Biddag - 10 maart 2021
Daniël 9:7: Bij U, o Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen waar Gij hen heen gedreven hebt om hun overtreding waarmede zij tegen U overtreden hebben.
INLEIDING
Daniël leest Gods belofte van zeventig jaar en dat brengt hem niet tot eisen, maar tot bidden. Zijn gebed omvat drie delen: hij aanbidt Gods grootheid als de trouwe Verbondsgod; hij belijdt eerlijk, in de wij-vorm, de schuld van zichzelf en zijn volk, erkennend dat Gods oordeel rechtvaardig is; en hij pleit, zonder enige eigen grond, op Gods barmhartigheid, Zijn beloften en de eer van Zijn Naam. God antwoordt met de belofte van de komende Messias, Die verzoening brengt.
Het gebed van Daniël.
DANIËL 9:4-12
4 Ik bad dan tot den HEERE mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere, Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien die Hem liefhebben en Zijn geboden houden;
5 Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden en van Uw rechten.
6 En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands.
7 Bij U, o Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen waar Gij hen heen gedreven hebt om hun overtreding waarmede zij tegen U overtreden hebben.
8 O Heere, bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten en bij onze vaderen, omdat wij tegen U gezondigd hebben.
9 Bij den Heere onzen God zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.
10 En wij hebben de stem des HEEREN onzes Gods niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand Zijner knechten, de profeten.
11 Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uw stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben.
12 En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons en tegen onze rechters die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Daniël 9:7
THEMA
Het gebed van Daniël.
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, het is vandaag biddag. Maar, wat vraag je eigenlijk op biddag? Waar bid je dan eigenlijk om? ‘Heere, geeft U me alstublieft dit, en dat, en dat, voor de toekomst? Voor het komende seizoen, voor gewas en arbeid?’ ‘Heere, geef?’ Want, al die dingen zijn toch nodig? Daar mogen we toch om bidden?
Daniël had ook heel veel dingen nodig. Hij zit nota bene met zijn volk in ballingschap, ver van huis. De stad Jeruzalem en de tempel des Heeren, huis en kerk zijn verwoest. Maar toch zegt hij niet: ‘Heere, geef!’ En zijn gebed is ons vanavond (bij alles wat nodig is voor het komende seizoen) tot een voorbeeld. Hij zegt niet: Heere, geef! Maar hij zegt: Heere, vergeef!
Ik preek u op deze biddagavond vanuit Daniël 9 over het gebed van Daniël. Dat is ook het thema voor de preek: Het gebed van Daniël. We zullen zien dat zijn gebed drie delen omvat. Hij aanbidt in de eerste plaats Gods grootheid. Hij belijdt in de tweede plaats zijn schuld. En hij pleit in de derde plaats op zijn God. Dus het gebed van Daniël bevat drie delen, en dat zijn ook de drie aandachtspunten voor de preek: 1. Het aanbidden van Gods grootheid 2. Het belijden van zijn schuld 3. Het pleiten op God ontferming Als eerste dus:
Er is voor Daniël de laatste jaren veel veranderd. Koning Nebukadnezar heeft plaatsgemaakt voor Darius, de Meder, die waarschijnlijk door koning Kores is aangesteld is over het rijk van de Chaldeeën. Het is een roerige, politiek onrustige en instabiele tijd.
En in die tijd doet Daniël twee dingen. 1. Hij leest (in de eerste plaats) in de boeken, in de boeken van Jeremia, maar ook in de andere boeken van het Oude Testament. Het valt direct op: Daniël is een man van het Woord. Hij leest erin, hij leeft ervan, en:
2. Dat is het tweede wat Daniël doet: hij bidt. Daniël leest en bidt.
En, gemeente, die twee dingen horen bij elkaar: bidden, komen voor Gods aangezicht (vers 3) en bezig zijn met het Woord. Dat gaat altijd samen. Wie bidt, die leest en die onderzoekt. Wie niet meer bidt, die leest ook niet meer. En wie niet meer leest, die verflauwt in het bidden. Want het Woord van de Heere brengt ons op de knieën in ons bidvertrek. En dat biddende leven met de Heere, dat brengt ons altijd weer tot het zoeken van de Heere in Zijn Woord.
