4 oktober 2020
Markus 5:9: En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.
INLEIDING
In Gadara ontmoet Jezus een man die bezeten is, tussen de graven woont en door niemand te binden is. Drie punten: (1) ontmoeting – de man rent op Jezus af en aanbidt Hem, getrokken door onzichtbare koorden van liefde; (2) confrontatie – Jezus beveelt de onreine geest te wijken; Legio erkent Hem als Zone Gods, en vaart in de zwijnen die verdrinken; (3) reactie – de Gadarenen bidden dat Jezus weggaat (uit angst voor schade), de genezen man wil bij Jezus blijven, maar Jezus zendt hem naar huis: "Boodschap hun wat grote dingen u de Heere gedaan heeft."
De genezing van de bezetene uit Gadara
MARKUS 5:5-13
5 En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.
6 Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe en aanbad Hem.
7 En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt.
8 (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens.)
9 En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.
10 En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.
11 En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen weidende.
12 En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.
13 En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent tweeduizend) en zij versmoorden in de zee.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Markus 5:9
THEMA
De genezing van de bezetene uit Gadara
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de preek van vanmorgen/-middag gaat over de genezing van de bezeten man uit Gadara. We overdenken samen het voorgelezen Schriftgedeelte, Markus 5:1-20En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen. En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest; Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen. En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen. Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem. En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt! (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!) En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen. En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond. En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende. En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen. En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee. En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was. En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd. En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen. En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging. En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn. Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft. En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.. Ik lees voor u het einde van de geschiedenis nog een keer, vers 18,19 en 20. Daar lezen we het Woord van God als volgt: En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn. Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft. En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.
Gemeente, deze geschiedenis bestaat uit drie delen, en zo kom ik ook aan de drie punten van de preek. Vers 1 tot en met 6 gaat over de ontmoeting tussen Jezus en de bezeten man. Vers 7 tot en met 13 gaat over de confrontatie tussen Jezus en legio duivels. En vers 14 tot en met 20 gaat over de reactie, namelijk de reactie van de mensen uit Gadara, de reactie van de bezeten man zelf (die ondertussen genezen is) en de reactie van Jezus op zijn vraag. Dus er zijn drie aandachtspunten bij het thema: De genezing van de bezetene uit Gadara We letten op: 1. Ontmoeting 2. Confrontatie 3. Reactie Als eerste dus:
Er is zojuist iets heel bijzonders gebeurd. Terwijl Jezus en Zijn discipelen in een klein schip het meer van Galilea overvaren, gaat het ineens geweldig stormen. Een zware storm steekt op, zo zwaar dat het water van de zee over de rand van de boot slaat en het schip steeds meer volloopt met water. Maar als de discipelen de Heere Jezus wakker maken, dan bestraft Hij de wind. En, zo staat in hoofdstuk 4: Er werd grote stilte.
Zo komen ze, met windstil weer en een spiegelgladde zee aan, aan de overkant van het meer. Ze komen aan in Dekapolis, een gebied van tien heidense steden aan de overkant van het meer van Galilea. De streek waar ze aan land komen, is het gebied van de Gadarenen. Zo heten die mensen. En het dorpje waar ze heen gaan, is het dorpje Gersa of Gergesa. Maar voordat je daar bent, moet je eerst door een wat bergachtig stuk lopen. Langs een stuk waar mensen in de bergen graven hebben gemaakt. Het is geen open veld, maar waarschijnlijk een vrij smal pad.
En (zo lezen in vers 2) terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreine geest, dewelke zijn woning in de graven had. Ineens is daar (ze kunnen geen kant op!) een wilde, woeste man. Die daar woont, letterlijk in de graven, bij de doden.
