21 juli 2013
1 Samuël 2:17: Alzo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des HEEREN; want de lieden verachtten het spijsoffer des HEEREN.
INLEIDING
Hofni en Pinehas, priesters bij de tabernakel, stelen van de offers en zondigen openlijk – de kerk verkeert in diepe crisis omdat men de HEERE niet meer kent. Toch klinkt er, midden in die duisternis, telkens een zachte fluistering: "de jongeling Samuël diende de HEERE." Gods werk gaat stil, niet met lawaai, maar door het Woord. Eli waarschuwt zijn zonen wel, maar grijpt niet in; hun hardnekkige verzet leidt tot een dreigend oordeel. Toch staat de deur tot verzoening, ook voor "Hofni's en Pinehassen," nog wagenwijd open.
Crisis in de kerk!
1 SAMUËL 2:12-17
12 Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden den HEERE niet.
13 Want de wijze dier priesters met het volk was, dat wanneer iemand een offerande offerde, des priesters jongen kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandigen krauwel in zijn hand,
14 En sloeg in de teil of in den ketel of in de pan of in den pot; al wat de krauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Alzo deden zij aan al de Israëlieten die daar te Silo kwamen.
15 Ook eer zij het vet aanstaken, kwam des priesters jongen en zeide tot den man die offerde: Geef dat vlees om te braden voor den priester, want hij zal geen gekookt vlees van u nemen, maar rauw.
16 Wanneer nu die man tot hem zeide: Zij zullen dat vet als heden ganselijk aansteken, zo neem dan voor u gelijk als het uw ziel lusten zal; zo zeide hij tot hem: Nu zult gij het immers geven, en zo niet, ik zal het met geweld nemen.
17 Alzo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des HEEREN; want de lieden verachtten het spijsoffer des HEEREN.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 2:17
THEMA
Crisis in de kerk!
Gemeente, 1 Samuël 1 begint met… niets. Met een zondige man die twee vrouwen heeft. Met een vrouw, Hanna, die geen kinderen krijgt. Maar dan ineens is er aan het begin van dit Bijbelboek toch een lichtstraal. Hanna krijgt een zoon, Samuël. Weet je, jongens en meisjes, wat die naam betekent? ‘Ik heb hem van de Heere gebeden.’ En dan gaat Hanna zingen. Het kan niet anders. Ze gaat zingen van de wegen van de Heere, in 1 Samuël 2. En nu is ze uitgezongen. En nu lijkt het donkerder dan dat het ooit tevoren is geweest. Waar? Bij de tabernakel. Wij zouden zeggen: in de kerk. Crisis in de kerk! Dat is ook het thema voor de preek van deze dienst, naar aanleiding van het Schriftgedeelte dat u zojuist is voorgelezen, 1 Samuël 2 vers 12 tot en met 26.
Het thema van de preek is: Crisis in de kerk!
Er zijn drie aandachtspunten: 1. Grote goddeloosheid 2. Een zachte fluistering 3. Een dreigend oordeel Als eerste dus:
Jongens en meisjes, boeven zijn het, Hofni en Pinehas! Zo begint het in vers 12. Ze waren kinderen Belials. Dat wil letterlijk zeggen: het waren waardeloze kerels! Corrupte nietsnutten! Hoezo? Wat deden ze dan? Nou, in de eerste plaats dit: Hofni en Pinehas zijn priesters bij de tabernakel. Dat betekent dat ze de dieren moeten offeren die de mensen naar de tabernakel brengen voor God. Bijvoorbeeld uit dank, een dankoffer. Het werd ook wel een vrijwillig offer genoemd. Of een lofoffer, of een vuuroffer. Dat dier mocht een mannetje zijn, maar in dit geval mocht het ook een vrouwtje zijn. Het mocht alleen geen vogel, bijvoorbeeld een duif, zijn. Dat mocht niet, want aan een vogel zit niet zoveel vet.
