PREEK · VRIJE STOFFEN

Door Geest leven en wandelen (deel 12) - Galaten 5

15 juni 2014

Galaten 5:25: Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.

INLEIDING

Paulus vermaant: “Indien wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen” (Galaten 5:25). Deze leespreek, geschreven met het oog op de bediening van het Heilig Avondmaal, tekent de ware Avondmaalganger aan twee kenmerken: het leven uit genade alleen, en het wandelen in de vrucht van de Geest tegenover de werken van het vlees.

THEMA

Twee kenmerken van de ware Avondmaalganger

KERNPUNTEN

  1. Door de Geest leven
  2. Door de Geest wandelen

GALATEN 5:13-26

13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees, maar dient elkander door de liefde.
14 Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.
15 Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe dat gij van elkander niet verteerd wordt.
16 En ik zeg: Wandelt door den Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.
17 Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet hetgeen gij wildet.
18 Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.
19 De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinheid, ontuchtigheid,
20 Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen,
21 Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen en dergelijke; van dewelke ik u tevoren zeg, gelijk ik ook tevoren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.
22 Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.
23 Tegen de zodanigen is de wet niet.
24 Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.
25 Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.
26 Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.

VOLLEDIGE TEKST

Door Geest leven en wandelen (deel 12) - Galaten 5

ds. J. IJsselstein - Galaten 5:25

THEMA

Twee kenmerken van de ware Avondmaalganger

Gemeente, wij overdenken in deze dienst van voorbereiding op het Heilig Avondmaal (bij leven en welzijn volgende week) het Schriftgedeelte dat u voorgelezen is Galaten 5, vers 13 tot en met 26. Ik lees u samenvattend vers 25: Indien wij door de Geest leven zo laat ons ook door de Geest wandelen.

Het thema voor de preek is: Twee kenmerken van de ware Avondmaalganger Er zijn twee aandachtspunten, het zijn die twee kenmerken: 1. Door de Geest leven (dat ziet u in vers 11 en 12) 2. Door de Geest wandelen (dat ziet u in vers 13 tot en met 26) Als eerste dus:

1. Door de Geest leven

Eigenlijk wordt, gemeente, in de Galatenbrief steeds hetzelfde gedaan: er worden twee wegen geschetst. De ene weg is doodlopend: doe-het-zelven, de weg van goede werken, zelf proberen je zelf te verbeteren voor God en hopen dat God dat belonen zal. De andere weg tot behoud: genade, zonder iets van ons. En die twee wegen kan en mag je niet mengen. Het is ook niet zo dat de één een opstapje is tot de ander. Zo in de trant van: als je nu maar goed je best doet, dan krijg je vanzelf wel genade. Zo is het niet. Het is radicaal. Het is uiteindelijk een verschil tussen dood en leven.

Heel veel mensen zijn ooit door de Geest van God onrustig gemaakt, aangeraakt, wakker geschud uit hun dodelijke rust. Maar daarna zijn ze –en misschien heb ik het wel over u– gevlucht in het doen van goede werken. Ze hebben iets gevoeld van de dreiging van de toorn van God en de dag van het komende gericht en hebben toen gedacht: ‘weet je wat, ik ga heel goed mijn best doen.’ En dat gaf rust. En dat geeft ook u misschien wel rust, tot op de dag van vandaag. ‘Mijn leven is toch veranderd? Ik ben toch op de goede weg?’ Ik zeg u: het is een doodlopende weg!

Maar als God een mens trekt uit deze tegenwoordige boze wereld (zoals Paulus dat in hoofdstuk 1 zegt) en liefde uitstort in het hart van een zondaar, dan ga je steeds meer de onmogelijkheid zien om voor God te bestaan. Dan ga je steeds meer zien: ik ben een verloren mens, ik ben een vijand van God, ik ben een misdadiger. Dan komt er geen rust, geen enkele rust door al die dingen die je zelf doet en ziet.

