PREEK · VRIJE STOFFEN

De rijke jongeling - Mattheüs 19

8 juli 2018

Verwerking

Mattheüs 19:16: En zie, er kwam een tot Hem en zeide tot Hem: Goede Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?

INLEIDING

Een rijke, aanzienlijke en in eigen oog voorbeeldige jongeman knielt voor Jezus neer met een vraag die menigeen op het hart kan branden: 'Goede Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?' (Mattheüs 19:16). Deze leespreek over Mattheüs 19:16-26 neemt u mee in dit indringende gesprek, waarin de Heere Jezus met een scherp en tegelijk liefdevol woord ontdekt wat er ontbreekt, en wijst op de enge poort die alleen door genade openstaat voor een verloren zondaar.

THEMA

Het gesprek tussen Jezus en de rijke jongeman

KERNPUNTEN

  1. Wie hij is en wat hij vraagt
  2. Wat Jezus hem antwoordt
  3. Hoe het gesprek wordt afgerond

MATTHEÜS 19:16-24

16 En zie, er kwam een tot Hem en zeide tot Hem: Goede Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?
17 En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Eén, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.
18 Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven;
19 Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.
20 De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog?
21 Jezus zeide tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.
22 Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen.
23 En Jezus zeide tot Zijn discipelen: Voorwaar Ik zeg u, dat een rijke zwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan.
24 En wederom zeg Ik u: Het is lichter dat een kemel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke ingaat in het Koninkrijk Gods.

VOLLEDIGE TEKST

De rijke jongeling - Mattheüs 19

ds. J. IJsselstein - Mattheüs 19:16

THEMA

Het gesprek tussen Jezus en de rijke jongeman

Dat was een mooi Bijbelgedeelte, nietwaar? Over die rijke jongeman, over die voorbeeldige jongen… Misschien lijkt u wel een beetje op hem. U denkt bij uzelf: ‘Ik heb ook de geboden van de Heere onderhouden. En Jezus bemint dat. Wat ontbreekt me eigenlijk nog? Ja, wat ontbreekt me eigenlijk nog? Ik durf het bijna niet te zeggen, maar wat mij ontbreekt is, dat God mij nog steeds niet bekeerd heeft.’

‘Want, ik moet bekeerd worden. Door God! Trouwens, raar, het lijkt wel een beetje remonstrants, dat de Heere in de Bijbel zegt (niet één keer, maar heel vaak): Bekeert u! Bekeert u? Maar een mens kan zich toch niet… Raar… Ik begrijp het niet… Dat: Bekeert u! Doe dat! Ga niet door! Maar bekeert u!’

‘Trouwens, rare opdracht ook..., want, zo zegt u: Ik ben toch al best goed, ik ben toch al redelijk goed. Ja, dat God dat tegen de heidenen zegt, dat ‘bekeert u!’, dat snap ik wel, maar is het tegen mij niet een beetje misplaatst?’

Hier zit de crux, gemeente, voor veel onbekeerden. Ze denken dat ze voor de eis van bekering te goed zijn. Ze denken dat het voor anderen is, die slecht zijn. En zo blokkeren ze voor zichzelf de weg naar de zaligheid en zo worden ze zelf de oorzaak van hun eeuwige ondergang. Te hard om te buigen, te hoogmoedig om zondaar te willen zijn. En zo gaan ze de Zaligmaker voorbij. Hoewel, ze komen misschien wel tot Jezus, maar uiteindelijk gaan ze toch weer weg. Net als de jongeman in onze tekst. Luister maar, naar het 16e vers van Mattheüs 19, dat ik zal lezen als samenvatting van het eerder voorgelezen Schriftgedeelte. Mattheüs 19:16, waar staat: En ziet, er kwam een tot Hem, en zeide tot Hem: Goede Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?