Daniël bidt en hij leest. Hij leest in de profeet Jeremia, die schrijft in Jeremia 29:10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.: Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. En even verder schrijft Jeremia (in hoofdstuk 29:12-14): Dan zult u Mij aanroepen, en heengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen. En u zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met uw ganse hart. En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE.
Over zeventig jaar, schreef Jeremia. Zevenenzestig jaar is Daniël nu in Babel. En nu leest deze biddende man Gods belofte: na zeventig jaar zal Ik, God, u bezoeken. Na zeventig jaar zal Ik Mijn woord vervullen en u weer terugbrengen in het beloofde land. U zult roepen, en Ik zal uw roepen verhoren. U zult Mij zoeken en Ik zal u laten vinden.
En dan? Wat doet Daniël dan? Wat doen Gods kinderen, die biddende mensen, als ze al biddend en lezend in het Woord, met kracht geraakt worden door het beloftewoord van de Heere? Persoonlijk tot hen gericht? Vasthakend in hun binnenste? Wat doen Gods kinderen dan? Wat doet Daniël dan?
Laat ik eerst zeggen wat Daniël niet doet. Hij zegt niet: ‘Mensen, over drie jaar gaan we terug naar huis, ga je koffers maar vast inpakken. Het zit er bijna op!’ Hij zegt ook niet: ‘God heeft het beloofd, dus natuurlijk, het gaat vanzelf gebeuren!’ Hij zegt ook niet: ‘Kijk eens wat geweldig, deze belofte, die steek ik in mijn zak, die is voor mij!’ En hij zegt ook niet: ‘Ja, dat staat hier wel, maar het zal toch wel nooit gebeuren.’
Wat doet Daniël? En hieraan kunt u weten of u de beloften die u met u draagt van de Heere Zelf gekregen hebt: Gods belofte brengt Daniël op de knieën. Hij gaat niet stil zitten, hij gaat niet werken, hij gaat bidden. Is dat nodig dan? Het komt toch vanzelf wel goed?
Nee, het punt is: Daniël weet dat er iets in zijn hart is, dat er iets in het hart van zijn volk in Babel is, dat geweldig botst met de vervulling van Gods belofte. Namelijk: zijn zonden, en hun zonden. Tussen Daniël en God, tussen Daniël en Gods belofte ligt schuld. En dus brengt de belofte hem op de knieën voor God. De bekende bijbeluitlegger Matthew Henry zegt: Gods beloften hebben niet de bedoeling om onze gebeden overbodig te maken, maar om ertoe op te wekken en aan te moedigen. En als wij de dag der vervulling zien naderen, moeten wij te ernstiger bij God er om bidden en smeken. De belofte leert bidden. De belofte brengt als het goed is in de nood voor God. Want ik ben de vervulling van de belofte niet waard. Daarom zegt David in Psalm 119: het Woord aan mij toegezegd (het Woord van Uw belofte), dat leert mijn ziel U (biddend) achteraan te kleven (Psalm 119:25, ber.)
Dus zoekt Daniël zijn bidvertrek, zijn binnenkamer. Hebt u, gemeente, thuis zo’n plek? Hebt u een verborgen plek om in stilte uw knieën te buigen en de Heere te zoeken? En bidt u daar ook? Het is biddag vandaag. Maar de kernvraag vandaag is niet of er u bent (zoals u hier vanavond bent; en ik ben blij dat u er bent), maar de kernvraag is: Bent u een biddend mens? Buigt u uw knieën nog voor Heere? Zoekt u dagelijks Gods aangezicht (Psalm 105:4Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.)?
