9 februari 2025
Mattheüs 15:22: En zie, een Kananese vrouw uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.
INLEIDING
De Kananese vrouw roept Jezus aan om haar bezeten dochter, maar krijgt eerst geen antwoord, en dan zelfs een afwijzing: Hij is alleen gezonden tot Israël. Toch laat zij zich niet wegsturen en aanbidt Hem: "Heere, help mij!" Als Jezus haar met een hond vergelijkt, stemt zij daarin toe, maar pleit op de overvloed aan Zijn tafel. Haar geloof wordt beloond: haar dochter wordt gezond. Een les voor wie wacht, en voor ouders die hun kinderen aan Zijn voeten brengen.
Christus in de ontmoeting met de Kananese vrouw.
MATTHEÜS 15:22-28
22 En zie, een Kananese vrouw uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.
23 Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U, want zij roept ons na.
24 Maar Hij antwoordende zeide: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.
25 En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!
26 Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen.
27 En zij zeide: Ja Heere; doch de hondekens eten ook van de brokskens die er vallen van de tafel hunner heren.
28 Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelve ure.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Mattheüs 15:22
THEMA
Christus in de ontmoeting met de Kananese vrouw.
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over de ontmoeting van de Heere Jezus met de Kananese vrouw. Het Bijbelgedeelte is u voorgelezen Mattheus 15:21-28. Het thema voor de preek is: Christus in de ontmoeting met de Kananese vrouw.
We letten op drie aandachtspunten: 1. Zijn zwijgen (dat ziet u in vers 22-23a) 2. Zijn beproeven (dan denk ik aan vers 23b-25) 3. Zijn verhoren (dat ziet u tot slot in vers 26-28). Dus: Christus in de ontmoeting met de Kananese vrouw: Zijn zwijgen, Zijn beproeven en Zijn verhoren. Als eerste dus:
Jongens en meisjes, mamma doet heel veel voor jullie. Ze brengt je naar school, naar zwemles, naar catechisatie. Maar, is mama wel eens voor jou, met jou naar de Heere Jezus gegaan? Misschien zeg je: ‘dat weet ik niet.’ Dan moet je het straks thuis maar eens vragen. Natuurlijk niet in een volle kamer, maar even onder vier ogen: ‘mama, bent u ook wel eens voor mij, weleens met mij naar de Heere Jezus gegaan?’ Misschien zegt ze: ‘ja, dat weet ik, dat doet mijn mamma!’ Dan mag je wel dubbel dankbaar zijn, dat je zo’n moeder van de Heere gekregen hebt. Misschien zegt ze: ‘nee...’ Dat is mama natuurlijk nog steeds even lief als altijd. Dan moet je misschien maar zeggen: ‘zullen we dan nu maar samen gaan, samen biddend naar de Heere toegaan?’
Want dat is wat hier gebeurt. De Kananese vrouw, die komt uit de streek van Tyrus en Sidon, hoort dat de Heere Jezus in de buurt is, en komt naar Hem toe. Ze komt naar Hem toe vanwege haar dochtertje. Hoe oud haar dochter geweest is, weten we niet. Mattheus heeft het over een dochter, Markus noemt haar dochter-tje. Maar misschien is dat alleen maar een liefkozend verkleinwoord.
Mijn lieve dochter heeft een onreine geest. Ze is heel erg bezeten door de duivel. Door de duivel, de grote verwoester van zielen, van mensenharten. Door de duivel die er plezier in heeft om mensen stuk te maken, te vernielen, die mensen graag pijn doet, die graag tranen ziet van wanhoop en verdriet. En hij is van nature onze meester.
Misschien zegt u, vader of moeder: ‘ja, mijn kind. Ik durf er niet over te praten, maar het zit zo vast. Het zit zo vast in verkeerde uitgaansgelegenheden, in verkeerde muziek, in verslaving aan alcohol en drugs, meegetrokken door de verleiding van de wereld…’ Hebt u uw kind al bij Jezus gebracht? En hebt u ooit gezien hoe vast u zelf eigenlijk zit? In de greep van de duivel, de grote verwoester van zielen? Misschien uiterlijk wel voorbeeldig en netjes, maar toch nog steeds onbekeerd, en dus nog steeds in de greep van de duivel… Bent u al met de nood van uzelf en met de nood van de kinderen aan de voeten van Jezus terechtgekomen?