Gemeente, het gaat vanmorgen in de preek over: Het gesprek tussen Jezus en de rijke jongeman

We gaan samen letten op drie aandachtspunten. In de eerste plaats op wie hij is en op wat hij vraagt. In de tweede plaats op wat Jezus hem antwoordt. En in de derde plaats op hoe het uiteindelijk afloopt. Dus drie aandachtspunten, als het gaat over het gesprek tussen Jezus en de rijke jongeman: 1. Wie hij is en wat hij vraagt 2. Wat Jezus hem antwoordt 3. Hoe het uiteindelijk afloopt Als eerste dus:

1. Wie hij is en wat hij vraagt

Wie is die rijke jongeman eigenlijk? We weten uit het voorgelezen Bijbelgedeelte een paar dingen van hem. a. Hij is in de eerste plaats jong. Hij is in ieder geval niet ouder dan 40 jaar. Misschien was het wel een twintiger, zo iemand als jij, of jij… b. Hij is in de tweede plaats rijk. Hij bezit heel veel. In vers 22 staat: Hij heeft heel veel goederen. c. We weten in de derde plaats dat hij een vooraanstaand man is. Lukas noemt hem ‘een overste’. Misschien is hij wel een overste van de synagoge. In ieder geval is het een man van aanzien en van stand. d. Hij is in de vierde plaats een voorbeeldig mens. Dat zegt hij in vers 20 in ieder geval van zichzelf: Al de geboden heb ik onderhouden van mijn jeugd af aan.

Dus, hij is jong, hij is rijk, hij is voornaam en hij is voorbeeldig, maar e. In de vijfde plaats: Hij heeft een probleem. Hij heeft een dringend probleem. Er staat dan ook in het Evangelie van Markus, dat hij naar Jezus toe rent en voor Hem op de knieën valt (Markus 10:17).

Bent u eigenlijk wel eens naar Jezus toegerend? Bent u eigenlijk wel eens voor Hem op de knieën gevallen? Om de nood van uw hart? Om het eeuwige leven aan Hem te vragen? Zo niet, dan bent u verder heen dan deze jongeman…

f. In de zesde plaats blijkt dat hij heel eerbiedig en onderdanig is, want hij knielt voor de Heere Jezus. g. En dan is er als laatste, in de zevende plaats, nog één ding wat ook opvalt: het is een mens met veel gevoel. Je voelt, als je goed luistert, iets van zijn dringende nood. Hij rent met zijn hartevraag naar Jezus toe. En je ziet als het ware de tranen op zijn gezicht aan het einde van de geschiedenis, als hij bedroefd naar huis gaat. Maar, gemeente, gevoel is geen genade. Bedroefd naar huis gaan, is geen teken van genade. Ons hart kan geraakt zijn door het Woord van God. Ons geweten kan verontrust raken. Een preek kan heel veel gevoel losmaken. De tranen kunnen branden in onze ogen, terwijl we uiteindelijk toch (net als deze jongeman) heengaan. Naar Jezus toegerend, maar het bracht ons niet wat we verwachtten, en dus werd het: eens en nooit weer.

Maar u ziet hem ondertussen voor u: een man van aanzien, een twintiger, een dertiger, voorbeeldig, eerbiedig, maar hij heeft een probleem. En geen klein probleem ook! Want, wat vraagt hij? Goede meester! Wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? Want, dat zit er achter, dat voel je: als ik genoeg goed doe, dan kom ik misschien wel in de hemel. Ik moet iets doen! Want, van goed doen, word je beter…! Dat denken heel veel kerkmensen in Nederland ook. En dat denken heel veel mensen in het land waar we nu wonen ook. Het is bij ons een bekende spreuk: ‘Doe goed, word beter’. Eigenlijk is dat de kern van het boeddhistische geloof: ‘Doe goed, word beter.’ ‘Ik persoonlijk ben, en wij als gezin zijn best goed bezig. Zeker als we onszelf en ons gezin met anderen vergelijken. Maar…, kennelijk is het toch niet genoeg. Wat moet ik doen, wat moeten wij nog meer doen, opdat wij het eeuwige leven zullen hebben?’

