3 april 2014
Galaten 4:30: Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.
INLEIDING
Deze leespreek over Galaten 4:20-31 stelt de vraag: ben je kind van Hagar of van Sara? Paulus wijst terug naar Abraham: Ismaël werd naar het vlees geboren, uit eigen inspanning; Izak door de belofte, als Godswonder. Wie op eigen werken bouwt, is een slavenkind onder de wet; wie door genade wedergeboren is van boven, is vrij, kind van de belofte. De boodschap: al ons werken loopt dood, maar Gods genade alleen brengt uitkomst – roem is uitgesloten, vrije gunst wordt genoten.
GALATEN 4:22-31
22 Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd en één uit de vrije.
23 Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis.
24 Hetwelk dingen zijn die andere beduiding hebben. Want deze zijn de twee verbonden: het ene van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Hagar.
25 Want dit, namelijk Hagar, is Sinaï, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.
26 Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.
27 Want er is geschreven: Zijt vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart; breek uit en roep, gij die geen barensnood hebt; want de kinderen der eenzame zijn veel meer dan dergene die den man heeft.
28 Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was.
29 Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene die naar den Geest geboren was, alzo ook nu.
30 Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.
31 Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Galaten 4:30
Gemeente, of je nu lid was van de gemeenten in Galatië, of dat je lid bent in de Gereformeerde Gemeente van [eigen woonplaats]: je bent of kind of slaaf. Daar ging het de vorige Bijbellezing over: je bent door genade aangenomen tot kind van God of je bent als slaaf dienstbaar onder het harde juk van de wet. En hoewel Paulus eigenlijk al in hoofdstuk 3 met dat thema begonnen is, krijgt dat in het gedeelte wat nu voor ons ligt en aan de orde is een spits. Confronterend, scherp, emotioneel… En dat voel je al een beetje aankomen als Paulus zegt (en leest u maar mee) in hoofdstuk 4:19: mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge. Het beeld dat Paulus hier gebruikt is natuurlijk niet toevallig. Wat nu gaat volgen klinkt als een emotionele roep, als een schreeuw van een bevallende vrouw.
Doch, zegt Paulus in vers 20, ik wilde dat ik nu tegenwoordig bij u was en mijn stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u. Met andere woorden: ik maak me grote zorgen. Ik zou graag bij u zijn, zodat ik kon zien wat deze oproep bij u teweeg zou brengen. Ik zou graag zien of mijn boodschap echt over zou komen, of niet.
En dan gaat hij in vers 21 verder met zijn betoog: Zeg mij, u, die onder de wet wilt zijn, hoort u de wet niet? Mensen, er staat meer in de wet dan: je moet dit, je moet dat, dit mag niet, dat mag niet. Galaten, lezen jullie wel echt de wet? Jullie lijken betoverd door een aantal goed klinkende woorden en termen, maar volgens mij, zegt Paulus, leest u helemaal niet in de wet, want daar staat veel meer in dan geboden en verboden (die u zelf nog hebt aangevuld met allerlei wetjes en regeltjes). Wat staat er dan in? Nou, zegt Paulus, ver voor die wet staat, in het begin van de boeken van Mozes, de geschiedenis van het gezin van Abraham. Galaten, laat je nou niet blindelings imponeren door van mensen, die zeggen kind van Abraham te zijn. Je moet de geschiedenis van Abraham eerst eens goed lezen!
Want, vers 22, er is geschreven dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd en één uit de vrije. ‘Wie is je vader?’ ‘Abraham. Want, vroeger speelde ik met mijn broertje in de tent van vader Abraham.’ ‘Ja, maar… wie van de twee broertjes bent u eigenlijk?’ Dat is de vraag!
Paulus neemt ons in gedachten mee terug naar de tijd van Abraham. En ik neem u vanavond ook even mee terug naar die tijd. Abraham en Sara hebben geen kinderen en ze zijn inmiddels oud geworden. Trouwens, wat een zorg en verdriet is het, als je –zeker als je ouder wordt– geen kinderen hebt of kinderen kunt krijgen. Het is goed om elkaar als gemeente ook hierin elkaar tot steun, tot een hand en een voet, en vooral tot gebed te zijn. Maar Abraham en Sara hebben wel de belofte van de Heere gekregen: uw kinderen zullen zijn als het zand der zee, zo veel. Als de fonkelende sterren aan het firmament, zo talrijk. Ontelbaar.
