Kerst - 25 december 2024
Titus 2:11-12: Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen, En onderwijst ons dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matiglijk en rechtvaardiglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld;
INLEIDING
Op kerst overdenken we Titus 2:11-13: de zaligmakende genade van God is verschenen aan alle mensen, als een licht dat opging in Bethlehem en nog steeds schijnt in de duisternis van ons hart. Die genade onderwijst ons om de goddeloosheid en wereldse begeerlijkheden te verzaken, en matig, rechtvaardig en godzalig te leven. Zo leven Gods kinderen tussen de eerste en tweede komst van Christus, verwachtend de zalige hoop op de verschijning van de grote God en Zaligmaker Jezus Christus in heerlijkheid.
Leven in deze tegenwoordige tijd
TITUS 2:11-15
11 Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen,
12 En onderwijst ons dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matiglijk en rechtvaardiglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld;
13 Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus;
14 Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.
15 Spreek dit, en vermaan en bestraf met allen ernst. Dat niemand u verachte.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Titus 2:11-12
THEMA
Leven in deze tegenwoordige tijd
AANDACHTSPUNTEN
Jongens en meisjes, misschien heb je het ook wel eens gedaan. In de zomervakantie. ‘s Ochtends ging je heel vroeg uit bed, toen het nog donker was, om samen met papa of mama te kijken. Naar? Naar het opgaan van de zon. Dat voelt een beetje bijzonder, toch? Zo ‘s morgens vroeg in het donker. Alles is nog stil en iedereen slaapt nog. En met spanning kijk je uit naar dat hele mooie, dat je hoopt te gaan zien. Tenminste, als er niet al te veel wolken in de lucht zijn. Misschien ga je met papa of mama naar het strand, of naar een plaats waar je ver kunt kijken. Je komt er aan, als het nog donker is. Het is stil, nog een beetje kil, maar vooral nog heel donker. Je wacht met spanning af. Want zo meteen gaat het gebeuren...
En ineens gebeurt het ook! Ineens lijkt alles anders te worden. Dat zwarte aan de horizon verandert. Het gaat langzaam rood kleuren. Steeds meer, en meer, totdat…? Ja, want dat is ineens echt een heel grote verandering: totdat er ineens er een randje te zien is van een heldere, felle zon. Het wordt licht!
Je zegt: de zon gaat op! Je ziet de stralen van de zon en ineens is het donker weg. De dag begint. En het duurt maar even, of je zegt: ‘Papa, mama, ik kan niet meer recht in de zon kijken, zo fel is hij, zo sterk is hij!
Wat donker was, is licht geworden. Terwijl je naar huis gaat om nog even verder slapen, zeg je tegen papa of mama: ‘Pap, mam, ik vond het mooi. Ik vond het eigenlijk heel indrukwekkend. Ik vond het heel bijzonder. Ik vond het geweldig!’
Veel bijzonderder was het moment waarop (daar hadden mensen ook naar uitgekeken), het moment waarop het licht opging in Bethlehem. Een Licht zo groot zo schoon, gedaald van ‘s hemels troon. Een Licht uit de hemel. Door de Bijbel genoemd: de Zon van de gerechtigheid. Die volmaakter glans verspreidt, die helderder licht geeft dan de gewone zon. Het Licht van de Zaligmaker, van de Heere Jezus Christus ging op, verscheen in Bethlehem.
Nog veel bijzonderder zal het moment zijn waar we nu op wachten. Je zegt: Maar, wachten we nu nog ergens op? Advent is toch voorbij? De Heere Jezus is toch al geboren? Het is toch al kerst nu? Ja, dat is waar. Maar toch wachten we nog, op iets wat nog komen zal.
We wachten op het moment dat de Heere Jezus nog een keer zal komen, nog een keer zal verschijnen: blinkend, stralend, schijnend in hemels licht, dat dieper doordringt dan de stralen van de zon.
