Nieuwjaar - 1 januari 2023
Exodus 33:14-15: Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen? Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons vanhier niet optrekken.
INLEIDING
Na de zonde van het gouden kalf biedt de Heere Israël aan om het beloofde land wél binnen te gaan, maar zonder Zijn eigen aanwezigheid, alleen met een engel. Voor het volk en voor ons ligt zo de vraag: dit nieuwe jaar in zonder God, met uiterlijk succes maar zonder ware rust, of mét God? Mozes weigert verder te trekken zonder Gods aangezicht en pleit vasthoudend op genade, wijzend vooruit naar Christus, de ware Voorbidder. Wie zo bidt, ontvangt: de Heere belooft mee te gaan en rust te geven, en zo alleen krijgt het nieuwe jaar toekomst.
Hoe nu verder?
EXODUS 33:12-17
12 En Mozes zeide tot den HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op; maar Gij laat mij niet weten wien Gij met mij zult zenden; daar Gij gezegd hebt: Ik ken u bij name; en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen.
13 Nu dan, ik bid, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is.
14 Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen?
15 Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons vanhier niet optrekken.
16 Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk dat op den aardbodem is.
17 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ook deze zelve zaak die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen en Ik u bij name ken.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Exodus 33:14-15
THEMA
Hoe nu verder?
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de tekst voor de preek op deze Nieuwjaarsmorgen kunt u vinden in Exodus 33:14-15Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen? Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken!. Daar lezen we samen Gods Woord als volgt: Hij (de Heere) dan zeide (tegen Mozes): Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen? Toen zeide hij (Mozes) tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken.
Mozes heeft veel meegemaakt. Maar steeds weer was er in zijn leven de goede zorg van de Heere. De Heere had het hem ook beloofd: Ik zal met u zijn. In Exodus 3, bij het brandende braambos: Hij dan zeide: Ik zal voorzeker met u zijn (Ex. 3:12).
Maar nu lijkt dat definitief te gaan veranderen. Het volk Israël is aangekomen bij de berg Sinaï. Veertig dagen en veertig nachten is Mozes ondertussen op de berg. De HEERE Zelf spreekt tot Mozes. Hij geeft hem de opdracht voor de verschillende offers, voor de bouw van de tabernakel en van de ark, voor de dienst van de priesters en het heilig houden van de sabbat. En als laatste geeft de Heere aan Mozes de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met de vinger Gods (Ex. 31:18En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op den berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods.). En dan mag hij weer naar beneden. Naar het volk, dat aan de voet van de berg op hem wacht.
Maar, meisjes en jongens, wat blijkt? Dat volk heeft ondertussen de Heere vergeten. Ze hebben een gouden kalf gemaakt. Daar hebben ze voor gebogen, en daar hebben ze voor geofferd. De HEERE zegt tegen Mozes: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een hardnekkig volk (Ex. 32:9Verder zeide de HEERE tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!). Met andere woorden: Ze willen niet naar Mij luisteren.
Moet dat, gemeente, ook niet van u en van mij gezegd worden, aan het begin van dit nieuwe jaar? Als de HEERE vanuit Zijn heilige hemel naar ons kijkt? De Heere vergeten…? Eigen afgoden gediend…? Nota bene gemaakt van de zegen die we van Hem gekregen hebben! Een hardnekkig volk…?
Als er geen voorbidder was geweest, zoals de biddende Mozes hier in de woestijn, dan was de toorn van de HEERE ook tegen ons ontvlamd (Ex. 32:10-14). Door groot geduld van de kant van de Heere, zijn we er nog. Staand op de drempel van het nieuwe jaar. Als een hardnekkig volk, u en ik, oog in oog met de heilige God…
Hoe moet het nu verder? Met hen? Met ons? Hoe moet het nu verder? Met hun reis naar Kanaän? Hoe moet het nu verder? Met u, met jou, met mij, aan het begin van dit nieuwe jaar?
Hoe wilt u verder? Hoe wil jij verder? Met je gouden kalf? Met je eigen godsdienst? Met alles van jezelf? Of… (met diep berouw om alles wat je eerder deed) toch nog verder met God?
