4 augustus 2013
1 Samuël 2:27: En er kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij niet klaarlijk geopenbaard aan het huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao?
INLEIDING
In Silo gaat het grondig fout: Hofni en Pínehas stelen van Gods offer en Eli grijpt niet in. Toch grijpt God Zelf in door een man Gods te zenden. Eerst klinken indringende vragen: waarom eert u uw zonen meer dan Mij? Dan volgt een welgemeende dreiging: het priesterschap van Eli's huis wordt afgehouwen, wat letterlijk is uitgekomen. Maar daarna schittert een heerlijke belofte: Ik zal Mij een getrouwe Priester verwekken – vervuld in Christus, Hogepriester, Die Zichzelf offerde voor zondaren.
God grijpt in
1 SAMUËL 2:27-30
27 En er kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij niet klaarlijk geopenbaard aan het huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao?
28 En Ik heb hem uit alle stammen Israëls Mij ten priester verkoren om te offeren op Mijn altaar, om het reukwerk aan te steken, om den efod voor Mijn aangezicht te dragen; en heb aan het huis uws vaders gegeven al de vuuroffers der kinderen Israëls.
29 Waarom slaat gijlieden achteruit tegen Mijn slachtoffer en tegen Mijn spijsoffer, hetwelk Ik geboden heb in de woning; en eert uw zonen meer dan Mij, dat gijlieden u mest van het voornaamste van alle spijsoffers van Mijn volk Israël?
30 Daarom spreekt de HEERE, de God Israëls: Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt de HEERE: Dat zij verre van Mij, want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 2:27
THEMA
God grijpt in
Het gaat fout in Silo. De priesters, Hofni en Pínehas, stelen van het offer. Ze stelen van God en van de mensen. Het beste, het lekkerste van het offer nemen ze voor zichzelf om op te eten. En Hofni en Pínehas slapen met de vrouwen die in grote groepen, in grote hopen staat er in de Bijbel, bij de tabernakel samenkomen. Het gaat helemaal fout met de kerk in Silo! Hoewel, er was (u weet het nog wel van de vorige keer) het stille gefluister. De jongeling Samuël diende de Heere voor het aangezicht van Eli. En er gebeurt nog iets. God grijpt in. Daar gaat het vandaag over. Dat is tegelijkertijd ook het thema voor de preek: God grijpt in
Het Schriftgedeelte dat u voorgelezen is, begint in vers 27: Er kwam een man Gods, een profeet, tot Eli. God grijpt in en Hij gaat spreken. Er zijn drie dingen die onze aandacht vragen: 1. Indringende vragen 2. Een welgemeende dreiging 3. Een heerlijke belofte Als eerste dus:
Leest u maar mee in vers 27: Er kwam een man Gods tot Eli en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Heb ik Mij niet klaarlijk geopenbaard aan het huis van uw vader, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao? Ben Ik u niet verschenen, destijds in Egypte? Eerst aan Mozes, bij het brandende braambos. En heb Ik toen tot u niet gesproken in Egypte? Tegen Mozes en ook tegen Aäron? Toen, helemaal in het begin? We zouden zeggen: vroeger, toen je nog klein was? En vers 28: Ik heb hem uit alle stammen van Israël Mij ten priester verkoren om te offeren op Mijn altaar, om het reukwerk aan te steken, om de efod voor Mijn aangezicht te dragen; en heb aan het huis van uw vader gegeven al de vuuroffers van de kinderen Israëls. Ik heb u speciaal uitgekozen, Eli, en het geslacht van uw vader, uw familie, om priester te zijn voor Mij. Het voelt als een gesprek onder vier ogen. Als een vader die zijn kind roept en zegt: ‘Kom, kom, ik moet iets tegen je zeggen.’ En wat er dan komt, dat zijn geen harde verwijten, zo van: ‘Wat doe je toch allemaal? Je doet dit en je doet dat en dat.’ Maar dit dringt veel dieper door. Een herinnering aan heel speciale liefde. Aan heel speciale voorrechten. ‘Eli, Ik kwam in uw leven. Ik sprak tot u door Mijn Woord. Ik gaf u een taak, maar…’
Het doet denken aan Hoséa 11. En dan maak ik de kring wat wijder dan de kring van ambtsdragers alleen. Als God zegt tegen Israël: ‘Toen u een kind was, toen heb Ik u liefgehad en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen. Maar…, maar Mijn volk wilde niet naar Mijn stem horen. U wilde niet!’
