PREEK · VRIJE STOFFEN

Hoogmoed en opgeblazenheid – 1 Korinthe 4

18 oktober 2015

1 Korinthe 4:7: Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij alsof gij het niet ontvangen hadt?

INLEIDING

Paulus wijst de Korinthiërs op hun onderlinge groepsvorming en oordelen, maar wijst zo door naar de eigenlijke bron: hoogmoed. Hoogmoed schuwt het licht, is de wortel van alle kwaad sinds Adam en vergiftigt zelfs de ootmoed. Met drie ontdekkende vragen laat Paulus zien dat wij niets zijn, niets hebben en niets hebben om in te roemen. Alleen Christus, Die Zich diep vernederde, kan het hoogmoedige hart breken en buigen tot ware nederigheid.

THEMA

De zonde van hoogmoed

KERNPUNTEN

  1. Het karakter van hoogmoed
  2. De vragen aan hoogmoed

1 KORINTHE 4:1-8

1 Alzo houde ons een ieder mens als dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods.
2 En voorts wordt in de uitdelers vereist dat elk getrouw bevonden worde.
3 Doch mij is voor het minst, dat ik van ulieden geoordeeld word, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet.
4 Want ik ben mijzelven van geen ding bewust, doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.
5 Zo dan, oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.
6 En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelven en Apollos bij gelijkenis gepast om uwentwil, opdat gij aan ons zoudt leren niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de een om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen den ander.
7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij alsof gij het niet ontvangen hadt?
8 Alrede zijt gij verzadigd, alrede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerst; en och, of gij heerstet, opdat ook wij met u heersen mochten!

VOLLEDIGE TEKST

Hoogmoed en opgeblazenheid – 1 Korinthe 4

ds. J. IJsselstein - 1 Korinthe 4:7

THEMA

De zonde van hoogmoed

LITURGIE

Psalm 19:1

Psalm 19:4

Lezen 1 Korinthe 4:1-8

Psalm 119:6,7,8,9

Psalm 19:7

Lofzang van Maria: 4,5

Gemeente, het vorige hoofdstuk, dat wij nu niet gelezen hebben, 1 Korinthe 3, ging uitgebreid in op het gemeenteleven in de gemeente van Korinthe. Daar zijn onderlinge twisten. Iedereen heeft zijn favoriete voorganger. De één zegt: ik ben van Paulus. De ander zegt: ik ben van Apollos. En zo is de gemeente verdeeld in groepen, die tegenover elkaar staan (3:3-4). Je zou denken, nadat Paulus daar een heel hoofdstuk aan heeft gewijd: nu heeft Paulus zijn punt wel gemaakt. Dit punt: ophouden met nijd, twist en tweedracht, en met dat gedoe over wie je favoriete dominee is. Nu, Paulus, graag weer verder over iets anders…

Maar toch doet Paulus dat niet. En dat komt, omdat hij eigenlijk zijn punt nog helemaal niet gemaakt heeft. Laten we daarom maar even verder lezen, vanaf vers 1, om te zien wat zijn uiteindelijke punt dan wel is.

In vers 1 schrijft hij: Alzo houde ons een ieder mens, als dienaars van Christus, en uitdelers der verborgenheden Gods. Zo mag u uw ambtsdragers zien. Als dienaars: nederig, helpend. En als mensen die verantwoordelijk gesteld zijn voor de goede gang van zaken in het huis van God (zie ook Genesis 39:4; Lucas 4:20). Als dienaars van Christus. Want dat zijn we. Wij polsen niet voortdurend bij deze of gene, of het allemaal nog wel goed bevalt… Wij wringen ons niet in duizend bochten om mensen te dienen en mensen te behagen… Maar wij bidden, werken hard en zijn getrouw, in het dienen van onze Meester: Christus Jezus. U mag in dit verband ook denken aan die andere, typisch Bijbelse uitdrukking: een ambtsdrager, een predikant is een man Gods. Dat wil zeggen een man van God en een man voor God. Om u te dienen. En aan u uit te delen: de verborgenheden Gods. Namelijk die verborgenheden (2:7) die vastgelegd en besloten zijn in Gods eeuwige raad, en die van alle eeuwen niet gezien zijn, maar die nu geopenbaard zijn: Christus Jezus is in de wereld gekomen, om zondaars zalig te maken (1 Timotheüs 1:15).