Daar voel je tegelijkertijd, achter alle zelfverzekerdheid, iets van knagende onzekerheid. Ik doe veel, ik doe echt heel veel, maar… is het nu wel genoeg? Die knagende onzekerheid moet u ook hebben, ik bedoel u, die dit ook als uw levensdevies hebt: ‘Doe goed, doe nog meer, dan word je beter…!’

Maar, zeg me eens eerlijk, recht op de man af: U doet al jaren goed. U bent al jaren zo voorbeeldig. U hoort bij de besten van de gemeente. En u probeert er steeds weer extra dingen bij te doen, die u innerlijk een goed gevoel geven. Die u het gevoel geven dat u goed bezig bent. Die u het gevoel geven: Ik doe mijn best, ik zet me in. Ik doe wat ik kan! Meer kan ik ook niet doen. Zeg me eerlijk, als u vandaag sterft, na alles wat u deed, gaat u dan… naar de hemel of naar de hel?

Ik hoorde pas van een Australische zendeling, die dat had gevraagd aan lokale mensen, van wie het levensdevies ook is: Doe goed, dan word je beter. En, zo vroeg hij: ‘Als je sterft, waar haar je dan heen?’ Het antwoord was: ‘Naar de hel’.

U, met al dat goed zijn en goed doen? Als u vanavond sterft, gaat u dan naar de hemel of naar de hel? Het grote gevaar voor nu is, dat u zegt: ‘Ik weet het niet’. Overal hebt u een antwoord op, maar opvallend genoeg niet op deze vraag. U zegt: ‘Ik weet het niet’. Of, u zegt helemaal niets... De mensen die u heidenen noemt, zijn eerlijker. Toe, zeg me eerlijk, en zie het toch onder ogen: Als u vanavond sterft, gaat u dan naar de hemel of naar de hel?’ - stilte -

Goede meester! Wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? Wat moet ik doen? Wat moet ik nog meer doen?

Want, dat is mijn motto: Doe goed, word beter!

Is dat trouwens ook uw hartevraag? Wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? Al komt die vraag uit de verward, verkeerd en dwalend hart. Kom dan toch maar, net als deze overste, naar Jezus toegerend en vallend aan Zijn voeten, met die allerbelangrijkste vraag! Omdat u het voelt, omdat u het weet: het ziet niet goed, hier vanbinnen. Het gaat niet goed met mij. Kom, stelt ook u deze vraag aan Hem! ‘Goede meester, ik ben al zo goed, maar wat zal ik nog meer voor goeds doen, opdat ik het eeuwige leven zal hebben?

Hier is het antwoord. In onze tweede gedachte:

2. Wat Jezus hem antwoordt.

We lezen in vers 17: En Hij zei tot hem (en Hij zegt tegen u): Wat noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Doch wilt u het leven ingaan, onderhoud de geboden. Scherp is de confrontatie! Op de achtergrond tussen Jezus en deze jongeman, maar nu tussen Christus en u. U hebt het op de knieën gevraagd, misschien al heel vaak: ‘Heere wat moet ik toch doen, om nog beter te worden? Goed ben ik al, maar het schijnt niet, het schijnt nooit genoeg te zijn!’

Hier is het antwoord, het hemelse antwoord! Zo zegt de Heere: ‘Er is niemand goed, alleen God.’ Je hebt zoveel gedaan… Nee, je zegt niet dat je goed bent, maar je voelt je wel goed, als je opzij kijkt, als je naar anderen kijkt als ze de kerk binnenkomen, als je vanachter je gordijnen naar de buren kijkt… Je hebt zoveel gedaan. Je denkt: Ik ben goed, maar… niet goed genoeg!

Maar het antwoord is: Nee!!! U bent niet goed!!! Alleen God is goed. Maar, als u dan toch goed wilt zijn, doe dan alles wat in de wet, in de geboden van de Heere geschreven staat. ‘Maar, Heere, dat doe ik ook!’ Kijk maar in vers 18: Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: u zult niet doden, u zult geen overspel doen, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, eer uw vader en moeder; en: u zult uw naaste liefhebben als uzelf. De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af, wat ontbreekt mij nog?

