Pasen - 31 maart 2024
Lukas 7:12: En als Hij de poort der stad genaakte, ziedaar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe, en een grote schare van de stad was met haar.
INLEIDING
Bij de poort van Naïn ontmoet Jezus een dodenstoet: een weduwe draagt haar enige zoon naar het graf. Met ontferming bewogen raakt Hij de baar aan en spreekt: "Jongeling, sta op." De dode leeft en gaat spreken. Deze geschiedenis spiegelt jongeren hun eigen geestelijke dood voor, maar ook Christus' macht om doden te doen leven door Zijn Woord. De menigte wordt bevreesd en verheerlijkt God — maar de vraag blijft: ben jijzelf ook tot leven gekomen?
Doden zullen horen de stem van de levende God, en zij zullen leven!
LUKAS 7:11-17
11 En het geschiedde op den volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Naïn, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen en een grote schare.
12 En als Hij de poort der stad genaakte, ziedaar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe, en een grote schare van de stad was met haar.
13 En de Heere haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet.
14 En Hij ging toe en raakte de baar aan (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op.
15 En de dode zat overeind en begon te spreken; en Hij gaf hem aan zijn moeder.
16 En vrees beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft Zijn volk bezocht.
17 En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judéa en in al het omliggende land.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Lukas 7:12
THEMA
Doden zullen horen de stem van de levende God, en zij zullen leven!
Wat was zijn moeder blij, dat ze hem nog had, haar enige zoon. Maar het was allemaal zo anders gegaan dan ze verwacht had. Eerst was haar man gestorven, en nu ook hij. Hij was nog een jongeling; ouder dan een puber, maar toch, zo jong nog.
Vandaag loopt ze achter de draagbaar, waar haar jongen op ligt. Gewikkeld in linnen doeken. Een zweetdoek om zijn hoofd. Alleen zijn gezicht is nog te zien. Een aanblik vol bitter verdriet...
Het is nog geen dag geleden dat hij stierf. En nu lopen ze de poort uit, van het stadje Naïn. En (zegt vers 12): een grote schare van de stad was met haar. Gelukkig is er veel meeleven. Dat doet haar ongetwijfeld goed. Maar haar knul… is niet meer. Samen lopen ze door de poort van het stadje Naïn, op weg naar het graf, buiten de stad.
Waar op dezelfde weg een andere stoet hun tegemoet komt, die - denken ze - net als bij ons, wel netjes aan de kant zal gaan, om deze plechtigheid niet te verstoren. Vers 11 zegt: En het geschiedde op de volgende dag, dat Hij (Jezus) ging naar een stad, genaamd Naïn, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen en een grote schare. En (vers 12) als Hij de poort der stad genaakte, ziedaar…
Twee grote groepen mensen op dezelfde weg, steeds dichter bij elkaar… Maar vooral in het centrum van die beide menigtes. Een dode jongen. En Jezus, Die de sleutel heeft van de hel en van de dood (Openb. 1:18En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.).
Je voelt spanning stijgen… Wat gaat er gebeuren? Gaat de ene stoet wijken voor de andere? Nee, ze lopen recht op elkaar af…
Vers 13: En de Heere haar ziende (Hij ziet de moeder van die jongen, Hij ziet die weduwe!) werd innerlijk met ontferming over haar bewogen (letterlijk staat er zoiets als: Zijn hart ging tot haar uit) en zeide tot haar: Ween niet Met liefdevolle, zachte, troostende stem: Niet huilen. En verder niets. Maar de ontferming in Zijn ogen, droogt haar tranen. Het mag wel tot troost zijn van rouwdragende families onder ons, van hen die in het verleden geliefden door de dood hen zagen ontvallen. Jezus ziet en kent uw verdriet, en het raakt Zijn hart!
Vers 14: En Hij ging toe (Hij komt dichterbij; kijk mee!) en raakte de baar aan (de dragers nu stonden stil). De mensen staren Hem ongetwijfeld met grote ogen aan. En wij ook! Sommigen zijn misschien wel overrompeld, beledigd. Wie doet dat nu! En Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op. Was hij ziek geweest, melaats of verlamd, dan was er nog hoop. Maar hier niet meer, toch? Maar Jezus zegt: Jongeling, Ik(!) zeg u, sta op. En, kijk(!): Hij gaat zitten, en begint te praten. Wat? Dat weten we niet, dat doet er ook niet toe. Hij leeft! En (vers 15) Hij (Jezus) gaf hem aan zijn moeder.