We wachten op het moment dat Hij zal komen op de wolken van de hemel. We zien spanningsvol en verwachtend uit naar het moment dat door de duisternis van dit leven heen, het heerlijke Licht zal doorbreken van (zoals de Bijbel Hem noemt): de grote God en Zaligmaker, Jezus Christus. Hij komt, Hij zal zeker terugkomen. En we wachten op Hem. We verwachten Hem.
En dus leven wij, jongens en meisjes, in deze tijd (die door de Bijbel genoemd wordt: de tijd van deze tegenwoordige wereld): tussen de eerste en de tweede komst, tussen de eerste en de tweede verschijning van de Heere Jezus Christus.
Daarover gaat de preek van vanmorgen. Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in de brief van Paulus aan Titus, het tweede hoofdstuk, de verzen 11, 12 en 13. Daar lezen we het Woord van God als volgt, in Titus 2:11Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen., 12, 13: Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen (dat is kerst!): Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus.
Het thema voor de preek op deze [eerste of tweede] kerstdag is: Leven in deze tegenwoordige tijd (tussen de eerste en tweede verschijning dus, van de Zoon des mensen). We gaan samen letten op drie aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op: verschijning. Want in die tegenwoordige wereld is de zaligmakende genade van God verschenen. Zijn licht is opgegaan. We letten in de tweede plaats op: vernieuwing. Want in die tegenwoordige wereld worden we onderwezen om de zonde te verzaken en matig, rechtvaardig en godzalig te leven We letten in de derde plaats op: verwachting. Kijkend naar vers 13 waar staat: verwachtende de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus.
Dus: Leven in deze tegenwoordige tijd 1. Verschijning 2. Vernieuwing 3. Verwachting Als eerste dus:
In Bethlehem, daar is de Heere Jezus geboren. De Heere Jezus Christus, Die God was en bleef. Maar mens wilde worden zoals wij.
Om te kunnen lijden en te kunnen sterven voor de zonde. Maar als Paulus deze brief schrijft aan zijn medebroeder, aan Titus, dan zegt hij het iets anders, denkend aan wat ik net vertelde. Aan het licht van de opgaande zon, aan het licht dat het donker van de nacht wegduwt. Hij zegt: Want de zaligmakende genade van God is verschenen aan alle mensen.
Hij noemt Heere Jezus: de zaligmakende genade van God, de zaligheid brengende genade van God. Want Heere Jezus Christus kwam in deze wereld, Hij verscheen in deze wereld om zaligheid te brengen. De tekst in vers 11 zegt: aan alle mensen. Dat wil zeggen aan allerlei soorten van mensen, zoals ze in de brief aan Titus, kort hiervoor genoemd worden: mannen en vrouwen, rijken en armen, meesters en slaven, en ga zo maar door.
Overal waar het Woord van de Heere, overal waar het Evangelie gebracht wordt, daar schijnt het licht van de Heere Jezus. In het Oude Testament scheen dat licht nog maar zwak. De profeten vertelden wel dat het licht zou komen, maar het was er nog niet. Denk maar aan de profetie van Jesaja: Het volk, dat in duisternis wandelt, zal (straks!) een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal (straks) een licht schijnen (Jes. 9:2Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.) Denk maar aan de profetie van Maleachi: Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan (Mal. 4:2Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.).
Maar het licht van de dag was in het Oude Testament nog niet doorgebroken. Totdat, op Gods tijd (de Bijbel zegt: in de volheid van de tijd) God Zijn Zoon zond, als het Licht der wereld. Midden in de donkere nacht scheen in de velden van Efratha het licht van Gods heerlijkheid en glorie, terwijl de engelen zeiden: Ere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in mensen een welbehagen (Luk. 2:14Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.). En Simeon zong van Hem: Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël (Lukas 2:32).