En ze wachten, ze hopen, ze bidden…, maar er gebeurt helemaal niets. Moeilijk als er beloften in je leven liggen, maar de vervulling laat op zich wachten. Een belofte voor je eigen hart. Een belofte voor je man, vrouw, kind of kleinkind. Een belofte voor een plaats in de dienst van de Heere.
Ze wachten, ze wachten beiden…, maar er gebeurt niets. En dan neemt Abraham, kind van God, zelf het heft in eigen handen. Hij overweegt, hij rekent en denkt: dat komt niet goed! Sara is al veel te oud, die kan geen kinderen meer krijgen. Nou dan moet ik de Heere maar een handje helpen. Dan komt het gelukkig toch nog goed, dankzij mij. Abraham neemt een tweede vrouw, Hagar, een Egyptische slavin. En u weet het, ze wordt zwanger en krijgt een zoon: Ismaël. Tóch een kind. Ja, maar niet het kind van de belofte, maar een kind van eigen initiatief, van eigen prestatie, van eigen inzicht, een product van eigen ongeduld en ongeloof. Geboren uit een dienstmaagd, uit een slavin, uit Hagar.
Jaren later (moet u zich indenken: veertien jaar later!) wordt Izak geboren, het kind van de belofte, Gods glimlach. Geboren, zegt Paulus, uit de vrije. Niet uit een slavin, maar uit zijn echte vrouw, uit Sara. Zoals Paulus schrijft in Romeinen 4:19En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was, alzo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.: En niet verzwakt zijnde in het geloof heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt dat alrede verstorven was, alzo hij omtrent honderd jaar oud was, noch ook dat de moeder in Sara gestorven was… Izak, kind van de belofte. Van de belofte waar Abraham en Sara zich aan vastgeklampt hebben. Jarenlang was het hun enige houvast: het beloftewoord van God.
Maar, vers 23, gene (Ismaël), die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest. Dat wil zeggen: naar menselijke berekening. Ik zal God een handje helpen, ik zal het zelf wel doen. Doch deze, die uit de vrije was (Izak), door de belofte. Dat wil zeggen: daar heeft Abraham zelf niets aan gedaan. Hij en Sara hebben gebeden, gehoopt, vertrouwd en geloofd in het woord van Gods belofte.
Twee kinderen van één vader, in dezelfde tent. Aanvankelijk lukt dat nog wel, maar de irritatie groeit. En als Izak van de borst van zijn moeder af gaat (hij is dan een jaar of
drie), dan ziet Sara dat Ismaël spot met Izak. Paulus zegt het scherper en zegt dat het niet alleen spot en lastig vallen was, maar hij vervolgde (vers 29), hij maakte het leven van dat kleine jongetje zuur. Dat gaat zo dus niet langer. Die twee kunnen niet samen in één tent wonen. En dus, zegt Sara tegen Abraham, dat Hager en Ismaël weg moeten.
Maar de vraag is (en daar gaat hier om): wie is nu een echt kind van Abraham? En als je de vraag stelt, dan gaat het dus niet om de vraag: wie is je vader? Maar de vraag is: wie is je moeder? Sara of Hagar? De echte vrouw of de slavin? Wie is het echte kind van Abraham? Dat is hij, die door een wonder, door een Godswonder, geboren is! En dan is Paulus scherp, heel scherp tegen de aanhangers van dat Joodse wetgeloof: ‘U zegt dat u een kind van Abraham bent, maar eh, misschien heet u wel Ismaël. Want hij was ook een kind van Abraham.’ De vraag aan u en mij is, of u geestelijk geboren bent door eigen werk, eigen inzicht en eigen prestatie, of dat u als een kind bent geboren in de weg van een onbegrijpelijk Godswonder vanuit de hemel. Alle wegen liepen dood (net als bij Abraham en Sara), geen uitzicht, onmogelijk aan mijn kant: ‘Heere, ik weet het niet meer.’ Maar toen ging God op Zijn tijd een weg banen, de weg van het wonder, de weg van genade.