En (vers 16) vrees beving hen allen. Het grijpt hen vast. Dit is Gods werk! En zij verheerlijkten God. Zeggende: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft Zijn volk bezocht. Is dit misschien de grote Profeet, Die beloofd is in Deuteronomium 18? (18:15) En was dit niet de hoop uit de mond van Zacharias, in zijn lofzang: God heeft Zijn volk bezocht? (Luk. 1:68Geloofd zij de Heere, de God Israëls, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volke;) Ze worden gegrepen door ontzetting, door vrees, en verheerlijken God. Maar… daar blijft het bij…
We kijken vanmorgen, gemeente, met Gods hulp, in de preek samen naar vier dingen: Naar de situatie van deze jongen, naar het verdriet van zijn moeder, naar de macht van de Heere Jezus, en naar de reactie van de mensen.
Het thema voor de preek is: Doden zullen horen de stem van de levende God, en zij zullen leven! Vier aandachtspunten: 1. Een dode jongen 2. Een verdrietige moeder 3. Een almachtige Jezus 4. Een geschokte menigte
Als eerste dus:
Want dat is wat je ziet en voelt, als je meeloopt in die stoet; en kijkt naar… die draagbaar. Een knul, die gisteren nog leefde… De trots van zijn moeder… Zijn roze lippen, zijn heldere ogen, zijn stevige bouw, knap als hij was… Er is niets van over, dan alleen nog zijn zichtbaar bleke gezicht… Gisteren leefde hij nog. Nu wordt hij weggedragen naar zijn graf, buiten de stad.
Onbekeerde jongens en meiden, als je in gedachten naar deze knul kijkt, dan zie je… jezelf. Dit is bedoeld als spiegel. Zoals jij kijkt naar deze jongen, zo kijkt God naar jou. Hoe moet het voor je Schepper zijn, om je te zien, zoals je geworden bent? Dood door je misdaden en zonden? Ooit de trots van Zijn volmaakte schepping… Alles was zeer goed… Een jongen, een meisje, een jongeman, een jonge vrouw, gemaakt om Hem te dienen en lief te hebben… Maar nu… Wat is daarvan overgebleven? Je doet je eigen zin, je leeft je eigen leven. Je leest niet, je bidt niet, je luistert niet. Je vermaakt je met dingen waarvan je weet, dat de Heere ze niet goed vindt. En ook al doe je dat allemaal niet, dan toch: als je hoort van de Zaligmaker, Die God zond om vijanden met Hem te verzoenen, dan laat je het aan je voorbijgaan…
O, hoe is je bestemming (om de Heere lief te hebben en te dienen) verloren gegaan! O, hoe ben je gestruikeld en gevallen! O, hoe heb je het beeld van je Schepper geschonden! Dit perst Jezus de tranen uit Zijn ogen: je diepe ellende. Want Hij ziet als geen ander, dat je zonde de oorzaak is van je geestelijke dood en van de ontluistering van je bestaan. Maar jijzelf ziet het niet… En Zijn tranen raken je niet…
Dit doet ook de toorn van God branden over je leven. Want zeker, God is liefde. Maar Hij is ook rechtvaardig. Hij houdt de schuldige geenszins onschuldig (Ex. 34:7). Hij eist vergelding van je misdaad. Zijn liefde is volmaakt. Nu Hij met innig medelijden naar je kijkt! En Zijn rechtvaardigheid is evenzo volmaakt. Nu Hij met toorn op je ziet!
Dat, onbekeerde jongeren, maakt je toestand ellendig, diep ellendig. Je bent geestelijk dood en verloren. En de toorn van God rust op je. Het kan zijn, dat je (of dat u) dat een sombere en kille boodschap vindt. Maar ik heb het niet van mezelf. En ik zou je bedriegen, als ik er iets anders van zou maken. De Bijbel zegt het en laat het hier zien. En dus is het zo, en niet anders. Onbekeerde jongeren, je bent ellendig en verloren in jezelf. En je bent op weg naar eeuwigheid!