En sindsdien geldt wat de apostel Johannes schrijft: In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen. En het Licht schijnt in de duisternis. Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld (Joh. 1). Dus dat Licht dat bij de geboorte van de Heere Jezus in Bethlehem is gaan schijnen, is uiteindelijk overal gaan schijnen. Tot ook bij ons. Het schijnt, hier in de kerk, bij jullie thuis, bij jou op school, overal. Want als je de boodschap van de Heere Jezus hoort, de boodschap van de gekomen Zaligmaker van zondaars, Die kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren was, dan schijnt dat Licht. Dan schijnt dat Licht op jou!
Dat Licht, zegt de Bijbel, schijnt in de duisternis. Want van onszelf leven we in duisternis, in geestelijke duisternis. Zonder God en zonder hoop. Maar de Heere zond, midden in die duisternis, Zijn Zoon, als het Licht van de wereld. Dat opging in Bethlehem. En dat nu ook hier schijnt, op iedereen die het Woord hoort. En dus ook op u en op jou.
Maar, zucht Johannes in zijn Evangelie: Dat Licht schijnt wel in de duisternis, maar: de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. Misschien geldt dat ook wel voor u en voor jou. Misschien zit je hier voor de eerste keer met kerst. Misschien al voor de vierde keer, of voor de zevende keer. Misschien bent u al voor de zestigste keer met kerst in de kerk. Jarenlang scheen het Licht op u, maar u hebt het niet begrepen. U hebt het weggeduwd. Want u wilde niet dat dat Licht, u de slechtheid van uw zondige hart zou laten zien (Joh. 3:20Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.).
Want, jongens en meisjes, dat Licht van de Heere Jezus schijnt (ook nu) op je hart, om je te laten zien wat daar in zit. Daar gebruik je licht toch voor? Om in het donker te schijnen, op iets, wat je anders niet zou zien. Op de zonde in je hart...
Maar het bijzondere van dit Licht is, dat het een naam heeft. Het heet: de zaligmakende genade van God. Liefdevol en vriendelijk schijnt de Heere met dat Licht op je hart. Met het doel, dat je je eigen hart zou gaan leren kennen. En dat je de zonden van je hart zou gaan zien en belijden voor God. Maar ook om je te wijzen op de grootheid van de genade van God, en op de liefde van de Heere Jezus Christus, en op de weg teug naar God toe, door Hem. Hij immers kwam om zulke om zondaars met God te verzoenen en terug te brengen bij Hem.
Drong dat Licht al door tot in jouw hart? Dringt het vandaag door tot diep in uw ziel? Krachtig verlicht door Heilige Geest? Als dat niet zo is, roep dan tot Heere: ‘O, Heere, schijn toch door de muren van mijn donkere hart heen. En laat me toch zien, wat er leeft in mijn hart? Laat me toch zien wie ik ben, en Wie U bent? En schijn, o Licht der wereld, met Uw genade op mijn verloren ziel?’
En hebben we dat ook na ontvangen genade niet nodig? Het licht van de lichtende Morgenster? De zaligmakende genade Gods, Die verschenen is? De Zon gerechtigheid, Die opgegaan is, als een schijnend Licht, voortgaande en lichtende tot de vollen dag toe (Spr. 4:18Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.)?
We gaan er samen van zingen uit de Lofzang van Simeon, het tweede vers: Een licht, zo groot, zo schoon, Gedaald van 's hemels troon, Straalt volk bij volk in d' ogen; Terwijl 't het blind gezicht Van 't heidendom verlicht, En Isrel zal verhogen.
Gemeente, we gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
Want onze tekst zegt, dat die zaligmakende genade van God, Die verschenen is, iets doet. Leest u maar mee in vers 12: (Zij) onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld.
Gemeente, er zijn mensen, die denken dat ze alleen met een nieuwe geboorte, maar met een onvernieuwd leven, straks (misschien via een achterdeur?) de hemel kunnen binnengaan. Maar dat is een grote vergissing. Zegt de Bijbel niet dat we naar onze werken geoordeeld zullen worden (Openb. 20:13En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.)? En zegt Jakobus niet dat het geloof zonder de werken dood is (Jak. 2:17Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.)? En zegt de apostel niet dat zonder heiligmaking niemand de Heere zien zal (Hebr. 12: 40)?