Laten we samen eens kijken, wat we precies van die man weten. Trouwens, het zijn eigenlijk twee mannen, zo vertelt de evangelist Mattheüs, maar kennelijk staat er één echt op de voorgrond.
a. Deze man heeft in de eerste plaats een onreine geest. Hij is bezeten door de duivel. Dat wil letterlijk zeggen, dat de duivel bezit van hem genomen heeft. De duivel heeft de controle over hem overgenomen. Hij is een weerloze prooi geworden van de duivel, die een moordenaar van mensen is, vanaf de zondeval in het paradijs. Hij is letterlijk in de greep van de satan.
b. En het tweede wat we van deze man weten, is dat hij woont in de graven. De duivel heeft hem gedwongen om daar te gaan wonen. Om hem zo te pijnigen met de aanblik van de dood en hem te kwellen met helse angsten. En, zo schrijft Lukas, dat is al heel lang zo. En daarbij zegt de evangelist Lukas ook: hij is naakt. De duivel heeft hem zo in de greep, dat hij zelfs geen kleren draagt.
c. Het derde wat opvalt aan deze man, is dat hij ijzersterk is. Markus schrijft in vers 3 en 4: Niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. Want hij was menigmaal met boeien (aan zijn voeten) en ketenen (aan zijn handen) gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld en niemand was machtig om hem te temmen. Dit is een tweede Simson. Dit is echt een man om bang voor te zijn.
d. En daarbij, als vierde: Dit is geen man die stilletjes als een kluizenaar in spelonken woont. Dit is een man die dag en nacht andere mensen schrik aanjaagt, door schreeuwend door dat gebied te zwerven, ondertussen zichzelf beschadigend met stenen. Deze man is, samen met die andere man, de schrik van het dorp. Mattheus schrijft: Zij waren zeer wreed, alzo dat niemand door die weg kon voorbij gaan (8:28). En Markus zegt in vers 5: Hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.
Je zou zo’n man maar tegen komen! Nee, dat wil niemand! Dit is een weg die niemand durft te gaan.
Gemeente, deze man laat ons heel duidelijk zien wat het betekent, om in de handen van de duivel te zijn. En, als dat hier al zo erg is, wat moet u dan zijn om in de hel te zijn! Het is goed, gemeente, dat u daarover nadenkt. Zeker als u nog onbekeerd bent. Want dan bent u op weg naar die plaats. Naar die plaats, waar u een speelbal zult zijn van angst en kwelling door de satan, nog erger dan hier. U zult de dood zoeken, zoals deze man, maar die niet vinden. U zult altijd roepen, maar nooit bevrijd worden. En, was het maar zo dat de duivel daar alleen was, maar God zal er ook zijn. Altijd overspoeld door de toorn van de almachtige God, zonder uitweg. U zult de dood zoeken, zoals deze man, maar die niet vinden. Zou u dan nu, nu het nog kan, niet het leven zoeken? Zoek het nu, dan zult u het vinden.
Want kijk maar, er gebeurt iets bijzonders. Het is dat, wat nu ook gebeurt. Je zou denken: die man is opgegeven. Daar zal Jezus met een grote boog omheen lopen. Hij zal hem echt uit de weg gaan. Maar nee, Jezus zoekt het verlorene. Ook nu. Hij (net als hier in deze geschiedenis) loopt op u af, Hij staat voor u en Hij zoekt u. Hij wil niet dat u nog verder verloren gaat.
Het is goed gemeente, dat u ook daar over nadenkt. Want zoals dat eerste de ellende en de wreedheid van de duivel schetst, zo en veel meer schetst dit de liefde en bewogenheid van God, met u. U bent het waard, dat God u voorbij zal gaan. Dat Hij u zal laten waar u bent. Maar Hij komt naar u toe. En Hij staat vanmorgen in liefde opnieuw voor u. Het is de liefde en de bewogenheid van God de Vader, voor verloren mensen, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Johannes 3:16Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.). Sta erbij stil. Dit is wonderlijk. Groter wonder is niet, is nooit vertoond. De engelen hebben er van gezongen en zingen ervan. Haal dan, o verloren mens, uw schouders er niet voor op. God heeft Zijn Zoon gezonden op deze weg, om mensen zoals u te behouden. Doe dan toch ook, wat deze man doet! Er staat in vers 6: als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe en aanbad Hem.