En vet, ja, wij vinden vet ongezond, maar vet was in die tijd een teken van gezondheid en van kracht. Dat dier werd geslacht. Bloed werd gesprengd op en rond het altaar. En daarna gebeurden er drie dingen. Als eerste werd het vet van dat dier verbrand. Het allerbeste, het vet was voor de Heere en dat werd verbrand boven op het altaar. Dat werd gelegd boven op dat hete brandofferaltaar. Je begrijpt het al: vet of olie is heel erg brandbaar, dus dat vat ineens vlam. Ineens een grote vlam: een vuuroffer voor de Heere. Een vlam, een vuur, rook die opstijgt… De Bijbel noemt het een liefelijke reuk voor de Heere. Daar moet je eens over nadenken. Het zijn menselijke woorden, maar het zegt als het ware dat de Heere in de hemel ruikt en zegt: ‘Heerlijk!’ Een liefelijke reuk voor de Heere. Het was aangenaam voor God, zo’n dankoffer. En het werd door de Heere aanvaard. Zoals Paulus later zegt in Efeze 5, dat de dood van de Heere Jezus (daar moet je eens over nadenken!), dat de dood van de Heere Jezus aan het kruis (ook zo’n offer) een welriekende reuk was in de neus, om zo te zeggen, van God de Vader. Dat wil zeggen: God de Vader in de hemel verblijdde Zich, Hij was blij met het offer van Zijn Zoon. En Hij heeft het volkomen aanvaard als het offer voor al de Zijnen. Zo’n dankoffer, zo’n vuuroffer, symboliseert, wijst naar: vrede met God, door het bloed van de verzoening. Vrede en dank. Dat was het eerste van dat dankoffer. Het vet werd verbrand op het brandofferaltaar.
Maar er waren nog twee dingen. De priesters kregen ook een deel van dat offer. Die moesten tenslotte ook werken en eten. Zij kregen van dat dier de borst en de rechterschouder en daar hoort natuurlijk ook de rechterpoot bij. En wat er dan overbleef werd gekookt. De offeraar, degene die dat dier bracht, en de rest van de familie waren allemaal bij elkaar. Ze kookten dat dier in een hele grote pan, in een ketel, in een pot. En daarna gingen ze dat samen met elkaar eten, als een soort van familiemaaltijd, waarin ze natuurlijk wel stilstonden (als het goed was) met dank, juist bij die vrede met God door het bloed van de verzoening, van de vergeving. Kijk in gedachten maar mee, jongens en meisjes. Kijk, daar komt zo’n schaap. Iemand heeft een heel groot, heel gezond schaap bij zich, en dat prachtige beest, zegt die man, is voor de Heere. Heel de familie is er bij: vader, moeder, kinderen. Het dier wordt gedood, geslacht. Misschien vinden sommige kinderen het wel eng om naar te kijken en kijken ze de andere kant op. Maar het wijst allemaal heen naar het uiteindelijke offer van de Heere Jezus Christus aan het kruis. Het dier wordt geslacht. De priester krijgt zijn deel: de borst en de rechterschouder. En dan het vet, het vet dat rond de ingewanden zit, rond de lever en de nieren en ook het vet van de staart van het dier. Dat moet verbrand worden (zo zegt de Heere dat) op het altaar.
Maar ineens is daar een knecht van de priesters, Hofni en Pinehas. En die zegt: ‘Eh, meneer, wacht even, dat vet, en dat vlees, dat is eigenlijk ook voor de priester. Die houdt niet zo van dat gekookte vlees. Die wil lekker gebraden, gebakken, geroosterd vlees, geef
maar hier.’ ‘Nee!’, zegt vader resoluut, ‘dat is voor de Heere God.’ ‘Eh’, zegt die jongen, ‘nou moet je het heel snel geven, anders zal ik het met geweld van je afpakken.’
Wat een verdrietige smet is dat toch op die blijde dag van het offer! Vader wil opkomen voor de eer van de Heere en bijna ontstaat er ruzie. Maar de anderen zeggen: ‘Laat maar, dit is een dag van vrede.’ Maar zij, die priesters Hofni en Pinehas en hun knechten, ze stelen van het offer. Ze stelen van God. Even later wordt de rest van dat dier gekookt in die hele grote ketel, in die pot, in die pan. Dat is voor de maaltijd. Straks gezellig met elkaar, en…? Maar nee, weer komt die knecht van de priester met die grote vork met drie tanden, met die grote barbecueprikker, en hij prikt, hij prikt in die pot, en hij haalt er van alles uit: allemaal voor de priester. Verdrietig worden de mensen die daaromheen staan. Ze stelen wéér, niet alleen van God, maar ook van de mensen. Ooit werden de zonen van Aäron verteerd door vuur uit de hemel, omdat ze vreemd vuur legden op het altaar. Maar dit lijkt zo voor het oog vele malen erger. Ze stelen van het offer, ze breken de wet, en ze zondigen openlijk tegen God.
