PREEK · KERKELIJK JAAR

De HEERE is mijn Herder – Psalm 23

Biddag - 12 maart 2025

Psalm 23:1-2: Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.

INLEIDING

Op deze biddag voor kinderen roept David ons op het diepste verlangen van elk hart in acht te nemen: 'De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken' (Psalm 23:1). Dit woord leert jong en oud dat ware vrede en veiligheid niet in eigen voorzorg gevonden wordt, maar in volmaakt vertrouwen op Gods zorg als Herder, Die Zijn schapen door groen gras en door donkere dalen draagt.

PSALM 23:1-6

1 Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
2 Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.
3 Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil.
4 Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
5 Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
6 Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.

VOLLEDIGE TEKST

De HEERE is mijn Herder – Psalm 23

ds. J. IJsselstein - Psalm 23:1-2

LITURGIE

Psalm 147:5 Zondag 9 HC

Psalm 147:6

Lezen Psalm 23 Johannes 10:11-14

Psalm 23:1,2,3

Psalm 116:1

Psalm 119:88

Jongens en meisjes, wat is het fijn als je iemand hebt, die je vertrouwt. Je vader en moeder, je grote broer of zus, een vriend of vriendin. Iemand tegen wie je alles durft te zeggen. De dingen waar je mee zit, de vragen die je hebt… Iemand die naar je luistert, die je echt kent, die echt heel veel voor je betekent. Iemand die je nooit in steek zal laten. Wat is het fijn als je iemand hebt, die je vertrouwt.

Over zo Iemand heeft David het in Psalm 23. Daarover gaat de preek deze biddag, over Psalm 23.

Lees maar mee in je Bijbel, als je al lezen kan, en anders luister maar heel goed. Vers 1. Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.

David zelf was ook een herder. Hij paste op de schapen van zijn vader Isaï. En goed ook! Hij vertelt zelfs tegen koning Saul: Ooit kwam er leeuw, en een beer, om een schaap te pakken. Maar toen heb ik dat schaap gered (1Sam. 17:34-35)!

Hebben jullie trouwens, jongens en meisjes, wel eens een schaapherder gezien? Wat doet zo’n herder eigenlijk precies? Die zorgt voor zijn schapen. Hij zorgt voor groen gras. En hij wijst ze ook ieder dag de weg, zodat er geen gevaarlijke dingen gebeuren. Hij beschermt ze ook, net als David dat deed. Bijvoorbeeld voor andere, gevaarlijke dieren, zoals leeuwen, beren of wolven.

Soms draagt Hij ook Zijn schapen, bijvoorbeeld de lammetjes, als ze ziek of zwak zijn. En als ze verdwaald zijn, dan zoekt hij ze op. Net zo lang totdat hij ze gevonden heeft. En dan brengt hij ze terug, bij de kudde of in de stal.

En de schapen zelf? Wat doen die eigenlijk? Die vertrouwen op de herder. Die lopen achter hem aan. Schapen (dat kan je wel denken, maar dat is niet zo!), schapen zijn geen domme beesten! Maar…, ze zijn wel erg bezig met zichzelf.

Ja, en dan kan het gebeuren, dat zo’n schaap niet oplet en verdwaalt. En dan moet de herder hem weer zoeken. Anders komt ie nooit terug…

En, luister goed, nu zegt David: Weet je wie mijn Herder is? De HEERE is mijn Herder. Hij zorgt voor me. Hij wijst me de weg. Hij beschermt me. Hij draagt me. En als ik verdwaal, brengt Hij mij terug. Altijd…

En de HEERE is, als mijn Herder, zo goed voor me: Mij ontbreekt niets. Gaat alles dan voor de wind? Gaat alles dan zoals ik het graag wil? Nee, dat niet. Maar, weet je wat belangrijker is voor een schaap? De Herder weet precies wat goed, wat het beste is voor Zijn schapen.