Daniël buigt voor God. Hij bidt. En Hij weet tot Wie hij bidt. Is dat bij u ook zo? Die God, die u bidt en vraagt, kent u die ook? Of bidt u net als de mensen van Athene tot ‘de onbekende God’ (Handelingen 17:23Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Dezen dan, Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.)? Daniël buigt voor zijn God. We lezen in vers 4: Ik bad dan tot de HEERE, mijn God (hij kent God), en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! Gij grote en verschrikkelijke (dat wil zeggen: heilige) God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.
HEERE, met vijf hoofdletters geschreven, dat is de Naam voor de heilige Verbondsgod. Nergens anders wordt die Naam in het boek Daniël gebruikt, alleen in dit hoofdstuk. Nergens gebruikt Daniël die Naam in het openbaar, alleen hier, in zijn verborgen bidvertrek. Tot driemaal toe zelfs. HEERE met vijf hoofdletters geschreven. Het is de Naam van die God, die getrouw Zijn Woord houdt. ‘HEERE’, zo bidt Daniël, ‘U die uit enkele en eenzijdige trouw met een zondig mens te doen wil hebben.’ Dat is precies wat zondag 45 van de catechismus bedoeld, als gevraagd wordt: Wat hoort bij een gebed dat aangenaam is voor God en verhoord wordt?
En dan zegt het antwoord: Eerstelijk, dat wij alleen de enige ware God, die Zich in Zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Zo bidt, zo aanbidt Daniël God: de grote, de heilige God. Die hij kennen mag: Mijn God! Vandaar ook ons eerste punt: het aanbidden van Gods grootheid. We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
‘Daniël, zeg nu maar direct wat je nodig hebt: Geef, Heere! Voor de komende tijd, voor het komende seizoen dit, en dat…’ Nee, want er is in het hart van Daniël nog geen plaats voor een vraag. Daniël begint met belijdenis van schuld. Met kinderlijke vrees in zijn hart (HEERE, mijn God), met diepe eerbied (U, grote en heilige God), en met hartelijk vertrouwen (U houdt toch trouw Uw Woord, U houdt toch Uw verbond?), belijdt hij als eerste zijn schuld. En het valt op, dat het niet bij dat ene zinnetje blijft. Heel zijn gebed is en blijft ervan doortrokken. Bidden is schuld belijden. Biddag houden is schuld belijden. Net als Daniël. Hij doet het ons letterlijk voor. Laten we daarom samen eens luisteren hoe hij biddend zijn schuld belijdt.
1. Het eerste wat opvalt is hoe eerlijk en openhartig hij het doet, voor God. Hij vergoelijkt zijn zonden niet. Hij noemt ze zonde (in vers 5), onrecht (in vers 5), rebellie (in vers 5 en 9), ongehoorzaamheid (in vers 11 en 16), ongerechtigheid (in vers 13) en goddeloosheid (in vers 5 en 15). Daniël, zeer gewenst man, zo noemt de Heere hem (vers 23), godvrezend, in het publieke leven en in het verborgen voor God. Je zou jaloers op hem worden, hoe hij de Heere vreest. Toch? Maar hier zien we hem op zijn knieën in het verborgen voor de Heere buigen. Heeft hij het goed met zichzelf getroffen, zoals zoveel christenen het zo goed met zichzelf getroffen hebben? Nee. Je hoort hem hier in het verborgen zuchten, om zijn zonden die Gods hoogheid schonden. Eerlijk, openhartig en oprecht. De beste heiligen, zegt de puriteinse dominee Thomas Brooks, besteden hun tijd aan bidden, wenen, zuchten, klagen, worstelen en vechten (tegen de zonde). Zo ook Daniël.