En dan vers 29: Waarom slaat u achteruit tegen Mijn slachtoffer en tegen Mijn spijsoffer, hetwelk Ik geboden heb in de woning (in de tabernakel); en eert uw zonen meer dan Mij, dat u zich mest van het voornaamste van alle spijsoffers van Mijn volk Israël? U trapt achteruit als een onwillig kalf en u vertrapt Mijn offer. En u eert uw zonen meer dan Mij, letterlijk staat er: ze wegen voor u veel zwaarder dan Mij. En ondertussen zit u uzelf vet te mesten, letterlijk, met het lekkerste van Mijn offer. Waarom, Eli? Het is alsof die man Gods zegt: ‘Eli, oude man, kijk Me aan. Kijk in Mijn ogen! Waarom? Eli, je laat je zonen doorgaan. Ja, je zegt wel wat tegen ze, maar je onderneemt helemaal geen actie; je stopt ze niet. Je laat ze gaan in hun trots, in het verachten van Mijn offer. In het verachten van het middel, dat Ik heb ingezet tot verzoening van de zonden. Je laat ze gaan in het verachten en vertrappen van het bloed van de verzoening. En je ontslaat ze niet uit Mijn dienst. Want ja, je houdt meer van Hofni en Pínehas dan van Mij, zegt God.’
Indringende vragen. Een indringende boodschap, in de eerste plaats aan het adres van ons, ambtsdragers. Broeders, en ik kijk maar naar mijzelf, als je alleen maar lief en aardig wilt zijn tegen de mensen, dan gaat dat uiteindelijk ten koste van de eer van God. En dan kun je zelfs eindigen, net als hier, in grote zonden. We moeten vriendelijk zijn en hartelijk en mild en oprecht, maar Gods wet en Gods heiligheid altijd hoger achten dan de eer, de waardering en de liefde van mensen.
Indringende vragen. Een indringende boodschap, ook aan het adres van allen die God vrezen. Ik heb, zegt God, Mij aan u geopenbaard. Weet je, jongens, wat dat woord betekent: openbaren? Dat betekent: naar voren komen, jezelf laten zien, jezelf onthullen en zeggen: ‘Hier ben ik.’ Ik, zegt God, heb Mij aan u geopenbaard. Ik heb gesproken door Mijn Woord tegen u, Mijn kinderen. Ik heb u een taak gegeven. Een taak thuis, een taak op uw werk, een taak in de kerk, een taak om in het verborgen voorbidder te zijn. Om je leven te wijden aan Mij en aan Mijn dienst. Maar…, waarom? Ik heb u liefgehad, dat weet u toch? Dat is toch de ervaring van uw leven? Maar…, maar hoe is het nu met de liefde van uw hart in het leven van iedere dag? Ik heb u getrokken met koorden van goedertierenheid, met touwen van liefde. Maar…, en waarom…?
Moeten die liefdevolle en ontdekkende vragen vandaag ons hart niet breken? Moet het Eli’s hart niet breken? We denken zo vaak, ook juist in de dreiging van het oordeel, dat God hard voor ons is. Maar vergeet niet, gemeente, ook straks in de aankondiging van het oordeel dat komt, in het aankondigen van de ellende die komen zal over Eli’s huis, in die dreiging van het oordeel klinkt als het ware de laatste en de meest indringende en de meest hartstochtelijke liefde door. Eli, kom terug! Eli, keer toch om, kom tot inkeer. Eli, zeg het toch, terwijl de man Gods voor je staat: Ik heb gezondigd. Maar… hij zegt niets.
Keer terug, Mijn dwalende kind. Denk toch aan vroeger dagen, toen je Mij nawandelde van ogenblik tot ogenblik, van dag tot dag. Toen je niet zonder Mij kon. Kom toch terug, Eli!