Bij een nieuw hart hoort een nieuw leven. Die twee horen bij elkaar! Zoals bij de enge poort ook een smalle weg hoort. Niemand kan door de enge poort binnengaan en over de brede weg naar de hemel lopen. Paulus zegt tegen de gemeente van Efeze: U moet afleggen, uw vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding. En u moet vernieuwd worden in de geest uws gemoeds, en de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid (Ef. 4:22-24).
Zeker, je kan een tijd de zonde gediend hebben, je kan jarenlang zin en plezier gehad hebben in het doen van je eigen dingen, maar als het licht van de Zaligmaker zaligmakend in je hart geschenen heeft, als je een nieuw hart gekregen hebt, dan moet en zal dat leiden tot vernieuwing van je leven. U vindt het overal in de Bijbel terug: het doel van een nieuw hart, en het gevolg van een nieuw hart is: een nieuw leven! Zoals de apostel Petrus schrijft: Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven (1 Petr. 4:2Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar den wil van God, den tijd, die overig is in het vlees, te leven.).
Gemeente, kinderen van God in het bijzonder, dit is geen bijzaak. Want, zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien. Want wie kan, nu levend in de zonde, straks de heerlijkheid van God zien in het aangezicht van Jezus Christus? Zegt ons avondmaalsformulier niet: Wij verkondigen u, dat degenen die in de zonde leven, geen deel hebben in het Rijk van Christus?
Paulus schrijft in onze tekst: die zaligmakende genade van God, die verschenen Zaligmaker, Hij (vers 12): onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld.
Nee, zonder dat het Licht der wereld levendmakend, zaligmakend in je hart geschenen heeft door het werk van de Heilige Geest, wordt dit geen werkelijkheid. Want uit een dood hart kunnen geen levende werken voortkomen. Uit een dood hart komen voort: boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen en lasteringen (Matth. 15:19Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.).
Maar, alleen verandering van hart, alleen een nieuw hart krijgen, dat is ook niet genoeg. Ik bedoel: dat is niet alles, wat God werkt en wat wij nodig hebben. Ik bedoel: dan zijn we nog niet klaar! Daar is trouwens bij onze doop al op gewezen: Wij worden (in de tweede plaats) door God, door de Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, tot het verlaten van de wereld, tot het doden van onze oude natuur en tot een godzalig leven.
Dat is niet iets wat we in eigen kracht of vermogen kunnen doen. Het is de Heilige Geest, Die het ons leert. De Geest van Christus onderwijst ons, zegt onze tekst. Hij traint ons, Hij leert ons, zoals een juf of meester een kind leert. Niet hard, niet onbezonnen, maar liefdevol en tegelijkertijd eerlijk. Gericht op een doel. Op het grote doel, om hier op de aarde klaar gemaakt te worden om straks in de hemel oog in oog te kunnen staan met de grote God en Zaligmaker Jezus Christus, Die het beeld is van de onzienlijke God (Kol. 1:15Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.).
De Heilige Geest onderwijst, Hij traint, Hij leert ons. Door…? Door Zijn Woord. En ook door Zijn Goddelijke leiding in ons leven. Zoals Paulus zegt in Filippenzen 2: Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Met andere woorden, dat nieuwe willen en dat nieuwe werken, dat is dus het werk van de Heere Zelf, van God de Heilige Geest.