En, ja, jongens en meisjes, of dat niet genoeg was, ze doen ook nog wat anders. Er gebeurt nog veel meer daar bij de tabernakel. Hofni en Pinehas slapen ook met allerlei vrouwen die hun vrouwen niet zijn, met allerlei vreemde vrouwen, bij de tabernakel. We weten niet zo goed wat die vrouwen daar kwamen doen. Misschien kwamen ze zelf om te offeren, misschien kwamen ze voor reiniging, misschien kwamen ze om schoon te maken. Maar hoe dan ook, ze maken het huis van God, de tabernakel, tot een bordeel. Hun zonde, staat in vers 17, was buitengewoon groot! Een vloed van zonde spoelt over het volk in het Richterenboek. En hier, in 1 Samuël 2, spoelt een vloed van zonde over de kerk.
De kerk in crisis. Net als nu, in Nederland. Het bleek trouwens al tussen de regels door in hoofdstuk 1. Was het u ook niet opgevallen? Eli, de hogepriester, herkent de tranen niet meer die Hanna schreit. Ze stort haar tranen uit voor het aangezicht van de Heere, maar de oude Eli herkent dat helemaal niet meer. En je vraagt je stilletjes bij jezelf af: ‘Eli, ambtsdrager, kind van God, hoe is het eigenlijk met je eigen verborgen gebed bij het heiligdom?’ Maar hier in 1 Samuël 2 is alles openbaar. Alles gericht op ik, op mezelf. Eten, plezier maken met elkaar. En de regels en de voorschriften van de kerk? Nou, ik denk er het mijne van. Als ik me maar prettig, als ik me maar goed voel… Geen oog meer voor de eer van God. Geen oog meer voor de eeuwigheid die komt. Kennelijk is dat hele perspectief uit het leven verdwenen. Het gaat alleen maar om nu. En de priesters zijn ook geen voorbidders meer. En de rust rondom het Woord is weg. Er zijn nog wel van die rituelen, maar (zou je bijna zeggen) het hart is er uit. Het gaat niet meer om de vrede met God. Het gaat niet meer om het bloed van de verzoening. Het gaat niet meer om het bloed van de vergeving. Het gaat niet meer om dankbaar zijn. Het gaat niet meer om gemeente zijn rondom het offer.
Crisis... in de kerk! Hoe blijft, denkt u, deze kerk overeind in de crisis? Hoe blijft, denkt u, onze kerk (ja, ik heb het over onze kerk, over onze gemeente), hoe blijft onze kerk overeind in de crisis van deze eeuw? In ieder geval niet door te zeggen: ‘Gelukkig is het bij ons wat beter als daar destijds. Gelukkig is het bij ons zo erg nog niet’ En… we slapen door. Zo niet! Hoe dan wel? Door ernstig te luisteren naar de les die ligt in deze geschiedenis. Hoort des Heeren Woord!
Wat was er eigenlijk aan de hand in de kerk, destijds? Wat is de ziekte van de kerk, nu? Nou, volgens de schrijver van het boek 1 Samuël is daar niet zoveel onderzoek voor nodig. God valt in vers 12 met de deur in huis en zegt: Wat is het probleem? Zij kenden de Heere niet! Ten diepste is dat de doorwerking van de zonde in het paradijs. Adam kende de Heere. Hij luisterde naar Gods stem. Hij ging in Zijn weg. Maar hij stond tegen God op en wij met hem en sindsdien dienen we de Heere niet meer, we luisteren niet meer naar Hem en we gaan ook niet meer in Zijn weg. Sindsdien hebben we, jongens en meisjes, een fout hart, een ziek hart, ja een dood hart. De kerk is er nog wel. Je zou kunnen zeggen: de kerk leeft nog wel hier, maar de kerk is hard ziek en de ziekte is een hartkwaal. Sommigen van ons weten hoe gevaarlijk dat is, als je het aan je hart hebt. Een innerlijk proces, als het gaat om de ziekte van de kerk. Het lijkt nog wel wat aan de buitenkant. Maar dat hart is doodziek, omdat… waarom? Omdat de stille vreze des Heeren gemist wordt. Het dienen van de Heere, in de stilte, met je hart. Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont. De Bijbel zegt niet voor niets: Het oordeel begint van het huis Gods. Het begint in de gemeente.
Grote goddeloosheid. Maar er is in de tweede plaats in dit hoofdstuk ook een zachte fluistering.