Paulus gaat de geschiedenis van Abraham en Sara nog wat verder uitdiepen. De boodschap van vers 23 is eigenlijk: mensen, je kunt wel zeggen dat je een kind van Abraham bent, maar misschien heet je wel Ismaël. Je denkt dat je een Jood bent, maar misschien ben je wel een Arabier. En u voelt zijdelings wel aan, dat dit niet bedoeld is om een tegenstelling te creëren tussen Israëlieten en Arabieren. Straks zegt Paulus in vers 31 dat beide groepen delen in de belofte. Alle soorten van mensen, alle rassen, alle bevolkingsgroepen zijn Paulus (en ons) even lief. Maar Paulus zegt dit vooral om de ongepaste trots van de Joden in zijn tijd te breken, alsof zij de enige en echte kinderen van Abraham zouden zijn.
Paulus gaat verder over de geschiedenis van Abraham, Sara en de twee jongens: het zijn dingen, die andere beduiding hebben, het heeft een diepere betekenis. Want, en dan komt er een heel moeilijke zin: Want deze zijn de twee verbonden; het ene van de berg Sinaï tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar (of: Hagar). Want dit, namelijk Hagar, is Sinaï, een berg in Arabië en komt overeen met Jeruzalem dat nu is en dienstbaar is met haar kinderen. Deze zijn twee verbonden. Je zou kunnen zeggen: twee manieren van staan tegenover God. Twee soorten van betrekking, twee soorten van verhouding. En van het eerste verbond, van die eerste betrekking noemt Paulus drie dingen. De berg Sinaï, de slavin Agar (of Hager) en het Jeruzalem dat nu is. Paulus zegt: die drie komen overeen. Daar kan je een is-gelijk-teken tussen zetten, tussen de wet van Mozes, Hagar en Jeruzalem dat nu is.
De wet van Mozes, gegeven op de Sinaï, was niet in staat om te redden. Die was niet in staat om de zaligheid te geven. Dat was geen weg ten leven. De wet zei wel: doe dat en
gij zult leven, maar dat was een geblokkeerde weg. En alle pogingen om aan de wet te voldoen waren en zijn gedoemd te mislukken. Bovendien was het een slavendienst. Paulus heeft in Galaten 3 gezegd dat de wet ons bewaard en opgesloten had in de gevangenis, terwijl hij ons tot de dood had veroordeeld. De wet van Mozes, gegeven op de Sinaï. Ja, zegt Paulus, dat komt er nog bij. Dat is een berg in Arabië. Dat ligt helemaal niet in het land Kanaän, dat was niet het beloofde land. Het was het land van de Arabieren. De wet van Mozes is-gelijk-teken Hagar, die een leven leidt in slavendienst. En: Jeruzalem en haar kinderen. Dienstbaar, buigend, kreunend onder de wet die niet in staat is om zalig te maken.
Het zal je maar gebeuren. Je bent een vrome, godsdienstige Jood. Je houdt netjes de ceremoniële wetten van Mozes. Je bent niet ontevreden. Als je naar anderen kijkt dan zeg je: dat zou slechter kunnen zijn met mij. Het zal je maar gebeuren. Je bent een net en betrokken kerkmens. IJverig in de dienst van de Heere. Je denkt bij jezelf: ik heb ze slechter gezien in mijn leven. En dan komt Paulus hier (en dat voelt als een dolksteek, als kerven in je vlees) en zegt: ‘De wet die u dient, daar worden slavenkinderen uit geboren. En als je je hoop stelt op die wet, dan kun je wel zeggen dat je een kind van Abraham bent, maar dan ben je een kind van Hagar! Dan ben je geen ware Israëliet, dan ben je een Arabier.’ Je bent trots op iets dat je denkt te zijn (Jood), maar je bent het niet, want Hagar is je moeder. En dat is gelijk aan de wet. ‘U bent geen Israëliet maar een Arabier.’
Het zal je maar gezegd worden. En het wordt vanavond tegen mij en tegen u gezegd. Als je denkt dat je door je eigen goede werken zalig kunt worden, als je daar je hoop op stelt, als je vastgeroest zit in je eigen leven, in je eigen berekeningen, in je eigen inzet, in je eigen prestatie, in je eigen werken (‘ik zal God wel met mijn netheid een handje helpen’) dan ben je een slavenkind. Dan ben je gevangen door de wet, die je veroordeelt. Dan ben je een ellendig mens. Dat is de boodschap van Paulus, van Gods Woord. Doorzie, beste vrienden, uw lot! Als uw leven bestaat uit: ‘Heere, ik doe m’n best en dat is alles wat ik kan’, dan bent u een ellendig slavenkind.