En, zo vervolgt Paulus in vers 2: wie dat werk doet, moet elk (voor zich) getrouw bevonden worden.

Ieder voor zich, van ons als kerkenraad, moet getrouw zijn (1 Petrus 4:10). Mensen, die niet werken om gezien te worden en gezien te blijven in de ogen van mensen, geen mensen met een verborgen agenda, maar mensen waar je van op aan kunt: betrouwbaar (1 Timotheüs 3:1; 4:9; 2 Timotheüs 2:11; Titus 3:8). En mensen die stipt hun werk doen, zoals God hen dat opgedragen heeft (Handelingen 9:6). Niet gericht op zichzelf, niet bezig met eigen dingen, maar standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren (1 Korinthe 15:58). In opdracht van God, en gericht op God.

En dus (zo zegt Paulus in vers 3): Mij is voor het minste (dat wil zeggen: ik heb er de minste behoefte aan) dat ik door u (gemeente van Korinthe) geoordeeld wordt, of door een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelf niet. Je zegt: dat klinkt behoorlijk arrogant! Maar, dat is het niet. Paulus weet dat hij zwak is, en hij schaamt zich niet omdat ook te zeggen (2 Korinthe 10:10). Hij is een aarden vat (2 Korinthe 4:7). Gods dienaars zijn breekbaar. Op een andere plaats noemt Paulus zich de minste van de apostelen, de allerminste van al de heiligen (1 Korinthe 15:9, Efeze 3:8). Maar (en dat is het punt waar het om gaat) hij wil niet beoordeeld worden naar menselijke, vleselijke, wereldse maatstaven.

En dat doen ze wel in Korinthe. Daar zeggen ze: wie het allemaal mooi zegt (want dat vinden we zo fijn!), wie pluimstrijkende woorden gebuikt, wie een veer op onze hoed zet, dat is een goede prediker (1 Thessalonicenzen 2:5). Een goede prediker is iemand die ons en onze wijsheid volgt! Maar Paulus zegt: zo beoordeel ik mezelf ook niet. Hoe ik mijzelf beoordeel? Ik sta, wij staan voor God.

Want (zo vervolgt hij in vers 4) ik ben mijzelf van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd (want, door de werken van de wet wordt niemand rechtvaardig voor God); maar Die mij oordeelt, is de Heere. Kom ik, komen wij er als ambtsdragers dan goed van af? Als we denken aan dit: Die mij, Die ons oordeelt, dat is de Heere? Komen wij er dan goed van af? Nee en ja. Als we onszelf eerlijk voor Gods heilig aangezicht onderzoeken, dan moeten we zeggen: Heere, er is zoveel zonde, er is zoveel tekort. Maar, als we mogen leven en als we mogen dienen van de genade die wij u verkondigen, dan kunnen we toch als kleine dienaartjes met vrijmoedigheid en onbevreesd voor God staan en dienen.

Zo dan (zo vervolgt Paulus) oordeelt niets voor de tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, wat in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God. Het is een dringende oproep, aan u en mij, aan u als gemeente en ons als broeders,

om niet te oordelen over de werkers in het koninkrijk van God. Zie niet aan wat voor ogen is. Want er is veel wat we niet zien en wat we niet weten. In positieve zin, maar ook in negatieve zin. En op dat laatste doelt Paulus hier. Er is veel wat het daglicht niet kan verdragen: verborgen gedachten, onvruchtbare werken der duisternis (Efeze 5:11). Maar er komt een dag, de grote oordeelsdag, dan komt het allemaal openbaar: al die telefoongesprekken, alles wat in achterkamertjes is gezegd, alles wat bij de koffie besproken is, ja zelfs wat je gedacht hebt in je hart.