Indringende vragen. Een indringende boodschap. Ook voor u, ook voor jou, die nog onbekeerd bent. Ook voor jullie, jongens en meisjes, als je nog geen nieuw hart van de Heere gekregen hebt. De Heere zegt het zo oprecht en welgemeend: Kijk nu toch eens, alles wat Ik je gegeven heb. Zoveel kinderen op de wereld worden geboren als moslim, als hindoe, als boeddhist. Maar jij bent geboren in een christelijk gezin. En zoveel kinderen op de wereld worden niet gedoopt, maar op jouw hoofdje heb Ik de druppels van het water van de doop laten vallen, als een teken van Mijn trouw en betrouwbaarheid. En er zijn zoveel kinderen op de wereld die geen Bijbel hebben en jij leest er iedere dag uit en je hoort er iedere dag en iedere zondag uit. Maar, zegt de Heere, maar waarom…? Als de Heere zuchten en huilen kon, zou Hij heel hard zuchten en heel hard huilen. Over je harde hart en over je kleine voetjes die de genade van God vertrappen. En ook over uw hart en over uw voeten, die de genade van Christus verachten en vertrappen. Je zegt: ‘Wordt de Heere boos op me?’ Ja, eerlijk gezegd wel. De Heere is boos als je niet luistert. De Bijbel zegt: Hij vertoornt Zich daarover. Het is zoals het thuis ook wel eens kan gebeuren. Papa zegt: ‘Kom eens hier, ik wil iets tegen je zeggen, even onder vier ogen praten.’ En ja, papa kan boos kijken. En toch, tegelijkertijd legt hij zijn hand op je schouder en zegt: ‘Lieve kerel, meisje, waarom?’ Zo legt God vandaag de hand op je schouder, op uw schouder, en zegt: ‘Kerel, meisje, waarom ga je door? Waarom luister je niet?’ ‘Eli, waarom?’ Maar terwijl de hand van God als het ware op de schouder van Eli ligt, gaat de Heere door en is er, dat is onze tweede gedachte, een welgemeende dreiging.
Welgemeend. Ik bedoel: echt gemeend. En ook: goed gemeend. Want God breekt niet met Eli. God zegt niet: ‘Eli, ga maar. Het is nu klaar; het is over en uit.’ Dat zou rechtvaardig geweest zijn, als de Heere ophield met Eli. Maar Hij houdt hem vast in Zijn genade, hoewel het oordeel zwaar is. Leest u maar mee in vers 30: Daarom spreekt de HEERE, de God Israëls: Ik had wel klaarlijk (helder) gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt de HEERE: Dat zij verre van Mij; want die Mij eren zal Ik eren, maar die Mij versmaden zullen licht (dat wil zeggen: onbeduidend) geacht worden (die zullen veracht worden). Zie, de dagen komen, dat Ik uw arm zal afhouwen en de arm van uws vaders huis, dat er geen oud man in uw huis wezen zal. En u zult aanschouwen (u zult zien) de benauwdheid (de moeite) van de woning Gods (de tabernakel) in plaats van al het goede dat Hij Israël zou gedaan hebben; en er zal te genen dage (dan) een oud man in uw huis zijn. (…) Dit nu zal u een teken zijn, hetwelk over uw beide zonen, over Hofni en Pínehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven. Je eert Mij niet, Eli. Je bent priester, door Mij aangesteld, maar je eert Mij niet en daarom zul je geen priester mogen blijven. En daarom zal Ik ook uw arm, niet letterlijk, maar de arm van je familie, de lijn van het priesterschap, de dynastie van het priesterschap, afhouwen, afhakken. En je zult de benauwdheid zien van de tabernakel. Straks wordt de ark
meegenomen door de Filistijnen. En er zal geen oud man meer zijn. Dat wil zeggen: je zonen, de priesterzonen, ze zullen allemaal jong sterven. En uiteindelijk zal je het priesterschap kwijtraken.
Een ernstige dreiging. Maar het is wel echt gebeurd. Het is de Heere ook wel echt ernst. De Heere meent het en Hij doet het. Hij doet het echt! Dit zijn geen loze woorden. Ze zijn later tot in detail vervuld, uitgekomen. Hofni en Pínehas, straks sterven ze, terwijl ze nog jong zijn, in de strijd tegen de Filistijnen. En Ikabod, het jongetje van Pínehas, sterft terwijl het nog heel klein is: bij de geboorte! En dan heeft hij nog een andere zoon, Ahítub, en die sterft ook jong. Want als Saul koning is (en dat is nog niet zo veel later) dan is Ahítubs zoon, Achimélech, al weer hogepriester. Dus Ahítub is ook jong gestorven. En Achimélech sterft ook jong, als hij samen met al de andere priesters in Nob door het verraad van Doëg, de Edomiet, ook omkomt. En uiteindelijk blijft er één over: Abjathar, nakomeling van Eli. En die wordt uiteindelijk door Salomo afgezet, omdat hij meegedaan heeft aan de staatsgreep van Adónia. Om, dat staat in 1 Koningen 2, te vervullen, tot in detail, het Woord des Heeren dat Hij over het huis van Eli gesproken had. Het was een welgemeende dreiging!