Dit denkt u ook zo vaak. Er wordt gepreekt over de catechismus. Over zondag 39: Eer uw vader en uw moeder. Dat heb ik gelukkig altijd gedaan Over zondag 40: U zult niet doden. Gelukkig heb ik dat nooit gedaan. Over zondag 41: U zult geen overspel plegen. Gelukkig heb ik dat ook nooit gedaan.

Over zondag 42: U zult niet stelen. Gelukkig, nee, dat heb ik ook nooit gedaan. Over zondag 43: U zult geen vals getuigenis spreken, u zult niet roddelen, niet kwaadspreken over een ander. Nee, volgens mij…, heb ik dat ook nooit gedaan. En: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Nou, dat doe ik zeker ook. Al deze dingen heb ik onderhouden… Maar, toch…, hij verraadt zichzelf, als hij zegt: Wat ontbreekt mij nog? Het is een bange vraag die voortkomt uit innerlijke onzekerheid. Het is de stem van zijn geweten, die stem die nu, bij u ook spreekt en stilletjes zegt: ‘Ben ik echt wel zo goed, als dat ik doe voorkomen?

Wat is toch het probleem van deze nette kerkganger? Dit: Hij is oppervlakkig wel gehoorzaam, hij lijkt wel gehoorzaam, maar hij kent geen hartelijke, hij kent geen geestelijke gehoorzaamheid. Hij denkt dat de godsdienst alleen maar bestaat uit een stelsel van allerlei regeltjes en wetjes, waar je je aan moet houden, en als je dat doet, dat je dan al een heel eind bent. Toch? Dan ben je in ieder geval verder dan een ander? Of…?

Nee, dan ben je nog steeds nergens! Want dan ben je nog steeds geen haar beter dan een ander! Zegt Jezus niet Mattheüs 5:20: Want Ik zeg u: Tenzij u gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeeën, dat u in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan?

Wat is toch het probleem van deze nette kerkganger? Dit: dat hij zichzelf goed vindt. En dat is een bewijs van zijn geestelijke blindheid. En als u uzelf goed vindt, dan bent u ook blind, geestelijk blind. Dan bent u nog in uw zonden. Namelijk in uw zonden van het vertrouwen op uzelf. Terwijl u helemaal niets meer hebt om op te vertrouwen. U denkt van uzelf, dat u een vriend van God bent, maar het bent u niet. U bent Zijn vijand. Al die zogenaamde ‘vrienden van de wet’, zoals deze jongeman, zijn in hun hart nog steeds vijand van God en van Zijn genade. En zolang hij, en zolang u dat niet erkent en belijdt, wordt het niet beter.

U denkt: ‘Ik ben een zondaar’. Ja, want zo hebben we dat geleerd, en zo leren we dat onze kinderen: ‘Ik ben zondaar’. Maar u denkt er stiekem bij: ‘Raar hè, want ik doe helemaal geen zonden, in ieder geval niet veel!’ Is dat geen teken van uw geestelijke dood en vijandschap? U wordt pas goed in Gods oog, als u leert dat u slecht bent. Dat u slecht bent, omdat u tegen God gezondigd hebt en van Hem weggegaan bent. Omdat u zich alleen maar voor de schijn van de buitenkant lijkt te houden aan Zijn geboden. Paulus tekent de mens, die denkt dat hij of zij nog beter kan worden, scherp als hij stelt: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een, er is niemand, die verstandig is, er is niemand,

die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden, er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe. Hun keel is een geopend graf, met hun tongen plegen zij bedrog, slangenvenijn is onder hun lippen. Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid, hun voeten zijn snel om bloed te vergieten, vernieling en ellendigheid is in hun wegen, en de weg des vredes hebben zij niet gekend. Er is geen vreze Gods voor hun ogen (Romeinen 3:10-18).