Ons tweede punt:
Er zijn maar weinig tranen, die je zo erg kunnen raken als de tranen je moeder. Maar… dat zie je hier niet meer. En misschien is dat bij jou ook wel zo. Je doet het niet expres, om haar pijn te doen. Maar toch… Je weet wat het met je godvrezende moeder of vader, vrienden of vriendinnen doet…
Ze zouden zo graag zien, dat je je Bijbel zou lezen, dat je zou bidden, dat je zou luisteren, dat je naar de catechisatie zou gaan. Maar ze merken je weerstand, die gaandeweg steeds groter wordt. Nee, het zal nooit tot een breuk tussen jullie leiden, want jullie houden zielsveel van elkaar. Maar jouw moeder huilt misschien ook wel in stilte voor God, net zo hard als deze weduwe. Want? Want ze ziet je ellende. Ze ziet je onverschilligheid toenemen. Ze ziet je… op weg naar de eeuwigheid. Zoals deze vrouw haar jongen onherroepelijk naar graf gedragen ziet. Zo ziet ze ook jou, op weg naar de eeuwigheid.
Misschien vind je het overdreven. Maar dat is het niet! Als vader of moeder, als vrienden en vriendinnen, als dominee, als ouderlingen en diakenen gun je je jongeren het beste wat er is. En dat is, jongens en meiden: de dienst van de Heere, leven met God! Wat geeft dat veel rust en vrede en blijdschap en hoop en verwachting in je leven. Hoe het ook gaat. Als je van jongs af aan mag leven met de Heere!
En dat heb je niet, als je je eigen leven leidt, zonder God. Zonder God (zegt de Bijbel) heb je geen vrede (Jes. 48:22Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.). Dan blijft je hart (zegt Augustinus) onrustig. Je kan je drie keer in de rondte werken om plezier te hebben, maar het is gebakken lucht. Je kan je uiterste best doen om te genieten van wat je hebt, maar het is een glimmende zeepbel, die vroeg of laat openspat en verdwenen zal zijn. Het dienen van Heere zou je zoveel zegen brengen.
En je zou ook zelf zoveel kunnen beteken voor de dienst van de Heere. Als je al je krachten en talenten zou gebruiken voor God, en voor de redding van de mensen om je heen. Je zou zoveel kunnen betekenen voor de jongelui om je heen, in de kerk, bij je opleiding, op school, op je werk. Zoals deze jongen zoveel had kunnen betekenen voor zijn moeder. Als haar steun en toeverlaat in haar weduwe-zijn. Als haar mantelzorger bij het ouder worden. Om de naam en het bezit van haar familie in Israël te bewaren.
Ze hadden samen nog zoveel kunnen praten over de goede dienst van Israëls God. Maar nu niet meer…
‘Kan hij toch niks aan doen?’ Nee, klopt. Maar ik en jij wel! Want onze geestelijke dood en vijandschap zijn eigen keus. Met grote consequenties voor nu. En met nog grotere consequenties voor straks. Want, jongelui, je bent op weg naar de grote ontmoeting met God, je bent op weg naar de eeuwigheid. Je leven, je genadetijd, de dag dat de Heere dichtbij is, de dag der zaligheid gaat voorbij. Nu nog roept de Heere: Kom! Maar als je niet antwoordt, zal Hij straks zeggen: Ga maar, ga weg van Mij! [stilte]
Er is maar één uitweg, er is maar één oplossing om uit je diepe ellende te komen. En dat is deze: Jezus kruist je pad. Vanmorgen! Nu!
Daar heb je eerlijk gezegd niet om gevraagd. Maar Hij is hier, ook zonder dat je het wilde. En dat komt uit Zijn liefdevolle hart! O, als je Zijn hart zou kennen, dan zou je Hem niet negeren, dan zou je Hem niet afwijzen.