Hij onderwijst ons, zegt Paulus, (a) dat wij de goddeloosheid verzaken. Goddeloosheid, dat wil zeggen: geen ontzag, geen eerbied hebben voor God, voor Zijn wil en wet. Dát verzaken, daar je van afkeren. Dat betekent dus: breken met het dienen van de afgoden, met het verachten van de zondag, met het misbruiken van Gods Naam. En, positief gezegd: liefde hebben tot God en Zijn wet. Zoals de dichter van Psalm 119, die zegt: Hoe lief heb ik Uw wet (Ps. 119:97). Niet zeggen of denken: ‘Ja, dat zegt God wel in Zijn wet, maar ik voel in mijn hart dat het ook anders kan. Als ik er maar een goed gevoel bij heb.’ Dat is goddeloos. De dichter zegt: Zij (die wet van God), zij is mijn betrachting de ganse dag. Dat wil zeggen ik doe die, ik volg die, iedere dag.
De Zaligmaker onderwijst ons, zegt Paulus, dat wij de goddeloosheid verzaken, daarmee breken, daar afstand van nemen, en ook (b) dat wij de wereldse begeerlijkheden verzaken. Dat wil zeggen, dat wij door de kracht van de Heilige Geest, door de kracht van Gods genade breken met onze zondige verlangens. Dat we ons bekeren van dat als maar geconcentreerd zijn op ons eigen ik. Van hoogmoed en trots. Van dominant en eerzuchtig gedrag. Van leven in conflicten met anderen. Van de drang om te veel te drinken. En van verkeerde (openlijke of verborgen) seksuele begeertes en zonden. Want wie daarin leeft, wie daarin zijn plezier vindt, die heeft geen deel aan het Rijk van Christus en van God.
Breken dus met de zonde, als vrucht van de verschijning van de Zaligmaker Jezus Christus. Breken met de zonde, dat is het negatieve. Maar er is ook het positieve. Paulus schrijft: (c) matig en rechtvaardig en godzalig leven in deze tegenwoordige wereld.
Matig, dat gaat over jezelf. Matig, dat wil zeggen: bezonnen, jezelf in de toom houdend, jezelf onder controle houdend., zonder overdadigheid. Rechtvaardig, dat gaat over huisgenoten, over je familieleden, je collega’s, je buren, je klanten, je medewerkers. Rechtvaardig zijn, dat wil zeggen: iedereen het zijne of het hare geven. De ander niet afzetten of bedriegen. Altijd integer zijn. Wetend dat op de dag van het oordeel, als we naar onze werken geoordeeld zullen worden, ook alle onrecht, bedrog, valsheid, onderdrukking en gierigheid openbaar zal komen.
Matig, en rechtvaardig, en godzalig leven. Dat gaat over God. Godzalig leven dat wil zeggen: altijd leven met respect voor God, voor Zijn wil en voor Zijn wet. Altijd levend met heilige aanbidding van God in je het hart.
En dat is een gelukkig leven. Want het leven naar Gods geboden geeft vrede in je hart, en het geeft je als kind van God een meer zekere verwachting van de toekomst van onze grote God en Zaligmaker, zoals we straks nog zullen zien
Kinderen van God, dit is de wil van onze grote God en Zaligmaker: onze heiligmaking. Als we daar zelf iets kennen mogen, van dat Licht van de wereld dat in deze wereld is gaan schijnen (waarover we nu juist met deze kerstdagen nadenken), dan moet ook ons eigen leven licht verspreiden. Als een spiegel die iets weerkaatst van dat verschenen licht van Jezus Christus, opdat ook anderen om ons heen zullen komen tot Zijn licht.
Want het doel van ons nieuwe leven, kinderen van God, is om God te behagen, om Hem eer te geven, en om onze naasten voor Hem te winnen. Niet in eigen kracht, maar door de kracht van de Heere Jezus Christus.
Dat leven, zo’n leven, is nodig. Om door Gods genade klaargemaakt te worden voor het eeuwige, zalige hemelleven. Heel dit leven, kinderen van God, is voor ons bedoeld als een voorbereidingstijd voor het moment, dat Christus voor de tweede keer zal verschijnen.
Dan zullen we Hem zien zoals Hij is, niet meer in vernedering, maar in heerlijkheid en glorie. Als het geslachte Lam van God, blinkend verschijnend in hemelse majesteit. En dan is er geen plaats meer voor dat zondige hart van ons! Daarom moeten we in Gods kracht strijden tegen de zonde en onze oude mens doden: Wetende dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen (Rom. 6:6Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.).