Jongens en meisjes, als je alleen naar de tandarts zou moeten om gaatjes te vullen, dan zeg je: ‘Nee, nee, ik ga niet alleen. Ik durf echt niet, mijn moeder moet mee, want…’ Ja, waarom dan? Je zegt: ‘Omdat mijn mama mijn hand vasthoudt. En als ik dan op die stoel van de tandarts lig, dan fluistert ze me in mijn oren: Rustig maar, ’t komt goed hor, ’t is bijna klaar!’ Het is bijna niet te zien, en de tandarts ziet het ook niet (die is druk bezig) maar voor jou zijn die zachte woorden genoeg.
De kerk is in diepe crisis. Hard ziek, pijnlijk ziek. Maar als je goed leest in 1 Samuël 2…, dan hoor je: er wordt gefluisterd! Er is zoveel mis in Silo. En dan staat er ineens in vers 11 als een zachte fluistering: Maar de jongeling was de HEERE dienende voor het aangezicht van de priester Eli.
En dan direct daarna weer een vloed van goddeloosheid, diefstal en zedeloosheid. En dan weer in vers 18 de fluistering: Doch Samuël diende voor het aangezicht des HEEREN, zijnde een jongeling, omgord met de linnen lijfrok. En weer is alles donker. Het oordeel is onafwendbaar. En dan toch weer in vers 26: En de jongeling Samuël nam toe en werd groot en aangenaam, beide bij de HEERE en ook bij de mensen. En dan vers 27. Ineens is er midden in die donkere tijd toch weer een man Gods, een profeet met een boodschap van God. Dat wil zeggen: De Heere spreekt nog. En daarna, want het gaat door in hoofdstuk 3 vers 1, weer die zachte fluistering: De jongeling Samuël diende de HEERE.
Het is alsof de bijbelschrijver in die donkere tijd fluistert: ‘Mensen, het gaat goed hoor, wees niet bang, want de Heere gaat door met Zijn werk!’ De Heere is aan het werk. Midden in de crisis van de kerk. Maar de vraag is wel: hoe? Zachtjes, fluisterend, niet door campagnes, door slogans, door conferenties en door verbeteracties. Iedereen lijdt aan die arrogante, corrupte en immorele priesters en iedereen denkt bij zichzelf: het gaat fout, God gaat ons vergeten en verlaten. Maar ondertussen fluistert de bijbelschrijver: ‘Mensen, vergeet Samuël niet. Kijk eens, hoe hij de Heere dient bij de tabernakel!’
De Heere werkt, dat blijkt. In stilte… Gods werk maakt zelden lawaai of kabaal of drama. God werkt in het verborgene, in het onopvallende, in het kleine. God zaait het zaad van het Woord in de akker. Daar ligt het, daar ontkiemt het, daar schiet het wortel… En daar hoor je helemaal niets van. Kijk thuis maar eens. Je stopt een pit van een sinaasappel in een potje. Na een poosje gaat dat pitje ontkiemen. Er komt leven. Er komen worteltjes. En… je luistert… en je luistert… maar je hoort helemaal niets. Het maakt geen lawaai. Het schiet wortel en de blaadjes komen op. Maar je hoort het niet. Je hoort het niet, maar je ziet het wel!
Het gaat in stilte. En het gaat met kracht. Het gaat dwars door alle weerstanden heen. Het gaat ook hier gewoon door. Want God doet het! En wat is dat, gemeente, verschillend met onze ideeën. Wij denken dat Gods manier om een opwekking te geven, een manier is van veel kabaal en lawaai, met opzienbarende bekeringen en bijzondere reformaties en keuzes. Maar God gaat, zo blijkt hier, Zijn weg in stilte. Want? Waarom? Nou, misschien wel omdat bij al dat lawaai het vaak zo snel gaat om de mens, om ons. Maar God verheerlijkt Zijn Naam in stilte.
Zo was het met deze kleine jongen – want dat is hij nog steeds – Samuël. Zo was het later ook met die andere Jongen van twaalf jaar. Wie bedoel ik dan? Die Jongen van twaalf uit Lukas 2. Daar is de Heere Jezus nog een jonge Jongen. En dan schrijft Lukas: En Jezus nam toe in wijsheid en in grootte en in genade bij God en de mensen (52). Je hoort het niet, maar de mensen zien het. En de mensen merken het op. Het is zoals Jesaja heeft geprofeteerd: Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten. Hij werkt in het verborgene. Het gekrookte riet zal Hij niet
verbreken, en de rokende vlaswiek (dat pitje van een walmende kaars) zal Hij niet uitblussen (of uitdoven); met waarheid zal Hij het recht voortbrengen (Jesaja 42:2-3Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.). De kracht van de Heere Jezus Christus lag niet in volume of in geweld, maar in de Geest, in wijsheid, in waarheid en in het Woord.