Is dit niet de tijd, de tijd dat Hij nabij is? Zoekt de Heere, terwijl Hij te vinden is, en roep Hem aan terwijl Hij nabij is! Dit is de tijd om met uw ziel en met de ziel van uw kind naar God toe te gaan en te zeggen: ‘Heere, verstoor toch de werken van de duivel in ons. Wij dienen hem, we zitten vast in zijn strik, we zijn bezeten door hem. Maar mogen we U kennen, U dienen en vrezen?’ Is het nu de tijd niet, terwijl de Heere dichtbij is, om met uw ziel en de zielen van uw kinderen tot Hem te vluchten en te smeken: ‘bekeer ons toch en verlos ons van de macht van de boze?’
De Kananese vrouw hoort dat Jezus in de buurt is, en ze komt, en ze roept, zoals staat in vers 22 en 23: En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten. Doch Hij antwoordde haar niet een woord. Ze roept, maar Hij antwoordt niet. Vergis u overigens niet. Er staat niet: ze roept, maar Hij hoort haar niet. Nee, er staat: ze roept, maar Hij antwoordt haar niet een woord.
Ze roept: ontferm U over mij, mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten. De nood van moeder en dochter, het loopt dwars door elkaar heen. En dat kan eigenlijk ook niet anders. Laten we maar niet proberen om dat kunstmatig uit elkaar te pluizen. Iedere ouder die zijn eigen nood voelt, voelt ongetwijfeld ook de nood van zijn kinderen. En iedereen die werkelijk de nood van zijn kind of kinderen voelt, kan eigenlijk ook niet onbekend zijn met zijn eigen nood. Denkend aan de woorden van Job: wie zal een reine geven uit de onreine?
Ontferm U over mij, mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten. Het is een roep uit de nood, een roep uit een benauwd hart. Maar er is geen antwoord…
Jongens en meisjes, misschien ken je dat wel. Je bidt, je smeekt, je roept: ‘Heere, help me toch, geef me toch een nieuw hart. En geeft U dat alstublieft ook aan mijn vader en moeder, en aan mijn broertjes en zusjes…’ Maar, er komt maar geen antwoord. En je denkt (het voelt alsof het in je oor gefluisterd wordt): zou je niet stoppen? Zou je het maar niet opgeven? Want, zou de Heere het wel zien, zou Hij het wel horen, als je in stilte je handen vouwt en je knieën buigt? Je zoekt, je roept, je bedelt: ‘Heere, help het toch…’ Maar het blijft zo stil…
Wil je ondertussen, jongens en meisjes, niet boos op de Heere worden? Want de Heere weet wel wat Hij doet, als Hij ons laat wachten. En Hij heeft er heel wijze redenen voor. Wat Hij weet wat goed voor ons is. Dat roepen, dat wachten, dat bedelen, en ondertussen geen antwoord krijgen, dat kan zo nuttig voor ons zijn. Zo nuttig voor ons, om kleiner te worden, om steeds minder te vragen als een recht hebbende zondaar, en steeds meer te pleiten als een schuldenaar die geen rechten heeft: ‘Heere, ik heb geen recht, wees mij toch zondaar genadig?’
Nuttig voor ons, en tegelijkertijd ook tot meer eer en glorie van God, Die uiteindelijk in die weg Zijn eigen werk wil laat schitteren als een diamant.
Want je verjaardagscadeau, jongens en meisjes, dat je uitgezocht en op je verlanglijstje gezet hebt, dat wil je natuurlijk liefst vandaag, nu direct hebben. Maar papa en mama zijn verstandige mensen. Die laten je rustig wachten tot de dag gekomen is. Dan ben je ook veel meer blij en gelukkig, dan wanneer je alles direct zou krijgen. Want in die tijd dat je wachten moet, ga je heel erg uitzien en verlangen naar de dag die komt. Vol van spanning, je kan er bijna niet meer van slapen. En als dan de dag van je verjaardag aanbreekt, dan wordt dat zonder twijfel de mooiste dag van het hele jaar. En dan vind je dat cadeau ook veel mooier, en je vindt papa en mama ook veel liever, dan wanneer je dat cadeau direct gekregen had toen jij het vroeg. De Heere laat zoekende kinderen, zoekende ouderen wel eens wachten. Wachten totdat Zijn tijd aanbreekt. Maar Hij hoort ons ondertussen wel. Hij ziet je wel, als je je knieën buigt. Hij hoort je wel als je bidt en vraagt. En Hij zal ook antwoorden. Maar Hij doet dat op Zijn tijd.