Maar, vers 26, Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder. Twee verbonden, twee betrekkingen, twee verhoudingen tot de Heere. Tegenover slavernij staat vrijheid. Maar ook dit is weer een moeilijke zin. Want als u goed leest, gaat dit niet om de tegenstelling van Jeruzalem dat nu is en Jeruzalem dat straks is, maar de vergelijking is moeilijker. Jeruzalem dat nu is, dat gaat over tijd. Jeruzalem dat boven is, dat gaat over plaats. Dat laatste doet denken, doet terugdenken aan de hemelvaart. De verhoogde Heere Christus is naar de hemel gegaan en vandaaruit werkt Hij door Zijn Heilige Geest onder Joden en heidenen.
Waar het hier om gaat is dat de verhoogde Koning, de Heere Jezus Christus, Zijn Heilige Geest gegeven heeft en dat dus alle geestelijke zegen van boven, vanuit de hemel, komt.
Leven wekkend, leven vernieuwend. De Heilige Geest werkt van bovenaf, vanuit de hemel, vanuit Jeruzalem dat boven is. Op de aarde worden slavenkinderen gemaakt. Mensenwerk, zelf in elkaar geknutseld. Maar van bovenaf, van het Jeruzalem dat boven is en waar de Koning zetelt, worden echte kinderen geboren. Als door een wonder van de hemel. Van bovenaf geboren. Opnieuw geboren. Wederom geboren. Levend gemaakt. Nieuw gemaakt.
Het doet denken aan wat de Heere Jezus tegen Nicodemus in Johannes 3: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: tenzij dat iemand wederom (letterlijk staat er: van bovenaf) geboren wordt hij kan het Koninkrijk van God niet zien. Want wat uit vlees geboren is (menselijk inzicht, menselijke prestatie) dat is vlees, maar wat uit de Geest (van boven af) geboren is, dat is Geest. Dan ben je echt kind van God. Verwonder u niet, zegt de Heere Jezus, dat ik gezegd heb: u moet wederom geboren worden. Je wordt een echt kind van Abraham, je wordt een echt kind van God door een Godswonder uit de hemel. Daar komt geen mensenhand aan te pas. En zo is het en zo blijft het.
Al ons werken loopt dood, net als bij Abraham en Sara. Al ons werken loopt dood. Het wordt steeds onmogelijker. Te oud. Uitgesloten. Komt nooit meer goed. Ik zie het niet meer. Ik weet de weg niet meer. Gewerkt, misschien net als Abraham zelf geprobeerd. Maar ook dat is op niets uitgelopen. En u zegt misschien, als u kijkt in uw eigen hart: ‘Nu gaat het steeds verder achteruit met mij. Vroeger had ik nog iets, maar ik raak steeds meer kwijt. De grond lijkt wel onder mijn voeten weg te spoelen. Ja, de belofte is er wel (net als in het leven van Abraham en Sara), het Woord heeft wel gesproken, geen leed zal het ooit uit mijn geheugen wissen, maar… Ik wacht en ik bid, maar het blijft zo stil…’ Totdat, net als bij Abraham en Sara, veertien jaar gewacht, veertien jaar gebeden, veertien jaar gehoopt en uitgezien, totdat God ingrijpt van de hemel, uit het Jeruzalem dat boven is, en Zijn Woord vervult. Maar… Sara en Abraham moeten echt eerst uitgewerkt raken.
We gaan, voor we verder gaan, zingen uit Psalm 116 vers 3. Een vers dat ook zingt over de tijd dat God een wonder gaat doen van de hemel: Och HEERE, och wierd mijn ziel door U gered! Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig. De HEER´ is groot, genadig en rechtvaardig En onze God ontfermt Zich op ´t gebed.
Wat is het een wonder, dat God Zijn belofte niet vervuld heeft door samen te werken met Abraham. Uiteindelijk zou Abraham alleen maar tegenwerken en zou er niets van terechtkomen. Wat is het een wonder van genade dat God Abraham en Sara uitgeschakeld heeft. En wat werd het toen een wonder in hun leven, wat God deed. Een Godswonder van boven!