2. Het tweede wat opvalt in zijn gebed is dat hij spreekt in de wij-vorm. Hij wijst niet met zijn vinger, zoals zoveel mensen met de vinger wijzen naar de zonden van ons land, van ons volk, van de kerk, van deze of gene gemeente, alsof hij of zij zelf zonder enige zonde was. Deze man eigent de schuld van anderen en zegt: wij! Wij, samen, hebben God op het hoogst misdaan en zijn van het heilspoor afgegaan. Hij zegt in vers 5: Wij hebben gezondigd En in vers 6 zegt hij: Wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten. En in vers 10: Wij zijn de stem des HEEREN onzes Gods niet gehoorzaam geweest.
3. Het derde wat opvalt in zijn gebed is, dat het gaandeweg steeds dichterbij komt. Wij wordt uiteindelijk mij. Kijk maar in vers 20: Ik sprak, ik bad, en ik beleed mijn zonde.
4. Het vierde wat opvalt is dat Daniël erkent dat het rechtvaardig is, dat de Heere de eerdere bedreiging heeft uitgevoerd. Kijk maar in vers 11: daarom (omdat wij gezondigd hebben) is over ons uitgestort die vloek en die eed die geschreven is in de wet van Mozes. En in vers 14 zegt Daniël: Hij (God) is rechtvaardig in al Zijn werken. Hier proeven we iets van het tweede wat zondag 45 van onze catechismus zegt: Wat behoort tot zulk een gebed dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt? Ten andere, dat wij onze nood en ellendigheid (niet de nood in het algemeen, niet de nood van een ander, maar onze nood) recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht van Zijn Majesteit verootmoedigen. Gemeente, hier ziet u een kind van God. Hij heeft veel vragen, maar hij heeft slechts één nood, en dat is een echte nood: zijn schuld voor God en de schuld van zijn volk.
Maar is hij dat stadium dan niet voorbij? Nee. Dat gaat in zekere zin nooit voorbij. In het leven van de genade verdiept zich de aanbidding van Gods hoogheid en heiligheid. Maar in het leven der genade verdiept zich ook het blijvende besef van eigen zonde en schuld. En ook dat wat we straks zullen zien: het vanuit die diepte pleiten op een grond die buiten ons ligt, in de belovende God alleen.
Dit is een man, die in diepe vernedering van zichzelf, erkent dat God rechtvaardig is in Zijn wegen. Kent u dat, gemeente? Ik bedoel: kent u dat bevindelijk, vanuit de ondervinding van uw eigen hart en leven? Er zijn zoveel rechthebbende mensen. Ze denken dat ze recht hebben op Gods beloften en de vervulling daarvan. Want ze zijn zo goed, zo ijverig, zo netjes, zo liefdevol, zo getuigend. Dat was deze Daniël ook, meer dan u en ik en iedereen bij elkaar. Dit is de man die publiek, op straffe van de dood de Naam van zijn God beleed. En hij belandde erom in de leeuwenkuil!
Een groot kind van God? Nee, in de binnenkamer klein en diep gebogen. En als dat niet de praktijk van mijn leven is, dan is al het andere schijn. Eerlijk erkent en belijdt hij: het waren mijn zonden, de zonden van mijn volk, die ons in deze diepe ellende gedompeld hebben. God is rechtvaardig in het brengen van deze straf over mij en over ons. Hij zwijgt, hij legt de hand op de mond en zegt in vers 8: O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, omdat wij tegen U gezondigd hebben. Uw doen is rein, Uw vonnis is rechtvaardig. Want wij hebben der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaamd. Wij, Uw volk, wilden naar Uw stem niet horen.
Laten we die schuldbelijdenis samen gaan zingen met de woorden van Psalm 81, daarvan het 11e en het 13e vers.
Ik, Ik ben de HEER; 'k Ben uw God, Die heilig ijver voor Mijn eer; Die u door Mijn hand Uit Egypteland leidde, Vrij en veilig.