Wachten duurt lang. Wachten duurt lang als je voelt dat je hart vol is van zonde en schuld. En je roept tot God om vergeving: ‘Heere, wees mij genadig, verzoen mijn zware schuld.’ Maar, er komt maar geen antwoord. Zou God Zijn genade vergeten?
Wachten duurt lang. Als je de Heere zoekt, terwijl Hij te vinden is, als je Hem aanroept (zoals de Kananese vrouw) terwijl Hij nabij is. Maar toch, je vindt Hem niet… En u, u begrijpt er helemaal niets van. ‘Waarom, Heere? Hoort u mij dan niet?’ Het wordt al onmogelijker in onze ogen.
Maar, luister eens even goed. Heeft de pottenbakker geen macht over het leem, heeft hij geen bevoegdheid over de klei, om daarmee te doen wat hij wil? Heeft God niet het recht om met het schepsel te doen wat Hij wil? Hij is toch de soevereine God, die Zelf bepaalt hoe en waar en wanneer Hij Zich wil laten vinden?
Wachten duurt lang. Maar, als we de nood van onszelf en van onze kinderen voelen, dan stoppen we zeker niet met roepen. We roepen door, ook al is er geen antwoord. Juist als er geen antwoord is, dan gaan we nog veel harder roepen. Net als Bartimeüs: Hij riep des te meer: Zone Davids, ontferm U mijner.
Trouwens, niet alleen zoekende zondaars, die voor het eerst zoekend gemaakt zijn, moeten soms (of vaker) wachten, maar al Gods kinderen moeten vaak wachten. En dat zien we hier ook bij de Kananese vrouw. Zonder twijfel is het een kind van God, een gelovige vrouw. Immers Paulus zegt in Romeinen 10: hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? Zonder geloof is het onmogelijk om zo te roepen. Want die tot God komt moet geloven dat Hij is, en een Beloner is van degenen die Hem zoeken.
Ze erkent haar afhankelijkheid van Jezus, ze erkent Zijn hoogheid als ze Hem noemt: Zone Davids. Ontferm u over mij. U bent zo kostbaar voor me, maar waarom houdt U Zich zo stil? Heel haar opstelling ademt geloof en vertrouwen. Bij Hem moet ze zijn! Voor haarzelf, en voor haar kind. Calvijn zegt, als het gaat over het nut van dat wachten in het leven van Gods kinderen: ‘In het leven van Gods kinderen kan de Heere op een en het zelfde ogenblik spreken en toch zwijgen. Zij steunen op het getuigenis der Schrift, waarin zij Hem horen spreken; zij twijfelen niet aan Zijn genadige gezindheid jegens hen en toch… Hij antwoordt hen niet dadelijk, maar Hij houdt zich als hoorde Hij hen niet. Christus beoogt met Zijn zwijgen niet haar geloof neer te slaan, maar veeleer haar ijver aan te wakkeren en de gloed van haar geloof aan te blazen’.
Waarom antwoordt de Heere u niet, godvrezende moeder of vader, als u bidt, als u worstelt om uw kind? U voelt het gewicht van de zielen van uw kinderen. Het gaat u zo aan het hart, dat ze geen oog hebben voor God, voor Zijn dienst en voor de liefde van Christus. U bidt, u bedelt, maar u hoort geen antwoord. Waarom is dat? Waarom doet de Heere dat zo? Dit is Zijn doel: opdat u zou aanhouden, opdat u zou blijven roepen, steeds meer en steeds harder zou roepen, aanhoudend, zonder los te laten: ik laat U niet los, tenzij U mij en mijn kind zegent. Hij wil (zegt Calvijn) de gloed van uw geloof aanblazen.
En ondertussen wil hij uw oog richten op Hem die ook geroepen heeft, maar geen antwoord kreeg. Zoals staat in Psalm 22: Mijn God, mijn God! waarom hebt U mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens? Mijn God! Ik roep des daags, maar U antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte (22:1-2).
Zijn gebed bleef onverhoord, opdat uiteindelijk Zijn werk en Zijn genade zouden gaan schitteren in harten van roepende zondaars, die uitroepen: ‘Heere, doe het toch, hoewel ik geen recht heb, maar doe het toch om Jezus’ wil.’ Maar, verhoring komt alleen op Gods tijd. Want het is niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. Maar, laat u niet ontmoedigen. En laat u door niets weerhouden. Al loopt alles tegen. Al gaan uw kinderen een eigen weg, al zijn ze weg van de kerk, ja al zijn ze door de duivel bezeten. Breng uw kinderen aan de voeten van Jezus en laat ze daar liggen, totdat Hij zich over hen en over u ontfermt. Wij gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
We lezen in Vers 23b-25: En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na. Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls. En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!