Waarom zulke scherpe woorden tegen zulke goede en voorbeeldige kerkgangers? Opdat alle mond gestopt worden en de hele wereld voor God verdoemelijk zij (Romeinen 3:19). Niet alleen de wereld van de heidenen, maar ook de wereld van de kerkgangers. Scherpe woorden dus, opdat u zou gaan zwijgen over uw vermeende goedheid. Opdat u zou gaan buigen om uw zonden. En die zou gaan belijden voor God. Maar hij…, hij vertrouwt op zichzelf. Zoals de mensen van wie we nu eerst samen gaan zingen uit Psalm 147, daarvan het 5e vers. God wil al 't vee steeds spijzen, laven; Hij hoort de stem der jonge raven. Hij heeft geen lust aan 's mensen krachten, Aan hen, die daaruit heil verwachten; De macht van 't paard en 's mans vermogen Zijn beide nietig in Zijn ogen; Aan die vertrouwen op hun benen, Wil Hij geen gunst of hulp verlenen.

Wat is toch het probleem van deze nette kerkganger? Hij vindt zichzelf goed en heeft ondertussen geen oog voor zijn bedrieglijke hart. En dus confronteert Jezus hem, en u, scherp met…? Met wat? Met dat het eigenlijk nog een stapje beter moet? Nee! Met dat het allemaal in Gods oog niet telt! Dat zogenaamde goed doen, maar ondertussen vertrouwen op jezelf is waardeloos!

Hoe scherp is het contrast met dat, wat we hiervoor in de Bijbel lezen. Over de kleine kinderen die geloven, die kinderlijk geloven en vertrouwen op God. Maar zo is hij niet. Hij vertrouwt niet op God, hij vertrouwt niet op de Messias, maar hij vertrouwt op zichzelf! En hij vertrouwt stiekem op zijn afgod.

En één scherpe, maar liefdevolle vingerwijzing van de Heere is genoeg, om die afgod aan te raken. Let maar op wat er gebeurt, bij hem, bij mij, bij u. Ik lees in vers 20: De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af, wat ontbreekt mij nog? Jezus zeide tot hem: Zo u wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat u hebt, en geef het de armen, en u zult een schat hebben in de hemel, en kom herwaarts, volg Mij. De vinger van Jezus wijst naar…? Naar waar zijn schat is. Naar waar zijn hart aan vast zit.

Met andere woorden: Het gaat er niet om of ik goed praat, of ik er goed uitzie, of ik goed doe in mijn eigen oog, maar het gaat om: waar zit mijn hart?

Nee, dit is geen opdracht aan alle rijke mensen om hun geld weg te geven. Die opdracht heeft de Heere ook nooit gegeven aan rijke mensen zoals Abraham, Job, Salomo of Jozef van Arimathea.

Hoewel, aan Abraham heeft de Heere ook gevraagd, om een offer te geven, om te kijken waar zijn hart zat. ‘Abraham, geef me alles wat je hebt. Geef me je kind, je beloftekind’. En…? Hij gaat niet bedroefd weg. Hij doet het, gewillig, zonder enig gemopper. Want Abraham geloofde in God, en de Heere rekende hem het tot gerechtigheid (Genesis 15:6).

Maar dit, wat de Heere Jezus vraagt deze jongeman, is veel kleiner. ‘Als je je naaste liefhebt als jezelf (dat zeg je toch?), geef dan je afgod maar uit handen…!’ En…? Hij doet het niet. Want zijn hart zit vast aan zijn afgod. Zijn slaaf zijn verhindert hem. Hij denkt dat het alleen maar gaat om wat hij doet voor de ogen van de mensen. Maar het gaat om veel meer: het gaat om gedachten, om verlangens, om liefde, om woorden, kortom: om alles, voor God! Hij heeft er eigenlijk geen idee van, van wat de Heere van hem vraagt. En dus prikt de Heere even dieper: ‘Jongeman, hier gaat het om. Om volmaakte en hartelijke gehoorzaamheid. In alles’.

