21 september 2025
Exodus 23:30: Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
INLEIDING
In de dienst van nabetrachting op het Heilig Avondmaal wijst Exodus 23 het volk Israël de weg door de woestijn: "Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft" (Exodus 23:30). Deze leespreek over Exodus 23:20-33 laat zien hoe de Heere Zijn volk leidt, op de weg naar Kanaän. Allengskens, stap voor stap. Niet met grote sprongen vooruit. Maar alles op Gods tijd. Het leert ons afhankelijkheid, geduld, lijdzaamheid
Hoe de Heere Zijn volk verder zal leiden op de weg door de woestijn
EXODUS 23:20-33
20 Zie, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats die Ik bereid heb.
21 Hoed u voor Zijn aangezicht, en wees Zijn stem gehoorzaam, en verbitter Hem niet; want Hij zal ulieder overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.
22 Maar zo gij Zijn stem naarstiglijk gehoorzaamt en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik uwer vijanden vijand en uwer wederpartijders wederpartij zijn.
23 Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten en Hethieten en Ferezieten en Kanaänieten, Hevieten en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.
24 Gij zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen, ook zult gij naar hun werken niet doen; maar gij zult ze geheel afbreken en hun opgerichte beelden gans vermorzelen.
25 En gij zult den HEERE uw God dienen, zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de krankheden uit het midden van u weren.
26 Er zal geen misdrachtige noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal uwer dagen vervullen.
27 Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk tot dewelke gij komt, versaagd maken; en Ik zal maken dat al uw vijanden u den nek toekeren.
28 Ik zal ook horzels voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten.
29 Ik zal hen in één jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest worde en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde.
30 Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
31 En Ik zal uw landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in ulieder hand geven, dat gij hen voor uw aangezicht uitstoot.
32 Gij zult met hen noch met hun goden een verbond maken.
33 Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; indien gij hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Exodus 23:30
THEMA
Hoe de Heere Zijn volk verder zal leiden op de weg door de woestijn
AANDACHTSPUNTEN
Geliefde gemeente, we overdenken [in deze dienst van nabetrachting] met Gods hulp wat we samen gelezen hebben uit Exodus 23:20-33Ziet, Ik zende een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb. Hoedt u voor Zijn aangezicht, en weest Zijner stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal ulieder overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem. Maar zo gij Zijner stem naarstiglijk gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik uwer vijanden vijand, en uwer wederpartijders wederpartij zijn. Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen. Gij zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult gij naar hun werken niet doen; maar gij zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden ganselijk vermorzelen. En gij zult den HEERE uw God dienen, zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de krankheden uit het midden van u weren. Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal uwer dagen vervullen. Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot hetwelk gij komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u den nek toekeren. Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten. Ik zal hen in een jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest worde, en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde. Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft. En Ik zal uw landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat gij hen voor uw aangezicht uitstoot. Gij zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken. Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; indien gij hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn.. De twee verzen waaraan ik vooral aandacht wil geven, zijn de verzen 29 en 30. Daar zegt de Heere: Ik zal hen in één jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest worde en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde. Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
Ik, de Heere, zal hen – de oude bewoners van het land Kanaän, de vijand – niet in één jaar van uw aangezicht uitstoten. Ik zal hen allengskens, stap voor stap, van uw aangezicht uitstoten. Totdat u gewassen bent. Totdat u in aantal toegenomen bent. En het land erft.
Het thema van de preek van vanavond is: Hoe de Heere Zijn volk verder zal leiden op de weg door de woestijn
Hoe de Heere dat zal doen? In de eerste plaats: in vertrouwen op Gods kracht. In de tweede plaats: in gehoorzaamheid aan Zijn geboden. En in de derde plaats: in aanbidding van Zijn Goddelijke wijsheid.