Ze bidt, maar Hij neemt haar niet aan. Althans zo lijkt het. Sterker nog: de discipelen gaan ook bidden. ‘Laat die vrouw toch ophouden met dat geroep! Alstublieft, stuur dat mens weg!’ De volgelingen, de dienaars van Christus hebben niet altijd (misschien moet ik wel zeggen: vaak geen) oog voor degenen die tot Jezus roepen. Dat was toen zo, en dat is nog steeds zo. En dat komt omdat wij (die God mogen dienen in Zijn Koninkrijk) vaak zelf zo ver van die plaats verwijderd zijn. Zo ver, dat we dat roepen niet meer herkennen, omdat ons eigen hart zo weinig roept. Beschamend. Het komt omdat de discipelen zo bezig zijn met zichzelf, met zijn eigen plaats in het Koninkrijk van God. En ondertussen zijn ze onbewogen met een dochter die verloren dreigt te gaan.
De discipelen wijzen haar af. En Jezus zegt in vers 24: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël. Met andere woorden: u hoort er niet bij. U bent een heidense vrouw. Maar Ik ben gekomen voor de schapen van het huis van Israël. Ik heb alles tegen: mijn afkomst (ik ben een heidense vrouw), mijn vrouw-zijn (want rabbi’s praten niet met vrouwen), de discipelen helpen mij niet en Jezus wijst me af… Wat zou jij doen? Je hoofd laten zakken? Een traan, een verdrietig gezicht, en dan maar naar huis gaan? Of zou je denken aan die Bijbeltekst uit Jesaja: zoek de Heere, terwijl Hij te vinden is? Roep Hem aan terwijl Hij nabij is? Nu is Hij zo dichtbij, nu zal ik Hem niet loslaten, nu zal ik Hem niet weg laten gaan…
En zij kwam (zo staat er in vers 25) en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij! Alles is tegen. Onzichtbare handen duwen haar weg, boze blikken bestraffen haar. Maar ze komt. Ze is niet tegen te houden. En ze aanbidt Hem. Het is de levensnood van haar
dochter, het is de nood van haar eigen hart, die haar brengt aan de voeten van Jezus, en die haar doet uitroepen: Heere, help mij!
Waarom zou je komen en knielen, als je je nood niet ziet? Waarom zou je komen en buigen, als je denkt dat je daar zelf nog wel iets aan kunt doen? En waarom zou je komen en vragen om hulp, als je niet gelooft dat Hij je helpen kan, omdat Hij alles kan? Hier hoort u, wat haar brengt aan Zijn voeten: Heere! Heere, Kurios, U die alles kan. Almachtige Heere! Help mij. U kent mijn nood, U kent de nood van mijn kind. Niemand is in staat om mij te redden, niemand is in staat om haar te redden. Helpt U mij toch! Zonder U is het hopeloos, buiten U is het reddeloos!
Geen zondaar, die de nood ziet van zichzelf of van zijn kind of kinderen, zal zich ooit bij Jezus vandaan weg laten sturen, zal zich ooit laten ontmoedigen. Niet door wachten en ook niet door de woorden van Christus Zelf. Maar de roep klinkt des te sterker: Heere, zone Davids, ontferm u over mij! Help! Help mij! Help mijn dochter! Ik laat u niet los! U zult u, als ongeneeslijk zieke, toch ook niet uit de wachtkamer van de dokter laten wegsturen? U zult u, met een hongerige maag, toch ook niet laten wegsturen uit de rij van mensen die wachten op brood? Spurgeon zegt: de mond van het geloof laat zich niet stoppen, zelfs niet door een gesloten oor en een gesloten mond van Christus. Een schuldverslagen zondaar zal zich nooit weg laten sturen van de voeten van Christus. Want…? Want Hij is het ten diepste Zelf, Die haar naar Zich toetrekt, Die haar vasthoudt. En dat blijkt ook duidelijk uit het vervolg.