Wij mensen kunnen ook wel eens dreigen. Maar als het er dan op aankomt, dan zeggen we: ‘Ja, maar ik zal het toch maar niet doen.’ Er zijn ouders die tegen hun kinderen dreigen en zeggen: ‘Als je nou niet ophoudt, dan…!’ Dat moet je ook maar niet te veel doen. Vaak is het zo, dan zeggen die ouders later: ‘Nou, ik doe het toch maar niet. Ik zal maar met mijn hand over mijn hart strijken.’ Maar, gemeente, God is betrouwbaar in alles. Ook in Zijn dreiging. Hij meent het echt. Als Hij dreigt met het oordeel, denk dan niet dat u over tien jaar wakker wordt en zegt: ‘Het is toch niet gebeurd, het was maar een fabeltje.’ Het is echt waar! God meent het!
Maar Hij dreigt niet uit hardheid. En Hij dreigt niet voor niets. Het is alsof Hij Eli toeroept: ‘Eli, als je niet snel iets verandert, als je nu niet snel alles verandert bij de tabernakel in Silo, dan is het echt over en uit met je priesterschap.’ Maar dat wil ook zeggen, niet vergeten: ‘Eli, als je je bekeert, dan is er genade! Dan is er behoud. Dan is er hoop.’
Als God tegen u zegt: ‘Bekeer u toch en keer u af van de zonde en wandel in Mijn wegen, anders komt u voor eeuwig om’, dan is dat waar. Maar dan is dat nog geen definitief oordeel. Want in die dreiging roept de Heere met alle zondaarsliefde die in Hem is, u op tot bekering. Het is alsof die hand nog steeds op uw schouder ligt. God zegt: ‘Waarom? Waarom ga je door? Waarom luister je niet? Ik zeg het je: als je zo doorgaat, dan wordt het je dood. Maar Ik heb geen lust in uw dood, maar daarin dat u zich zou bekeren en leven.’
Dus de dreiging van het oordeel hier, en ook onder ons, is welgemeend, in die zin dat God echt doet wat Hij zegt! Twijfel daar niet aan. Deze profetie is letterlijk, tot in detail, vervuld. God laat nooit één woord op de aarde vallen. Echt niet, gemeente. Maar ook in die zin, dat God u en mij daarin, ja misschien wel voor het laatst (dat zou kunnen toch, dat het voor u vandaag de laatste oproep is tot bekering?), dat God in die dreiging dan nu voor het laatst oproept om terug te keren. En de welgemeende vraag klinkt: ‘Waarom, kerel, meisje?
Waarom ga je door? Waarom luister je niet? Als het doorgaat, loopt het echt héél slecht af. Keer nu nog om! Keer nu nog terug!’
En mijn vraag, gemeente, is: kunnen die indringende vragen, u herinnerend aan Gods goede zorg in het verleden, en deze dringende oproep en deze dreiging van het komende gericht (wie weet hoe spoedig!) vandaag uw hart niet buigen? Kan het uw hart niet breken? ‘Eli, wat moet Ik nog meer tegen je zeggen? En wat moet Ik nog meer doen om je terug te brengen op Mijn weg?’ Wat moet de Heere nog meer tegen u zeggen? Wat moet de Heere nog meer doen aan u? Hij heeft het gezegd door de mond van Jesaja: Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard (aan u), wat Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht dat hij goede druiven voortbrengen zou (dat u vrucht zou voortbrengen), en hij heeft stinkende druiven voortgebracht? (Jesaja 5:4Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?)