Dat is ook de enige, stille remedie tegen de crisis in de kerk, ook nu: het Woord van God, uw Bijbel. Als die een grotere plaats krijgt in de gemeente, leidt dat zonder enige twijfel tot een stille opwekking, tot een stille reformatie, tot verdieping, tot leven. Als dat Woord van God weer een plek krijgt in ons leven, een centrale plaats, dan leidt dat zonder twijfel tot verandering. Dan richt dat onze ogen op God. Dan richt dat onze ogen niet op de dingen van nu, maar op de komende eeuwigheid. Dan ga je in je hart en in je leven breken met de zonde. Dan blijkt dat verachte Woord van God, een kracht van God te zijn, die in staat is om dwars door al je verzet en dwars door alle duisternis en donkerheid en zonde heen te breken. Zoals ook het vleesgeworden Woord voor ons oog niets was: een worm, geen man, een spot en smaad, veracht door de mensen. En we zagen, zegt Jesaja, geen gestalte, noch heerlijkheid in Hem. Helemaal niets aantrekkelijks. Maar het is die, voor het oog onaantrekkelijke, lijdende Christus, die de Geest van God, het Woord in het hart maakt tot een kracht, tot een Goddelijke kracht, die tot leven wekt en geloof schenkt. Als God in de stilte van ons verborgen leven voor God, Zichzelf gaat openbaren, in stilte gaat spreken en gaat zeggen Wie Hij is: de grote, de hoge en de heilige God, en gaat zeggen wie ik ben: ik heb met Hem gebroken, en de breuk is compleet… Als God in de stilte van je verborgen leven gaat zeggen en laat zien dat je verzoening nodig hebt, dat je het bloed van het offer nodig hebt om ooit weer vrede met God te vinden… Als God in de stilte van je verborgen leven op je knieën voor God, ook laat zien dat er een weg is, een weg tot vergeving en verzoening, door Christus Jezus, en als Hij ons zo brengt aan Zijn voeten… Dan blijkt dat verachte Woord, die zachte fluistering van de Geest, een kracht van God te zijn. Een levenwekkende kracht van God tot zaligheid.
Samuël diende de Heere, staat er. Hij werd groot bij de Heere. Het klinkt als een bemoediging, die echoot door dat hele hoofdstuk 1 Samuël 2. En daarom, gemeente, wilt u toekomst hebben? Hoort des Heeren Woord! Wilt u persoonlijk het oordeel ontkomen? Wil jij, jongen of meisje, echt een nieuw hart hebben? Dan moet je de Heere dienen. Dien de Heere! Dat betekent: breek met de zonde! Welke zonde het ook is, breek er mee! En wandel in de wegen van de Heere. U zegt: ‘Hoe dan? Op welke manier? In welke weg?’ In de weg van het bezig zijn met, van het luisteren naar, van het leven met en rond het Woord. Dan moet het Woord van God centraal komen te staan in uw leven. In de weg van verborgen gebed en van terugkeren naar de Heere. Net als bij Samuël. Met het oog op het bloed van het offer. Want hij diende de Heere in Silo bij de offers. Willen wij als kerk in Nederland en als plaatselijke gemeente toekomst hebben, dan moeten wij terugkeren tot de Heere en de Heere dienen. Dan moeten we breken met de
zonde. Dan moet het Woord in de gemeente de plaats krijgen die het hoort te hebben: centraal, in het hart van de kerk. Dan moeten we samen op onze knieën, pleitend op het bloed van de verzoening. Dan moeten we onze ogen richten op de tijd die komt, en niet op de tijd van nu. Op de eeuwigheid, op de andere wereld die aanstaande is. Bekering… in de weg van het uitgieten van stille tranen voor Gods aangezicht. Tranen van berouw en boetvaardigheid, zoals Hanna die uitstortte bij het heiligdom voor het aangezicht van de Heere.