Eén ding nog, voordat wij verder gaan met ons derde aandachtspunt: zij aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij. Zij aanbad Hem. We kunnen allerlei ideeën hebben over aanbidding, we kunnen zoeken naar alternatieve vormen van liturgie, naar vernieuwing van de eredienst: Meer zang, meer lofprijzing, meer aanbidding… Maar dit is de aanbidding die Christus op het hoogst verheerlijkt. Het zijn maar drie woorden, op de knieën voor Hem, uit een verbroken hart: Heere, help me! Kent u dat gebed? Hebt u dat ooit zo gebeden, in de hoogste nood van uw leven? Alles tegen, geen enkel recht, en toch: Heere, ik laat u niet los, Heere, help me! Ware aanbidding, een ontroerend gebed. De discipelen geven er niets voor, en dat kan nog wel zo zijn. Maar dit is Gods werk. Dit is echt. Dit krijgt het stempel van God Zelf, dit is van God Zelf. Drie woorden, en het is genoeg: Heere help mij. Wij gaan nu eerst samen zingen, uit Psalm 31:1: Op U betrouw ik, HEERE der heren, Op U, gelijk 't betaamt; Ai, laat mij nooit, beschaamd, Van Uwen troon teruggekeren; Help mij, op mijn gebeden, Door Uw gerechtigheden.
Het gaat vanmorgen over Christus in de ontmoeting met de Kananese vrouw. We hebben geluisterd naar het zwijgen van de Heere Jezus, we hebben gelet op hoe Hij de Kananese vrouw beproeft, en we letten nu in de derde plaats op
Jongens en meisjes, hebben jullie thuis een hond? Een grote misschien, of een kleintje? En: wie zitten er bij jullie aan tafel? Je zegt: natuurlijk, papa, mama, de andere kinderen en ikzelf, maar de hond natuurlijk niet. Die heeft zijn eigen plek, die heeft zijn eigen etensbak. Ja, dat geloof ik, maar zo’n hond, en zeker een klein hondje, kan terwijl je samen zit te eten wel stiekem een beetje zitten schooien om eten. Hij zit onder de tafel, krabt een beetje met zijn pootje aan je stoel, duwt een beetje tegen je been… En stiekem, zonder dat papa of mama het ziet, gooi je een klein stukje brood onder de tafel. Dan is je bord ook een beetje sneller leeg… Of, als je niet zo netjes eet, dan vallen er vanzelf allerlei kruimeltjes op de grond. En wie eet ze op? Het hondje natuurlijk. Blij en gelukkig. Hij hoeft helemaal niet per se aan de tafel te zitten. Wat hij krijgt, dat is genoeg. Daar is hij blij mee. Daar moet je denken bij het lezen van vers 26-28: Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen. En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren. Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.
Wat zou jij zeggen? Wat zou u zeggen? Ik zou misschien wel zeggen: wat krijgen we nu? Ik, een hond?! Maar zij zegt: ja, Heere. Met andere woorden: U hebt gelijk, ik ben een hond. Ik geef toe, ik heb geen recht op een stoel aan de tafel, zoals de kinderen die hebben. Het is waar. Amen, U hebt gelijk: ik ben een hond.
Gemeente, hier ligt een levensvraag voor mij, voor u. Ik vraag niet of u uw bekeringverhaal op z’n mooist kan vertellen, zoals anderen dat misschien ook van u verwachten. Maar ik vraag u: hebt u ooit aan de voeten van Jezus (niet ergens anders!) gezegd: Amen, ja Heere, ik ben een hond! Dan bent u veel gelukkiger dan u misschien zelf wel durft te geloven. Want Christus heeft nog nooit een hond die bedelde om genadebrood met een lege maag weggestuurd.
Gemeente, kent u dit toestemmen? Dit amen zeggen? ‘Heere Christus, ja, amen, ik ben een hond?’ Niet: kijk eens wat ik allemaal heb gedaan, en wie ik ben, en hoe goed ik ben. Nee, kijk, ik ben een hond. En U mag de hardste dingen tegen me zeggen. Want U hebt gelijk, Heere, ik ben een hond.
Maar…, ik wil zo graag Uw hondje zijn... Ik ben liever een hondje onder Uw tafel, dan een lieveling aan de tafel, maar dan van de duivel.