De Heere is de Herder… van Zijn schapen. Ja, dat klopt wel, maar dat staat er niet. David zegt: De Heere is mijn Herder.

Zeg jij dat ook, meisje, jongen? De HEERE is mijn Herder, en ik ben Zijn schaap? Want de Heere zorgt voor mij. Zo goed!?

Kijk maar naar vers 2: Hij doet mij nederliggen in grazige weiden. Hij geeft Zijn schapen groen gras. En: Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. Hij jaagt de roofdieren weg, en laat Zijn schapen veilig uitrusten.

De Heere geeft me iedere dag te eten en te drinken. En Hij bewaart me iedere dag. Soms op heel bijzondere manier! Bij dat ongeluk…, of toen ik bijna verdronk… Toen tilde de goede Herder me op en bewaarde me.

Wat is de Heere toch een goede Herder! Maar…, ben jij ook echt Zijn schaap? Want we kunnen wel mooie dingen met elkaar bedenken en zeggen over de Herder en Zijn schapen. Maar, zeg, ken jij de goede Herder? Ben jij al een schaap van Hem geworden?

In Psalm 119 (die hele lange psalm van David) zingt hij ook over zichzelf, als over een schaap. En dan zegt hij: Ik heb gedwaald als een verloren schaap, als een schaap dat verloren was.

Jongens en meisjes, ik en jij, wij zijn van onszelf verloren schapen. Omdat we niet bij onze Herder wilden blijven. We zijn niet per ongeluk verdwaald. We zijn expres weggelopen.

De Herder, de Heere hield wel van ons. Maar wij niet meer van Hem. En dus liepen we weg. Door de zonde, door ons zondige hart zijn we weggelopen bij de Heere vandaan. En dus ben ik van mezelf, en dus ben jij van jezelf: een verloren schaap.

Maar, jongens en meisjes, weet je wat zo bijzonder is aan deze goede Herder? Een echte goede Herder (en dat is de Heere!) zoekt Zijn verloren schapen. Hij wil ze zo graag terug hebben. En dus zoekt Hij ook jou…

Terwijl je expres(!) van de Heere weg gelopen bent. Toch zegt Hij het vanmorgen weer tegen je (als je nog niet gevonden bent): ‘Kom terug!’ ‘Je houdt van alles en iedereen, maar niet meer echt van Mij. Kom terug!’

Als nu vanmorgen in je gedachten denkt aan deze goede Herder, zou je dan niet terug willen? Heb je dan geen heimwee naar Hem? Zoals je heimwee kan hebben als je lange tijd van huis bent? Maar dan, heimwee: naar de Heere? Je leeft misschien al zo lang zonder de Heere. Zou je niet terug willen?

Kan je terug? Kan je met je zondige hart weer schaap van Heere worden? Kind van Hem? Jazeker, echt waar! De Heere wil je weer in genade aannemen, en bij de kudde van Zijn schapen brengen.

Weet je wat je doen moet? De Heere zoeken. Biddend zoeken en vragen of het weer goed zal komen tussen de Heere en je hart. Dat zou je zo gelukkig maken! Als je echt een schaap van de goede Herder zou mogen zijn.

Want de Heere zorgt zo goed voor Zijn schapen. David zegt: Hij doet mij nederliggen in grazige weiden. Hij zorgt voor me. Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. Hij bewaart me.

Daar zijn we dankbaar voor, voor de goede zorg van de Heere. Voor eten en drinken, voor kleding en gezondheid, voor Zijn bewaring En daar bidden we vandaag weer voor, voor het komende jaar. Of we al die dingen weer mogen krijgen van Hem. Maar, veel belangrijker dan al die dingen die de Heere geeft, is… de Heere Zelf.

Maar kan je al die dingen ook krijgen, als je nog geen nieuw hart hebt? Als je nog niet echt een schaap van de Heere bent? Ja, zeker wel. Want de Heere wil voor iedereen van ons zorgen.