Maar Mijn volk wou niet Naar Mijn stemme horen; Israël verliet Mij en Mijn geboôn; 't Heeft zich and're goôn, Naar zijn lust, verkoren. ----------
Gemeente, het gebed van Daniël omvat drie zaken: het aanbidden van Gods grootheid, het belijden van persoonlijke schuld, en nu komen we bij ons derde aandachtspunt:
3. Het pleiten op Gods ontferming Als ik nu bid, en als ik nu zoveel in mezelf zie, zoveel redenen waarom de Heere niet zou kunnen horen, wat blijft er dan over? De belofte die ik van de Heere gekregen heb? Ja, maar ik heb geen recht op de vervulling ervan. Kan ik dan nog wijzen naar, kan je dan nog pleiten op iets van mezelf? Durf ik dan nog wel te wijzen naar het woord van Gods belofte? Wat doet Daniël?
1. Het eerste wat opvalt staat in vers 9. Hij zegt: Bij de Heere, onze God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben. Met andere woorden: hij wijst op Wie de Heere is. Bij Hem zijn barmhartigheden, bij Hem is vergeving. Onze God vergeeft menigvuldig (Jesaja 55:7). Want Hij heeft Zichzelf deze Naam gegeven: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft (Exodus 34:6-7Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.). Daniël wijst al biddend in het verborgen op Wie de Heere is.
2. Het tweede wat opvalt is dat Daniël Gods rechtvaardigheid niet verbloemt. Want toen de Heere zei Wie Hij was en is, toen zei Hij ook: Ik ben Degene die de schuldige geenszins onschuldig houdt (Exodus 34:7). Daniël buigt biddend onder Gods oordeel: Uw doen is rein, Uw vonnis is rechtvaardig.
3. Het derde wat opvalt is dat Daniël desondanks pleit op Gods belofte, op de vervulling van het Woord van de Heere, hoewel hij weet dat hij dat niet verdient. Hij zegt in vers 16: O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg. Gods gerechtigheid, dat is hier Zijn trouw aan Zijn belofte. Daniël zegt als het ware: ‘Heere, U was trouw in het uitvoeren van Uw bedreigingen. Wilt U ook zo trouw zijn in de vervulling van Uw beloften?’
4. Het vierde wat opvalt is dat Daniël pleit op de roem van Gods daden in het verleden. Zoals de dichter van Psalm 74 dat doet: Herdenk de trouw aan ons voorheen betoond! Wat zult u anders toch doen met Uw grote Naam? Kijkt u maar in vers 15, waar Daniël bidt: En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage. Uw arm was sterk, Uw hand had groot vermogen en Uw Naam werd groot gemaakt. Toen, bij de uittocht uit Egypte. Daniël zegt als het ware: ‘Heere, doet U dat toch opnieuw! Maak toch opnieuw Uw Naam groot. Laat die toch niet blijvend om ons gelasterd worden!’
Pleitend, terwijl hij niets meer bij zichzelf opmerkt, waarop hij zou kunnen pleiten. En toch, toch is er hoop. Toch is het geen verloren zaak. Want? God vergeeft menigvuldig. Zijn Woord wordt altijd trouw volbracht. Dwars door alle, juist door alle onmogelijkheid heen. En dus pleit Daniël toch op het Woord van de Heere, net als David, die zei: Doe wat U gesproken hebt. Want, Heere, wat zult U anders toch doen met Uw grote Naam?
Kent u, gemeente, dat zo biddend pleiten op Gods beloften? Zonder een enkel recht, zonder een enkele grond in onszelf, maar (zoals het avondmaalsformulier zegt): een grond zoekend buiten onszelf? Er is nog iets wat opvalt in het gebed van Daniël.
5. Het vijfde wat opvalt, is dat Daniël, ondanks de moeilijke toestand van hemzelf en van zijn volk in Babel, niet als eerste vraagt om verlossing uit de ballingschap. We horen hem niet steeds zeggen: ‘Heere, mogen we nu eindelijk terug?’ Er is iets anders, dat hem veel meer drukt dan de last van zijn moeilijke omstandigheden. En dat is de last van Gods toorn, de last van Gods ongenoegen vanwege zijn zonden en de zonden van zijn volk. Kijkt u maar in vers 16. Daar bidt hij: Laat Uw toorn afgekeerd worden. En in vers 17: Doe Uw aangezicht lichten.