Dus drie aandachtspunten: 1. In vertrouwen op Gods kracht 2. In gehoorzaamheid aan Zijn geboden 3. In aanbidding van Zijn Goddelijke wijsheid Als eerste dus:
Het volk Israël is uit Egypte gehaald, gedragen als op arendsvleugels. Ze zijn gebracht bij de Sinaï, waar zij de stem van de Heere hebben gehoord. En waar de Heere Zijn verbond met hen vernieuwd heeft. Waar de Heere ook Zijn wetten aan hen gegeven heeft. Ze zijn gered. Ze zijn gered, maar nog niet thuis. En dat geldt ook ons, kinderen van God. Gered, tot onze diepe verwondering en blijdschap, gered door het besprengende bloed van de Heere Jezus Christus. Maar nog niet thuis.
En dus gaat straks de reis van het volk Israël verder. De woestijn in, op weg naar het beloofde land. Zoals ook onze weg, kinderen van God, verder gaat. Door de woestijn van dit leven, op weg naar het hemelse Kanaän.
Maar hoe zal die reis verder gaan? In vers 20 – kijkt u maar mee in uw Bijbel – zegt de Heere: Zie, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats die Ik bereid heb. En iets verder, in vers 21b: Mijn Naam is in het binnenste van Hem. Deze Engel is de oudtestamentische openbaring van de Heere Jezus Christus. Hij zal vanaf nu het volk voorgaan, waarschijnlijk in de wolkkolom en in de vuurkolom, als een machtige, beschermende Engel. Als de grote Aanvoerder, de Vorst van het heir des Heeren, zoals Hij genoemd wordt in Jozua 5. Van Wie Psalm 34 zingt, zoals ook wij dat zojuist zongen: De Engel des HEEREN legert zich rondom degenen die Hem vrezen, en rukt hen uit.
Hij, Gods eigen Zoon, zal Zijn volk in de woestijn bewaren en leiden. Om u, zo staat er, te brengen tot de plaats die Ik bereid heb. Die Ik voor u klaargemaakt heb. Zoals de Heere Jezus ook tegen Zijn discipelen zei in Johannes 14, toen Hij nog op de aarde was: Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben.
En omdat Ik u voorga op de weg die komt, en omdat Ik u de weg wijs, en omdat Ik u bewaar, daarom mag u vertrouwen op Mij en op Mijn overwinning. Kijkt u maar in vers 23: Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten en Hethieten en Ferezieten en Kanaänieten, Hevieten en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen. En iets verder, vers 27: Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk tot dewelke u komt, versaagd maken; en Ik zal maken dat al uw vijanden u den nek toekeren. Versaagd maken, dat is: bang maken. En de nek toekeren, dat betekent: op de vlucht slaan. En dan vers 28: Ik zal ook horzels voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten. Horzels, grote wespen, die de vijand zullen verjagen. Met andere woorden, zegt de Heere: Ik zal voor u strijden, en u zult stil zijn (Ex. 14:14De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.).
Straks zal het hart van de vijanden van het volk Israël – zo staat het in Jozua 2 – versmelten, en zij zullen wegvluchten. Niet uit angst voor uw zwaard, zegt de Heere hier eigenlijk, maar om Mij en om Mijn grote kracht. Niet door het grote van u, maar door het kleine van Mij, de Heere. Door een leger van vliegende insecten, dat Ik sturen zal. Daardoor zal Ik, de Heere, machtige daden doen. En zo is het nog steeds. Door het kleine doet God ook nu, in deze tijd, grote dingen.
Denk maar aan wat Zacharia schrijft in Zacharia 4:6Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des HEEREN tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen.: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen. Want zo staat het ook in Spreuken 21:31Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.: de overwinning is des HEEREN.
En daarom, kinderen van God, geliefde medechristenen, zullen wij, hoe het ook verder in ons leven gaat, nooit omkomen in de woestijn. Want zo zegt de Heere in het volgende hoofdstuk, Mijn aangezicht zal met u gaan, en Ik zal u rust geven (zie Ex. 33:14Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen?).
En dus: volk van Israël destijds, volk van God nu, als de Heere voorgaat in de strijd die komt, dan hoeven wij niet bang te zijn. Dan hoeven wij, hoe het ook gaat, niet te vrezen voor ons verlies of voor onze ondergang. Nu onze Heere Jezus Christus de allergrootste strijd gestreden en overwonnen heeft. Nu Hij de kop van de satan verpletterd heeft op Golgotha, aan het kruis. Nu zal Hij ook alle kleinere oorlogen in ons leven zonder twijfel overwinnen.