Dat is het thema voor preek op deze nieuwjaarsmorgen: Hoe nu verder? 1. Zonder God? (dat is ons eerste punt), of: 2. Met God? (dat is ons tweede punt)
Eerst dus:
Mozes bidt voor het volk (Ex. 32) en krijgt antwoord van de Heere. Wat een mooie belofte vers 1, 2 en 3. Vers 1 zegt: Voort sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op vanhier, gij, en het volk dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Uw zaad zal Ik het geven. Ze zijn het (net als wij) waard, dat de Heere hen in Zijn toorn verslindt. Dat dit het einde wordt. Maar de Heere zegt: Jullie mogen verder naar het beloofde land!
Vers 2: En Ik zal een engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaänieten, de Amorieten en de Hethieten en de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten) Mozes mag verder met hen mee. En daarbij krijgen ze de absolute bescherming door een machtige engel. En de garantie dat de bewoners van het beloofde land verdreven zullen worden.
En vers 3a: Naar het land dat van melk en honing is vloeiende. Alles, alles wat hun hartje begeert, zal er zijn: werk, geluk, succes, vruchtbaarheid, voorspoed en overvloed. Wat een mooie belofte!
Zou jij, zou u zo verder willen gaan aan het begin van dit nieuwe jaar? Met deze belofte? Ga gerust! Het zal je niet ontbreken aan alles wat je dagelijks nodig hebt. Voor ongelukken, voor rampen en ziektes hoef je niet bang te zijn.
Al je plannen zullen lukken: succes op school, gezondheid, werk in overvloed… Kortom: Ga gerust beginnen aan dit nieuwe jaar. Het zal één groot succes worden. Geniet ervan.
Wat zeg jij? Wat zegt u, als reactie op dit aanbod van de Heere? Mooi toch? Waarom zou je verder nog moeilijk doen? Er kan toch niets mis gaan verder? Ja, goed, er zitten wel wat scherpe randjes aan… Maar kom op, dit wil je toch? Succes, resultaat, inkomsten, carrière, geluk… Ja, toch?
Goed (ik zei het al), er zitten om eerlijk te zijn, wel een paar scherpe randjes aan. Denk daar wel even over na… Drie dingen vallen er op in deze drie eerste verzen van Exodus 33: Vers 1: De Heere noemt Israël (vroeger altijd: Zijn volk, dat Hij uit Egypte uitgeleid had) nu: het volk, dat Mozes uit Egypte gebracht heeft. Vers 2: En, vroeger ging de HEERE Zelf mee, maar nu zegt de Heere ‘stuur Ik een engel met u mee.’ En vers 3, klip en klaar: want Ik(!) zal in het midden van u niet optrekken, want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere.
Mozes, Israël je mag verder Gemeente, we mogen verder. Dit jaar zal al het geluk met ons zijn. Persoonlijk, in uw huwelijk, in uw gezin, op school, op je stage, op je werk, in de zaak… Inkomsten, vooruitgang, carrièrekansen… Alles, wat je maar wilt. Maar… zonder God. We hebben God toch al vaarwel gezegd, toch? Nou dan is dat niet veel anders, dan dat waar we zelf eerder al voor gekozen hadden. We waren toch al bezig met ons eigen gouden kalf, nietwaar? En dat was nog leuk ook!
Zo maar verder gaan dan? Zonder God? Met kerst wel gehoord van Immanuel: God met ons… Maar zonder God zullen we ons in [2023] ook wel vermaken, en ook best wel redden!
O ja? Het is wel goed, om daar vandaag nog wel even heel goed over na te denken. Want er zijn hier mensen, die op het punt staan om inderdaad zo, dit jaar te beginnen: zonder God. En met goede hoop, dat dat ook dit jaar weer zal lukken. Maar, zeg nu eens eerlijk: Mist u niets? Geeft dat leven u echte vrede in uw hart? Geeft alles wat u hebt (uw huis, uw bezit, uw gezin, uw werk, al het mooie van nu), u echt het gevoel: Ja, hiervoor ben ik nu op deze wereld geschapen? Is uw hart nooit onrustig? Omdat u voelt, en soms bij perioden scherp onder ogen ziet (het maakt u onrustig!): Ik kan wel leven zonder God, maar sterven zonder God, hoe moet dat straks?