Oordeel niet over de dienaars van de kerk! Dat is de kern van de boodschap… Ja toch? Nou, bijna… Maar eigenlijk toch ook niet! Het is de inleiding op de kern van de boodschap, die nu eigenlijk nog komen moet. Die eigenlijke boodschap zien we vanmorgen in onze tekst, in 1 Korinthe 4 de verzen 6 en 7, waar we het woord van God als volgt lezen: En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos bij gelijkenis toegepast, om uwentwil; opdat u aan (van) ons zou leren, niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat u niet, de een om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen de ander. Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u, alsof u het niet ontvangen had?

Waar gaat dit over? Dit gaat over de zonde van hoogmoed. En dat is ook het thema van de preek van vanmorgen: De zonde van hoogmoed

Paulus zegt eigenlijk: ik heb dit nu allemaal uitgebreid uit de doeken gedaan, vanaf het vorige hoofdstuk tot nu toe, ik heb dit allemaal opgehangen aan die groepsvorming rond mij en Apollos, maar: daar zit meer achter! Ik wil u er iets mee zeggen, ik wil u er iets mee laten zien, ik wil u er iets meer leren. Ik wil u er mee leren: niet te gevoelen boven (of buiten) wat er geschreven is.

Met andere woorden: u loopt buiten uw schoenen. U loopt over uw grenzen. U hebt veel te veel eigendunk. U voelt u meer dan u bent. U denkt dat u alles weet. En dus hebt u overal een oordeel over. Ja, dat is het gevolg… Maar dit is de oorzaak: uw hoogmoed! Daarom valt u in de strik van het oordelen, beoordelen en veroordelen van anderen.

U bent opgeblazen. Net als, jongens en meisjes, dat opblaasspeelgoed. Een opblaasbadje, is eigenlijk maar heel klein. Maar als je het opblaast met lucht, dan lijkt het heel erg groot. Een opblaasspeeltoestel, je weet wel, zo’n groot springkussen, dat is eigenlijk een klein pak plastic. Maar als je er maar genoeg lucht in blaast, dan lijkt het heel wat. Maar het is eigenlijk allemaal gebakken lucht… Dat is wat Paulus zegt: u blaast uzelf op.

De zonde van hoogmoed, daar gaat het over. Dat was de zonde van Diotrefes. Johannes schrijft over hem: Ik heb aan de gemeente geschreven; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan (3 Johannes: 9). Hé, dat is bijzonder. Daar zie je eigenlijk precies hetzelfde patroon. Diotrefes wil de eerste, de belangrijkste zijn, hij wil vooraan staan en zich overal mee bemoeien en (zo zegt Johannes): Hij neemt het Woord niet aan. Datzelfde gebeurt in Korinthe. En dat is ook het gevaar waar Paulus op wijst: opgeblazen, trotse, hoogmoedige mensen, die het allemaal zo goed denken te weten, ze maken met elkaar veel onrust, en het gevolg is…: er wordt niet meer geluisterd naar het Woord, er wordt niet meer gebogen voor het Woord. En dus is de zegen weg.

Maar, wat moet je daar nu mee doen? Het valt op, dat de manier waarop Paulus omgaat met die hoogmoedige mensen in Korinthe een heel voorzichtige manier is. En dat komt omdat hij (ongetwijfeld ook uit zijn eigen hart) de zonde van hoogmoed kent. Laten we daarom vanmorgen eerst eens kijken naar (en dat is onze eerste gedachte) het karakter van hoogmoed, en dan zullen we straks (dat is dan onze tweede gedachte) kijken naar de vragen die Paulus stelt aan hoogmoed. Twee aandachtspunten dus, in de preek die gaat over: De zonde van hoogmoed. 1. Het karakter van hoogmoed 2. De vragen aan hoogmoed Als eerste dus:

1. Het karakter van hoogmoed

Hoogmoed is een groot kwaad. a. Een kwaad (en dat is het eerste kenmerk) dat niet graag voor de dag komt. Een hoogmoedig mens zelf, die komt graag in beeld. Die zie en hoor je altijd, waar iets van eer of aanzien valt te behalen. Maar de hoogmoed van die mens, die is lichtschuw. Die wil niet in beeld komen. Hoogmoed kan geen licht, kan geen daglicht verdragen. Het gaat ook niet voor niets in vers 5 om dingen die de Heere in het licht zal brengen, om dingen die nu nog in de duisternis verborgen zijn, en om de verborgen raadslagen van harten. Hoogmoed verdraagt geen licht, verdraagt geen bestraffing of kritische vragen. Dan wordt hoogmoed heel snel geïrriteerd, boos, prikkelbaar, verwijtend en vermijdend en uiteindelijk loopt ze weg.

b. Dat zie je direct al aan het begin van de Bijbel. En dan zien we (nu we het hebben over het karakter van hoogmoed) direct ook een tweede kenmerk van hoogmoed: hoogmoed is ook de wortel van alle kwaad. Adam was goed geschapen, om God te dienen en te loven. Maar nee, dat was hem te min. Daar, in het paradijs, daar blies de eerste mens zichzelf op!

Hij ging buiten zijn schoenen lopen, buiten hetgeen hem gezegd was (vers 6). Hij stond op tegen God. Maar het bleek lucht! De zeepbel spatte uit elkaar! Nameloos diep is Adam gevallen… Vanwege de zonde van hoogmoed… En zijn reactie was precies zoals de reactie van hoogmoed nu nog steeds is: boos, geïrriteerd, prikkelbaar, verwijtend, vermijdend en weglopend…

En de vraag die God aan Adam stelde… Nee, ik moet het eigenlijk andersom zeggen: de vragen die Paulus straks stelt, hebben wel iets weg van de wijsheid waarmee God Adam bevroeg: Adam, waar bent u? Hebt u van die boom gegeten? Wie heeft u gezegd dat u…? (Genesis 3:11). Simpele vragen… De antwoorden liggen voor de hand… Maar vooral: ontdekkende vragen!

c. Hoogmoed is (in de eerste plaats) een groot kwaad, dat niet graag voor de dag komt. Hoogmoed is (in de tweede plaats) de wortel van alle kwaad. In de derde plaats is hoogmoed een fijn en indringend vergif, dat zich verspreidt en alles in ons besmet1. Ja, het gif is zo giftig, dat het zelfs het tegengif van ootmoed en nederigheid vergiftigen kan. Ik doel op die nederigheid en ootmoed van mij, die zo boos en gemeen kan worden als iemand ernaar wijst… En dus is het hoogmoed…

d. Hoogmoed is in de vierde plaats als onkruid, als doorns en distels die groeien in iedere tuin, ook in de harten van Gods kinderen.

En die hoogmoed, dat was de oorzaak, dat was de reden van die groepen en groepjes in Korinthe. Waarvan de één zei: ik ben van Paulus, en waarvan de ander zei: nee, maar ik ben van Apollos. Paulus is daarover begonnen in hoofdstuk 1, heel hoofdstuk 3 gaat er over, maar dat had allemaal maar één bedoeling, om uiteindelijk hier in hoofdstuk 4 terecht te komen bij zijn eigenlijke punt: mensen, dit is waar het om gaat, het gaat om hoogmoed!

Voordat wij verder gaan, gaan we nu samen eerst zingen uit Psalm 19, het 7e vers: Weerhoud, o HEER, Uw knecht, Dat hij zijn hart niet hecht aan dwaze hovaardij. Heerst die in mij niet meer, Dan leef ik tot Uw eer, van grote zonden vrij. Laat U mijn tong en mond, En 's harten diepsten grond, toch welbehaaglijk wezen. O HEER, die mij verblijdt, Mijn rots en losser zijt, dan heb ik niets te vrezen.