Als hij anders iemand zag, dan liep hij er altijd woedend op af. Maar nu loopt hij, nee, kijk(!), hij gaat steeds harder, hij rent op Jezus af. En hij knielt voor Hem neer en aanbidt Hem. En Jezus laat het toe. Hij mag komen en voor Jezus buigen. Wat moet dat deze man verlangend hebben gemaakt naar genezing en verlossing. Wat wil het ook u verlangend maken naar verlossing en genezing. Dat u komen mag, dat niets u in de weg ligt om vanmorgen met deze man aan Zijn voeten te buigen.
Wat gebeurt hier toch? Het is de onzichtbare hand van Jezus, het zijn de koorden van Zijn liefde, die doen wat zijn eerdere boeien en ketenen niet konden doen. Het zijn de onzichtbare en onbreekbare touwen van Jezus’ liefde, die hem trekken.
Ja, want je kan je afvragen, waar het wonder van de uiteindelijke genezing begint. Eigenlijk begint dat hiervoor al. Met dat Jezus wilde komen naar deze man, die daar niet op zat te wachten en die daar niet om vroeg. Het doet denken aan Jesaja, die uit de mond van God opschrijft: Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd (hier op weg langs graven!): Ziet, hier ben Ik, ziet, ziet, hier ben ik (Jesaja 65:1Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.). Hier schittert voluit het welbehagen van God, Zijn goede gedachten en Zijn liefde voor vijandige en verloren mensen. Daar begon het, in de eeuwigheid, al mee. En nu gaat het gebeuren. Onzichtbare handen trekken deze man aan de voeten van Jezus. Dat is, jongelui, waar je onder de preek van vanmorgen om bidden moet. Dat je, terwijl je niet wil, terwijl je er niet op zitten wachten, terwijl je volledig in beslag genomen bent door van alles en nog wat, door de onzichtbare handen van Jezus getrokken wordt, tot aan Zijn voeten. Zodat je later zult zeggen: het was waar, wat de Heere gezegd heeft: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jeremia 31:3De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.). We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
Want we lezen in vers 7 en 8: En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt! (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!) Dat laatste gebeurt het eerst. Jezus zegt als eerste: Gij onreine geest, ga uit van de mens. Eerst bleek de liefdemacht van Jezus in het aan Zijn voeten brengen van deze man. En nu klinkt Zijn machtswoord: Ga uit! Ga uit van deze mens. Want dit is Mijn bezit. Deze heb Ik lief gehad en duur gekocht. Hij is van Mij!
Daar ziet u, gemeente, dat de toestand van een mens, hoe erg hij of zij er ook aan toe is, hoe erg u of jij er ook aan toe bent, nooit hopeloos is. In geestelijke zin zijn we allemaal in de greep van de satan en bezeten door de zonde. Erger nog dan deze man, want die worstelt nog om aan de greep van de satan te ontkomen. Maar wij hebben hem zelf als heer en meester verwelkomd in ons hart, en dienen (zonder angst en zelfkastijding) van harte de zonde. Daar was verscheurdheid, hier bij ons is dodelijke harmonie. Hier is de geestelijke dood zelf: geen roep, geen vraag, en geen vluchten tot Jezus. En toch is uw situatie niet hopeloos. Er is hoop voor verloren kinderen van Adams geslacht. En die hoop ligt in de ontfermende God, in Gods bewogen hart.
Als Hij trekt, kunt u Zijn touwen niet breken. Als Hij beveelt, kunt en wilt u niet tegenspreken. Bid dan toch in uw hart, roep Zijn hulp in en vraag of Hij Zijn beloftewoord vervullen zal. Namelijk dit woord: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven (Johannes 5:25Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.). Dan zal al uw onwil, verzet en vijandschap breken, net als hier bij deze man.
Maar degenen die hem in bezit hebben, die vechten om hun prooi. Het is zoals staat in Markus 3: Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst de sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven (3:27).
We lezen in vers 7: En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt! De duivel, die deze man in de greep wil houden, erkent Jezus als de Zoon van God, de Allerhoogste. En hij zegt: Wat heb ik met U te doen? Zoals zoveel van zijn onderdanen zeggen: Wat moet ik met U? Ik heb geen behoefte aan U! Ik vraag U toch niets! En hij bidt: Pijnig mij niet. De duivels vrezen voor Jezus. Waarom, onbekeerde vrienden, u dan niet?