Maar lieve mensen, dat heb je toch verkeerd gezien. Je denkt dat je zonder God niet kan sterven. Dat is waar.
Maar je kan zonder God ook niet leven! Dit jaar [2023] zal u nooit echte vrede, echte vreugde, echte blijdschap, echte rust, echte troost geven, als u verder gaat zonder God. En hoe moet het dan ook verder met uw hemelhoge schuld?
Als het volk dit voorstel van de Heere hoort, dan (zo staat in vers 4) worden ze heel verdrietig, ze dragen leed. Dat wil zeggen: ze treuren om hun zonden. Omdat God daardoor besloten heeft Zich van hen terug te zullen trekken. Kort geleden zijn er drieduizend mannen gedood door het zwaard van de Levieten. Toen treurden zij niet. Maar dit valt hen veel zwaarder: verder, maar… zonder God.
Ze leggen hun sieraden af (vers 4 en 5). Waarschijnlijk waren daar ook heidense symbolen bij. Sterker nog, vers 6 zegt: ze beroven zichzelf van hun sieraden. En de tent (vers 7), waar Mozes audiëntie gaf, wordt buiten het leger geplaatst. Ver weg, als teken dat de Heere een geschil heeft met het volk.
Maar gelukkig zijn er midden in dat verdriet, en midden in dat berouw nog wel dingen die moed geven. Zoals dat ook nu nog steeds zo is. Als de Heere ons onze zonden voor ogen stelt. En ons laat zien wie wij zijn, en wat wij gedaan hebben. En welke onmetelijke afstand dat gemaakt heeft tussen God en ons hart. En dat om onze zonden, de toorn van God op ons leven rust (zoals in staat in vers 5). Wat doet dat zeer in ons hart. Wat geeft dat een hartelijk berouw. Maar het maakt ons niet wanhopig. Want in de ontdekking aan onze zonden, laat God altijd ook iets voelen en zien van Zijn barmhartigheid. Wij zijn Hem door eigen schuld kwijtgeraakt. Maar Hij wil ons niet kwijt. Hij is met ons lot bewogen.
Kijk ook maar in deze geschiedenis: a. De tent van Mozes is wel verplaatst, maar zo staat in vers 7: En het geschiedde dat al wie de HEERE zocht (om raad), uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het leger was. Er kan veel nood zijn in je hart, de diepe overtuiging dat je het niet waard bent dat de Heere ooit nog zou luisteren. Maar, zoekende zielen, er is raad bij de Heere! Iedereen die Hem zoekt, mag ondanks alles, naar Hem toe gaan. En wie tot Hem komt, zal Hij niet afwijzen (zie Joh 6:37Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.).
b. En, kijk in de tweede plaats ook maar naar vers 8 en 9 En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op en eenieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij ter tente ingegaan was. En het geschiedde als Mozes ter tente ingegaan was, zo kwam de wolkkolom nederwaarts en stond in de deur der tent; en Hij sprak met Mozes. Met andere woorden, het is donkerder dan ooit tevoren in het leven van het volk Israël. Ze hebben God verlaten, en dus hebben ze smart op smart te vrezen.
Ze hebben een hemelhoge schuld. Maar kijk: De Heere spreekt met Mozes. Er is een voorbidder, er is een middelaar tussen God en mensen. En vanwege die Middelaar, is de wolkkolom nog niet vertrokken. Sterker nog, hij daalt nederwaarts. De kanttekening zegt: dat is een zeker teken van de genade en van de goedgunstigheid van God. Uit alles blijkt: De Heere is niet geweken. En Hij is bereid tot verzoening.
Dus, als u dit nieuwe jaar nu moet beginnen met een onopgeloste, hemelhoge schuld, dan zegt de Heere tot uw bemoediging (net als destijds) twee dingen tegen u: a. Er is raad bij Mij, voor degenen die Mij zoeken. b. En er is een Voorbidder, een Middelaar. Door Hem is er toch nog plaats bij Mij. Door Immanuël is ‘God met ons’. Die bereid is om u met Hem te verzoenen.