Gemeente, wat is het toch een duidelijk bewijs van onze geestelijke dood en verlorenheid, dat we bij al die welgemeende oproepen van God denken en zeggen: ‘Nee, ik luister toch niet; ik luister niet, ik doe het niet, ik kan het niet, ik wil het niet.’ En ondertussen dodelijk gerust en berustend… Net als Eli misschien wel. Want het lijkt alsof hij gewoon op zijn stoel zit en het aanhoort en niets zegt. Hij zegt niets. Maar de vraag vandaag is: wat zegt u? Wat is uw antwoord? Als God heel persoonlijk tegen u en jou zegt: ‘Kijk me eens aan, jongen, meisje. Kijk me eens aan, oude man, oude vrouw. Waarom? Ik klop nu al jaren op de deur van je hart. Waarom luister je niet naar Mij? Waarom gaat u je door?’ Zegt u dan ook niets terug? Of zegt u (ja, doe dat vandaag maar): ‘Heere, U hebt gelijk, ik luister niet, ik doe het niet, ik wil het niet, ik kan het niet. Maar bekeert U me toch, o God, dan zal ik bekeerd zijn.’ Zeg toch iets in uw hart, zeg toch tegen de Heere: ‘Verzoen, Heere, mijn zware schuld, die me met schrik vervult.’ Weet u, dan zult u merken en dan zult u het weten en dan is het nog niet te laat, dat het echt gemeend was van de Heere. Als u zo roept, zal Hij u niet laten staan.
Wij gaan samen zingen uit Psalm 79 het vierde vers. En laat het maar het gebed zijn van ons hart: Gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven; Onze' euveldaad word' ons uit gunst vergeven; Waak op, o God, en wil van verder lijden Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden. Help ons, barmhartig HEER, Uw groten naam ter eer; Uw trouw koom' ons te stade; Verzoen de zware schuld, Die ons met schrik vervult; Bewijs ons eens genade!
De hand ligt op de schouder van Eli. ‘Eli, denk eens terug aan vroeger, hoe Ik tot je gesproken heb. Ik heb Mijn woorden aan u gegeven. Eli, kijk Mij eens aan. Waarom?’ En de Heere dreigt: ‘Daarom!’ Maar… Eli zegt niets. En dus zegt God: ‘Dan is het over en uit…?’ Nee! Nee! O, wat schittert hier aan het einde van dit hoofdstuk het Goddelijke welbehagen! Eenzijdige liefde bij God vandaan. Ongevraagde, ongewenste, ja, zelfs geweigerde liefde. Dwars door de onbekeerlijkheid van Eli heen, zegt God (vers 35): Ik zal...! Leest u maar mee. En Ik zal Mij een getrouwe priester verwekken, die zal doen gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; dien zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht Mijns gezalfden wandelen. En het zal geschieden dat al wie van uw huis zal overig zijn, zal komen om zich voor hem neer te buigen voor een stukje geld en een bol brood, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot enige priesterlijke bediening, dat ik een bete (een stukje) broods moge eten. Dat laatste wil zeggen: wie er over is van je familie, Eli, die zal vervallen tot de bedelstaf, die zal bedelen om geld, om een stukje zilver, om brood en om werk.
‘Eli, zegt God, terwijl Hij hem liefdevol aankijkt, ‘het zal nooit van jouw kant komen. Maar Ik zal het doen!’ Eli hoort het aan en zegt niets. Is het omdat hij buigt onder het rechtvaardige oordeel dat dreigt? Is het van stille verwondering en verbazing vanwege de belofte van deze priesterzoon, van deze komende hogepriester? We weten het niet.
De vraag is, gemeente: als u dit uit de mond van de Heere hoort: ‘Ik zal het doen’, is dat dan een stille troost in uw hart? Terwijl u zegt: ‘Heere, ik weet ook niet hoe het verder moet. Alles in mijn hart is zo donker. En het komt door mijzelf, want mijn zonden hebben scheiding gemaakt tussen U en mijn hart. Ik heb een breuk geslagen en die breuk is volledig. Ik heb het verdiend, o God, dat U me verlaten zou. En ik heb het wel geprobeerd in de afgelopen jaren of maanden om mijn leven te verbeteren, maar ik moet bekennen dat dit verachten van U en dit vertrappen van het offer, van het bloed van de verzoening, dat is, o God, mijn hart. Genâ, o God, hoor hoe een boeteling pleit…’ Schittert dan hier niet, niet alleen dwars door de donkere tijd van Eli heen, maar ook dwars door de onmogelijkheid van uw leven, een heerlijke belofte als God zegt: Ik zal Mij een getrouwe priester verwekken?