Beste vrienden, wat ben je en wat word je gelukkig als je uitgewerkt raakt. Als God je volledig gaat uitschakelen. En dat is wat ten diepste schuilgaat achter deze scherpe woorden van Paulus in de Galatenbrief: zijn verlangen en ook mijn verlangen dat u uitgewerkt zou raken. Dat u afscheid zou nemen van: doe-het-zelven, zelf proberen of samenwerken. Dat u alle hoop zou opgeven van uw eigen inspanningen. En dat u zou gaan vragen om genade, om onverdiende genade van de hemel.
Niet alleen voor het eerst, maar ook opnieuw. Want steeds opnieuw raakt ons hart betoverd door de droom, door de illusie van ons eigen vermogen, van ons eigen kunnen en van het toch weer zelf willen proberen. Totdat de Heere (en dat is een wonder van de hemel!) onze ogen toch weer richt naar boven en we op onze knieën zeggen: ‘Heere, ik hoop in al mijn klachten op Uw onfeilbaar Woord. Want van mijn eigen werken is niks terechtgekomen, ik heb alleen maar reden om te klagen.’ Het enige houvast in het leven is en blijft het Woord van Gods belofte en biddend op je knieën zeggen: ‘HEERE, doe wat U gesproken hebt!’
Want zo, in die weg, krijgt God alleen de eer en krijgen wij de zaligheid. In de weg van het wonder, in de weg van vrije en eeuwige genade bij God vandaan. De schrijver van de Hebreeënbrief schrijft in hoofdstuk 11: Door het geloof (in de belofte, en niet door het betrouwen op eigen werken) heeft ook Sara kracht ontvangen om zaad te geven en boven de tijd van haar ouderdom heeft zij gebaard; overmits zij Hém getrouw heeft geacht Die het beloofd had (ze heeft zich vastgeklampt aan het Woord van God alleen). Daarom zijn ook van één en dat een verstorvene (geen weg meer, onmogelijk), zovelen in menigte geboren, als de sterren des hemels en als het zand dat aan de oever der zee is, hetwelk ontelbaar is (Hebreeën 11:11-12Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven den tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; overmits zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had. Daarom zijn ook van een, en dat een verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is, hetwelk ontallijk is.). Met andere woorden: God heeft, dwars door de onmogelijkheid, Zijn Woord en Zijn belofte vervuld.
En daarom: houd moed, u voor wie de weg steeds onmogelijker wordt. U zegt: ‘Alles mislukt. Ik ga niet vooruit, ik ga achteruit. Het wordt niet beter, het wordt slechter. Hoe moet het toch verder?’ De heilige bedoeling van de Heere in ons leven is, dat we vanuit de diepte omhoog zouden roepen, en zeggen: ‘Ik hoop Heere, in al mijn klachten, niet meer op mezelf, want ik heb niks meer, maar ik hoop op Uw onfeilbaar Woord.’ Het is de heilige bedoeling van de Heere, dat we zouden vragen naar genade alleen. Dat we niet en nooit meer houvast zouden vinden in onszelf, maar alleen in de belofte van God. En wat heeft Hij beloofd? Dit: De dingen die u van de Heere gezegd zijn zullen volbracht worden (Lukas 1:45En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.).
Niet door uw werken, alleen door Gods genade. Niet op uw tijd, alleen op Zijn tijd. De weg liep dood en het werd steeds onmogelijker in het leven van Abraham en Sara, twee kinderen van God. Zo was het destijds ook in het leven van de Godvrezende ballingen in Babel. Want Paulus zegt in vers 27: Want er is geschreven (in Jesaja 54): wees vrolijk, gij onvruchtbare die niet baart, breek uit en roep, u die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer dan degene die de man heeft. In die donkere nacht van de ballingschap klinkt, net als toen bij Abraham, de belofte van God. Niets is er van te zien. De straten van Jeruzalem zijn leeg. De stad is verwoest. Kinderen zijn er niet meer. Maar dit is de belofte: Jeruzalem zal opnieuw geboren worden, door een wonder van God uit de hemel. Er komt geen mensenhand aan te pas. Maar God belooft het en al wat God ooit beloofd heeft, zal bestaan. Gods belofte gaat het winnen van ons werk. Sara gaat het winnen van Hagar. En hier staat (in beeldspraak) dat de kinderloze, de eenzame, de hopeloze die geen weg meer ziet (voor zijn of haar eigen hart) het uiteindelijk gaat winnen van degene die een groot gezin heeft, van degen die zijn handen vol heeft met eigen werken.