Want wat blijkt? In die weg geeft de Heere echt Zijn zegen. Opnieuw, ook aan Hanna. In vers 20 en 21 staat dat ze nog vijf kinderen krijgt. En daarbij krijgt ze de bijzondere zegen dat Samuël, haar eerste kind, groot wordt voor de Heere. Bekering in de weg van het uitstorten van stille tranen. Bekering in de weg van het vragen om bekering. ‘Heere, bekeert U ons, dan zullen we bekeerd zijn.’ Want bekering is Gods werk en tegelijkertijd is er de oproep: Bekeert u, vrees de Heere en dien Hem toch trouw met uw hele hart! Hoe komt de kerk uit de crisis? Door bekering, van persoonlijke en van kerkelijke zonden. U zegt: ‘Van welke zonden?’ Deze zonden: dat we ons, net als destijds, wel houden aan de rituele plicht en het goede werk van wat we noemen ‘stille tijd’, maar tegelijkertijd onze hartelijke en verborgen gebeden, het uitgieten van de tranen voor de Heere, verwaarlozen. Deze zonde, persoonlijk en kerkelijk: dat we leven voor nu en voor de materie. Dat we geen oog meer hebben voor de werkelijkheid die komt, voor de hemel, voor de hel. Waardoor we het gewicht van de eeuwigheid ook niet voelen voor de harten van onze kinderen. En daarom laten we ze zo gemakkelijk gaan. Deze, ook kerkelijke zonde: dat wij met elkaar, en daar hoor ik ook bij, het geloof bewaren voor één dag in de week, voor zondag, en daarna de kerk letterlijk zes dagen sluiten. Deze zonde: dat we het geloof minimaliseren tot een stelsel van regels, op basis waarvan je een ander kunt oordelen of veroordelen, maar het hart is weg. Anderen verlaten Gods wet en zeggen: ‘Ik doe gewoon wat ik zelf plezierig vind.’ Daarmee geef je ook blijk van het feit dat je geen nieuw hart hebt.
‘Bekeert u’, zegt God tot ons, ‘bekeert u, want er is een dreigend oordeel. Bekeert u, want er is een weg tot bekering.’ Dat blijkt, ook uit dit donkere hoofdstuk. In alle donkerheid van die tijd is er nog de tabernakel. Ze hebben de offers nog. Nog steeds vloeit het bloed van het offer. Nog steeds, blijkt straks in hoofdstuk 3, brandt de lamp Gods in de tabernakel. Dat wil zeggen: er is, ook in deze donkere tijd, een weg ter ontkoming: Jezus Christus en het bloed der verzoening van Hem. Dat is de Weg! En daarom, laat ons samen met Hosea zeggen: Komt en laat ons terugkeren tot de HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden (Hosea 6:1Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.). Er is een weg terug. Bekeert u!
Wij gaan samen zingen, voordat we verder gaan met ons derde punt. Psalm 95 vers 5. Verhardt u niet; neemt Zijn genâ Ootmoedig aan". "Laat Meriba, Laat Massa u ten afschrik wezen, Waar 'k door uw vaders ben verzocht, Toen alles, wat Mijn almacht wrocht, Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.
Grote goddeloosheid, een zachte fluistering, en nu in de derde plaats:
Eli waarschuwt zijn zonen. ‘Hofni en Pinehas, niet doen jongens! Nu moet je ophouden!’ Maar dat is zo’n beetje alles. Hij ontslaat ze niet. Dat had hij ook kunnen doen: ‘Jongens, wegwezen, zo kun je geen priester zijn! Ga maar naar huis en je hoeft ook niet meer terug te komen!’ Wij zeggen: de tucht ontbreekt in de kerk. Met andere woorden: alles gaat gewoon door. Eli eet zelfs mee, dat blijkt uit vers 29, van het vlees dat Hofni en Pinehas stelen van God en de mensen.
Wat een contrast tussen die twee gezinnen! Twee kerkelijke gezinnen. Een biddende Hanna, die door de Heere gezegend wordt met kinderen. En ieder jaar, staat in vers 18 en 19, brengt ze een nieuw priesterhemd en een nieuw klein bovenkleed naar de jonge Samuël. Dat moet natuurlijk ieder jaar, want hij wordt steeds groter, hij heeft steeds nieuwe kleren nodig. Ze ziet hem met vreugde opgroeien in de dienst van de Heere. Dat is het ene gezin. En het andere gezin is het gezin van Eli, een ambtsdrager, die de biddende Hanna berispt en zijn eigen kinderen hun gang laat gaan, het oordeel tegemoet. Hoe pijnlijk moet het voor Eli geweest zijn, om zijn kinderen, zijn eigen kinderen, te zien opgroeien naast die kleine Samuël, die God vreest.