En Hij vraagde hem (vers 9): Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen. De overwinning is voelbaar, wie de sterkste is, is tastbaar. Jezus dwingt antwoord af, zegt Calvijn, om de grootheid van zijn almacht en genade te laten blijken.
Lijnrecht staan ze hier, in deze confrontatie, tegenover elkaar: Jezus en een legioen, duizenden duivels. Het is niet de vraag wie de sterkste is. Dat is Jezus. Want Hij eist zijn naam op. ‘Uw naam!’ En zij bidden Hem.
We lezen in vers 10: En hij bad (even nog is de man spreekbuis voor zijn oude duivelse beulen), hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond. De duivels bidden Jezus. Wordt het dan voor u, onbekeerde vrienden, ook geen tijd om hetzelfde te doen? Zij weten dat er geen genade voor hen is. En toch bidden zij. Maar u weet, dat u vandaag genade kan krijgen. En toch bidt u… niet. De duivels geloven, dat God een enig God is en, zo zegt Jakobus, zij sidderen (Jakobus 2:19Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.). Tekent het niet uw nood, de ernst en ellende van uw toestand, dat u dat niet gelooft, en dat u niet beeft?
Zij bidden Jezus. En wat bidden ze? Dat Hij hen buiten het land niet wegzond. Ze willen hun gebied niet kwijt. Hier, in dit gebied, is (of was?) de troon van de satan.
En daarbij: ze willen ook niet terug naar hun eigen gebied, naar de hel, naar de eeuwige rampzaligheid. Zo erg is het daar, dat zelfs de duivels en niet willen zijn…
En dus doen ze een capitulatie voorstel. Kijkt u maar in vers 11-13: En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen (heidense toestand dus, want varkens waren onrein), weidende. En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen. En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee. Ze denken, dat ze hun macht en gebied mogen behouden. Maar eenmaal in die kudde zwijnen, gaat de hele kudde in paniek in de richting van de zee, ze storten een voor een van de steilte van de kust in het water en verdrinken. Dus toch: Jezus is Overwinnaar.
Hij is, dat is de boodschap van deze geschiedenis, gekomen om de werken van de satan te verbreken en de Zijnen te verlossen. Om de sterk gewapende (dat is de duivel) te binden en zijn bezit te ontnemen. Hier is het, deels nog, profetie. Het toppunt, de climax van de confrontatie, van de strijd moet nog komen. Maar de uitslag ligt vast. God is Overwinnaar in de strijd. Christus zal de kop van de slang vermorzelen.
En, gemeente, dat maakt deze geschiedenis tot Evangelie. Er is hoop, voor arme en verloren mensen, in het bezit van de zonde, in dienst van de satan. Eén is er machtig om u te verlossen. En wij bidden u namens Hem, laat u verlossen. Die oproep geeft trouwens direct aan, dat u zelf niets hoeft te doen. Laat u verlossen, laat u met God verzoenen, dat wil zeggen: God wil alles doen. Kom dan toch nu vandaag, met al uw ellende, net als deze man, naar Jezus toe. Bartimeüs kwam en zei: Heere, dat ik ziende mag worden. De Kananese vrouw kwam en bad: Heere, help mij. Maar met minder mag het ook. Deze man kwam en aanbad Hem. Als u maar komt… Laten we samen gaan zingen, voordat we verder gaan met ons derde aandachtspunt uit Psalm 74, daarvan het tiende vers: Hoe lang, o God, zal in dit zwaar verdriet, De vijand ons zijn wrede trotsheid tonen? Zal hij Uw naam in eeuwigheid dan honen? Neen, 't kan niet zijn; dat duldt Uw glorie niet.