Hij blokkeert uit liefde je weg. Hij kijkt met een oog van medelijden naar je moeder. Hij raakt de draagbaar aan. En opent Zijn mond. En spreekt... De Almachtige spreekt… En doden die Zijn stem horen, zullen leven (Joh. 5:25Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.). We gaan het zien in ons derde punt: een almachtige Jezus. Maar we zingen eerst uit Psalm 89:19: Gedenk, o HEER’, hoe zwak ik ben, hoe kort van duur; Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur; Zou 't mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen? Wie leeft er, die de slaap des doods niet eens zal slapen? Wie redt zijn ziel van 't graf? Ai, help ons, als tevoren, Gelijk Gij bij Uw trouw aan David hebt gezworen.
Ons derde punt:
Jezus kruist het pad van deze jongen en zijn moeder. Daar hebben ze allebei niet om gevraagd. Zoals jij er vanmorgen misschien ook wel niet om gevraagd hebt. Maar dat houdt Hem niet tegen. Hij is hier. Hij staat voor je. En het is Zijn wil om jou te ontmoeten.
Wie Hij is? Jezus, de Zoon van God. Die mens wilde worden. Die de heerlijkheid van de hemel wilde verruilen voor de bitterheid van deze lage aarde. Die leed en stierf aan kruis. Omdat Hij Zich vrijwillig overgaf in de dood. Om die te overwinnen. En dat deed Hij! Hij stond op uit de doden. Hij overwon hel en graf. Niemand is sterker dan Hij, Die nu vanmorgen voor je staat en zegt: Zie, hier ben Ik!
Hij staat voor hem, voor die jongen, die op de draagbaar ligt (midden in zijn dood): Zie, hier ben Ik! Hij staat voor jou, midden in je geestelijke dood en ellende: Zie, hier ben Ik! Of je vrienden met je verder willen lopen of niet, dat doet er niet toe. Zie, hier ben Ik!
In één oogopslag ziet Hij het. Het verdriet van zijn moeder. Het verdriet van jouw moeder. En het raakt Zijn hart. Zijn ellende, jouw ellende. En het raakt Zijn hart.
De dragers staan stil. Moeder staat stil. En houdt met de menigte de adem in. Zoals jouw moeder misschien ook nu wel haar adem inhoudt… Want, als God gaat spreken… dan…
Iedereen staat stil… En het is stil… Op de vingerwijzing van de almachtige God. Ook nu. Hij ging toe en raakte de baar aan (en: de dragers nu stonden stil). Hij neemt de onreinheid van deze dode jongen op Zich, terwijl Hij Zelf rein blijft (Tit. 1:15Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en geweten zijn bevlekt.).
Luister, de stilte wordt doorbroken: En Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op. Wie is de dood?! Wie is die vijand die ieder mens neersabelt?! Ik zeg u! Want Ik heb sleutels van hel en van het graf! Sta op!
Wonderlijk bevel toch? Ziet hij die jongen Jezus? Hoort hij Zijn stem? Zie jij iets? Hoor jij iets? Doden kunnen toch niet horen, doden kunnen toch niet zien?
Opstaan! Dat is een bevel voor levende mensen, toch? Bekeer je en geloof het Evangelie! Dat is een bevel voor geestelijk levende, voor bekeerde mensen toch?
Nee, dat is een bevel voor DODEN! De roep van het Evangelie, vanmorgen vooral voor jullie jongelui, is: Sta op! Doden, sta op van de doden! En Christus zal je licht en leven geven!
De Heere zegt (voor het eerst noemt Lukas Hem in deze geschiedenis: Heere! Degene Die als Koning heerst en gebiedt!), de Heere zegt: Ik(!) zeg u! En ik zeg vanmorgen met volmacht van deze Heere: Zo zegt de Heere! Terwijl ik de uitkomst ervan in vertrouwen laat in Zijn almachtige handen. Zo zegt de Heere tegen jou, tegen jullie: Sta op! De Heere ziet je geestelijke dood en zegt: Ontwaakt, u, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten (Ef. 5.14).
En (vers 15) de dode zat overeind. Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er (Ps. 33:9Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.). Hier wordt werkelijkheid wat Ezechiël ooit profeteerde in Ezechiël 37. Waar Heere de hem ‘in de geest’, in een gezicht, in een visioen plaatst midden in een grote vallei, vol beenderen. Hij ziet geen leven. Alleen maar botten van skeletten. Maar ondanks dat hopeloze uitzicht zegt de Heere tegen Ezechiël: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord. Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal de geest in u brengen, en u zult levend worden (…) en u zult weten, dat Ik de HEERE ben (34:4-6).