Maar, zeg je, waarom wil de goede Herder dan zelfs zorgen voor weggelopen schapen, voor verloren schapen, voor mensen die niet echt van Hem houden?

Weet je waarom? Om aan ze te trekken: ‘Zeg, verloren schaap, je stribbelt wel tegen, je wilt wel niet, maar kom! Kom! Kijk toch, hoe goed Ik voor je wil zorgen! Want als Ik je Herder ben, dan ontbreekt je niets. Dan heb je alles!’

Kijk maar naar vers 3: Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil. Hij geeft me, als ik moe ben, nieuwe kracht. En Hij brengt me, dwalend schaap, als de goede Herder op het spoor van Gods geboden. Zodat ik ga doen, wat de Heere graag wil.

Nou, denk je, als dat allemaal zo vanzelf gaat met de schapen van de Heere (de Heere zorgt voor hun lichaam, Hij bewaart ze, Hij zorgt ook dat hun hart het goede wil doen), als dat allemaal zo vanzelf gaat, dan hoeven we eigenlijk helemaal geen biddag te houden, toch?

Ja, zo lijkt het, maar dat is niet helemaal waar. Want weet je, in deze Psalm heeft de Heere het eerdere gebed van David verhoord. Hij bad in een andere Psalm: ‘Heere, leid me alstublieft op Uw weg?’ En nu zegt hij: ‘De Heere leidt me’. Hij bad: ‘Bewaar, Heere, mijn ziel en red mij’. En nu zegt hij: ‘De Heere bewaart me’.

Met andere woorden, jongens en meisjes, voor alles wat je nodig hebt in het komende jaar, mag je vragen, mag je bidden. ‘Heere, alstublieft, zorg voor me, help me, bewaar me, red me, denk aan mij.’ En…? De Heere hoort je bidden. Hij hoort je stem, je smekingen, je klagen.

We gaan het samen zingen uit Psalm 116:1: God heb ik lief; want die getrouwe HEER’ Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen; Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

Als David vertelt over zijn leven met de Heere, dan lijkt dat wel heel erg mooi, vind je niet? De Heere is mijn Herder. Mij ontbreekt niets. Ik heb alles... Groen gras, ik mag uitrusten langs mooi, stil water…

Maar, is het leven met de Heere echt altijd zo gemakkelijk? Nee, het is niet altijd gemakkelijk, maar wel altijd goed. Weet je waarom? Omdat de goede Herder Zijn schapen (wat er ook gebeurt!) nooit alleen laat!

Kijk maar naar vers 4: Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods… In een dal van de schaduw van de dood?

Dat klinkt eng! En dat is het ook. Dat is gevaarlijk! Toch? Nee, dat is het niet. Dat os het niet voor de schapen van de goede Herder, voor de kinderen van de Heere. Kijk maar, David zegt: Ik zou geen kwaad vrezen. Dat zal me echt niet bang maken, hor!

Er kunnen met de schapen, met de kinderen van de Heere heel veel nare dingen gebeuren. Als je schaap van de goede Herder mag zijn, als je kind van de Heere mag zijn… Dan kan je blind zijn. Dan kan je doof zijn. Dan kan je misschien niet lopen. Dan kan het zijn, dat je vader of moeder, dat je broer of zus ziek wordt, of sterft… Dan kan je zelf ziek worden, misschien wel heel erg ziek… En dan…? Wat dan…?

Als je geen kind van de Heere bent? Wat doe je dan? Waar moet je dan heen? Ja, natuurlijk: bidden, toch? En natuurlijk mag dat en moet dat. Maar weet je wat dan zo moeilijk is? Omdat je de goede Herder dan niet echt kent, durf je Hem dan ook niet te vertrouwen. Dan durf je misschien ook niet alles tegen de Heere te vertellen. Alles waar je aan denkt, alles waar je bang voor bent. En dus… dan blijf je bang…

Maar als je de Heere wel kennen mag, als je wel een nieuw hart van de Heere gekregen hebt, dan ken je de goede Herder, dan vertrouw je Hem. Dan weet je, dat Hij echt naar je luistert, en dat Hij echt voor je zal zorgen.