En: Verwachten de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus (vers 13) We zien dat tot slot in ons derde aandachtspunt:
Het leven van een kind van God op aarde is een leven van verwachten. Het is voor ons hier op de aarde adventstijd. Als het goed is, leven we in verwachting, als wachters wachtend op de morgen. Op…? Wat staat er? Op de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus.
Onze hoop voor de toekomst is: de zalige hoop. De hoop, de zekere hoop en verwachting, van echt en blijvend geluk. Jongelui, onze hoop, (en die is zeker, want God heeft het beloofd), onze hoop is vol van echt geluk. Ons geluk en onze zaligheid beginnen niet straks pas in de hemel, maar dat geluk, die zaligheid is hier (zeker niet volmaakt, maar toch), die is hier al begonnen.
Al het geluk van deze tegenwoordige wereld (het is waar, het voelt als geluk, maar het) is maar voor even. Soms duurt het wat langer, maar hoe lang het ook duurt, het gaat voorbij! Want als je voor God staat…, dan is het voorbij.
Terwijl, als je hier met God leven mag, dan ben je hier al zalig. En dan, als je dan straks voor God staat, dan wordt dat het begin van een eindeloze volmaakte blijdschap, die onbepaald, die onbegrensd tot het hoogste toppunt stijgen zal.
Heb je er geen zin in, om ook de Heere te dienen en te vrezen? We willen jullie er zo graag bij hebben. We zien jullie ook graag zo gelukkig in dat leven met God. Met onze grote God. En met onze grote Zaligmaker.
Hij klopt op de deur van je hart: ‘Jongen, meisje, laat Mij toch Mijn werk doen in je hart. Ik ben de Zaligmaker van zondaars. Ik pas precies bij jou! Laat Mij je toch zalig maken. Laat Mij je toch met God verzoenen.’ Het is niet verstandig om dan te zeggen: ‘Nee, Heere, dank U wel. Geef me dit andere geluk maar, dit nepgeluk, dit tijdelijke plezier.’ O, als dan deze grote God en Zaligmaker vandaag weer voor je staat, en het Evangelie van Zijn liefde op je ademt, kom dan toch tot Zijn licht! Kom dan toch tot Zijn schijnsel!
Als je deze grote God en Zaligmaker niet persoonlijk kent, zie dan het gevaar van je leven. Je geniet even van wat je hebt. En ik gun je genieten en geluk, maar daarom zeg ik dit ook allemaal tegen je! Want je voelt je misschien wel gelukkig, maar je bent in gevaar. Want je bent op weg naar de eeuwigheid, op weg naar de grote ontmoeting met God. Op weg naar God, zonder God en met een zondig hart. Dat kan niet goed aflopen! Hoe zul je kunnen ontvluchten, als God je roept om voor Hem te verschijnen?
Denk vandaag bij jezelf na, over deze grote God en Zaligmaker, Jezus Christus. Over het wonder dat Hij wilde komen naar deze wereld, om slechte mensen, zoals jij en ik, te redden van de dood.
Denk bij jezelf na, over het wonder dat het licht van het Evangelie aan jou niet voorbijgegaan is, maar ook hier en bij jou is opgegaan. Dat de zaligmakende genade van God ook hier verschenen is. Wat een wonder van Gods leiding en voorzienigheid, dat ook jij het Licht gezien hebt.
Maar denk er ook over na hoe slecht het is, hoe brutaal, hoe minachtend, om dat wonderlijke Licht te haten in plaats van het lief te hebben. Om ervan weg te gaan, in plaats van er naartoe te komen. Alsjeblieft, kom nu, kom vandaag tot Christus! Tot Hem, Die kwam in Bethlehem, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. De Heere wacht op je.