We gaan ervan zingen uit Psalm 99. Over Samuël, die hetzelfde deed als Mozes. Psalm 99, vers 5 en 7: Verhardt u niet; neemt Zijn genâ Ootmoedig aan". "Laat Meriba, Laat Massa u ten afschrik wezen, Waar 'k door uw vaders ben verzocht, Toen alles, wat Mijn almacht wrocht, Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.
Dies heb Ik, door hun tergend kwaad Op 't hoogst vergramd, dit volk versmaad, En met een duren eed gezworen, Dat, wegens zijn geschonden trouw, Het nooit Mijn rust genieten zou, Die voor Mijn volk nog blijft beschoren.
Gemeente, het thema voor de preek op deze nieuwjaarsmorgen is: Hoe nu verder? Hoe nu verder, na zoveel zonden en met zoveel schuld? Zonder God? Of (dat hoop en bid ik): Met God? Dat is ons tweede aandachtspunt:
Er is midden in alle verslagenheid, die ongetwijfeld bij een deel van de Israëlieten oprecht is geweest, hoop en troost. Zoals die er ook nu mag zijn voor verslagenen harten. De HEERE is bereid tot verzoening. En er is een Middelaar, er is een Voorbidder. Mozes, type van de meerdere Mozes, type van de Heere Jezus Christus.
Hij vraagt de Heere om Zijn onverdiende gunst. Hoor Mozes pleiten! En u hoort het pleiten van de meerdere Mozes.
In vers 12: En Mozes zeide tot de HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op; maar Gij laat mij niet weten wie Gij met mij zult zenden; daar Gij gezegd hebt (twee dingen!): Ik ken u bij name; en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen. Heere, U hebt toch gezegd: Ik ken u bij name? En ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen?
Geldt dat niet veel meer en absoluut, zonder gebrek voor de Heere Jezus Christus? Van eeuwigheid gekend, als de Zoon, Die in de schoot van de Vader was? ‘Genade’ alleen is niet wat Zijn verhouding tot Zijn Vader typeren kan. Hij is de eniggeliefde Zoon in Wie de Vader welbehagen had en heeft. Die niet pleit op genade, maar wijst op Zijn verdiende rechten, op het loon voor Zijn werk.
Hoor Mozes verder pleiten, in vers 13: Nu dan, ik bid, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is. ‘Genade, Heere. Laat me genade vinden in Uw ogen.’ Dat is het, verslagen zondaars, wat u ook bidden moet! ‘Genade, o Heere! Verdiensten heb ik niet. Ik heb alles verzondigd. Maar genâ, o God, genâ, hoor hoe een boeteling pleit.’
Indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten Laat Heere, uit Uw Goddelijke leiding weten, dat U in gunst op ons neerziet. Want Uw leiding (hoe U dat in wijsheid ook zult doen) is één van de beste blijken van Uw gunst.
En zie aan dat deze natie Uw volk is. HEERE, denk aan Uw verbond. Het teken van de doop op mijn voorhoofd is door mijn zonden toch niet uitgewist? Heere, U hebt ons toch naar Uw Naam genoemd?
Dat bidden, dat pleiten, persoonlijk, maar ook als gemeente (voor en met elkaar), is dat niet veel beter, dan dit jaar beginnen zonder God? Gemeente, lieve mensen, dit (alleen dit!) geeft toekomst! Je kan veel voorspoed krijgen, maar zonder de Heere, is het allemaal tevergeefs. Want de wereld gaat voorbij en al haar begeerlijkheid (1 Joh. 2:17En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.).
Dit is het beste begin, van dit nieuwe jaar. Eenvoudig, biddend. Doe dat toch! Ga dat toch doen, vanaf nu! Eenvoudig bidden: Genade, Heere! Laat mij, laat ons (die met onze gouden kalveren alle recht verzondigd hebben) genade vinden in Uw ogen?