Dat wat Ezechiël toen zag in dat visioen, dat zie je hier in het echt: ‘Dode jongeman, hoort des HEEREN woord. Ik zal de geest, ik zal leven in u brengen, en u zult levend worden (…) en u zult weten, dat Ik de HEERE ben.’ Ik zeg u, sta op!
En dat is de werkelijkheid ook, van wat hier in de kerk gebeurt. Daarom is het spreken van de Heere in de verkondiging van het Evangelie ook onvervangbaar. Hier spreken we met volmacht, op het bevel van Christus: Doden, sta op! Bekeer u en geloof het Evangelie! En (zegt Calvijn): ‘God brengt in Zijn woord een verborgen kracht, die doden zielen binnendringt’, en hen tot leven wekt. Dat gebeurt hier, door het spreken van de Heere, door de preek.
Daarom moet je hier zijn, jongelui. Dit is onvervangbaar. Dit is niet inwisselbaar voor iets anders, wat even goed werkt. Hier spreekt God, met macht. En als Hij spreekt, dan zijn Zijn woorden werkelijkheid. Zijn woord is daad.
Want, zo zegt vers 15: En de dode zat overeind en begon te spreken; en Hij gaf hem aan zijn moeder. Zo zal het ook zijn, als God vanmorgen tot jou spreekt: Sta op! Dan zal je leven. Dan zal je Hem zien, naar Wie je nooit gevraagd hebt. Dan zal je je grote nood zien: op weg naar graf Dan zal je gaan roepen om genade.
Dan zal ook je hart voor het eerst gaan kloppen van liefde en warmte voor Hem, Die je leven gaf. Dan zullen je ogen Hem zien, Die je uit zo een groot gevaar verlost heeft. Het zal je hart vol maken met verwondering, verbazing, ootmoed en nederigheid. Dan zal er een nieuwe wereld voor je opengaan. Geen wereld waarin jij als wonderkind centraal zal staan. Maar een wereld waarin God centraal zal staan. De wereld van Zijn goede dienst. Van leven dicht bij de Heere, bij Zijn Woord en bij het gebed. Van Hem meer leren kennen, van dieper voor Hem buigen. Van Hem alle eer geven voor Zijn goedheid en genade.
Je zult Hem leren kennen, stapsgewijs steeds meer leren kennen: Als de grote Profeet, door de Heere gezonden om je te leren hoe je zalig moet worden. Als de grote Hogepriester, Die gekomen is om zonde en schuld af te wassen. Om de prijs ervan te betalen, om zo aan de eis van Gods recht te voldoen. Als de grote Koning, Die Heere en Meester wil zijn in je leven.
En waar je hart vol van komt, zal je mond van overlopen. Je zult, net als deze jongeman, gaan spreken, over de grote werken van God gaan vertellen (Hand. 2:11Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.).
Daar kijken we naar uit, jongelui. Dat er meer onder jullie komen, die goede dingen gaan zeggen over de Heere en Zijn dienst. Dat geeft ook nieuwe verbindingen binnen de gemeente. Dat is het echte bindmiddel in de gemeente, onder vrienden, in gezinnen en huwelijken. Het samen liefhebben van de Heere. En dat blijkt ook. Er staat in vers 15: En Hij gaf hem aan zijn moeder.
Haar tranen zijn gedroogd. En de band met haar zoon wordt hersteld. Daar zien, jongelui, jong volwassenen, je vader en moeder, je vrienden en vriendinnen als het goed is naar uit.
En daar zien wij als kerkenraad naar uit. Naar: dat je de Heere gaat dienen en je leven door genade gaat richten op Hem. Dat bindt ons samen. Als we samen merken dat de Heere groot gemaakt wordt.