Dit antwoord van de Heere Jezus is geen poging om van deze jongeman af te komen. Maar het is een doorzoekende en ontdekkende vraag. Zoals de Heere ook zo’n doorzoekende en ontdekkende vraag stelde aan de Samaritaanse vrouw: Ga heen, roep u man en kom hier (Johannes 4:16). Antwoord? ‘Heere, eerlijk, ik luister naar U, als U me wijst op mijn zonden. U hebt gelijk. Zo slecht ben ik.’ Zo ook hier: Ga heen, verkoop wat u hebt, en geef het de armen, en (…) kom herwaarts, volg Mij. Antwoord? ‘Heere, U hebt gelijk, mijn hart zit vast aan mijn afgod…’

Nee!! Alles wel, maar dat niet. Er is iets in mijn leven, wat ik niet wil afstaan: mijn afgod! U zegt: ‘Welke afgod dan? Want, ik doe volgens mij alleen maar goed’. Dan hebt u tenminste één afgod, maar het zijn er ongetwijfeld meer, en dat bent u zelf. Lever maar in, die goede gedachten over uzelf. U bent niet ver van het Koninkrijk van God, maar één ding ontbreekt u: u denkt nog steeds goed over uzelf. En zolang u zo denkt bent u (met al uw rechtzinnigheid en vroomheid) niet op weg naar de hemel, maar op weg naar de hel. U taxeert uzelf meer dan de smaadheid van Christus, dan het bloed van het kruis, dan de zondaarsliefde van Jezus. En daarom wilt u wel naar Hem toe komen om uw vragen te stellen, maar u blijft niet. U gaat! Want het antwoord staat u niet aan.

We gaan het zien in onze derde gedachte:

3. Hoe het gesprek wordt afgerond

U gaat…, want het antwoord staat u niet aan. Maar wacht, lieve mensen, voordat u weg gaat: dit is een antwoord vol van liefde! Want het is waar: U bent niet goed. U bent door en door slecht. U hebt al de geboden helemaal niet gehouden. U hebt ze allemaal overtreden. U bent even slecht als de grootste van de zondaars, als de slechtsten van de heidenen. Ja, meer, slechter, want u hebt ook het bloed van Christus vertrapt en Zijn liefde veracht!

Maar alstublieft, ga niet weg, maar blijf! Want één ding ontbreekt u, terwijl u dit scherpe, liefdevolle woord hoort uit de mond van Jezus. Eén ding ontbreekt u, namelijk dat u nu zegt: ‘Ja, Heere, U hebt gelijk. Ik ben door en door slecht. Weest U mij, zondaar, genadig?’

U denkt, net als hij, dat u het Koninkrijk kunt binnengaan met werken. Maar u kunt het alleen maar binnengaan met genade. Dit gaat ten diepste over de vraag: Wat is de ingangspoort van het Koninkrijk der hemelen. Jezelf opwerken tot een beter mens? Of genade krijgen als een slecht mens, als de grootste van de zondaars? Lieve mensen, er is maar een nauwe poort die tot het leven leidt. En daar staat boven geschreven: GENADE! Breek toch met uw zonden, vooral met de zonde van dat vertrouwen op uzelf. En geloof het Evangelie, namelijk dat de Zoon des mensen gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

Hoort u in deze scherpe woorden van de Heere Christus dan niet Zijn hartelijke nodiging? Ja, het is meer dan een vriendelijke en welgemeende nodiging. Het is een dwingend bevel: Kom! Kom tot Mij! Dit is niet genoeg. Dit, wat u hebt, wat u denkt te hebben, telt niet. Echt niet! U denkt dat u veel hebt, maar u hebt niets. Want goede werken tellen niet. Verstandelijk weten telt niet. Weten hoe God een mens bekeert, telt niet. Goede gevoelens en emoties tellen niet. Eén ding hebt u nodig: het werk van God in uw hart. Dat Hij uw dode hart levend maakt. En dus is er maar één remedie: Kom tot Hem, die gekomen is om dat te doen.