Alle rust in jezelf, alle rust buiten de Heere Jezus Christus is dodelijk, is vijandschap en is bedrog.

Zeker, ook als God werkt in je hart, ook dan kan je dwalen. Ook dan kan je vluchten in het doen van goede werken, in het pogen om jezelf op die manier te verbeteren. Maar de Heilige Geest werkt door en snijdt het allemaal af. Hij strooit zand in die motor, Hij gooit roet in dat eten. Als de Geest van de ontdekking zegt: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (3:10). Het is de Heilige Geest, Die leert: Je kunt wel denken dat je vriend van de wet bent, maar je bent een vijand van de God van de wet. Je denkt wel dat de wet jouw vriend is, maar diezelfde wet is je rechter, want hij veroordeelt je. En daar gaan die twee wegen uiteen. Kijk maar in uw hart.

Die naar het vlees leeft, zegt Paulus. ‘Kijk, Heere, ziet U dan niet hoe netjes ik leef? Hoe voorbeeldig ik ben in mijn liefde voor U? In mijn –zo noemt Paulus dat– dienstbaarheid, in mijn slavernij, in mijn werkhuis? Waarom doet U nou zo streng tegen me? Ik doe zo goed m’n best!’ Maar die door de Geest geboren is, of zoals Paulus dat zegt: die van boven geboren is, die zegt (na al dat aanvankelijke verzet): ‘Ja Heere, U hebt gelijk, als U een grote nul op al mijn werken, liefde en ijver schrijft… Het is waar, het is terecht.’ Sterker nog, als U zegt: ‘Al die liefde van jezelf is verlies, schade en vijandschap tegen God’, dan zeg ik: ‘U hebt gelijk. Dat ben ik. Ik ben van nature in mijn hart geen vriend van U, maar een vijand. Ik ben een opstandeling, ik ben een misdadiger. Ik ben het waard, Heere, dat U nooit meer naar me zou luisteren en mijn gebeden horen zou. Maar dat heimwee in mijn hart… Zonder U kan ik niet verder leven. Heere, U weet, dat ik het zo vaak op de verkeerde plek zoek, dat ik zo vaak dingen in mezelf zoek en probeer mezelf overeind te houden…’ Misschien is het wel de zucht van uw hart: ‘Heere, die andere weg… Het is zo donker... Ik hoor en geloof dat die weg er is, maar ik zie hem niet. Anderen… daar geloof ik het voor, maar voor mij is het zo groot. Ik kan het niet geloven. Ik durf het niet te geloven. Ik hoor van anderen van de waarde en de kostbaarheid van het bloed van Christus, maar het is de zucht van mijn hart: o, dat ik Hem kennen mag en meer kennen mag!’ U zegt: ‘Dat is mijn hart. Ik zie naar Hem uit. Ik verlang naar Christus. Ik honger en dorst naar Zijn gerechtigheid.’

Daar komt dan, in al je gemis en onwaardigheid, iets openbaar van een band die er is. Nee, geen rust, geen tevreden afwachten, maar van een levende band met Christus in de hemel. Een band van verlangen, van uitzien, van hongeren en dorsten naar het werk van die Ander, van de Heere Jezus Christus. U durft het zelf niet zo te noemen, maar ik noem het wel zo: het is de band van het geloof, die God legt in het hart van arme zondaren, die hen zo aan Christus verbindt. Met honger, dorst, uitzien en verlangen. Gemeente, als u daar niets van kent (hoe goed u ook bent of lijkt), dan kunt u volgende week niet aan het Avondmaal komen. Dit is daar echt voor nodig: honger en dorst naar Christus.