Maak de plaats van uw tenten wijd en dat men de gordijnen van uw woningen uitbreide, verhinder het niet: maak uw koorden lang en steek uw pinnen vast in. Want gij zult uitbreken ter rechter- en linkerhand; en uw zaad zal de heidenen erven en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen (Jesaja 54:2-3). U, zegt de HEERE, verlatene, roepende, uitgewerkte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, u zult uitbreken in menigte. Dat is, naar menselijke begrippen en menselijke maatstaven, onmogelijk. Maar Ik zal het doen, zegt de Heere. Uw getal zal groot zijn, links en rechts zult u uitbreiden. Maak uw tent alvast wijder. En omdat die zo wijd staat, moet u de pinnen van die tent vaster in de grond steken.
Want, zegt Jesaja (en ik lees door, want dat zal Paulus ongetwijfeld ook hebben gedaan toen hij citeerde uit Jesaja 54), gij zult niet beschaamd worden, gij zult de schaamte uwer jonkheid vergeten en de smaad van uw weduwschap zult u niet meer gedenken. Want uw Maker is Uw Man. Dat zei de Heere tegen de hopeloze, moedeloze ballingen in Babel, die zelf de weg niet meer wisten. Heere der Heirscharen is Zijn Naam en de Heilige Israëls is uw Verlosser. Hij zal de God van de ganse aardbodem genoemd worden (Jesaja 54:4b-5). God zegt tegen zulke mensen, tegen die moedeloze ballingen in Babel en tegen uitgewerkte zondaren hier: Ik zal uw Man zijn. Ik zal me blijvend aan u verbinden. En Ik ben uw Verlosser. U kunt het niet, u mag het niet, maar Ik zal het doen. Door Mijn genade zal Ik u verlossen van uw schuld. Ik ben de Almachtige, de trouwe God, Heere der heirscharen, de God van heel de aarde.’
En u ziet het in gedachten ondertussen voor u: groter en wijder wordt de tent van Abraham. Joden en heidenen worden toegebracht. En dat is geen product van menselijke inspanning, van menselijke inzet of van samenwerken. Maar dat is (en dat zei Jesaja destijds al, en dat zegt Paulus hier), dat is
genade. Genade alleen. Want, zegt Jesaja, zegt de HEERE, voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten (toen het zo onmogelijk werd, toen u de weg niet meer wist) maar (genade!) met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht een ogenblik verborgen, maar (genade!) met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen, zegt de HEERE uw Verlosser (Jesaja 54:7-8).
Maar, vers 28, wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was. Broeders, dat wil zeggen: leden van dezelfde familie, van hetzelfde gezin. Door die scherpe toon is opeens weer de liefde voelbaar. Wij, gelovigen, kinderen van God in Galatië, zijn beloftekinderen. Izak was een kind van het wonder, een genadekind, een beloftekind. En daarom moesten de mensen destijds lachen van blijdschap en vreugde. En wij, gelovige Galaten, zijn late beloftekinderen. Door Gods genade van bovenaf geboren, opgezocht, gebracht, geleid en steeds weer teruggebracht van dat dwaalspoor van eigen werken naar het spoor van de genade. En wat is dat toch een wonder! Wat is er voor kinderen van God, destijds in Galatië, maar ook nu hier in [woonplaats] reden om God te aanbidden. Vol van verbazing en verwondering. Als we samen hadden gewerkt, hadden we nog iets om trots op te zijn, maar nu zeggen we: ‘Heere, we hebben niets. Alles wat we van U gekregen hebben, is vrije genade, is vrije gunst, is vrije goedheid uit de hemel.’ En wat is dat tegelijkertijd voor ons reden om ons biddend ver te houden van het dwaalspoor van de werken van de wet, waar we steeds weer geneigd zijn om naar toe te dwalen en te verdwalen. Het is genade alleen!