Kom tot Christus! Wat u hebt, is waardeloos. Maar bij Hem is alles te krijgen, wat u nodig hebt om het eeuwige leven te krijgen. Nogmaals, dit is geen vrijblijvend advies. U kan niet zomaar naar huis gaan en denken wat u ervan vindt. De grote Schepper van het heelal, die alle dingen in Zijn hand heeft, en die uw eeuwige bestemming zal bepalen, Hij roept u, Hij dwingt u: Bekeer u! Doe uw afgoden weg. Vooral die afgod van het geloof in uzelf. Breek met uw zonden. En geloof het Evangelie. En kom toch tot Christus.

Als u niet komt, dan bent u een weigeraar. Dat laat u daarmee uw onwil en vijandschap zien. Dan zal de Heere dat straks tegen u zeggen: U wilde niet tot Mij komen (Joh. 5:40).

‘Kom tot Mij. Als Ik u scherp op u zonden wijs, ga dan alstublieft niet weg, maar blijf. Kom en buig!’ Maar nee. Wat hij doet? Hij gaat. Wat doet u? Ik weet het, dit antwoord van Jezus schuurt, het bijt. Hij wijst dingen aan, die we niet kwijt willen. Onze afgoden: ons eigendom, ons plezier, onze ambitie, ons kerkelijke aanzien, onze hoogmoed, onze trots, dat we niet willen buigen, dat we niet willen vragen om redding en behoud. In kern is het allemaal hetzelfde: dat we onszelf niet kwijt willen raken.

O, hoe kan ik vanmorgen toch uw hart raken, zodat het gebroken wordt door dit Woord? Kom! Maar nee, hij staat op en gaat. Als nu de jongeling dit hoorde, ging hij bedroefd weg, want hij had vele goederen (vers 23).

U staat ook op het punt, om weg te gaan. U hoort liever een andere boodschap. Weer kwam u vanmorgen aan de voeten van Hem, die nu nog steeds voor u staat. Want, eerlijk is eerlijk, u hebt wel een probleem: die knagende onzekerheid van binnen of u straks wel echt het eeuwige leven zult krijgen of niet?

Maar dit antwoord? ‘U ben niet goed, maar u bent slecht? U dient de afgoden, u dient de zonde?’ Nee! U staat op… U kijkt...

Stop! Kijk echt! Nu u op het punt staat om, helaas, weer weg te gaan. Hij heeft, u heeft vanmorgen één ding gemist. En als u het al zag, hebt u zonder twijfel de verkeerde conclusie getrokken. Markus schrijft: En Jezus, hem aanziende beminde hem, en zeide tot hem: één ding ontbreekt u (Markus 10:21).

Hij heeft u vanmorgen aangekeken, u, nette en in uzelf vrome kerkganger. Christus heeft u vanmorgen aangekeken en… Hij bemint u. Eén ding ontbreekt u, maar… Hij bemint u.

U zegt: ‘Dat snap ik. Dat is natuurlijk vanwege al die goede dingen die ik doe. Dat waardeert Hij. Nee! Natuurlijk niet! Wat een dodelijke vergissing! De Heere heeft toch net gezegd: Niemand is goed dan Eén, namelijk God. Hij bemint u natuurlijk niet, om iets dat in u zou zijn. Want daar is niets. Maar Zijn hart is bewogen in Zichzelf.

Hij ziet uw verlorenheid, uw slavernij, uw onwil, uw verzet, uw liefde tot de afgoden, uw liefde tot uzelf, uw vertrouwen op uzelf, en… Hij bemint u! Zijn hart brandt van bewogenheid om u, Zijn verloren schepsel, diep gevallen in zonden en schuld, levend in het dienen van de afgod van uzelf.

Als u goed kijkt, ziet u misschien wel een traan over Zijn wangen lopen: Och, of u op deze dag bekennen zou, wat tot uw vrede dient. Och, of u op deze dag erkennen zou, dat u slecht bent, dat in u geen goed woont. Maar nu is het verborgen voor uw ogen.