Je kunt toch de dood des Heeren niet verkondigen (want dat is Avondmaal vieren) als je geen levende betrekking hebt op Hem, als je hart niet naar Hem uitgaat? Dat is echt nodig. Een levende band, hoewel je misschien wel moet zeggen: ‘O Heere, ik val zo vaak terug in het vertrouwen op mezelf en op mijn eigen werken. Laat en leer me toch, Heere, alles schade en verlies achten om de Heere Jezus Christus. Want U zoekt mijn hart, op U alleen verlaat ik Mij. Veroordeeld door de hemel, veroordeeld door de wet, veroordeeld door mezelf…, maar tot Wie zal ik dan anders heengaan? Kom ik om, dan kom ik om, maar ik zal mijn Rechter om genade bidden. Want, Heere, bij mij is de dood, maar bij U is het leven!’

Terwijl iemand anders misschien zegt (en kijk maar in uw hart): ‘Heere, in deze week van voorbereiding, kijk eens hoe lief ik U heb, hoe teer ik U dien en vrees, en hoe ijverig en nauwgezet ik ben. U zult me daarom toch niet verachten? Om…? Om mijn liefde, om mijn tranen, trouw, nauwgezetheid, goed doen en ijver? U zult me daarom toch wel aanzien, Heere, om wie ik ben?’ Dat is –hoe goed het misschien allemaal klinkt en hoe mooi het er misschien allemaal uit ziet– vijandschap tegen het kruis van Christus! Dan hoor ik Paulus in 1 Korinthe 1 zeggen: Wij prediken Christus, de Gekruisigde –en dan komt het– de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid (1:23). Het kruis van Jezus Christus is een ergernis voor de werkende godsdienst. Dat was het voor mij vroeger ook. Als het Woord van God zegt: ‘Al dat werken van je, alles wat je doet (hoe goed het ook lijkt) en met hoeveel nauwgezetheid je het ook doet, als je het doet om door God aangenomen te worden, om door God te worden aangezien, is dat pure vijandschap!’ Als je door het Woord van God op één hoop wordt gelegd met verraders en moordenaars, dan verbaast het niemand, dat je je daar heel erg aan ergert. En als je vertrouwt op je eigen inzicht, kennis en pienterheid, dan is dat ook dwaasheid. Maar, zegt Paulus, voor hen die geloven, voor hen die roepen uit de diepte, omdat er een band is gelegd tussen de hemel en de aarde (wees mij, zondaar, genadig om Jezus´ wil!), voor zulke mensen is de prediking van Christus en Zijn kruis een kracht van God tot de zaligheid. Want Hij is de enige Weg. Al dat werken, in de hoop dat God het aanziet, komt van ons. Dat streelt ons eigen hart, dat zoekt onze eigen eer en is ten diepste vijandschap tegen God.

Daarom zegt Paulus, op een andere plaats: Zie, ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis; en een iegelijk die in Hem gelooft zal niet beschaamd worden (Romeinen 9:33). Christus, de Gekruisigde, is een Steen, waar je je aan stoten kunt. Christus, de Gekruisigde, is een Rots, waar je je verschrikkelijk aan kunt ergeren. Waarom? Omdat Hij een streep zet door alles van ons. Want de Parel van grote waarde, de Heere Jezus, duldt geen enkel pareltje van mij. Maar wie zijn hoop zet op Hem, door Wie hij zelf gegrepen is, wie zich vastgrijpt aan Christus, de Gekruisigde, zal niet beschaamd worden. Ook volgende week niet bij de bediening van het Heilig Avondmaal.

En zo kom ik, via wat omwegen, bij vers 11. Eigenlijk is dat een samenvatting van alles wat Paulus hiervoor in de vier hoofdstukken geschreven heeft. Indien ik de besnijdenis