Kinderen van ambtsdragers, domineeskinderen, zijn geen speciale kinderen. En dominees en ambtsdragers zijn geen speciale ouders. Sterker nog: we staan open voor grote gevaren. Dat blijkt hier uit het Woord van God. Het gevaar dat we bezig zijn met de dienst van de Heere, maar te weinig bidden en worstelen voor onze kinderen. Het gevaar dat we bezig zijn in de kerk en veel te weinig tijd aan onze kinderen besteden. Het gevaar dat we tevreden zijn met het feit dat ze het Woord horen, zonder hen te corrigeren waar het kan.
En wat blijkt hier bovenal dat wij ambtsdragers ook moeten leren, dat onze kinderen niet uit een soort van automatisme zalig worden. Maar dat ze genade nodig hebben. Genade, zo groot als genade voor ons was: onverdiend… geweigerd… verzondigd… Maar dat ontslaat aan de andere kant Hofni en Pinehas niet van hun verantwoordelijkheid. En ook jullie, jongelui. En ik spreek niet alleen kinderen van ambtsdragers aan, maar jullie allemaal, en u ook, ouderen. We hebben allemaal onze persoonlijke verantwoordelijkheid. Ook als het gaat om onze plaats in de kerk.
We maken ons, jongeren, geen zorgen om kerkverlating omdat dan misschien over een tijd de kerk half leeg zou zijn, omdat dan de collecte minder zou opbrengen, en de Gereformeerde Gemeente minder aanzien zou hebben. Nee, we maken ons zorgen om kerkverlating omdat we zien dat in die weg heel veel mensen, jongeren en ouderen, uiteindelijk breken met God! Dat is het gevaar van een carrière als kerkverlater: dat je ook Godverlater wordt.
En dat allemaal is geen enkel excuus voor Eli. Hij zal de gevolgen van zijn nalatigheid dikwijls in zijn hart gevoeld hebben. Maar dit is de andere kant: deze jongens, Hofni en Pinehas, zondigen tegen het voorbeeld van hun godvrezende vader. Ze weten het. En misschien geldt dat jullie ook wel, jongens en meisjes. Zij weten het wat het betekent om God te dienen. Maar ze gaan toch door. Ze kennen de eisen van Gods wet en de geheiligde tradities van Israëls godsdienst. En toch, ze gaan door. Ze weten het, ongetwijfeld, hoe donker het in die tijd ook is. Ze hebben vast ook iets gezien van de vreugde en de blijdschap van een kind van God. En toch, ze gaan hun eigen weg. Ze kennen, zonder twijfel, ook het uitzien van hun vader naar de komende Messias. Zijn verlangen naar Christus. En misschien kennen ze, terwijl vader Eli ouder wordt, ook wel zijn verlangen naar de eeuwige heerlijkheid. En toch, ze gaan door…
Maar, toch denk ik, dat ze niet in de eerste plaats zondigen tegen de mensen, en ook niet tegen hun vader. Hun grootste zonde is, dat ze zondigen tegen de God van het verbond, tegen Jahweh, HEERE met vijf hoofdletters… Ze verachten de dienst van de tabernakel. Ze verachten het offer. Ze verachten het bloed van het offer. Godverlaters… En wie God verlaat…? U hebt het zelf gezongen: Wie God verlaat, wie Christus veracht, heeft smart op smart te vrezen. Dat wordt je dood! En toch gaan ze door. ‘En daarom’, zegt u, ‘besloot de Heere hen te doden.’ Ja, dat zou je kunnen zeggen, maar dat staat er toch anders in vers 25. Een moeilijk vers. Leest u het nog een keer met me mee? Daar staat: Wanneer een mens tegen een mens zondigt (dat deden ze, stelen van de mensen) zo zullen de goden (de belangrijke mensen, de rechters) hem oordelen. Die zullen oordelen, die zullen bemiddelen en de zaak oplossen. Maar wanneer een mens tegen de HEERE zondigt (de Allerhoogste) wie zal voor hem bidden? Doch zij hoorden (en nu komt het) zij hoorden de stem van hun vader niet, want… Waarom niet? Er staat: De HEERE wilde hen doden.
‘Is God’, zeg je, jongelui, ‘blij met mijn veroordeling? Wil Hij dat? Wil Hij dat ik straks naar de hel ga? Is dat Gods wil?’ En je denkt bij jezelf: zie je nou wel, altijd al gedacht. God wil brave mensen, maar mij wil Hij niet… Dat is niet waar! Ezechiël zegt: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE… Het is een eedzwering, in de hemel der hemelen. Zo Ik lust hebt… Dat wil zeggen: Ik heb er geen lust in, ik wil het niet… Zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze! Maar daarin heb Ik lust… Daar zou de Heere Zich in verblijden: Dat de goddeloze zich bekere van zijn
weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom, zegt God, zou u sterven, o huis van Israël? (Ezechiël 33:11Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?) Kom, keer terug! Bekeer je! Laat je met God verzoenen. Het is zo goed om God te dienen!