Wie gaat er zo meteen bedroefd naar huis? Wie raakt dit het meest? Markus schrijft: Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg, want hij had vele goederen (Markus 10:22) Een kleine traan op het gezicht van een voorbeeldig mens…

Een wat grotere traan, maar verborgen, in het hart van Gods dienaar. Farizeeërs en vrienden van de wet, uw verzet, uw onwil en vijandschap zijn voor ons oorzaak van tranen, als wij denken aan uw onsterfelijke ziel…

Maar, kijk nu toch! Een grote traan, een veel grotere traan op het gezicht van de Zaligmaker. Hij bemint u. Echt waar! Zijn hart is echt bewogen over u. Kijk toch, wat een diepe ernst op het gezicht van de Zaligmaker. Wat een tere liefde in het hart van Christus, die nu tegen u zegt: Mijn zoon, Mijn dochter, ga niet weg, maar geef Me toch uw hart! U bent niet ver van Mijn Koninkrijk, maar om binnen te gaan door de enge poort moet u buigen. Hoe lang weigert u te buigen? Hoe lang weigert u te erkennen dat u slecht bent, en dus deze Zaligmaker nodig hebt? Om aan Hem te vragen: bekering en vergeving van zonden in Zijn bloed?

Kom, kijk in Zijn hart. Hij zoekt uw behoud. Buig en erken: Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog. Altijd en overal. Ja echt: altijd en overal. Nooit deed ik één ding goed. En al die vermeende vroomheid van mij was zonde en afgodendienst. Zeg toch: ‘Heere, ik erken mijn schuld, die U tot straf bewoog. Maar ik aanbid Uw liefde en bereidheid om mij dat alles te vergeven. Heere, help me toch? Zone Davids ontferm U over mij, wees mij zondaar genadig?’ Wie tot Hem komt zal Hij niet uitwerpen!

Als u ooit aan de voeten van deze Zaligmaker gebogen hebt, met belijdenis van zonde en schuld, en biddend om genade en vergeving, dan was dat niet aan uzelf te danken. Want niemand is goed, dan Eén. Dan was dat alleen maar te danken aan Gods trekkende liefde, die hier gemist wordt. Dan was dat alleen maar te danken aan Zijn ontdekkende genade, die hier gemist wordt. Het was alleen de hartelijke overtuiging door het werk van God de Heilige Geest die ons brak, die hier gemist wordt.

Zijn liefdevolle stem bracht ons tot Hem, die onze ziel wilde redden en redde van de dood. Bij ons was het onmogelijk, maar alle dingen waren en zijn mogelijk bij God.

Nog een laatste keer: Mensen, zonder nieuw hart en zonder nieuw leven, onbekeerden, nette kerkgangers, maar vijanden van God en Christus, luister! Ik lees voor u nog vers 22, 23 en 24: En Jezus zeide tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan. En wederom zeg Ik u: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods. Mensen, u weet het toch? Een kameel past niet door het oog van een naald! U kunt het proberen, om u met al uw werken door de hemelpoort te wurmen, maar hoe u ook wurmt, het past niet, het past nooit!

Gaat u nu bedroefd naar huis? Ik hoop dat van harte. Maar dan nu met een buigend hart. En thuis met gebogen knieën, blijvend buigend aan de voeten van deze Zaligmaker. Zeg toch met de Samaritaanse vrouw: ‘Deze, die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb (mijn afgoderij, mijn zelfvertrouwen, mijn ongeloof, mijn vijandschap, mijn zonden, mijn schuld, mijn misdaden en mijn slechte hart), Deze, die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb, is deze niet aan Christus?’

Ja! Hij is de Christus. De Zaligmaker der wereld. Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

Amen.

Slotzang Psalm 147:7:

Hij wil in gunst uw heil bewerken, De grendels uwer poorten sterken, En zegent in uw land uw kinderen; Hij doet geen krijg uw wasdom hinderen; Hij deelt de liefelijke vrede, Zelfs aan Uw verste grenzen mede; Met vette tarwe wil Hij u spijzen, En kronen met Zijn gunstbewijzen.