Wij moeten bidden, we moeten verdergaan, ja zelfs vechten, strijden. Maar de overwinning is van God. En dus is de eer ervan ook alleen voor Hem. Ons tweede aandachtspunt:
Verder geleid op de weg in gehoorzaamheid aan Gods geboden. Want nu de Heere belooft dat Hij hun strijd zal strijden, en nu de Heere belooft dat Hij hun vijanden zal verjagen, mogen zij nu rustig achteroverleunen? Nee. Nu worden zij, en ook wij, kinderen van God in het bijzonder, nu en straks geroepen tot gehoorzaamheid. Want er komen bij hen en ook bij ons grote verleidingen. En misschien zijn ze al heel dichtbij. Vooral de verleiding, zoals hier staat, om vrede te sluiten met de heidense Kanaänieten. Waardoor hun afgoden, zo staat er in vers 33, hun tot een strik, tot een valstrik worden. En dus, vers 21. Kijkt u maar mee: Hoed u voor Zijn aangezicht, en wees Zijn stem gehoorzaam, en verbitter Hem niet; want Hij zal ulieder overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.
Wees Zijn stem gehoorzaam. De stem van Christus. Want Mijn Naam, Mijn heilige Naam is in het binnenste van Hem. God is heilig, en Christus is ook heilig. Dus zegt de Heere tegen ons: verbitter Hem niet.
Maar dan vers 22: Maar zo u Zijn stem naarstiglijk gehoorzaamt en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik uwer vijanden vijand en uwer wederpartijders wederpartij zijn. Naarstiglijk, dat is: ijverig, van harte. En vers 24: U zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen, ook zult u naar hun werken niet doen; maar u zult ze geheel afbreken en hun opgerichte beelden gans vermorzelen. Met andere woorden: geliefde gemeente, kinderen van God in het bijzonder, laten we oppassen voor de afgoden. Dien ze niet, zegt de Heere.
En denk daarbij niet alleen aan het kwade, aan het slechte. Ook wat eerst goed was, kan, als u erop gaat vertrouwen, een afgod voor u worden. Blijf daar ver vandaan. Sluit geen compromis. Maar vernietig ze: de afgoden van uw hart.
Want de Heere vraagt volledige, exclusieve toewijding aan Hem. De Heere vraagt dat wij Hem dienen zullen met al de liefde van ons hele hart. En, zo zegt de Heere: door die weg van gehoorzaamheid zal Ik u zegenen. Het is niet zo dat het volk Israël door gehoorzaamheid het land Kanaän kan verdienen. Maar de Heere zegt: als u zich houden zult aan de liefdeseis van Mijn geboden, dan zal Ik u zegenen.
Als u, Mijn volk Israël, ver wegblijft van het dienen van de afgoden van deze tijd, en als u dat doet in biddende afhankelijkheid, steunend op Mijn kracht, dan (vers 25 en 26): zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de krankheden uit het midden van u weren. Er zal geen misdrachtige noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal uwer dagen vervullen. Dat is een belofte die de Heere aan Israël gaf op dat specifieke moment in de woestijn. Met een heel specifiek doel. Deze zegen gold toen voor het volk Israël in de woestijn, op weg naar Kanaän. God beloofde deze zegen aan het volk waaruit de Messias geboren zou worden.
Het is dus niet zo – even voor de helderheid – dat u, als u gehoorzaam bent, per definitie heel oud zult worden. Of andersom, dat u, als u ziek bent, ongehoorzaam geweest bent. We weten uit het Nieuwe Testament dat de Heere duidelijk zegt, dat Gods kinderen geroepen worden om te lijden.
