelisch berouw, een diepe schaamte: berouw en schaamte onder het besef van zoveel onverdiende goedheid en genade! Te midden van de overvloed van Gods genade en zegen, gaan Gods kinderen zich diep schamen, ja, gaan ze walgen van zichzelf! Want, zo zeg ik, ik heb de Naam van de HEERE ontheiligd, die Naam zo heilig groot en goed.
Daarom klopt het ook niet, als je je altijd zo verzet tegen het begin van het avondmaalsformulier, waar staat dat wij onszelf moet onderzoeken, opdat wij een walging aan onszelf hebben. Walgen van jezelf, dat doe je als je van het brood eet en van de drinkbeker drinkt. Wij hebben echt een walg aan onszelf, omdat we zo tegen God gezondigd hebben! Nee, dat is geen destructieve emotie. Dat is juist een bron voor oprechte belijdenis en nederigheid, en ook een bron van oprechte vrede en blijdschap! Want als ik met diepe schaamte aan mijn zonden denk, dan mag ik ook weten dat God er nooit meer aan denkt. Hij heeft ze geworpen in diepte van de zee, Hij heeft ze bedekt met het bloed van Christus (Micha 7:19Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.).
We lezen in vers 31: Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en gij zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen. Is dat dan goed voor God, is dat dan tot eer Hem? Ja, want het vernedert ons en het geeft Hem alleen alle eer voor Zijn eenzijdige liefde en genade.
Maar er is meer… De vrucht van de verkiezing (kinderlijk vrezen van de Heere, blijvende droefheid naar God, blijvende schaamte voor God) dat is een troost voor onszelf, maar meer: het heeft ook (als het goed is) uitwerking op onze omgeving. Kijk maar in vers 36: Dan zullen de heidenen, die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten dat Ik, de HEERE, de verstoorde plaatsen bebouw, en het verwoeste beplant. Ik, de HEERE, heb het gesproken en zal het doen.
Vroeger spraken de omwonende heidenen slecht van hen (dat was niet zo erg), maar door hen ook van God! Ze zeiden: ‘Die God van Israël, Die kan nog niet eens voor Zijn volk zorgen, Hij laat ze gewoon wegvoeren.’ Maar nu zien ze het, nu weten ze het: dat was niet de schuld van Israëls God, maar dat was de schuld van Zijn volk! En kijk nu, zeggen ze: ‘onze goden zouden ons voor altijd hebben weggedaan, maar Israëls God blijft trouw en genadig!’ Ze zullen weten dat Ik, de HEERE ben.
Zo ook nu! Het werk God heeft een doel: De heidenen moeten weten dat de HEERE God is. Hier is een kiem van de drang in het Nieuwe Testament om het evangelie te brengen tot heidenen, dichtbij en ver weg… Ik heb vraag voor u. Hoe komt het dat dit onder ons zo weinig leeft, avondmaalgangers? Is het misschien omdat wij ons zo weinig schamen voor onze zonden? Ja, wij schamen ons vaak voor de mensen, maar, kinderen van God, hoe zit het met onze schaamte voor God? ‘Heere, Uw Naam is door mij zo vaak ontheiligd…!’ Zegt u dan niet vanmiddag: ‘Nu dan, Heere, na alles wat U mij gegeven hebt: Hier ben ik, hier zijn wij! Hier is ons leven, tot Uw lof en dienst bereid?’ Door een leven voor God, zichtbaar en merkbaar, getuigend van Zijn goedheid, thuis, op school, op het werk, op de universiteit of waar dan ook. Maar ook door het zoeken te bereiken van de onbereikten, dichtbij, maar ook ver weg.
Hier zien we, wat God wil: de heidenen moeten weten dat (zo zegt God) Ik de HEERE ben! (Psalm 9:20Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.) Dit is oprechte dank! Niet jezelf opsluiten! Jazeker, heilig leven, afgezonderd van de wereld, maar tegelijkertijd, zoals Jesaja zegt: u zult te dienzelfde dage zeggen: Dankt de HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is (Jesaja 12:4En zult te dienzelfden dage zeggen: Dankt den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.).
Wie is tot deze dingen bekwaam? Vandaar ons vierde en laatste punt:
Immers we lezen in vers 37: Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe. Hoe krijgen Gods kinderen dit alles? Nee, niet door een weg van eigen prestatie, verdienste of beloning. Maar ook niet door een weg van lijdelijkheid of luiheid. De Heere geeft Zijn genade en zegen door de weg van het gebed. Het zij u bekend (in vers 32), met heel veel nadruk: Ik doe het niet om u! Maar toch ook (in vers 37): Ik zal erom verzocht worden!
Het is niet om ons, het is alleen vanwege Gods goedheid en vrije gunst. We hebben niets verdiend, we hebben alles duizendmaal verzondigd. Maar toch, dit is de weg, kinderen van God, die de Heere ons wijst: Ik zal erom verzocht, Ik zal erom gebeden worden. Juist door ootmoedig te bidden en te vragen om wat God beloofd heeft (met die onvoorwaardelijke beloften: ‘Ik zal’), juist in die weg erkennen we onze kleinheid, onze afhankelijkheid en onwaardigheid, en geven we alle lof aan Zijn genade.
Dus is ons leven, hoewel ons al die genade en zegen door God beloofd is, met die wonderlijke woorden ‘Ik zal’, dus is ons leven geen leven van luiheid, afwachten en passief zijn. Als het goed is, is ons leven een leven van God de eer geven (opdat de heidenen weten zouden dat de Heere God is) en tegelijkertijd een leven van ootmoedig gebed.
Immers, zo zegt de apostel Paulus: Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven: Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filippenzen 2:12-13Alzo dan, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven: Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.).
Amen.
Slotzang Psalm 67:1,2
D' algoede God zij ons genadig, En zegen' ons met overvloed; Hij doe Zijn aangezicht gestadig Ons lichten, en Hij zij ons goed; Opdat elk genegen Zich aan Uwe wegen Op deez' aarde wenn'; En de blinde heiden, Nu van God gescheiden, Eens Uw heil erkenn'.
De volken zullen U belijden, O God, U loven al te zaâm. De landen zullen zich verblijden, En juichen over Uwen naam. Volken zult Gij rechten, Hunne zaak beslechten, In rechtmatigheid; Volken op deez' aarde, Die Uw arm vergaarde, Die Gij veilig leidt.
Andere preken over Ezechiël
Andere preken voor Nabetrachting