Wie is die priester, die komende priester? Sommige mensen zeggen: Samuël. Maar dat kan eigenlijk niet, want Samuël was een profeet. Anderen zeggen: Zadok. Als Adónia een tijd later een staatsgreep probeert te plegen (hij probeert koning te worden in plaats van Sálomo), dan gaat Abjathar, de achterkleinzoon van Eli, mee met de verkeerde partij, met de opstandelingen en wordt hij afgezet, naar huis gestuurd. En dan komt er een nieuwe priester uit de lijn van Aäron, van Eleázar: Zadok. Die zal dienen voor het aangezicht van de gezalfde koning in Davids lijn, voor Sálomo en zijn nakomelingen. Ja, maar daar is toch niet alles mee gezegd. Want de Heere heeft in vers 31 gezegd: Ik zal uw arm, de lijn van uw familie, afhouwen, en die van uws vaders huis. Dat betekent dat de lijn
van het priesterschap van Aäron, waarvan de Hebreeënbrief zegt dat die onvolmaakt is, uiteindelijk toch de verlossing niet zal kunnen brengen. Die lijn van Aäron moet echt stoppen. Er komt – Hanna zong daar eerder van in deze donkere tijd – er komt straks een volmaakte Hogepriester. Een volmaakte Hogepriester-Koning.
Er was er een van in het Oude Testament: Melchizédek, in de tijd van Abraham. Maar die wees met zijn priesterschap en met zijn koningschap ook vooruit naar de grote Hogepriester- Koning: Christus Jezus. Hij is ten diepste de vervulling van deze profetie. ‘Ik’, zegt God, ‘zal voor Mij een getrouwe Priester verwekken.’ Ik zal, zegt God. Het is Gods werk al. Dat was het al in de eeuwigheid. Want dit werk van God en het werk van deze Priester begon in de stille eeuwigheid, toen het eeuwige plan van de zaligheid is gemaakt. Daar kwam geen mens aan te pas. Toen kwamen er in God gedachten van vrede, naar mensen die Hem later zouden verachten, tegen Hem op zouden staan en van Hem af zouden vallen. Toen, in de eeuwigheid, zegt de Bijbel, heeft God een eeuwige Priester aangesteld. Het staat in Hebreeën 7. Toen zei God: ‘Gij, Mijn Zoon, zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.’ Hier in de tijd van Eli wordt het gezegd en straks wordt het vervuld en uitgevoerd. Er komt geen mensenhand aan te pas. Het is Gods werk. Straks wordt de lijn van Levi, van Aäron, doorgesneden, want de grote Hogepriester komt uit het geslacht van Juda. Straks gaat het dwars door de onmogelijkheid van de wegvoering en van de ballingschap heen, maar God gaat door. Daar komt geen mensenhand aan te pas.
En Hij is gekomen, de grote Hogepriester van het huis Gods, Die Zichzelf heeft geofferd, Zichzelf heeft overgegeven. En de rook van dat offer was een heerlijk ruikende, een liefelijke reuk voor de Vader in de hemel. Maar dat werk van die Hogepriester is nog steeds niet klaar. Zijn werk gaat door. Want de Geest van deze Hogepriester, de Geest van Christus, werkt de verzoening en de vrede in het hart van mensen door het bloed van de verzoening. In ons, zonder ons. Er komt geen mensenhand aan te pas. Het is Gods werk. God zegt: ‘Ik zal het doen!’
Wat een troost is dat. Niet voor mensen die zich daarachter verschuilen. Maar wel voor die mensen, die gebukt gaan onder de last: ‘Heere, ik luister niet, ik doe het niet, ik wil het niet, ik kan het niet, ik weet niet hoe het moet.’ Dit is de troost, dat de almachtige God daar dwars doorheen gaat breken, en gaat zeggen: ‘Het is waar, u doet het niet, u kunt het niet en u wilt het niet. Maar Ik zal het doen. Ik zal het Zelf doen. Ik zal verwekken.’ Dat wil zeggen: Hij, de Messias, zal echt komen.
En Hij is gekomen! Eeuwenlang hebben ze er naar uitgezien. Maar Hij is gekomen, de grote Hogepriester. Ik zal (goed lezen!) Mij verwekken. Voor Mij. Ik doe het niet om uwentwil, het zij u bekend, maar ik doe het om Mijzelf. Om de eer van Mijn grote Naam. Wat de eerste Adam in het paradijs nooit gedaan heeft, dat zal Hij doen. De komende Hoge- priester zal zorgen voor de eer van Mijn Naam, als een getrouwe Priester. Trouw in alles. Zoals later staat in de Hebreeënbrief: Die getrouw is Degene Die Hem gesteld heeft (3:2). In alles heeft Hij altijd de wil van Zijn Vader gedaan. Een getrouwe Priester, een getrouwe Hogepriester.