Als u zo leeft, als u Mij dient, zegt de Heere, dan (vers 31): zal Ik uw landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in ulieder hand geven, dat gij hen voor uw aangezicht uitstoot. Van de zee Suf, de Golf van Akaba, tot aan de zee der Filistijnen, de Middellandse Zee. En van de woestijn Sinaï tot aan de rivier, waarschijnlijk de Eufraat. Het hele land Kanaän, dat enorme gebied dat hier wordt aangeduid – dat zal Ik, Mijn volk, aan u geven. Binnenkort? Volgend jaar? Of misschien in de jaren daarna?
Nee, zegt de Heere in vers 29 en 30: Ik zal hen in één jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest worde en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde. Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
Dus: langzaam. Niet in uw tempo, maar stap voor stap zult u de vijand overwinnen. En dat duurde uiteindelijk geen jaar. Geen tien jaar. Geen honderd jaar. Dat duurde uiteindelijk zo'n 350 jaar. Want pas in 1 Koningen 4:21En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen zijns levens. staat er: En Sálomo was heersende over al de koninkrijken van de rivier tot het land der Filistijnen en tot aan de landpale van Egypte.
Dit leert ons, geliefde gemeente, kinderen van God in het bijzonder, belangrijke dingen over het leven van een christen. En ook over de komst van Gods Koninkrijk. Geestelijke groei – of zoals de Bijbel het zegt: opwas in de kennis en genade van de Heere Jezus Christus – en zegen in Gods Koninkrijk komen stapsgewijs.
En onze Heere heeft veel goede, wijze en barmhartige redenen om dat zo te doen. Stap voor stap. Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen, en Zijn gedachten dan onze gedachten. Wij zouden dat liever anders zien, toch? Liever vanaf vandaag, vanaf nu, een geheiligd mens. Liever vanaf vandaag een volle kerk op het zendingsveld. Liever vanaf vandaag de vervulling van al Gods beloften in ons leven. Zonder tegenspoed, zonder strijd, zonder diepte. Maar nee: stapsgewijs. Alles op Gods tijd.
Maar dat neemt niets weg van de zekerheid van de uitkomst. Die is wél zeker. Want God zal geen van Zijn woorden ooit op de aarde laten vallen. Hij zal nooit herroepen wat Hij eenmaal gesproken heeft. Namelijk dit: Ik zal het doen. Ik zal voor u strijden, en u zult stil zijn. Maar wel, en alleen, op Mijn tijd. Op Gods tijd. En dat leert ons, als de Heere ons die genade geeft, geduldig bidden, hopen en verwachten, vertrouwend op Gods onfeilbaar Woord.
Laten we daar eerst van zingen met de woorden van Psalm 119:21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.. En daarna gaan we verder met ons derde aandachtspunt. We zingen Psalm 119:21: Dat mij, o HEER’, Uw goedertierenheid Toch overkoom', naar Uw beloftenissen; Dan geef ik aan mijn smader juist bescheid; Dan zal hij op zijn schimp geen antwoord missen; Want ik vertrouw op 't woord, mij toegezeid; Geen leed zal 't ooit uit mijn geheugen wissen.
- - - - -
Gemeente, we gaan verder met ons derde aandachtspunt. Door de Heere verder geleid op de weg door de woestijn:
Tot nu toe waren er grote dingen gebeurd. De Heere had grote dingen gedaan door het volk Israël te verlossen uit het land Egypte. Door hen op het droge te leiden door de Rode Zee. En door hen daarna te dragen als op vleugels van arenden. Tot aan de berg Sinaï.
Zoals de Heere ook in uw leven, kinderen van God, geliefde medechristenen, misschien wel grote dingen gedaan heeft. Tot op de dag van vandaag. De dag waarop wij in stilte en vrede mochten aanzitten aan de bediening van het Heilig Avondmaal. Waar de Heere liefdevol tot ons sprak. En Zijn verbond met ons vernieuwde. Toen Hij zei: u bent gekocht met het bloed van Christus; u bent van Mij.
Maar misschien denkt u straks – misschien denkt u het nu al, misschien dacht u het al eerder: ‘Waar zijn die grote dingen nu? Die grote daden van de Heere in mijn leven, waar zijn die toch gebleven? Het is allemaal zo gewoon geworden. Niet meer zo groot en zo wonderlijk als voorheen.’