Misschien, jongen of meisje, zeg jij ook wel eens tegen jouw hondje thuis: ‘nee, je mag niet aan de tafel, opzij!’ Maar, kijk nou eens goed naar je hond. Kijk eens goed in zijn ogen. Het is alsof zijn ogen zeggen: ‘dat is goed, ik hoef ook niet aan de tafel, maar ik wil zo graag onder de tafel bij jou zijn.’ Denk maar aan de verloren zoon: ‘vader, ik ben het niet waard om uw kind genoemd te worden. Maar mag ik alstublieft toch dicht bij u zijn?’ Ik ben een hond, maar mag ik Uw hond zijn? Want ik zoek een andere baas, ik zoek een andere meester. Is het ooit uw verlangen geworden en is het sindsdien, gemeente, uw verlangen gebleven: ‘Heere, liever een kruimel van U, dan een feestmaaltijd van de wereld?’
Zij die ooit een kruimel onder de tafel geproefd hebben, willen ook nooit meer terug. Was dat vanmorgen uw verlangen, voordat u naar de kerk ging? ‘Heere, ik ben een hond, maar mag ik een kruimel, mag ik een brokje van de kinderen?’ Het geloof stemt toe in eigen veroordeling: ik ben een hond voor U!
Maar het geloof, het geloof van deze Kananese vrouw, doet meer. Het neemt argumenten uit de mond van Jezus. Het neemt het woord uit Zijn mond en grijpt zich daaraan vast. Het geloof pleit op het woord van de Heere Zelf, hoewel het geen rechten heeft. Ze zegt: het is waar, ik ben een hond. Maar de hondjes eten toch ook van de kruimeltjes die er vallen van de tafel van… hun vader? Nee: van hun heren. Hoort u wat ze zegt? Ik ben een hond, geen kind. Maar wilt u mijn Heer, dat wil zeggen mijn Baas, mijn Meester zijn? U bent een Heer, en een Heer voedt Zijn hondjes. Het is haar grond om op te pleiten: de rijkdom en de overvloed in het huis van de heer. Al eten alle kinderen totdat hun buikjes vol zitten, er valt nog steeds genoeg van de tafel. Een arme man heeft geen hond, die spaart de kruimels voor zijn kinderen en voor zichzelf. Maar waar overvloed is, in een herenhuis, daar vallen brokjes en kruimels op de grond.
Hier is een krachtig geloofspleiten van een bedelende moeder. Als U dan zoveel hebt, Heere, dat er altijd kruimels van Uw tafel vallen, dan hebt U dus ook alle macht. Dan hebt U alle macht over mij, en over mijn kind. Ontferm U dan over mij, want mijn kind is door de duivel bezeten.
En weet u wat dan het wonder is? En dat geldt ook nog voor nu: Jezus kan zich niet verbergen voor zulke bidders. Er staat in vers 28: Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure. Hij antwoordde haar. Bidders krijgen antwoord. Hij zal antwoorden op Zijn tijd. Zo Hij vertoeft, als u wachten moet, verwacht Hem dan. Verbeid Hem, want Hij zal gewis, zeker komen en niet achterblijven.
O vrouw, groot is uw geloof. Een uitroep van verwondering. Waarom verwondert Christus zich over zo’n groot geloof? Waarom is Christus zozeer tevreden met het geloof van Zijn kinderen? a. In de eerste plaats omdat het geloof een zaak is die door Hem gewerkt en bevolen is. Zoals staat in Johannes 6:29Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft.: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft. b. In de tweede plaats omdat het geloof ook aanspoort tot een hoge achting van Christus. Hij prijst het geloof, omdat het geloof Hem prijst. Hij prijst het geloof omdat Hij daarin Zijn eigen werk ziet. Want het geloof ontledigt ons, en het geeft alle eer aan Christus. Wij worden minder, ja zelfs een onreine hond, en Hij wordt meer, ja alles.
Kinderen van God, u zult Christus tevreden stellen door geloof, door levend geloof en door de beoefening daarvan. Want het geloof legt ons in het stof en zet Christus op de troon. Het geloof verklaart ons bankroet en ziet op de onnaspeurlijke rijkdom van Christus. Dit is geloofstaal: ‘ik ben verloren, ik ben onmachtig, mijn gerechtigheid zijn vuile vodden. Heere help mij. Hier ben ik: bedelaar om Uw gift, zieke om Uw genezing, een blinde om Uw ogenzalf’. Het geloof brengt een leeg vat, een lege kruik bij Christus. Het geloof komt met een geopende mond. Christus komt met een geopende hand.