Zulke gebeden zal de Heere nooit afwijzen. Hij legt ze Zelf in het hart. En het laat Hem innerlijk met ontferming bewogen worden. Hij kan ze niet afwijzen. Hoort u dat, bidders? De Heere kan dat gebed niet afwijzen.
Dit gebed: ‘O Heere, genade! Mag ik genade vinden in Uw ogen? Ik heb niets meer, om aan U te laten zien, als iets goeds. En dus alleen: Genade, Heere, om Jezus’ wil!’
Zulke gebeden, worden op Gods tijd beantwoord. De Heere haast Zich om zulke bidders te horen. Kijk maar naar vers 14: Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen? Mozes, moet Ik dan Zelf met u meegaan…? Wat ontlokt Heere Mozes zijn hart. En misschien ook wel uw hart… Moet Mijn vriendelijk aangezicht, teken van Mijn gunst en genade om het verzoenende werk van Christus, dan met u meegaan? Is dat wat u wilt, Mozes?
Is dat wat u wilt? Is dat wat jij bedoelt? ‘Heere, wat U ook op ons pad brengt, hoe U mijn weg verder ook leidt, maar Heere, Uw genadig, Uw vriendelijk aangezicht; met U verzoend door de vergeving van mijn zonde en schuld; om de voorbede, om het verzoenende lijden en sterven van Uw lieve Zoon? Dán, Heere, en dan alleen. Zó, Heere, en zo alleen, kan ik, kunnen wij verder…’
Is dat wat u wilt? Is dat wat jij bedoelt? Verder, het nieuwe jaar in…, met God? Om Immanuël… God met ons…? Om Jezus’ wil…? Die Zijn volk zalig zal maken van hun zonden?
Antwoord? Van Mozes? Van u? van jou? Vers 15: Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons vanhier niet optrekken. Zonder U kunnen wij niet verder, Heere. Dat kunnen we niet, dat wil ik niet!
Want? Kijk maar naar vers 16: Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk dat op den aardbodem is. Heere, Uw genade (die ik, die wij zo nodig hebben), die blijkt toch vooral uit: Dat U met ons meegaat? U, God met ons? En dat is, Heere, toch tot eer en tot heerlijkheid van Uw grote Naam?
Antwoord? Vers 17: Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ook deze zelve zaak die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen en Ik u bij name ken. Wat een troostvol antwoord. Ik zal met u gaan. U hebt genade gevonden in Mijn ogen. En Ik ken u bij naam.
Is het u al lezend en al luisterend ook opgevallen? Ik bedoel: de vasthoudendheid van Mozes in zijn bidden? Je hoort hem met Jakob zeggen: Ik laat U niet los, Heere, tenzij U mij zegent… Zeg dat ook maar veel, verborgen bidders, in dit nieuwe jaar!
Want wat blijkt? Hoe meer Mozes bidt en hoe meer hij biddend vasthoudt, hoe meer Hij van de Heere krijgt.
En dus is het ook onze taak (in het bijzonder), broeders van de kerkenraad, om dit aanstaande jaar te bidden, zoals Mozes hier doet. Terwijl wij (ik en u), anders dan bij Mozes, zelf ook onderdeel zijn van dit hardnekkige volk. Bidden, broeders! ‘Heere, zie aan, dat dit volk Uw volk is. Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken. Want waarbij zou nu bekend worden, dat wij genade gevonden hebben in Uw ogen, wij en Uw volk? Is het niet daarbij, dat U met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, wij en Uw volk, van alle volk dat op de aardbodem is.’
Er is nog één ding wat bijzonder opvalt, als je nauwkeurig leest in het Hebreeuws, en als je ook kijkt naar de betrouwbare King James vertaling. Vers 14 kan gelezen worden als een vraag van Heere. Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen? Maar vers 14 kan net zo goed gelezen worden als een antwoord, als een belofte, als verhoring: Mozes, Mijn aangezicht zal met u gaan, en Ik zal u rust geven
Terwijl Mozes bezig is met bidden, geeft de Heere hem al antwoord. Het doet denken aan Daniël, die schrijft in Daniël 9:21Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, dien ik in het begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende, omtrent den tijd des avondoffers.: Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man (de engel) Gabriël met het antwoord van Heere, op de tijd van het avondoffer. Zegt de Heere niet door de mond van Jesaja: En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen (Jes. 65:24En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen.)?