Jazeker, de Engel des Heeren, de toen nog niet mens geworden Zoon van God, ging voor hen uit in de vuurkolom. En zij liepen dagelijks onder de wolkkolom. Zoals de Engel des Heeren, de verhoogde Christus, ons ook nu voorgaat op de weg die wij gaan. Dat heeft Hij beloofd. En dat zal Hij doen: Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Hij zal ons geleiden tot de dood toe.
De wolkkolom, de vuurkolom. God Zelf, de Heere Christus, de Engel des Heeren, wees hun de weg. Stopte de wolk, dan stopten zij. Dan sloegen zij hun tenten op – en dan stoppen ook wij. Vertrok de wolk, dan gingen zij verder – en dan vervolgen ook wij, hoe dan ook, onze reis. Geleid en gericht door die wolkkolom. Verlicht en beschermd door die vuurkolom. Altijd veilig, dag en nacht. Nooit alleen op de wereld. Maar wel in de woestijn! Eén grote zand- en rotsvlakte…
En dus: hoe verloopt die reis nu verder? Nu, zo: het zand dat vandaag onder uw schoenen knerpt, ligt er morgen weer. En de rots waartegen u vandaag uw voet stoot, die ligt er morgen weer. ‘Heere, mag het niet allemaal wat sneller? Met grote stappen snel thuis? Heere, zou U opnieuw grote wonderen willen doen? U kunt er toch voor zorgen, Heere, dat wij morgen in Kanaän zijn, om met volle teugen te genieten van het land, vloeiende van melk en honing?’
Ja, dat kan de Heere wel doen. Maar Zijn weg is meestal anders. De Heere kon de wereld en alles wat daarin is, in één ogenblik scheppen. Maar Hij deed het in zes dagen van vierentwintig uur. Hij kon na de moederbelofte in Genesis 3:15En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen. direct de Messias geboren laten worden. Maar het duurde nog eeuwen. Eeuwen van bidden, hopen, wachten en verwachten. En toen de Heere Jezus uiteindelijk, op Gods tijd, naar deze aarde kwam, had Hij hier kunnen verschijnen als een volwassen Man. Die binnen één dag al de schuld van Zijn volk had kunnen betalen. Maar nee: Hij leed dag in, dag uit, drieëndertig jaar lang. En toen de Heere terugging naar de hemel, had Hij direct terug kunnen komen naar deze aarde. Maar sindsdien wachten wij al eeuwenlang op Hem, uitkijkend naar Zijn komst.
Petrus schrijft daarover. Goed luisteren, onbekeerde vrienden: De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen (2 Petr. 3:9De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.). En dus wordt al eeuwenlang dit Evangelie van genade gepreekt onder de volken. Uiteindelijk zelfs ook bij ons. En het moet nog verder. Want nog is het einde niet.
Dat, gemeente, is Gods patroon van werken. Ook in onze levens, kinderen van God. Toen de Heere in uw leven kwam, dacht u misschien ook, net als ik: het liefst met grote stappen vooruit. En zo leek het misschien ook even te gaan. Maar de vaart, het tempo ging eruit. Soms leken wij meer achteruit te gaan dan vooruit. Waardoor wij soms, of vaker, gingen twijfelen. Klopt het eigenlijk wel, hier vanbinnen? Werkt de Heere nog wel in mijn hart? Waar zijn de grote wonderen van Zijn hand in de woestijn van mijn leven? Ik zie alleen maar zand… Waarom krijg ik mijn zonden er niet binnen één dag onder? Waarom is mijn hart, waarom is mijn leven na een maand, na een jaar, na tien jaar, na dertig jaar, na tachtig jaar nog steeds niet heilig?
Laten wij samen in deze dienst van nabetrachting, gemeente, luisteren naar de grote les van vers 29 en 30: Ik zal hen in één jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest worde en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde. Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft. Stap voor stap. Beetje bij beetje. Via rechte wegen, via kromme wegen, soms via doodlopende wegen, via omwegen, via terugwegen. Via al die wegen zal Ik… Hoort u de zekerheid? Ik zal het doen. Ik zal werken, wie zal het keren? Ik zal het doen.