(de werken van de mens) preek, waarom word ik nog vervolgd? Zo is dan de ergernis van het kruis vernietigd. Met andere woorden: het is weer precies dezelfde boodschap. Het is van tweeën één: Of je doet het zelf (doe-het-zelven, vriend van de wet zijn) en dat allemaal in de hoop dat God je, om je eigen prestaties zal aanzien. Dat is geen weg tot het leven, maar dat is een weg tot de dood. Je ergert je aan het kruis en je stoot je aan de Steenrots Christus. En je staat als een vijand lijnrecht tegenover God. Of het is genade. Mijn weg loopt dood. Het is over en uit. Definitief gezakt, verloren, mislukt. Maar als je zo, als een arme, verloren zondaar je hoofd neerlegt en je doodsvonnis goedkeurt, dan wordt genade genade. Dan stoot je je niet meer aan het kruis. Dan erger je je niet meer aan de Heere Jezus Christus. Dan wordt het kruis van Christus je leven. Dan ga je, zoals Paulus zegt in hoofdstuk 6, roemen in het kruis.

In die weg van genade (en dat is Gods weg) zal hier volgende week aan de avondmaalstafel gelden: Hij (Christus, de Gekruisigde) ontvangt zondaars en eet met hen. Als je farizeeër bent (zoals ik vroeger ook was), dan erger je je daar verschrikkelijk aan, dan stoot je je daar aan. Maar Christus Jezus wil een Vriend zijn van tollenaars en zondaars. En in die genade roemen wij. Hier worden volgende week armen met goederen vervuld. En rijken? U mag blijven zitten. Degenen die hier genodigd worden, zijn verloren mensen, die voor God gebogen hebben en het misschien wel niet meer weten. Geen hoop meer op eigen werken, op eigen goedheid, eigen liefde en eigen hoop. Maar die in al hun ellende hun hoop op God en Christus hebben gezet. Ik hoop, Heere, in al mijn klachten op Uw onfeilbaar Woord.

En de ogen van zulke kleingelovigen, die zo verlangen naar God, die zo’n heimwee hebben naar de Heere Jezus Christus en Zijn genade, die ogen wil God richten op Zijn tekenen. Terwijl Hij zeggen zal: ‘Kijk nu, tast nu, proef nu… Ik deed dat voor mensen zoals u.’ Nee, sterker nog: ‘Ik deed het voor u, persoonlijk. Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven.’ Opdat wij, in onze zelfveroordeling, amen zouden zeggen op dat laatste: ‘Het is waar, Heere, U hebt gelijk. Ik had de eeuwige dood moeten sterven.’ Maar opdat u dan tegelijk door Gods genade (terwijl Hij u het geloof geeft in uw hart) ook amen zou zeggen op dat eerste: Ik, Christus, de Gekruisigde, voor u. Ik heb de last van uw zonde en schuld gedragen. Ik geloof Heere, kom mijn ongeloof te hulp.

En dat is, gemeente, wat Paulus noemt in vers 25 leven door de Geest. Want werken door zelfverdienste is echt de dood, maar hierin is het leven. Leven dat heimwee kent naar God. Mijn ziel dorst naar U. Om nog beter te worden voor U? Nee, mijn ziel dorst naar U en naar Uw Christus. En mijn hoop staat op U alleen. Daar is hoop en verwachting voor u, die het zo bij de Heere zoekt. Hoop op de Heere, ook in deze week van voorbereiding, zoekende zondaars. Bij Hem moet u zijn!

Al die werken van u: gooi maar weg. Waardeloos. Want God –en dat is Gods wonder van vrije genade– heeft Hem, Christus, tot zonde voor ons gemaakt. Terwijl over ons leven klinkt: ‘Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek der wet om dat te doen’, terwijl dat over ons leven klinkt, heeft het over Golgotha geklonken, terwijl Christus aan het kruis hing: ‘Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt.’ En daarom is het waar wat staat in Galaten 3:13: Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt. Dat is onze hoop, dat is ons leven. Het was ons een ergernis, ja toch kinderen van God? We hebben er ons vaak aan gestoten. Maar het is door Gods genade ons leven geworden. Leven niet meer door onszelf, maar leven door de Geest. Wij gaan samen zingen, voordat we naar onze tweede gedachte gaan, uit Psalm 39, het vijfde vers: Nu dan, o HEERE, wat is ‘t dat ik verwacht? Mijn hope staat op U alleen! Verlos mij door Uw onweerstaanbare kracht van al mijn ongerechtigheden en stel mij niet, getrouwe Toeverlaat, de dwaze sterveling tot een smaad.