1 Typering van Hugo Binning

Hoogmoed en de waarschuwing ertegen, die kom je overal tegen in de Bijbel. De Spreukendichter zegt: De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden (29:23). De Prediker zegt: De lankmoedige is beter dan de hoogmoedige (7:8). En zelfs koning Nebukadnezar heeft gezegd: Hij (God, de Koning des hemels) is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen (Daniël 4:37). En Maleachi dreigt in Maleachi 4:1: Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal.

Maar daartegenover staat, wat de Spreukendichter zegt in Spreuken 8:13: De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden (zie ook Galaten 6:3). Wie de Heere vreest, haat de hoogmoed.

Je komt het overal tegen in de Bijbel. Dat is lang geleden opgeschreven, maar sindsdien is er niets veranderd. Hoogmoed kom je nog steeds overal tegen: op je werk, op school, op de vereniging, in de kerk, maar vooral in je eigen hart. En: de schade ervan is niet te overzien. Want hoogmoed maakt dat wij mensen bezig zijn met onszelf, en niet meer met God en met de stichting van de gemeente (1 Korinthe 14:12). En daardoor, door onze hoogmoed dus, wordt de gemeente niet gebouwd, en wordt de Heilige Geest bedroefd. En omdat we alleen maar bezig zijn met onszelf, leidt die hoogmoed uiteindelijk ook tot groepsvorming en tot versplintering van de gemeente.

Maar, goed opletten: de volgorde is nu omgekeerd! Paulus had die groepsvorming alleen maar aangewezen (in 1 Korinthe 1 en 3 en nu ook in hoofdstuk 4) om door te wijzen, om door te stoten naar de bron van dit kwaad: dit mijn hoogmoedige hart! Of… zucht u nooit om uw eigen hoogmoed? Zucht u nooit om het feit dat u altijd maar weer geneigd bent om uzelf te bedoelen? Zucht u nooit met Paulus: Wie verlost mij toch van dit ellendige, van dit hoogmoedige hart (Romeinen 4:27)?

Wie? Wie verlost van dat hoogmoedige ik? Christus Jezus. Want terwijl iedereen in de lijn van de eerste Adam vergiftigd was en is met de hoogmoed van deze stamvader, zond God, uit enkele genade, naar Zijn eeuwige plan en voornemen (2:7) Zijn Zoon: De allerhoogste God. Alle knie moest zich buigen voor Hem (Romeinen 14:11). Alle eer en hulde was Hij waard om te ontvangen (Openbaring 5:12). Maar Hij die in de gestaltenis Gods was, en het geen roof geacht heeft Gode even gelijk

te zijn, Hij heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden (Filippenzen 2:7).

Nooit was iemand zo opgeblazen hoogmoedig en zo gewetenloos arrogant als: ik, mens. Nooit was er iemand op de aarde, die zo diep oog als Hij: Christus. Diep boog Hij: in Zijn nederige geboorte, in Zijn bittere lijden, in Zijn sterven aan het kruis, in Zijn begraven worden. En dat voor en in de plaats van zulke hoogmoedige eerrovers van God, die God in onbegrijpelijke, eenzijdige liefde van eeuwigheid had liefgehad. En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises (Filippenzen 2:8).

En het is Zijn werk, het is het werk van Zijn Heilige Geest, om de hoogmoedige harten van zulke zondaars, die niet willen buigen, door genade te vernederen, te buigen en te breken (Jesaja 2:11,17). Wat doet dat zeer…, als je in je hart moet gaan buigen. Als je moet gaan erkennen dat je anders bent, dan dat je altijd hebt gedacht en jezelf hebt voorgedaan. Ik leek zo goed, en ik wilde zo graag goed lijken, maar nu: ik ben zo slecht! Ik leek altijd zo ootmoedig en dat vond ik altijd zo fijn, maar nu: ik ben zo hoogmoedig! Ik ben net zo hoogmoedig als Adam was…

Wat kost dat een moeite om… te buigen. Want ik wil niet buigen. Ik wil blijven staan. Wat wordt het een wonder, als de Heere het toch doet, als de Heere toch doorgaat, en ons laat buigen en breken. Totdat de roep klinkt van een nederig mens: O, God, wees mij zondaar genadig (Lukas 18:13). Ik zeg u: Alles wat ik meer heb dan dit arme zondaar zijn, is hoogmoed!