Maar allengskens, geleidelijk, stap voor stap. Waarom? Omdat Ik, de Heere, dat wijs en verstandig vind. Dat hoeft de Heere aan mij, en aan u, en aan jou, niet uit te leggen. Misschien denkt u bij uzelf: ja, maar het zou wel fijn zijn, als je weet waarom het gaat zoals het gaat. Als je weet waarom het zo langzaam vooruitgaat, of misschien wel achteruitgaat. Het zou fijn zijn als je weet waarom de Heere zoveel tegenslag en beproeving op je zandweg brengt.
Ja, dat zou misschien wel fijn zijn. Maar weet u wat beter is? Wat veel beter is? Om te leren wat Paulus schrijft in Romeinen 11:33O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!. Misschien wel juist terwijl u alle zicht ontbreekt, midden in de zandstormen die over u heen trekken. Als u leren mag wat Paulus daar verwonderd uitroept: O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Heere, ik begrijp U niet. Deze moeilijke weg… Maar ik weet, Heere, dat het Uw weg is. En dus buig ik diep voor U. Ik aanbid U. De Heere is ons geen verantwoording schuldig. En toch – als u goed leest – zegt de Heere er hier in Zijn goedheid wel iets over. Hij noemt in vers 29 twee redenen. Ten eerste: opdat het land niet woest worde. En ten tweede: opdat het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde.
a. Als eerste dus: opdat het land niet woest worde. Want, volk van Israël, u bent met veel mensen. Maar eerlijk is eerlijk: ervaring hebt u niet. Ik, de Heere, heb u een land beloofd, vloeiende van melk en honing. Maar hoe u dat land moet bewerken en onderhouden, dat moet u van het begin af aan leren. Want tot nu toe hebt u alleen ervaring met… slavenwerk in Egypte.
Geliefde gemeente, is dat geen Goddelijke wijsheid? Als u direct zou aankomen in het land Kanaän, dan zou u in uw tuinstoel gaan zitten, genietend van de prachtige vijgenboom naast uw deur en van het zicht op bloeiende wijngaarden. En binnen de kortste keren zou u dat prachtige land verwaarloosd hebben. Dan zou dat prachtige land verworden zijn tot één grote wildernis. Zo snel gaat dat. U ziet het om u heen.
Is het niet nodig, kinderen van God, dat wij – voordat de beloften van de Heere in ons leven vervuld worden – eerst leren om dagelijks te bidden? Dat wij eerst leren om te vechten tegen de verleidingen van ons hart? Dat wij eerst leren om dagelijks te leven vanuit de woorden van de Heere? Is het niet nodig dat wij eerst leren wat de dichter zingt in Psalm 119, om dagelijks met onze ziel de Heere achteraan te kleven? Is het niet nodig dat wij eerst leren bidden, hopen, wachten? En nog meer wachten, geduldig wachten, en verder wachten? Is het niet nodig dat wij eerst leren om ervaring op te doen in de geestelijke strijd tegen de wereld, de duivel, de zonde? En vooral tegen de zonde van ons oude hart?
Stap voor stap. Beetje bij beetje. Want jongelui, je spieren train je ook niet binnen een dag of binnen een week. Dat kost tijd. Dat kost oefening. En loop je direct een halve of een hele marathon? Nee. Als je dat tenminste verstandig aanpakt, gaat dat je wel een paar maanden kosten. Stap voor stap. Beetje bij beetje. Oefenen. Trainen. Dus: waarom gaat Gods weg stap voor stap? En zo vaak zo anders dan wij hoopten en dachten? Ten eerste: opdat het land niet woest worde. Wij moeten nog heel veel leren. En wij moeten vooral leren wachten. Opdat het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde, zegt de Heere.
b. En ten tweede: opdat het wild gedierte (de wilde dieren, de roofdieren) boven u niet vermenigvuldigd worde. Als u één leeuw geschoten hebt, ga dan niet in uw stoel zitten. Want voordat u het weet, staat de volgende leeuw naast u. Als u gaat zitten en gaat rusten, gaat het mis. Dan wordt de rust een strik voor u.