Niet dat we jullie dan complimenten gaan geven. Daar worden ik en jij en wij veel te snel hoogmoedig van. En dat helpt je geestelijk ook niet verder. Wat jou, je vrienden, je gezin en de gemeente verder helpt, is dat eenvoudig verder bidden en vragen. Nu niet meer met de bijna hopeloze tranen van verdriet en zorg van voorheen. Maar meer dan ooit pleitend op Gods trouw, met hoop en verwachting. Omdat de Heere nooit zal loslaten het werk van Zijn handen. Biddend om meer genade, om meer geloof, om meer afhankelijkheid en om een blijvend leven dicht bij de Heere.
Nog kort ons vierde punt:
Vers 16 zegt: En vrees beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft Zijn volk bezocht. Vrees beving hen allen. Het raakt hen, het grijpt hen aan. Ze zijn geschokt. Zoals jij misschien ook wel geschokt was, toen je vriend of vriendin ineens anders werd. Toen de Heere ging werken in zijn of haar hart. Je dacht: Hoe is het mogelijk…?
Ja, dat is een begrijpelijke vraag: Hoe is het mogelijk? Je hebt reden om geschokt, om bevreesd te zijn. Want blijkbaar was en is God heel dichtbij. Want Hij deed dat. Zijn hand raakte je vriend of vriendin, je broer of je zus, je man of je vrouw aan! Is Zijn hand ooit dichter bij je geweest, als toen, als nu? En Hij deed het onmogelijke, wat je nooit voor mogelijk had gehouden. Alles veranderde. De dode stond op! En jij…?
Misschien heb je er wel mooie dingen over gezegd. Zoals de mensen dat hier ook doen: Ze verheerlijken God. Ze geven Hem de eer. Dit heeft God gedaan! En, zeggen ze: Een groot Profeet is opgestaan. God is bijzonder bezig in deze tijd met Zijn belofte te vervullen. En Hij heeft Zijn volk bezocht, met ontferming. Mooi…!
En verder…? Jij…? Heb je toen (toen de hand van God kwam in het leven van je vriend of vriendin, je broer of zus, je man of vrouw), heb je toen je dat merkte…[aarzeling]? Je zegt: ‘Ja, dat soort van dingen heb ik toen ook gedacht en gezegd: God doet wonderen!’
En verder…? God was dichtbij, toch? Je stond er met je neus bovenop! Zonder het in de gaten te hebben… Zonder het in de gaten te hebben, dat je hetzelfde nodig had… Maar je zag je eigen dood niet, en je voelde je eigen nood niet. En dus liet je de ontmoeting met Jezus letterlijk aan je neus voorbij gaan.
Maar nu... Nu staat Hij weer voor je! Op zoek naar…? Naar goede mensen? Die het zo goed proberen, die het zo goed menen? Nee, we hebben een Koning die op zoek is naar DODEN! Hij zoekt mensen die gevangen zijn in de klauwen van de dood en van het verderf. Om de macht van de dood en van de hel te overwinnen. Om je ziel van list en geweld te bevrijden.
Maar ja, wat dan…? ‘Als ik dood ben, dan kan ik niets toch?’ Luister, maak geen misbruik van Gods woorden. Daarmee laat je alleen maar zien, dat je niet alleen dood bent, maar ook een vijand van God, iemand die Hem brutaal tegen wil spreken. Stil, luister.
Wat je doen moet? Roepen, zoals Bartimeüs: Zone Davids, ontferm U mijner. Bidden, vragen, wat de Romeinse hoofdman hiervoor vroeg: Heere, zeg het met één woord! ‘Zeg het met één woord en ik zal leven.’ ‘Laat, Heere, dit het uur zijn (voordat ik net als deze jongen ook uitgedragen wordt), laat dit het uur zijn, dat ik, geestelijk dode, de stem zal horen van de levende God!’ Roep, in de nood van je dode hart tot God! En Hij zal zonder twijfel ook tegen jou zeggen: Ik zeg u, sta op!
Amen.
Slotzang Psalm 56:5,6:
Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord; Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord; 'k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord; Wat sterveling zou mij schenden?, enz.
Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood; Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot'; Gij zijt voor mij een schild in allen nood; Gij hebt mijn smart verdreven, enz.
Andere preken over Lukas
Andere preken voor Pasen
Andere gerelateerde preken