Wat wordt het voor zulke mensen een wonder, als God Zich (vanwege die diep buigende Borg) over zulke mensen heen gaat buigen, als God Zich over zulke bedroefde en beschaamde zondaars gaat ontfermen. De enge poort is een poort waar je als een arme, verloren zondaar, op je knieën doorheen moet. Als je groter bent (vanwege je hoogmoed), pas je er niet doorheen.

En dan…? Dan ben je er! Nee, dan begint het pas: de smalle weg naar de hemel (Mattheüs 7:14). De poort is ‘eng’, dat wil zeggen ‘nauw’, maar daarna is er ook nog een smalle weg te gaan. De smalle weg naar de hemel, waarop ootmoed, nederigheid, dienen en de ander uitnemender achten dan je zelf bent, kostbare sieraden zijn.

We gaan verder met onze twee gedachte:

2. De vragen aan hoogmoed

Hoe wilde God de hoogmoed van Adam breken? Door een paar vriendelijke en ontdekkende vragen. Zo heeft Paulus voor mij, voor u, in het bijzonder voor Gods kinderen, ook drie van die vriendelijke, maar o zo ontdekkende vragen. Drie voorzichtige vragen… De antwoorden liggen zo voor de hand... Maar ze zijn om ons te ontdekken aan onze hoogmoed. Zonder direct weg te lopen… Blijf staan in uw gedachten…!

Want (zo staat in vers 7, en dat is de eerste vraag): 1. Want wie onderscheidt u? Heeft God u geridderd? Heeft hij u onderscheidingstekens gegeven? Mij niet. Wie heeft u dan uitgeroepen tot een bijzonder mens? Wie gaf u in uw leven ooit tranen van berouw? Wie leerde u buigen? Wie bracht u op de weg des levens? Was het niet God die verschil maakte? Was het niet het eenzijdige, soevereine werk van God alleen? Volg dan ons voorbeeld (vers 6): Wij dienaars zijn niets. En u ook niet… U bent niets.

De tweede vraag: 2. Wat hebt u, dat u niet ontvangen hebt? Of had u bij uw geboorte soms al een spoortje van geestelijk leven in u? Was u, kinderen van God niet, net als alle andere mensen, van nature dood door de misdaden en de zonde? Nou, dan was u toch even slecht als iedereen? Zegt Paulus niet (Romeinen 3:23): Wij derven (wij missen) allemaal de heerlijkheid Gods? En: was er iets in u, waarom uw zonden u vergeven zijn? Is dat niet alleen gewest vanwege het kostbare bloed van Christus (1 Petrus 1:18)? Volg dan ons voorbeeld (vers 6): Wij dienaars hebben van onszelf niets. Alles wat we hebben is naar de genade die ons gegeven is (3:10). Zo hebt u ook niets van uzelf.

De derde vraag: 3. Zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u, alsof u het niet ontvangen had? Dat u genade, bekering, geestelijke gaven en inzicht gekregen hebt, is dat niet enkel genade (Johannes 3:27, 6:44)? Volg dan ons voorbeeld (vers 6): Wij dienaars hebben niets om te roemen. Wij zeggen (en zegt u dat ook): Wie roemt, roeme in de Heere! (3:31)

Dus: Wij zijn niets van onszelf, wij hebben niets van onszelf en wij roemen in niets van onszelf! En u bent ook niets, en u hebt ook niets van uzelf en u hebt ook niets van uzelf om in te roemen.