Net als bij de godvrezende koning David. Zijn leger trekt ten strijde tegen de Ammonieten. En zelf blijft hij lekker thuis in Jeruzalem. En het gaat mis. Direct. Zijn oog valt op Bathséba. En hij vergrijpt zich aan de vrouw van Uria.
Rust, geestelijke rust, is gevaarlijk. Ja, ze kan zelfs dodelijk worden. En daarom brengt de Heere ons steeds weer in de strijd. In aanvechting, in moeite en verdriet. Wij verliezen onze geliefden, die een voorbeeld voor ons waren in heilige wandel en godzaligheid. Wij verliezen onze lieve kinderen, die met een gedoopt voorhoofd de wereld ingaan. Wij verliezen onze gezondheid, onze kracht. Wij wachten op de vervulling van Gods beloften, maar lijken soms alleen maar het tegendeel te zien. En wij kijken uit naar een rijke oogst op het zendingsveld, wij hopen
dat onze kerk zal volstromen met mensen – maar tot nu toe blijft het bij een klein groepje, bij enkelingen.
Waarom? Opdat wij geduldig, op onze knieën, in het verborgene zullen blijven bidden. Strijdend in de gebeden. Hopend op God en op Zijn beloftewoord. Sommige mensen denken dat hier op aarde de triomferende kerk al is, de kerk van de overwinning. Maar wij zijn, kinderen van God, nog de strijdende kerk. Strijdend, vechtend tegen onze vijanden. Zeker: onder de vlag, onder de banier van onze Koning, Die Zelf de grote overwinning behaald heeft. En dus staat de uitkomst zeker vast. Maar de weg daarheen blijft een weg van biddend strijden.
Zoals Paulus zegt in de bekende woorden van Efeze 6: dragende de gehele wapenrusting Gods. De helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord. De lendenen omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid. De voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes. Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk u al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen. Brandende, vurige pijlen, die u óf raken, óf naast u neervallen – maar dan alsnog brand veroorzaken. En dan, zegt Paulus: Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in de Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen.
Zo ziet onze zandweg door de woestijn eruit. Achter de vuurkolom, onder de wolkkolom. Wakend, strijdend, biddend, smekend – voor onszelf en voor elkaar.
Wat is nu het nut van deze weg door de woestijn? Laat ik u daar tot slot vier dingen over zeggen. a. In de eerste plaats: zo leert de Heere ons geduld, lijdzaamheid. Denk maar aan hoe Johannes zichzelf op Patmos noemt. U moet het thuis maar eens nalezen in Openbaring 1: Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus. Medegenoot in de verdrukking. En in het Koninkrijk. En in het geduld, in de lijdzaamheid van Jezus Christus. Denk maar aan wat de apostel schrijft in Hebreeën 10: Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen. Van onszelf willen wij grote dingen. En die willen wij graag nú, direct, op onze tijd. Maar de Heere leert ons wachten. Soms heel lang. Soms heel erg lang.
Geduldig zaaiend, ouders, in de levens van uw kinderen. Geduldig wachtend op de vrucht van het werk op het zendingsveld. De Heere heeft het beloofd: Werp uw brood uit op het water, want u zult het vinden na vele dagen. Morgen? Nee: na vele dagen. Geduldig in ziekte, in lijden, in tegenspoed, in ouderdom en afhankelijkheid. Zo leert de Heere ons geduld.
b. En zo leert de Heere ons, in de tweede plaats, ook afhankelijkheid van Hem. Want met dat moeilijke van ons leven leert de Heere ons om met onze ziel Hem achteraan te kleven. Zo leert de Heere ons niet groot te worden, maar klein. Niet onafhankelijk – wat ik zo graag wil – maar meer en meer afhankelijk. Dagelijks, meer dan voorheen, biddend en roepend om hulp en kracht.