Ons eerste aandachtspunt was: door de Geest leven. Het kruis was een ergernis voor ons, maar is ons tot leven en zaligheid geworden. En nu het tweede kenmerk van een ware Avondmaalganger. Bij dat uit genade leven door de Geest, hoort ook, in de tweede plaats:

2. Door de Geest wandelen

U ziet dat in vers 13 tot en met 26. Veertien verzen zij het, die zeven kenmerken noemen van het leven, van het wandelen door de Geest met God. En een ieder kind van God (en iedereen hier in de kerk) kan zich daaraan toetsen. Je kan je eraan toetsen, of je in het geloof bent, of je leeft door de Geest. En onlosmakelijk hoort daarbij: een wandelen door de Geest in het leven van iedere dag.

a. Kijkt u maar in vers 13, het eerste kenmerk: Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleen gebruik de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkaar door de liefde. Paulus zegt: U bent door God geroepen. God kwam in uw leven. God riep u uit de duisternis, uit het krachtenveld van de wereld tot Zijn licht. Hij riep u uit de macht van de zonde en van de slavernij van de wet, tot vrijheid. Maar die vrijheid had wel een doel. Het was een vrijheid tot iets. De vrijheid had als doel om uw nieuwe en goede Meester te dienen. U bent niet geroepen tot de vrijheid van een losbandig leven. Die vrijheid is geen alibi, geen excuus om te leven naar eigen inzicht. Maar u bent geroepen tot de vrijheid van het dienen van uw goede Meester.

En tegelijkertijd (dat staat hier) bent u geroepen om elkaar te dienen, ook in de gemeente, door de liefde. Dat is een eerste kenmerk van een leven met God. Geen mooie verhalen, maar wat hier staat. Een onmiskenbaar kenmerk van een leven met God door de Geest in vrijheid is elkaar dienen met liefde. Naar het voorbeeld van die dienende Meester, Die gekruisigd is in onze plaats. Hij werd een Dienstknecht en bukte aan de voeten van Zijn discipelen om hun vieze voeten te wassen.

b. Want, en we komen bij ons tweede kenmerk, de hele wet wordt in één woord vervuld, namelijk dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelf (vers 14). Je naast liefhebben, is dat de hele samenvatting van heel de wet? Nee, dat niet. Eigenlijk betekent het dit: je kunt niet God dienen (volgens de eerste tafel van de wet) en tegelijk je broeder haten (tegen de tweede tafel van de wet). Dat is onmogelijk. De apostel Johannes schrijft dat later: Indien iemand zegt ‘ik heb God lief’ en haat zijn broeder, die is een leugenaar. Een tweede kenmerk van het leven met God in de praktijk van elke dag (en niet alleen op zondag, ook op maandag, dinsdag en ga zo maar door): het liefhebben van elkaar, van de broeders en de zusters.