Kinderen van God, het gaat vanmorgen niet in de eerste plaats om de hoogmoed van de onbekeerden onder ons. Is onze hoogmoed niet het meest schadelijk? En voor onszelf? En voor de gemeente? Zeker, er zijn verschillen in de gemeente. Door Gods voorzienigheid is er verschil in afkomst, in bezittingen, in talenten, in opleiding en in inzicht. En door Gods leiding is er verschil in genade en kennis. Maar trots… op uw nette gedrag? Dat is zonde. U miskent daarmee dat u net als alle andere mensen in zonden ontvangen en geboren bent, onrein van het uur van uw ontvangenis af (Psalm 51:5). Trots op… uw eigen prestaties? Is niet alles het resultaat van Gods bestuur, die deze vernedert en een ander verhoogt? (Psalm 75:6-7) Trots op… uw eigen nederigheid? Dan heeft het gif van uw hoogmoed, zelfs het tegengif van uw ootmoed vergiftigt.

Maar (en dat was het grote gevaar dat destijds in Korinthe gold en dat ook nu bij ons geldt) trots op… uw kennis van God en uw inzicht in Goddelijke zaken? Paulus zegt later in 1 Korinthe 8: Pas op, dat die kennis je niet opgeblazen maakt, want dan sticht je niet meer. Jezelf niet, en ook een ander niet.

Want die opgeblazen kennis, die maakt je niet meer leerbaar. Die wil (net als Diotrefes) niet meer luisteren naar de Schrift. Die zegt: ‘Ik weet het zelf wel. Ik zit gewoon op het goede spoor (van Paulus, of van Apollos), maar ik weet het allemaal al. Je hoeft mij helemaal niets meer te vertellen!’ Dat is vleselijk, dat is werelds!

Omdat de Bijbel voortdurend benadrukt (en dat is tot opwas in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus): Luister naar het Woord. Ook naar de vermaningen van het Woord. Wees niet zo hoogmoedig (als kind van God), dat je denkt dat je alles weet, en dat je je zeker niet door deze of gene ambtsdrager of dienaar vanuit het Woord wilt laten onderwijzen.

Mijn zoon, zo zegt de Spreukendichter, mijn zoon, zo u mijn redenen aanneemt, zo uw oren de wijsheid (van de Schrift) opmerken; dan zult u de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden (Spreuken 2:1-5; zie ook Hebreeën 13:7).

Gemeente, kinderen van God, vliedt (vlucht weg) van de hoogmoed! Een iegelijk, gelijk hij gaven ontvangen heeft (en dat is genade!), alzo bediene hij dezelve aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade Gods (1 Petrus 4:10).

En denk ondertussen klein van uzelf. Zoals Paulus zegt: Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft. (Romeinen 12:3)

Want wie zichzelf verhoogt, die zal vernederd worden. Maar die zichzelf vernedert, die zal verhoogd worden (Lukas 14:11).

Oordeel niet hoogmoedig over anderen. Maar legt af de vuilheid van boosheid en hoogmoed. Zoals Jakobus dat zegt: Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord (en dan zie je weer, dat die twee dingen echt bij elkaar horen: buigen, ootmoedig zijn en: het Woord ontvangen.). Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zalig maken. (Jakobus 1:21)

Indien er dan enige vertroosting is in Christus, indien er enige troost is der liefde, indien er enige gemeenschap is des Geestes, indien er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn (dat wil zeggen: als u nu, kinderen van God, iets ervaren hebt van genade God voor zo’n hopeloos verloren en hoogmoedig mens); zo vervult mijn blijdschap, dat u moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde. Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf. Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is. Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was (Filippenzen 2:1-5). En: De meeste onder u, die zij gelijk de minste, en die voorganger is, als een die dient (Lukas 22:26).

Amen.

Slotzang Lofzang van Maria: 4,5:

Des HEEREN arm is sterk; Hij deed een krachtig werk; Die hoog zijn van gevoelen, Heeft Hij verstrooid, verward, Met alles, wat het hart, Dier trotsen mocht bedoelen.

Die stout zijn op hun macht, Heeft Hij versmaad, veracht, Gestoten van de tronen; Maar Hij verhoogt en hoedt Het nederig gemoed, Waarin Zijn Geest wil wonen.