Verborgen bidders, wat hebt u toch een gelukkig leven! U hebt de toekomst, aan het begin van dit nieuwe jaar. Want de Heere belooft u, de verhoring van uw geroep! Van dat roepen om genade in de ogen des Heeren. Dit is Zijn verhoring: Mijn aangezicht zal met u gaan, en Ik zal u rust geven. Rust voor dit leven, in alle moeite, zorg en verdriet. Rust voor uw zielen. En Zijn rust zal heerlijk zijn (Jes. 11:10Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.). U zult ‘stil en gerust zijn’, en niemand zal u verschrikken (Jer. 46:27Maar gij, Mijn knecht Jakob! vrees niet, en ontzet u niet, o Israël! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken.).
Dus, gemeente, wat zien we hier? Een paar dingen: a. Dat de Heere bidders hoort. Laat het u aanmoedigen om dit jaar te vragen, te bidden, te zoeken, te kloppen. Altijd te bidden en niet te vertragen (Luk. 18:1En Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen;).
b. We zien hier als tweede, dat de Heere zulke bidders verhoort, en mild en overvloedig geeft. Hij geeft boven bidden en denken (Ef. 3:20). De apostel Jakobus zegt: Indien iemand van u wijsheid ontbreekt (voor het komende jaar), dat hij ze van God begere, Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden (Jak. 1:5En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.).
c. We zien hier als derde het voorrecht van iedereen die de Heere ootmoedig vrezen mag. We hebben ook dit jaar weer vrije toegang tot de troon van Gods genade. Een biddende Voorbidder in de hemel, aan de rechterhand van de Vader. En de Heilige Geest, Die in ons hart bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.
d. Maar wat we hier (in de vierde plaats) vooral zien is dit: deze biddende Mozes wijst vooruit naar Christus! Van Wie de apostel zegt in Hebreeën 7: Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap; waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden (Hebr. 7:24-25).
Is dat voor komende jaar geen gouden richtingwijzer? Door Hem, door de Heere Jezus Christus tot God gaan. En bidden om genade in de ogen van de Heere? Eenvoudig, op je knieën in het verborgen: ‘Heere, rechten heb ik niet! Kijk maar naar mijn gouden kalf. Maar om Jezus’ wil, mag ik, Heere, genade vinden in Uw ogen?’
Om Hem, Die niet hoeft te pleiten en Die niet pleit op ‘genade’. Maar (en dat kan ik nooit meer) Die wijst op Zijn verdienste! Op Zijn komst naar deze wereld. Op Zijn gehoorzaamheid in alles. Op Zijn lijden en sterven aan het kruis. Op Zijn opstanding en leven! ‘Om Hem, Heere, wilt U om Jezus’ wil, om Immanuël onze schuld verzoenen en met ons gaan? Als Gods met ons? Om God met ons?
Geliefde gemeente, hoe gaat u verder? Zonder God? Dat zal u geen zegen brengen, geen rust, geen vrede, geen toekomst. Dan wordt dit jaar een gevaarlijk jaar voor u! Pas op voor de gekrenkte liefde van de Heere, die u (zegt vers 5) plotseling verteren kan.
Of zegt u biddend, pleitend op de eer van de Heere, op Zijn woord, als een onwaardige zondaar: ‘Heere, laat me toch om Jezus’ wil genade vinden in Uw ogen? Ga, Heere, om Immanuël, toch met ons?’ Dan zal de Heere voorzeker met u zijn, ook in dit nieuwe jaar.
Amen.
Slotzang Psalm 21:6: Gewis, Gij zult, all' eeuwen door Hem met Uw gunst verzellen, En tot een zegen stellen. Ja, Gij geleidt hem op het spoor Der vreugde, bij het licht, Van 't Godd'lijk aangezicht.
Andere preken over Exodus
Andere preken voor Nieuwjaar
Andere gerelateerde preken