Doch, vers 29, gelijkerwijs toen die naar het vlees geboren was (Ismaël), vervolgde degene die naar de Geest geboren was (Izak), alzo ook nu. Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met de zoon van de vrije. Er kwam in het leven van Abraham een tijd, dat hij een keus moest maken. Zijn erfenis was niet bestemd voor de spotter, Ismaël, maar voor het genadekind, voor Izak. Hij nam geen wraak toen hij Hagar en Ismaël wegstuurde, maar (ik zeg het maar even in m´n eigen woorden) het was kiezen of delen. Maar delen was ten diepste uitgesloten.
Ismaël en Izak in één tent? Dat gaat niet. Vlees en Geest, werken en genade in één hart? Uitgesloten! Dat gaat niet. Dus zegt Paulus: ‘Galaten, u moet kiezen.’ Nee, ik zeg het niet goed. Sterker nog, hij zegt: ‘Galaten, u moet radicaal afscheid nemen van de geest van slaven, sloven en draven, van jezelf opknappen, van meewerken, van jezelf verlossen en denken dat je zelf mee kunt werken. Sluit geen compromis, maar breek ermee!’
Nu moet u niet gelijk bij uzelf zeggen: ‘Dat kan een mens niet.’ Dat is wel waar, maar dat antwoord is toch onbeleefd en ongepast, als u dat zo terug zegt.
U moet ook niet, als Paulus tegen u en mij zegt ‘breek ermee!’, niks zeggen, uw schouders ophalen en doorgaan op uw eigen weg. Als je baas zegt: ‘Je moet dit of dat doen’ en je denkt ‘dat kan ik niet’, dan reageer je ook niet zo. Dan vraag je: ‘Doet u het eens voor, helpt u me eens, dan sta ik erbij, als u het doet.’ Als je vader of moeder zegt: ‘Doe dit eens’, en je denkt bij jezelf ‘dat is moeilijk, dat kan ik niet’, dan zeg je ook: ‘Pap, help me eens, ik kijk, ik sta er bij, maar wilt u het doen?’ Dus als de Heere zegt: ‘Breek met die slavendienst! Breek met dat hopen op eigen werk en eigen prestatie!’, dan zeg je tegen de Heere: ‘Heere, verlos me toch uit mijn slavengevangenis, uit de gevangenis van de zonde en van de wet, ik ben een slavenkind. Maakt U me toch vrij en maakt U me door een Godswonder van U uit de hemel tot een echt kind van U.’ Beste vrienden, stel dat niet uit. Voordat je het weet is het te laat.
Kinderen van God in ons midden, Paulus zegt: ‘Breek ermee! Sluit geen compromis, breek met het dwaalspoor van de wet, met de betoverende gedachte dat je het zelf ook wel een beetje kunt.’ Ook u moet vanavond niet zeggen: ‘Dat kan een mens niet.’ Dat is wel waar, maar dat antwoord is onbeleefd en ongepast. Wat u moet doen? Biddend buigen en zeggen: ‘Heere, U hebt gelijk. Maar wilt U het doen? Help me, barmhartige Heere, Uw grote Naam ter eer, om te breken met het vertrouwen op mezelf. Heere, doet U het! U hebt het toch beloofd? U hebt toch niet gezegd: Maak uzelf een nieuw hart!? Heere, U hebt toch beloofd dat U uit de hemel rein water op ons zult sprengen en een nieuw hart in ons binnenste geven zult?’ Zeg dan op je knieën: ‘Doe Heere, wat U gezegd hebt. En geef ons toch iets van die onverdiende genade uit de hemel, van het werk van de Heilige Geest in ons hart, waardoor we er werkelijk mee gaan breken. Waardoor we werkelijk gaan breken met de werken van de wet en meer en meer oog krijgen voor de onnaspeurlijke rijkdom van de genade, die in Christus Jezus is.’
Zo dan, het laatste vers, broeders (en zusters), wij zijn niet kinderen van de dienstmaagd maar van de vrije. Niet Hagar is onze moeder, maar Sara. Zij is onze moeder. Wij zijn geen slavenkinderen. Wij hebben nooit iets verdiend, wij verdienen alleen maar het oordeel van de wet. Maar Gode zij dank, wij zijn geen slavenkinderen meer, maar wedergeboren kinderen. Wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van de Heere Jezus Christus uit de doden (1 Petrus 1:3Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.). En dus is alle roem uitgesloten. Onverdiende zaligheden hebben we van onze God genoten. We roemen in vrije gunst en genade alleen.
Amen.
Andere preken over Galaten