Eerst verlossing uit gevangenschap, eerst bevrijding uit ballingschap? Nee, Daniël bidt eerst om vergeving van zonden, om het weer mogen zien van Gods vriendelijke aangezicht. Dat is de hoofdzaak, dat is zijn hartezaak. Wie zo God aanroept in de nood, die vindt Zijn gunst oneindig groot.
Bidden wij zo? Bid u zo, gemeente? Niet vragend om dit, om dat, en om van alles en nog wat voor het komende seizoen… U zegt: ‘Mag dat dan niet?’ Dat zeg ik niet, maar begint u toch hiermee. Dit is echt bidden! Als u zo het Koninkrijk van God zoekt, als een arme en rechteloze bidder, dan zullen al die andere dingen die u nodig hebt, u zonder twijfel worden toegeworpen.
Bidden wij zo? Bid u zo, gemeente? U niet vasthoudend aan dingen die u lijkt te bezitten. U niet vasthoudend aan toepasselijke beloften, terwijl het beloften zijn die u nooit op de knieën gebracht hebben, beloften die u nooit in de nood gebracht hebben. Maar u vasthoudend aan (een grond buiten uzelf!), aan Wie God wil zijn voor zo’n slecht mens als ik ben, vol van (daar begon het mee) zonde, onrecht, rebellie, ongehoorzaam- heid, ongerechtigheid en goddeloosheid.
Een plek, waar we van onszelf uit, misschien ook wel na ontvangen genade, vaak liever niet zijn of niet meer zijn. Een plek tegelijkertijd, waar we, als we er eenmaal gebracht worden, liever niet meer weggaan. Want het is goed, nameloos goed, om als een arme zondaar biddend houvast te krijgen aan een ontfermend en vergevend God. Die gezegd heeft: En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen. (Jesaja 65:24En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen.) Want, zo zei de Heere Jezus: Want uw Vader weet, wat u van node hebt, eer gij Hem bidt (Mattheüs 6:8Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.).
Daarom, als u (komend seizoen) bidt, gebruik dan geen ijdel verhaal van woorden (vragend om dit, om dat, en om nog veel meer) zoals de heidenen. Dat is heidens! Want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden. Maar u, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden (Mattheüs 6:6-8). Wanneer? Wanneer wordt Daniëls gebed verhoord? Wanneer verhoort de Heere het gebed van arme, rechteloze bidders, die geen grond meer hebben in zichzelf, die God recht toeschrijven in Zijn daden, maar die zich toch in al hun zielsverdriet vastklampen aan de enige grond buiten henzelf? Wanneer? Wanneer wordt Daniëls gebed verhoord?
Het is al verhoord. Al voor dat hij begon te bidden. Kijk maar in vers 21. Daar staat: Als ik nog sprak in het gebed (Daniël is nog aan het bidden), zo kwam de man Gabriël, die ik in het begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende, omtrent de tijd des avondoffers. En wat zegt de engel Gabriël? Het staat in vers 23: In het begin(!) uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven.
Met andere woorden: Daniël, toen u uw knieën begon te buigen, toen heeft God uw gebed al gehoord.
Daniël bidt op de tijd van het avondoffer. Dat niet meer geofferd wordt. Want de tempel is verwoest. Maar in Daniëls gedachten ziet hij het nog steeds voor zich: de priester, die op drie uur ‘s middags (ook de tijd van zijn eigen gebed) met het reukoffer (aangestoken met vurige kolen van het brandofferaltaar) het heilige binnengaat om te bidden. Daniëls bidden op de tijd van het avondoffer wijst op de enige grond van de verhoring van zijn gebed. Namelijk op het binnengaan van de priester in het heiligdom, met het reukwerk voor Gods aangezicht, aangestoken door het vuur van het brandoffer. Namelijk op het binnengaan in de hemelse heerlijkheid van de grote Hogepriester, met het werk van Zijn handen.