Gemeente, we hebben gezien (in de eerste plaats) hoe Jezus de bezeten man aan Zijn voeten bracht. Vervolgens zagen we (in de tweede plaats) hoe Hij met een enkel machtswoord de duivels verdreef. We gaan nu letten op ons derde aandachtspunt:
Eigenlijk gaat het om drie verschillende reacties. Het gaat om de reactie van de eigenaars van de varkens en hun dorpsgenoten, het gaat om de reactie van de voorheen bezeten man zelf, en om de reactie van Jezus op de vraag en het verlangen van deze man.
a. Als eerste dus: de reactie van de eigenaars van de varkens. We lezen in vers 14-16: En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was. En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd. En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen. Hier gebeurt iets heel opvallends. De zwijnen zijn verdronken. De mensen die de zwijnen weiden, voelen haarfijn aan dat er iets heel bijzonders is gebeurd. En dus gaan ze naar huis om te kijken wat er aan de hand is. En, zo staat er: (ook) zij kwamen tot Jezus.
Dat is bijzonder. Er zijn mensen die door Jezus gered zijn. Ook hier. Mensen die in de nood van hun leven woordeloos aan Zijn voeten gevallen zijn. En Hij heeft hun ziel gered, hun tranen willen drogen. Maar als dat voor u niet geldt, dan hebt u niet zoveel om uzelf te verontschuldigen. Sterker nog, helemaal niets. Want zelfs deze heidens varkenshoeders(!), ook zij komen tot Jezus. En voor u geldt des te meer en zwaarwegender: Jezus kwam en komt zelfs naar u toe.
Ook u hebt gehoord van de wonderen, die Jezus deed. Misschien wel van heel dichtbij, in uw stad of dorp, in de gemeente, in uw familie of gezin. U dacht (net als zij zeggen): ‘Hij? Ik ken hem niet weer! Zij? Zij is zo veranderd!’
Zij kwamen tot Jezus… En (vers 17) zij begonnen Hem te bidden, dat hij van hun landpalen wegging. Dramatische wending! Redding en zaligheid zijn zo dichtbij. En ze gaan bidden. Maar ze bidden het verkeerde: Heere, wilt U van ons weggaan? De Samaritanen (in Johannes 4) kwamen tot Jezus en baden Hem, dat Hij bij hen bleef. En Hij bleef bij hen (4:40). Maar zij, de Gadarenen, bidden of Jezus wil gaan. Niet agressief, niet brutaal, maar vriendelijk, nederig bijna: Wilt U alstublieft van hier weggaan?
Waarom? Hun dorpsgenoot is toch gezond geworden? Er staat: en zij zagen de bezetene zittend en gekleed en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had en… zij werden bevreesd. Zij werden bevreesd. Ze werden bang. Waarvoor? De kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen: om meer schade te lijden, tonende daarmee dat ze liever hun tijdelijke goederen hadden, dan Christus en Zijn Evangelie. Liever hun varkens, dan Jezus!
Hier splitsen de wegen, in Gergesa, in [uw plaatsnaam]. Hij, de bezetene, aanbad Hem. En hij werd verlost en gezond. En zij bidden Hem, vragend of hij wil vertrekken. Want… hun business. Zoals er ook nu vanmorgen mensen zijn die Hem aanbidden, woordeloos of met woorden: ‘Heere, genees mij, verlos mij van mijn zonde en schuld en red mijn leven.’ En anderen bidden: ‘Nee, Heere…’
‘Nee, Heere, dit niet, nu niet. Want dit kost me…’ Wat kost het u? Dit kost me mijn vrienden. Als U mijn leven verandert, kan ik niet meer in de graven en bij de doden wonen. Dan moet ik het plezier met mijn soortgenoten opgeven. Dit kost me mijn vrienden.
En, dit kost me mijn genieten van… Van wat? Van alles waar ik plezier aan beleef. Van de dingen die ik heb, van de dingen waar ik graag naar kijk en waar ik mijn tijd mee vul. Van het beleven van alles wat er te beleven valt. Dit kost me mijn vrienden, mijn genieten…
En, dit kost me mijn zaken, mijn varkens! Want, als U mij bekeert, dan moet ik dit, en dan moet ik dat… Dit kost me mijn vrienden, mijn genieten, mijn zaken…
En dit kost me vooral ook mijn eigen vroomheid. Want dan moet ik me vernederen voor U. Dan moet ik erkennen, dat ik er ook zo een ben als die man: bezeten, verloren, een onderdaan van de duivel. Dan kan ik niet meer de indruk wekken dat ik goed ben, dat ik netjes en godsdienstig bent. Dit kost me alles. Dat klopt. Dan moet u inderdaad zeggen: weg wereld, weg schatten, u kunt niet bevatten, hoe rijk of ik ben. Ik heb alles(!) verloren! Maar ik heb Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.