Dan kan alles nog steeds wel moeilijk zijn, maar dan weet je, dan geloof je, dat het echt waar is, wat hier precies midden in deze Psalm staat. In de taal van de Bijbel staan er 26 woorden voor en 26 woorden na. En precies daar tussenin, precies in het midden van deze psalm staat (en dat alleen geeft echte rust, daar gaat het om!): Want U bent met mij!

Daar gaat het om. Op biddag. In heel je leven. Altijd! Of je dat kan zeggen! Want dan durf je, dan kan je de Heere vertrouwen. Dat Hij bij je is. Zelf in een donker dal: U bent met Mij!

Als je dat hoort, jongens en meisjes, in deze lijdenstijd (in deze tijd waarin we denken aan het lijden van de Heere Jezus in Gethsémané en aan het kruis), waar denk je dan aan? Als het gaat over de goede Herder? Wat de Heere Jezus van Zichzelf zei: ‘Ik ben goede Herder’? En als het dan gaat over ‘U bent met Mij!’, waar denk je dan aan? Misschien vind je het een moeilijk vraag, Ik zal het je uitleggen.

Dan denk ik hieraan: De Heere Jezus woonde in de hemel, bij Zijn hemelse Vader. Altijd al, een eeuwigheid lang kon Hij zeggen: U bent met Mij. En Ik ben met U.

Totdat! De Heere Jezus naar deze aarde kwam om verloren schapen te zoeken. Om voor de zonde van die verloren schapen te betalen, daarom moest de Heere Jezus sterven aan het kruis.

En, wat zei Hij toen? Wat zei Hij toen…? ‘Vader, U bent met Mij?’ Nee, toen riep Hij, heel hard: ‘Mijn God, waarom bent U niet meer met Mij? Waarom hebt U Mij verlaten?

Waarom, jongens en meisjes? Om dwalende schapen, die de Heere verlaten hadden, terug te brengen. Om weggelopen mensen weer terug te brengen bij God. Daarom, om alles wat de Heere Jezus leed en deed, daarom kan ook jij weer kind van de Heere worden.

Dan pas kan je echt gerust zijn. Want dan pas kan je echt zeggen met David: ‘Heere, hoe het ook gaat, wat er ook gebeurt in de komende tijd. Ook als dingen heel moeilijk worden. U, Heere, bent om de Heere Jezus’ wil, ook met mij.’

Zoek de Heere, jongens en meisjes, met heel je hart. Zoek Hem veel, zoek Hem vroeg. Dan zal je Hem vinden. Dan zal Hij ook bij jou zijn.

Maar wat dan? Als het dan moeilijk wordt? Als er dan nare dingen komen? Dan hoef je alleen maar biddend omhoog te kijken. En te zeggen: ‘Maar, Heere, U bent toch bij me? Dan mag je weten, dat (zoals de stok van de herder beschermt tegen wilde dieren) de stok van de Heere je bewaart in gevaar. Dan mag je de staf van de Herder horen, die naast je tikt… Ook al zie je hem in het donker misschien niet zo goed. Maar je hoort hem wel. Tik…, tik… Zijn stok en Zijn staf troosten mij.

Dan zal je merken, dat de Heere je beschermt en voor je zorgt! Dan zal je horen uit de Bijbel (aan het tikken Zijn staf), dat Hij dichtbij is. U bent met mij. U, de goede Herder, Die aan het kruis, Uw leven gegeven hebt voor de schapen.