Hoe anders was Christus dan Aäron, dan Eli, dan Zadok en al die andere hogepriesters. Zonder zonden. Zonder schuld. Zonder smet. Volkomen heilig. En Hij heeft één volkomen, één volmaakt offer geofferd. Hij heeft er niets van gestolen, zoals Eli ook deed. Hij gaf alles. Hij gaf Zichzelf. Hij ging niet met bloed van dieren, van stieren en bokken, het heiligdom in. Door Zijn eigen hartenbloed is Hij vrijwillig, echt met al de liefde van Zijn hart, ingegaan in het hemelse heiligdom voor het aangezicht van Zijn Vader. Om een eeuwige verlossing teweeg te brengen voor schuldige, voor doodschuldige zondaren. Zo werd Hij een Middelaar van een nieuw, beter en blijvend verbond of testament. En dat verbond, dat genadeverbond, is vast in Zijn dood, in Zijn vloekdood aan het kruis. En dat is vast in Zijn leven, want Hij leeft voor het aangezicht van Zijn Vader en is een getrouw Hogepriester, een Voorbidder in de hemel, Die nooit nalaat voor Zijn kinderen hier te bidden, ook al kunnen ze en willen ze misschien niet meer bidden.
En mijn vraag is: kan dat, dit evangelie van deze komende en gekomen Hogepriester, Uw ziel niet troosten? U, die het zo vaak geprobeerd hebt om het zelf te doen. De offers die ik breng en de tranen die ik pleng… Maar u zegt: ‘Het is allemaal zo onvolmaakt en het is zo onheilig. Ja, het is allemaal tekort. Ik weet het, ik voel het, ik zie het voor God. Ik zal het eerlijk zeggen: het is allemaal schuld voor God.’ U zegt: ‘Ik heb verzoening nodig; ik heb het bloed van het Lam nodig. Ik heb het dreigende oordeel verdiend. Het is rechtvaardig, Heere. Maar, o God, wees mij zondaar genadig.’ Kan deze Hogepriester dan vandaag uw hart niet verblijden? Dat Gód het gedaan heeft. Dat Hij zo’n Hogepriester heeft aangesteld, Die vrijwillig is gekomen, met al de liefde van Zijn hart, Die Zichzelf heeft geofferd; volkomen. Daar hoeft helemaal niets meer bij.
Is dat niet wat u nodig hebt, zoekende zondaar? O, zie toch in de Schrift en in deze profetieën en in de vervulling daarvan, de schoonheid en de heerlijkheid van Christus. Zijn kostbaarheid, Zijn dierbaarheid en Zijn weergaloze liefde voor een verloren zondaar. Kom dan toch met al uw gemis, met al uw onheiligheid en met al uw zonde en schuld tot Hem! En leef uit Hem, kinderen van God, dag op dag.
Kan dit uw hart niet breken, onbekeerden onder ons, mensen zonder een nieuw hart? Als de Heere vandaag voor het laatst de hand op uw schouder legt en zegt: ‘Waarom?’ Als Hij voor het laatst in hartstochtelijke liefde dreigt en zegt: ‘Als u zo doorgaat, gaat het fout.’ Maar Hij stopt niet, terwijl Hij de hand op uw schouder legt en Zijn ogen u aankijken. Hij gaat door en zegt: ‘Beste vrienden, verwacht het toch niet van jezelf. Maar kom nu met je verloren leven en met je harde en dode hart bij Mij, want Ik ben bereid om Mijn offer, Mijn lieve Zoon, Mijn enige offer aan te wenden in uw plaats.’ Veracht, beste vrienden, dit laatste offer niet. Want dan blijft er echt niets, niets meer over. Als u dít offer veracht, als u het bloed van Christus vertrapt, dan is er niks meer. Dan is alles verloren. Maar als het bloed van deze lieve Zaligmaker gestreken is aan de posten van uw hart, dan is alles gewonnen en dan is uw ziel voor eeuwig gered!
Amen.
Slotzang Psalm 99:4:
Roemt nu onzen God; Knielt op Zijn gebod, Voor Zijn voetbank neer; Heilig is de HEER Op Zijn hogen troon. Amrams grote zoon En zijn broeder waren Bij zijn priesterscharen.
Andere preken over 1 Samuël