Christus was Priester en Offerlam tegelijkertijd. Het vuur van Gods toorn verteerde Hem. En Zijn offer was een liefelijke reuk voor Zijn Vader in de hemel. Zoals Paulus schrijft aan de gemeente van Efeze, namelijk dat: Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk (Efeze 5:2En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk.) En het reukwerk van Zijn gebeden stijgt, terwijl Hij zit aan rechterhand van Zijn Vader in de hemel, ook blijvend op, omdat Hij altijd voor de Zijnen bidt. Zij bidden, zij roepen, zij zuchten, om Hem, pleitend op Zijn verdienste, tot God. En Hij bidt voor hen.
We horen het uiteindelijk ook in de aangekondigde verhoring van het gebed van Daniël. Daar voorzegt de engel Gabriël de komst van de Zoon des mensen, de komst van de Heere Jezus Christus. Op Gods tijd, niet na te rekenen, maar wel te verwachten (24-27).
‘Daniël, dan zullen je vijanden vernietigd worden?’ Nee! Zoek eerst het Koninkrijk van God! ‘Hij, de Messias, zal komen!’ Om de vijand te vernietigen? Nee! Kijk maar in vers 24: Om de overtreding toe te sluiten. Daniël, er komt een einde aan uw zonden. Om de zonde te verzegelen, om die op te sluiten als in een verzegeld graf. Om de ongerechtigheid te verzoenen, om die te verzoenen met het bloed van het Lam. Om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen. Dan zal Ik nooit meer op u toornen nog op u schelden (Jesaja 54:9Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.). Om het gezicht en de profeet te verzegelen. Beiden worden verzegeld, bekrachtigd en vervuld. En om de heiligheid der heiligheden te zalven, dat wil zeggen om een nieuwe eredienst aan te vangen, de bediening der verzoening.
Daniël, (dat is Gods antwoord voor deze biddende man!), Daniël, de Messias komt. Maar… Hij zal afgesneden worden uit het land der levenden (Jesaja 53:8Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.). Hij zal moeten lijden, verworpen worden, sterven en opstaan uit de doden (Lukas 10:21Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.). Maar… niet voor Hemzelf. Want, zo zegt vers 26: Op de bestemde tijd zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem Zelf zijn (Daniël 9:26). Maar om verzoening te doen voor uw zonden, Daniël, en voor de zonden van Zijn volk.
Het doet denken aan het laatste wat onze catechismus zegt over het ware gebed: Wat behoort tot zulk een gebed dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt? Ten derde, dat wij deze vasten grond hebben dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus’ wil(!) zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.
Wij zijn het niet waard, maar om Christus’ wil, om Hem die met Zijn enige offer is ingegaan in het binnenste heiligdom, en om het reukwerk, het blijvende reukwerk van Zijn gebeden in dat binnenste, hemelse heiligdom, daarom worden gebeden van biddende, bukkende en buigende zondaars, zoals Daniël, verhoord.
Daarom, u die God zoekt, in al uw zielsverdriet (net als Daniël), houd aan, grijp moed, u hart zal vrolijk leven. Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet. Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven!
Amen.
Slotzang Psalm 69:13, 14
Dat zal den HEER veel aangenamer zijn Dan os of var, die hunnen klauw verdelen. De blijdschap zal het hart der vromen strelen, Als zij mij zien, verlost van smart en pijn. Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet, Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven; Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet; Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.
Gij, hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof; Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen; Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen, En Juda's steên herbouwen uit het stof. Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad, God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen; Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, Zij, die Zijn naam beminnen, erfelijk wonen.
Andere preken over Daniël
Andere preken voor Biddag