Je zegt: ‘Maar waarom leidt de Heere Zijn schapen nu door die donkere vallei? Dat groene gras, dat stille water, dat snap ik. Maar waarom in dat gevaarlijke, donkere dal?’ Waarom hebben de kinderen van de Heere verdriet? Waarom worden ze ziek? Waarom hebben ze pijn? Waarom komen ze in dat donkere dal?

Is de Herder dan soms ook verdwaald? Nee, Die verdwaalt nooit.

Maar ik vind het wel een goede vraag: Waarom komen die schapen in dat donkere dal? In dat dal van de schaduw van de dood?

Het antwoord staat in vers 3. Daar zegt David: De Heere leidt mij. Hij neemt mij daar mee naartoe. Hij gaat voorop. Hij leidt mij. En ik ga met Hem mee. Ook op die moeilijke weg…

Maar wat is de bedoeling van de Heere daar dan mee? Nou dit. Op die moeilijke weg wil de Heere Zijn schapen dingen leren, die ze ergens anders niet kunnen leren. Dit…: omhoog kijken. En biddend vragen: ‘Waar bent u, Heere? Bent U nog bij me?’

Dat leer je niet, als je rustig in het groene gras ligt, aan stil water. Dat leer je niet, als het licht is. Dat leer je alleen… als het moeilijk is, als het donker is.

En goed luisteren naar het tikken van een staf? Weet je wie dat het beste kunnen? Kinderen, mensen die blind zijn. Die luisteren beter dan wie dan ook! Omdat het voor hen altijd donker is, kunnen ze heel goed horen.

Als het donker is in ons leven, dan leren we heel scherp luisteren. Dan leren we vragen, net als Paulus: ‘Heere, nu weet ik niet meer wat ik doen moet. Wat wilt U dat ik doen zal?’

De goede Herder, daar mag je als schaap van Hem, als kind van de Heere, helemaal op vertrouwen! Maar ook vertrouwen, leer je meestal pas als dingen echt moeilijk zijn. Zolang alles goed gaat, heb je het leuk met je vrienden. Maar als je een probleem hebt, dan blijkt wie je vertrouwen kan. Dan worden vriendschappen gesmeed, die levenslang kunnen duren.

Moeilijke periodes in ons leven, moeilijke wegen waarop de Heere Zijn schapen leidt, zijn nuttig en nodig voor ons. Om te leren: op de Heere te vertrouwen. Om te leren: bidden, vragen, luisteren… En dus zegt David in Psalm 119: Het is goed voor mij, dat ik verdrukt ben geweest. Het is goed voor mij, dat ik met de Heere door dat donkere dal gegaan ben.

De Heere leidt Zijn schapen door donkere dalen. Maar we weten en vertrouwen, zelfs als we de Herder in het donker niet goed kunnen zien… We horen het, aan Zijn staf. Tik… tik… We weten het, als we luisteren naar Zijn Woord, naar wat Hij ons beloofd heeft: ‘Ik zal u niet begeven. Ik zal u niet verlaten. Ik ben met u. Mijn oog rust op u.’ En we vertrouwen op Hem, dat Hij ons niet alleen laat, dat Hij bij ons blijft.

Als Hij ons door dat donkere dal heen leidt. Naar de uitgang ervan. Want dat donkere dal is niet het einde van de reis van de Herder met Zijn schapen.

Het is alleen maar de manier om ons te leren vertrouwen op de Hem.

Kijk maar naar vers 5: U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. De tegenspoed gaat voorbij. Maar dat is niet het allerbelangrijkste. Het belangrijkste is: dat de Heere bij David blijft. Het belangrijkste is: dat de Heere (wat er ook gebeurt) bij ons blijft in het komende seizoen.

David gebruikt (als laatste) het beeld van een maaltijd. Het is een overvloedige maaltijd, met heel veel lekker eten en drinken. Zo bijzonder zelfs, dat de vijanden van David er jaloers naar kijken. En Wie maakt die maaltijd klaar? En Wie zalft David met olie? De Gastheer van de tafel is de Heere Zelf: U maakt de tafel klaar, U zalft mijn hoofd met olie.