In deze geschiedenis van de ontmoeting van Christus met de Kananese vrouw is tot slot een les voor verschillende soorten van mensen onder ons.
a. In de eerste plaats voor u die nog onbekeerd bent. In deze geschiedenis verwondert Jezus zich over het geloof van de Kananese vrouw. Op een andere plaats staat dat Jezus (toen Hij in Zijn vaderland was) Zich verwonderde over het ongeloof van de mensen. Moet dat ook van u gezegd worden? Hoewel Hij te vinden is, u zoekt Hem niet? Hoewel Hij nabij is, u roept Hem niet aan? Is dat niet uiterst onverstandig? Is dat niet levensgevaarlijk? De Heere werkt, misschien wel heel dicht bij in uw omgeving, maar het gaat aan u voorbij…. O, zoek de Heere toch, terwijl Hij te vinden is en roep Hem aan terwijl Hij nabij is.
b. In de tweede plaats ligt in deze geschiedenis een les voor allen die God zoeken. Deze boodschap: houd aan, grijp moed. Alles schijnt wel tegen u te zijn, en uw eigen hart moet u veroordelen. Maar vergeet niet: het roepen van zondaars klinkt als hemelse muziek in de oren van de Zaligmaker. Grijp u dan als een verloren zondaar, als een onwaardige bedelaar, als een onreine hond vast aan Zijn voeten. En Hij zal u niet laten gaan. U zegt: ik zal Hem niet laten gaan, tenzij Hij mij zegent. Maar ik zeg u: Hij zal u niet laten gaan. Want Hij laat zulke zondaars nimmer schaamrood staan.
3. De derde plaats ligt in deze geschiedenis een les jullie, jongelui. Misschien leef je aan de rand van de kerk. Misschien heb je er ondertussen wel een beetje genoeg van. Misschien vecht je wel tegen de raad en het advies van je ouders. Maar ik raad je dringend aan om nooit te vechten tegen de gebeden van ouders, die je leggen aan de voeten van Christus. Dat is geen garantie voor een goed einde. Als je doorgaat zonder God, dan kom je om. Maar het is wel een sterke aanmoediging om ook zelf die weg te gaan. Om te komen en te roepen: ‘Heere, ik ben door de duivel bezeten. Heere, help mij!’ Om amen te zeggen op het woord dat je veroordeelt en tegelijkertijd de voeten van Christus vast te grijpen. Als je Hem nederig valt te voet, zal je van Hem Zijn wegen leren.
4. Hier is in de vierde plaats een bijzondere aanmoediging voor moeders, voor ouders van dwalende kinderen. Moeders, vaders, is uw kind door de duivel bezeten? Er is raad aan de voeten van Jezus. Daar mag u uitroepen: Heere help mij, mijn kind! Daar hoeft u het ook nooit op te geven! Daar kunt u wel ontmoedigd worden door een gesloten mond en door schijnbaar gesloten oren. Maar: laat u niet ontmoedigen! Want er is verwachting voor uw nakomelingen, voor uw kinderen, als u ze zo legt aan de voeten van Christus. Kinderen van zulke gebeden, kinderen die zo gelegd zijn aan de voeten van Christus kunnen niet verloren gaan.
Want God laat zich bedwingen door de kracht van het geloof, dat hij Zelf gewerkt heeft in de harten van Zijn kinderen. En daarom, bid nooit om het oordeel over uw kinderen, geef ze nooit op, maar breng ze tot Jezus. Zoals de vaders destijds hun kleine kinderen tot Jezus brachten, breng zo, moeders, al uw kinderen tot Jezus. En Hij die u ooit aanzag, kinderen van God, en aannam als een grote onreine hond, zal zonder twijfel bereid zijn op uw noodgeschrei ook uw kinderen aan te nemen als kleine hondjes.
Laat, verdrietige moeders, deze moeder u tot een voorbeeld zijn. Moederliefde maakt de zwakste tot een held. Pleit bij God voor uw zoon, voor uw dochter, zoals uw moederhart u daartoe drijft. En geef niet op, voordat Hij gezegd heeft: o vrouw! groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt. De duivel is uit uw dochter gevaren. Want God zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Amen.
Slotzang: Psalm 31:19 Bemint den HEER’, Gods gunstgenoten; Den HEER’, Die vromen hoedt, En straft het trots gemoed. Zijt sterk; Hij zal u niet verstoten: Hun geeft Hij moed en krachten, Die hopend op Hem wachten.
Andere preken over Mattheüs
Andere preken voor Heilige Doop