‘Maar’, zeg je, ‘wat is hier dan aan de hand, als hier staat: De HEERE wilde hen doden?’ Hier zijn twee verbondskinderen, besnedenen. We zouden zeggen: twee gedoopte kinderen. En de God van het verbond wil hen doden. Waarom? Vanwege hun hardnekkige rebellie. Ze verzetten zich willens en wetens tegen het bloed van de verzoening en de dienst van de tabernakel. Vanwege die zonde heeft God hen, nog zijnde in leven, veroordeeld tot de dood. Overgegeven aan henzelf, zoals dat ook staat in Romeinen 1. Waarom? Ja, dat staat ook in Romeinen 1: omdat ze de waarheid kenden, maar ze hebben het weggeduwd, ze hebben het onderdrukt. Ze weten het en ze gaan toch door. Ze kiezen doelbewust, willens en wetens voor de zonde. Ja, op zondag nog wel naar de kerk, maar het hart is weg. En ze gaan tegelijkertijd, willens en wetens, hun eigen weg, op het pad van de zonde. En daarmee, jongeren en ouderen, spuug je God in het gezicht. En de straf daarop is zwaar. Paulus zegt in Romeinen 1 vers 18: De toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid (over alle zonde) van de mensen, als die de waarheid (die ze kennen) in ongerechtigheid ten onder houden (wegduwen). Gods toorn is het, de kracht van God, die deze twee mannen – en God verhoede het dat het zou gebeuren in ons leven –overgeeft aan de banden van de zonde, waar ze zelf voor gekozen hebben. Dat betekent: als je willens en wetens, terwijl je misschien nog wel in de kerk zit, als je willens en wetens toch doorgaat op het pad van de zonde, dan kan er een moment komen dat God zegt: ‘Ga dan maar!’ een moment dat God je overgeeft en zegt: ‘Doe maar…’
Als God tranen had, zou Hij heel hard om je huilen. Ja, ik zeg je, Christus weent over je! Er lopen tranen over Zijn wangen, als Hij tegen je zegt: ‘Hoe vaak heb Ik je niet geroepen, en bijeen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens, maar je wilde niet. Ik heb je gewezen op Mijn liefde, op Mijn genade, op Mijn bloed. Ik heb je laten zien en laten proeven hoe goed het is om de Heere te dienen, om met de Heere te leven. Ik heb je misschien wel iets laten proeven in je mond van de zoetheid van Mijn genade en liefde. Maar als je nu echt om wilt komen, als je daar echt om vraagt (dat zegt Christus met tranen in Zijn ogen, hoor), dan geef Ik je over aan jezelf.’
En daar krijg je, lieve vrienden, echt, als dat zo is, heel veel spijt van! Straks weet je wat je mist, want je hebt het geproefd… Straks weet je wat je geweigerd hebt… Straks weet je Wie je in het gezicht gespuugd hebt…
Gemeente, het Lam van God is bereid – wie u ook bent en wat je ook gedaan hebt – Hij is bereid om u als een vijand (echt als een vijand!) met God te verzoenen. De deur is niet dicht, de deur is ook niet half dicht, de deur staat wagenwijd open!
U bent niet níet welkom, u bent niet half welkom, maar u bent van harte welkom met uw schuldige leven. God heeft nu nog geen lust in uw dood. Hofni’s en Pinehassen onder ons, kom! Laat u op deze dag met God verzoenen!
Amen.
Slotzang Psalm 95:6,7
'k Heb aan dit volk, dat Mij vergat, Een langen tijd verdriet gehad, Ja, veertig jaar hun hoon verdragen, En zei: "Dit volk, dat steeds Mij sart, Heeft een verdwaasd en dwalend hart; 't Schept in Mijn wegen geen behagen."
Dies heb Ik, door hun tergend kwaad Op 't hoogst vergramd, dit volk versmaad, En met een duren eed gezworen, Dat, wegens zijn geschonden trouw, Het nooit Mijn rust genieten zou, Die voor Mijn volk nog blijft beschoren.
Andere preken over 1 Samuël