Na die moeilijke tijden van tegenspoed, verdriet, gevaar, of wat ook was…, geeft de Heere Zijn kinderen vaak weer rust. Want de goede Herder weet, dat we dat nodig hebben. Om weer op kracht te komen. Om weer verder te kunnen gaan.

Ook daarvoor zullen we het komende seizoen steeds weer moeten en mogen bidden. Soms geeft de Heere die rust aan Zijn kinderen door een bijzondere zegen te geven voor dit leven. Door het woord van Zijn belofte te vervullen. Of door ons blij te maken met wat de Heere doet. Dat kan ook zijn aan de bediening van het Heilig Avondmaal. Of als de Heere Zijn trouw laat zien in het water van de Heilige Doop.

Wat is de Heere toch een goede Herder, jongens en meisjes! Hij zorgt altijd zo goed voor Zijn schapen. Kijk maar naar vers 6, het laatste vers van Psalm 23: Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.

Hoe mijn leven ook verder gaat, als U, Heere, om de Heere Jezus’ wil, bij mij bent, dan gaat het goed. Ook in het komende jaar. Dan zult U zorgen, dan zult U bewaren, dan zal ik veilig zijn. Dan zult U me dragen, als het moeilijk is. Dan zult U altijd bij mij blijven. Dan zullen het goede en de weldadigheid (Uw goedheid en Uw trouw) mij volgen, mijn leven lang.

Van jezelf blijf je, als je kind van Heere mag zijn (net als een schaap), altijd weer geneigd om te dwalen. En dan…? Moet je zonder de Herder verder door dit leven? Nee, want deze Herder, deze goede Herder doet twee dingen.

Twee dingen, die een gewone herder niet kan doen. In ieder geval niet tegelijkertijd. a. Hij gaat voorop. Hij wijst ons de weg. Hij leidt ons aan Zijn hand, door groene weiden en door donkere dalen. b. Maar..., Hij komt ook tegelijkertijd achter ons aan. Hij volgt ons. Zodat we nooit echt verdwalen. Ons leven lang!

Hij blijft altijd zo dicht bij ons, dat David aan het eind van deze psalm nog een ander beeld gaat gebruiken. Hij zegt: En ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen. De Heere blijft zo dicht bij me. En ik mag de Heere zo vertrouwen. Zo dicht bij God, zo veilig. Dichterbij kan eigenlijk niet. Veiliger kan eigenlijk niet. Ik mag bij Hem wonen. Voor altijd.

Dat wil de Heere ook jullie geven, jongens en meisjes. Om de Heere Jezus’ wil. Die zo diep moest lijden, en moest sterven kruis. Om Hem wil de Heere je al je zonde vergeven. Om Hem wil de Heere je een nieuw hart geven. Om Hem wil de Heere je maken tot een schaap van Hem.

Zodat je voor de komende tijd voor alle dingen op Hem mag vertrouwen. Dat Heere als een goede Herder ook voor jou zal zorgen. Voor eten, voor drinken, voor kleren… En (en daarom zijn de schapen van Heere zo gelukkig!), en als dingen moeilijk worden…?

Dan kijken we omhoog! Dan zeggen we: ‘Heere, maar U bent er toch nog steeds?’ En dan luisteren we naar de woorden van de Heere, uit de Bijbel, uit het Bijbelverhaal, uit de preek. En dan horen we het weer: het tikken van Zijn staf… Tik…, tik… Ik... ben… met… u…, al de dagen, uw leven lang.

Zoek, jongens en meisjes, de Heere. Zoek Jezus vroeg, zoek Jezus veel. Want als Hij je Herder is, dan zal je niets ontbreken.

Amen.

Slotzang Psalm 119:88:

Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen; Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren; Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond; Want hij volhardt naar Uw geboôn te horen.