c. Maar, vers 15, indien u elkaar bijt en vereet, ziet toe dat gij van elkaar niet verteerd wordt. Overhoop liggen (ook binnen de gemeente), grommen, snauwen, happen, bijten, denken in groepen die tegenover elkaar staan, dat leidt, zegt Paulus, vroeg of laat tot het opeten van elkaar. Totdat je zelf opgegeten wordt. Dan is het natuurlijk voorbij. ‘Nee, niet zo!’, zegt Paulus. Maar, vers 16, wandel door de Geest en volbreng de begeerlijkheden van het vlees niet. Bij het van bovenaf geboren zijn door de Geest, hoort een leven met God, een leven door de kracht van de Heilige Geest. En dat leven door de Geest zit niet alleen ‘s zondags in je hart. Zeker, als het goed is, woont de Heilige Geest in het hart van Gods kind. Maar dat tintelt verder, door alles heen, tot op het puntje van je tong, tot in je tenen en vingertoppen toe. Wandel door de Geest en volbreng de begeerlijkheden van het vlees niet. Je zou het ook als een belofte kunnen lezen: wanneer u door de Geest wandelt, dan zult u de begeerlijkheden van het vlees niet volbrengen. Roeping, opdracht en tegelijk belofte. Met andere woorden: als de Geest van de Heere in je hart woont, dan kan je –simpel gezegd– niet meer verder met de zonde. Dan komt heel dat oude leven onder vuur te liggen. Ja, het is waar: je kunt met David diep in de zonden vallen en het is de genade van God als Hij je daar weer uithaalt. Maar je kunt niet leven in de zonde, niet rustig ermee doorgaan, niet in de zonden blijven liggen, zoals het doopformulier het zegt. En, dat is het derde kenmerk van de Geest: de liefde tot God en de wederliefde tot God (de terugliefde tot God) is de nekslag voor het leven in de zonde.

d. Want, vers 17, het vlees begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen(over) elkaar, alzo dat gij niet doet hetgeen u wilt. Die twee staan tegenover elkaar. Man tegenover man. Het is een gevecht (zo staat het hier) één op één.

De onbekeerde, die zijn best doet, valt ook wel eens. ‘Natuurlijk’, zegt u, ‘iedereen struikelt wel eens.’ Maar die probeert snel weer overeind te krabbelen, het kwaad te verbloemen en probeert met vereende inspanning en kracht weer zelf aan de slag te gaan. Kijk maar in uw hart. Maar een kind van God is wat dit betreft altijd verliezer. In ons is geen kracht tegen de zonde. Daarom zegt Paulus: Het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik (Romeinen 7:19). De zonde is sterker dan mijn eigen kracht, dan mijn eigen ik. Het vlees kan alleen maar gedood, ten onder gebracht worden door God, de Heilige Geest. Dat is een vierde kenmerk van het leven met God. Het is een leven van strijd tegen de zonde. Ik bedoel niet de strijd om in eigen kracht beter te worden. Een strijd tussen de oude mens die sterven moet en de Geest, Die in ons woont en een nieuwe mens geschapen heeft.

e. Maar gelukkig, vers 18: Maar indien gij door de Geest geleidt wordt, zo bent u niet onder de wet. We zijn gelukkig –Gode zij dank– geen arme tobbers meer, die altijd maar weer in eigen kracht moeten proberen beter te worden. Maar de Geest (en dat is ook onze hoop) die door genade in onze harten wilde komen wonen, is bij machte en het is Zijn werk om de kracht van de zonde in ons te breken en ons letterlijk te leren hoe we moeten leven, hoe we moeten wandelen. Dat is een vijfde kenmerk van een leven met God. We zoeken niet alleen de vrijspraak van onze schuld, maar ook de vernieuwing van ons leven, van ons handelen en wandelen. We zoeken het niet in eigen kracht. Onze heiligmaking zoeken we buiten onszelf, in het werk van de Heilige Geest.

f. De werken van het vlees nu, vers 19, zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen en dergelijke; van dewelke ik u tevoren zeg, zoals ik te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen het Koninkrijk van God niet zullen beërven. Een zesde kenmerk. Wie leeft in deze of andere zonden plaatst zichzelf buiten het Koninkrijk van God. Als dit je leven is, moet je volgende week blijven zitten. Wat is het kenmerk van Gods kind? Die vlucht weg van deze zonden. Van overspel, hoererij, onreinheid, ontuchtigheid. Van verkeerde seksuele contacten en losbandigheid. Maar ook van afgoderij. Van het zoeken naar contact met duistere machten in de geestenwereld. Maar ook het dienen van de (pseudo)religie van deze tijd. Venijngeving: letterlijk staat er: pharmaci, van het mengen van stoffen, van vergif. Je kunt denken aan ouderwets toveren, maar ook aan het gebruikmaken van moderne verdovende middelen. Vijandschappen: dat komt dichterbij, ook in het gemeenteleven. Ruzie maken met elkaar. Twisten: partij kiezen voor een bepaalde groep, waardoor de conflicten en tegenstellingen oplaaien. Afgunstigheden: jaloezie. Kijk eens in uw hart, ik ook. Wie is de beste? Wie is de meeste? Wie is de meest zuivere? Toorn: woede-uitbarstingen, opvliegendheid, slaan, mishandelen. Gekijf: gerichtheid op jezelf, eigen succes, eigen vooruitgang.