Als wij denken dat wij groot zijn, dan hebben wij de Heere niet meer nodig. Dan kiezen wij onze eigen weg en verdwalen wij in de woestijn. En dan komen wij nooit aan in Kanaän. Maar als wij klein worden, en als wij nog kleiner worden… Als het voor ons gevoel misschien wel meer achteruitgaat dan vooruit… Dan hebben wij meer dan ooit de Heere nodig. Dan leren wij Bijbellezen. Dan leren wij met weinig woorden, maar wel uit de grond van ons hart, bidden. Dan leren wij zingen: HEER', ai, maak mij Uwe wegen, Door Uw Woord en Geest, bekend; Want Gij zijt mijn Heil, o Heer'! 'k Blijf U al den dag verwachten.
Dan leren wij onze hoop op God, en op God alleen, te stellen. Op Hem Die het beloofd heeft: Ik zal voor u strijden, en u zult stil zijn. Dan zegt Paulus in Romeinen 5:3En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt;, 4 en 5: En niet alleenlijk dit… Wij klagen, wij zuchten…? Nee! En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt; en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop; en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven. Zo leert de Heere ons bevinding, namelijk van Gods goede zorg in die moeilijke omstandigheden. Zo leert de Heere ons lijdzaamheid, geduld en afhankelijkheid van Hem.
c. In de derde plaats: zo leert de Heere ons onze kracht en overwinning van Hem te verwachten. En om niet meer op onszelf te vertrouwen. Maar om te vertrouwen op wat staat in vers 20: Ik zal u brengen tot de plaats die Ik bereid heb. Dus, zegt Paulus in Efeze 6: Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht. Wordt krachtig – niet in uzelf, maar in de Heere en in de sterkte van Zijn macht. Dagelijks steunend en vertrouwend op de machtige Held Jezus Christus. Die verlossen kan en Die verlossen zal. Op de Heere, van Wie Psalm 46 zegt: God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.
d. In de vierde plaats: zo leert de Heere ons getrouw te zijn in het kleine. Om te strijden in het geloof op dat kleine plekje dat de Heere ons geeft.
Stap voor stap, beetje bij beetje. Strijdend, biddend, afhankelijk, vertrouwend op God, Die de vijand zal overwinnen. Want, zegt de Heere in vers 30: Ik zal hen allengskens – stap voor stap, heel geleidelijk aan – van uw aangezicht uitstoten.
Goddelijke garantie. Goddelijke zekerheid. Midden in de woestijn van dit leven. Wij zullen nooit omkomen. Zelfs niet, zo zingt de dichter, in duren tijd en hongersnood. Want, zo zegt de profeet Jona – nota bene in de diepte van de zee, in de buik van de vis – het heil is des HEEREN. Dat wil zeggen, zo zegt de kanttekening: alle verlossing van lichaam en ziel komt alleen van God.
En dus, geliefde broeders en zusters in de Heere: heft uw hoofden omhoog, midden in de woestijn van dit leven. Hoop op God. Verblijd u in de hoop, wees geduldig in de verdrukking, volhard in het gebed. En wees getrouw tot de dood. Dan zal de Heere ons op Zijn tijd geven de kroon des levens. Zeggend, zoals staat in Mattheüs 25: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws Heeren.
Laten wij, zoals de apostel zegt, in de tussenliggende tijd, tussen dan en nu, afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk – die ons zo gemakkelijk – omringt. En laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is; ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods. Laten wij op onze knieën strijden tegen de zonde. Geduldig, in afhankelijkheid, vertrouwend op Gods beloftewoord. Altijd maar weer ziende op Hem, op de Heere Jezus Christus. Straks – nu nog niet – straks, op Gods tijd, kinderen van God, komen wij thuis bij Hem. En dan is al de eer voor Hem. Dan is al de eer voor God Drie-enig.
Dan pas – nu nog niet – dan pas is onze strijd echt voorbij. Dan pas komen wij, Gode zij dank, aan in het hemelse Kanaän. Als arme zondaren zullen wij, kruipend op onze knieën, de grens oversteken van dat Immanuëlsland, om daarna eeuwig te zingen van Gods goedertierenheên: Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen. Drie-enig God, U alleen zij al de eer.
Amen.
Slotzang Psalm 73:1,13
Andere preken over Exodus
Andere preken voor Nabetrachting