Maar, denk goed na, voordat u hetzelfde gebed op de lippen gaat nemen als deze mensen. Is deze Jezus, niet meer waard dan alles? Is Zijn zondaarsliefde u niet alles waard? Als u denkt aan Zijn zelfvernedering, bij Zijn komen in de wereld, bij Zijn worstelen in Gethsémané, bij Zijn hangen aan het kruis? Bij Zijn ondergaan onder de vloed van Gods toorn, in de plaats van Zijn vijanden? Als u denkt aan Zijn zelfvernedering, bij Zijn komen tot u? Nu Hij u opnieuw bidt en zegt: Laat u toch met God verzoenen? Beseft u niet, hoe diep Hij voor u buigt?
En is alles wat u hebt en waarom Jezus verwerpt, niet voorbijgaand? En is het niet allemaal zo veel en zo vaak zonder God? Nog een klein poosje en uw vrienden zijn er niet meer, uw genieten is voorbij, uw zaken zijn over en uw godsdienst verbleekt. O, kom toch tot Christus. En bid Hem niet om te vertrekken. Want is dat geen diepe belediging? Hij komt om u te redden en u vraagt of Hij wil vertrekken! Als Hij dan nu vanmorgen weer naar u toe komt, vraag Hem dan toch of Hij u
ook zal redden. Of Hij u om Zijn werk (om Zijn gehoorzaamheid aan de wil van God en Zijn lijden en sterven aan het kruis) ook zal redden van de dood. Vraag Hem of Hij uw Redder zal zijn, voordat Hij uw Rechter wordt.
Maar, wees ondertussen gewaarschuwd. Want er staat: en zij baden Hem dat hij van hun landpalen wegging. (Met andere woorden: ‘Laat dit gebied alstublieft eigendom zijn en blijven van onze meester, de duivel.’) En, zo staat er vervolgens in vers 18: Hij ging! Hij gaat in het schip. Hij vertrekt.
Het geeft, beste vrienden, de dringende ernst aan van de Evangelie nodiging. Jezus kwam op bezoek. Hij was bereid om wonderen te doen. Niemand was daar op voorhand van uitgesloten. Maar zij sloten zichzelf uit. En Jezus vertrok. O zondaar, als u vanmorgen niet aan Zijn voeten valt om Hem te aanbidden, dan laat u Hem ook vertrekken. Maar weet u wel of Hij ooit nog terug zal komen? Dit kan de laatste keer geweest zijn, dat Hij tot u kwam. Ik kan u in ieder geval niet garanderen, dat er na deze nodiging (van zo dichtbij) nog een volgende nodiging zal zijn. Heden, nu Christus voor u staat, verhard u niet! Zij bidden, dat is de eerste reactie, of Jezus zal vertrekken. En Hij vertrekt.
b. De tweede reactie is: de reactie van de man die van zijn duivels verlost is. We lezen in vers 18: en als Hij in het schip ging, bad hem degene, die bezeten was geweest, of hij met Hem mocht zijn. Hij wil van harte Jezus volgen, Die hem van zoveel ellende verlost heeft. Nu hij door Jezus gevonden en gered is, nu wil hij wel voor altijd bij Hem blijven. Waarom? Dat kunt u zich wel voorstellen. Jezus heeft zijn leven gered, dus is Hij alles voor hem geworden. En van Jezus kan hij ongetwijfeld ook nog zo veel leren. En wie weet, doen de duivels opnieuw een poging om hem in de greep te krijgen. Waar is hij dan veiliger dan bij Jezus? En ja, wat voor reden heeft hij eigenlijk om hier in Dekapolis te blijven? Nu zijn dorpsgenoten zelfs willen dat Jezus vertrekt? En zou hij in de toekomst niet voor Jezus mogen werken? Is dat niet het allerbeste, om voor altijd bij Jezus te blijven?