Tweedracht: dan gaat het meer over het gemeenteleven, denken en splitsen in groepen, die groepen tegenover elkaar opzetten en er dan over praten. Ketterijen: ook hier is sprake van groepsvorming, mensen die tegenover elkaar komen te staan waardoor er onrust komt en er gestookt wordt. Nijd: dat wil zeggen innerlijke wrok, jaloezie. Het niet kunnen verdragen dat een ander wat heeft wat jij niet hebt. Of bij het Heilig Avondmaal: het niet kunnen verdragen dat een ander aangaat, terwijl je zelf moet blijven zitten; de zonde van de oudste zoon. Moord, dronkenschappen, brasserijen (schranspartijen) en dergelijke… Ga zo maar door. Die zulke dingen doen, zullen het Koninkrijk Gods niet beërven, zegt Paulus. Dat is het zesde kenmerk.

g. Maar, vers 22, de vrucht van de Geest (en dan komen we bij het zevende kenmerk van het leven met God) is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Het werk van de Geest wordt zichtbaar in de vrucht. Dat hoor je niet aan mooie woorden of aan mooie verhalen. Een mooi verhaal vertellen is geen kunst, een mooi bekeringsverhaal vertellen ook niet. Voorbeelden genoeg, zo niet in de familie. dan wel in allerlei boekjes. Daar ken je het leven met God niet aan. Het is God en het zijn de mensen hier buiten de kerk, die het aan de vruchten zien, of niet... Dat heeft de Heere Jezus Zelf in Matthéüs 7 gezegd: zo zult u dan dezelve aan hun vruchten kennen. Niet een iegelijk die tot Mij zegt (met de lippen, geen kunst aan): Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet (in het leven van iedere dag) de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is (7:20-21).

De werken (meervoud) van het vlees…, maar de vrucht (enkelvoud) van de Geest. Eén vrucht, zou je kunnen zeggen, met heel veel kleuren. Zoals er één regenboog is met duizenden kleuren. Merkbaar in het gewone dagelijkse leven, zichtbaar, tastbaar. Je zou bijna zeggen dat je het kunt ruiken. Zoals geschreven staat van Petrus en Johannes: En zij kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren (Handelingen 4:13b). Dat kon je aan ze merken, dat kon je aan ze zien en horen, dat kon je bijna aan ze ruiken. Nee, dat zijn geen superheiligen of zo, maar het wordt wel zichtbaar, merkbaar in het leven van iedere dag. Er is iets in de kinderen van God wat niet van de mens is, maar van Christus.

En die vrucht is: Liefde: zelf verloochenende, zelf opofferende liefde. Liefde tot God, tot Gods Woord, tot Gods wet (hoe lief heb ik Uw wet, van het eerste tot en met het tiende gebod toe). Blijdschap: echte blijdschap omdat de Heere Jezus Christus Zijn leven voor mij, die zo´n slecht mens ben, wilde geven, voor Zijn rekening. Vrede: vrede met de hemel, met God. Geen vrede door mijn werken, maar vrede door het bloed van het kruis. En daardoor word je zelf ook –dat kan niet anders– vrede zoekend, vrede stichtend en vrede makend. Daarom heeft de Heere Jezus gezegd: Zalig zijn de vreedzamen (de vredezoekende mensen), want zij zullen Gods kinderen genoemd worden (Matthéüs 5:8). Dat is een kenmerk van het leven van genade.