Wie de Heere kent, wie met Hem leven mag, die heeft echte hoop en echte verwachting. Voor nu, voor de tijd die voor ligt, en voor de eeuwigheid daarna.
Want, zo zegt de apostel in vers 13: wij verwachten de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus. Hij is na Zijn eerste komst op aarde, naar de hemel teruggegaan. Om voor Zijn kinderen daar een plaats klaar te maken. En Hij komt terug. Hij komt ons letterlijk halen: allen die Zijn verschijning lief gekregen hebben (Spr. 28:13Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.).
Die heerlijke terugkomst van de Zoon des mensen is de zalige hoop van al Gods kinderen. Voor altijd in Gods tegenwoordigheid mogen zijn, de heerlijkheid van Christus mogen zien, en Hem gelijk mogen zijn, dat zal de eeuwige zaligheid zijn. God en Christus zullen de hemel van onze hemel zijn.
En het is Gods doel met Zijn werk in ons hart, dat we ons daar op richten. Dat we Hem, Christus, en de plaats waar Hij op ons wacht, in het vizier houden. Want dat breekt onze liefde tot onszelf, onze liefde tot de zonde, en dat maakt ons vol van Hem. En dat is de wil van God! Zoals Petrus schrijft zegt: We zijn wedergeboren tot een levende hoop, om de levende God te dienen en Zijn Zoon uit de hemel te verwachten (1 Petr. 1:3Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.). Als het ware turend naar de nachtelijke, nog donkere hemel. Zuchtend, verlangend: Wanneer komt Zijn dag? ‘Wanneer komt U, mijn Heere en mijn Zaligmaker? Want we weten Uw uur en Uw dag niet, maar we weten en geloven dat U zult komen en niet zult vertoeven (Hebr. 10:37Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.).
Als we alleen in dit leven op Christus zouden hopen, dan waren we de ellendigste van alle mensen (1 Kor. 15:9Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb.). Maar we hebben een levende hoop. Door het Kind van Bethlehem. Door de zaligmakende genade van God Die verschenen is, en Die in onze harten geschenen heeft (zoals Paulus zegt in 2 Korinthe 4), om ons te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. De zekere hoop namelijk, dat Hij nog een keer zal verschijnen in macht en liefde, in genade en barmhartigheid, in heerlijkheid en glorie.
Tot onze troost. Want wij zullen vanaf dan altijd met Hem zijn, met Hem die ons zo uitnemend heeft liefgehad. Tot onze troost. Maar ook tot schrik en verwarring van alle goddelozen. Op wie het Licht van Bethlehem wel geschenen heeft, maar ze hebben de duisternis liever gehad dan het licht. Zij zullen dan gaan in de eeuwige duisternis (Matt. 8:12En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.). Lieve vrienden, wees gewaarschuwd, buiten Jezus zult u voor eeuwig omkomen
Wij zien ernaar uit, wij verwachten die dag met groot verlangen (NGB, 36). Gaat het nog lang duren? De tijd tussen die twee verschijningen van Jezus Christus? Twee duizend jaar geleden ging het Licht op in de duisternis. Wanneer breekt het licht door de wolken, zodat Hij opnieuw gezien zal worden door degenen die Hem verwachten tot zaligheid (Hebr. 9:28Alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.)? Zal er nog een dag duren, een jaar, honderd jaar, duizend jaar?
Blijf, kinderen van God, reikhalzend uitkijken. Want de Heere vertraagt Zijn belofte niet, maar is lankmoedig. Hij wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. Maar Hij komt zeker!
Op deze dag herdenken we met blijdschap Zijn eerste komst. In diepe vernedering. En we zien we uit naar de dag van Zijn tweede komst. In majesteit en glorie. Blievend zingend: O kom, o kom, Immanuël, verlos Uw volk, Uw Israël.
Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat u onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede (2 Petr. 3:8-14Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag. De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid! Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont. Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede;).
Want: Hij is nabij, Immanuël.
Amen.
Andere preken voor Kerst