Is dat niet het allerbeste om altijd bezig te zijn met de Bijbel, met de dingen en de dienst van de Heere? Is dat niet het allerbeste om discipel van Jezus te worden, om dominee te worden?
c. Maar, en dan komt de derde reactie: de reactie van Jezus op de vraag en het verlangen van deze man. We lezen in vers 19 en 20: Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft.
Troostvolle, richtinggevende woorden zijn het. Niet alleen voor die mannen, die korter of langer geleden afgewezen werden door het curatorium. Wat een pijn, wat een vragen, wat een onbegrepen wegen en stil verdriet. Zeker, het zijn troostvolle en richtinggevende woorden voor hen, vol van Goddelijke wijsheid. Maar niet alleen voor hen. Ook voor alle andere mensen, die door Jezus gevonden, opgeraapt en genezen zijn. Je bent chauffeur, elektromonteur, huisvrouw, boer, marktkoopman, ICT-er, en je zou zo graag… dat andere willen: werken in Gods Koninkrijk. Maar, gemeente, je komt niet dichterbij Jezus door ambtsdrager of dominee te zijn. Je kunt wandelen met God als huisvrouw, als chauffeur, monteur of computerman, God dienend in je goddelijke beroep. De vraag moet zijn (en dat geldt de mannen die afgewezen zijn door het curatorium, maar ook alle andere mensen die genezen zijn van hun dodelijke zondekwaal), de vraag moet zijn: wat wil God? Ons gebed moet zijn: Heere, Uw wil worde gedaan. Wat wilt U dat ik doen zal? Niet, mag ik (hoe goed ze ook zijn) mijn plannen, mijn verlangens, mijn wegen en mijn keuzes volgen, maar: Wat wilt U dat ik doen zal? Waar wilt U dat ik heenga? Dat zal ik doen en daarheen zal ik U volgen.
Waarheen? Inderdaad, sommige mensen mochten met Jezus mee. Maar anderen, en dat was een even grote zegen, mochten net als deze man, blijven waar ze waren. In hun eigen omgeving, op hun eigen werk, thuis: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft. En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen. Vertel de grote dingen die de Heere gedaan heeft. Zijn liefde en ontferming over u. En trek deze mensen, die bidden dat Ik zal weggaan, alsnog met uw woorden en met uw leven. Wat een liefde en bewogenheid voor de Gadarenen, vol liefde voor hun zaken en vol van onverschilligheid over Jezus: Vertel hun over Mij. Voer geen gewichtige discussies over dogmatische kwesties. Neem geen grote en gewichtige woorden over Bijbelse waarheden in uw mond. Maar vertel ze nederig, maar dringend, worstelend om het heil van hun zielen, over Mij! Over Mij, Die gekomen ben om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Geliefde medechristenen, het is fijn om als Maria aan de voeten van Jezus te zitten, luistert, zingend. Maar het is ook onze roeping om in onze eigen omgeving te vertellen: wat grote dingen de Heere ons gedaan heeft, en hoe Hij Zich over ons ontfermd heeft.
En, zo lezen we in vers 20, Hij ging heen en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had. En zij verwonderden zich allen. Het voelt als een open einde aan deze geschiedenis: zij verwonderden zich allen. Zal het na deze kerkdienst ook zo van u gezegd worden: hij of zij verwonderde zich?
Ik wens met heel mijn hart en bid God, dat gezegd zal worden: Niet: en zij verwonderden zich allen. Maar: en ook zij gingen tot Jezus en aanbaden Hem.
Amen.
Slotzang Psalm 66:8:
Komt, luistert toe, gij Godgezinden, Gij, die den HEER van harte vreest, Hoort, wat mij God deed ondervinden, Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest. 'k Sloeg heilbegerig 't oog naar boven, Ik riep den HEER ootmoedig aan; Ik mocht met mond en hart Hem loven, Hem, Die alleen mij bij kon staan.
Andere preken over Markus
Andere preken voor Genezing