Lankmoedigheid: verdraagzaamheid en geduld in allerlei onrecht, maar ook in de moeite en zorg van het leven. Goedertierenheid: vriendelijkheid, hartelijkheid, meelevendheid, warmte van hart. Goedheid: in goede werken, die blijken. Niet alleen met woorden, maar ook met daden. Maar hier zit ook iets in van betrouwbaar zijn, mensen waar je op bouwen kunt. Geloof: vertrouwend op het Woord, op de beloften van God. Tegelijk zit hier ook iets in van: geloofwaardigheid, betrouwbaarheid in het leven van iedere dag. Zachtmoedigheid: vriendelijkheid, mildheid, gunning, bescheidenheid, niet direct boos, niet direct gepikeerd of op je tenen getrapt. Matigheid: je zelf onder controle hebben. En hier wordt dat vooral bedoeld in het kader van het relationele, vooral ook in het sensuele.

Ieder kind van God, en de Heere legt het ons voor als een toetssteen om onszelf te onderzoeken, heeft er iets van. Iets van deze vrucht van de Geest. We moeten en we mogen dagelijks bidden om meer. Niets daarvan is prestatie van onszelf, het is Gods werk. Het is het genadewerk van God de Heilige Geest. Het is geen uitblinken van of veredeling van karaktertrekken die we al hadden. Maar het is vernieuwing, want we hadden er niets van. Het is de vrucht van de Geest. Van bovenaf geschonken.

Tegelijk, vanuit de Filippenzenbrief, roept Paulus al Gods kinderen op: Werk uw zelfs zaligheid met vrees en beven (breng die vruchten voort!), want het is God Die in u werkt, beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen (2:12, 13). Dat laatste is wat op de achtergrond schittert. Het is de diepste oorzaak van alles, van het leven door genade en het leven met God: Gods welbehagen. Van dat God uit vrije genade goede gedachten heeft gehad met zulke slechte mensen als wij zijn.

Tegen de zodanigen, vers 23, is de wet niet. Dat is na die zeven kenmerken onze troost. Voor zulke mensen die van genade leren leven en iets in hun leven –terwijl ze hun hart onderzoeken bij Geesteslicht– herkennen van de vrucht van de Geest, voor zulke mensen geldt: het oordeel van de wet is opgegeven. Tegen ons is de wet niet meer.

Maar, vers 24, die van Christus zijn (die van boven af geboren zijn en Zijn eigendom zijn) hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Nu we iets gezien hebben van onze verdorven aard en natuur, van de onmogelijkheid om onszelf ooit nog beter te maken, nu we verder weg of dichterbij iets gezien hebben van de wonderlijke liefde van Christus, Die de vloek wilde dragen voor zulke vervloekte mensen, en nu we door de band van het geloof aan Hem verbonden zijn (hoe zwak ook, met honger, dorst, uitzien, verlangen; maar ook met vertrouwen, kennen, hopen, verwachten, eten, drinken), nu is er, zegt Paulus, een breuk gekomen met ons oude leven. Dat kan niet anders, anders klopt er iets fundamenteels niet. We hebben onze verkeerde verlangens en hartstochten aan het kruis genageld.

Zeven kenmerken. Samen te vatten in één eenvoudige zin. De zonde? Ik wil en kan het niet meer, maar ik wil van harte in liefde en dankbaarheid voor de Heere leven.

En het is de Heilige Geest, Die ons daarbij stap voor stap leidt. Nooit denken dat het van jezelf is. Daarom zegt Paulus in vers 25: Indien wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen.

Laat ons, vers 26 en dat is een laatste apostolische vermaning ook voor ons in een week van voorbereiding, niet zoekers zijn van ijdele eer (trots, je eigen gelijk zoekend), elkaar tergende (kritisch, discussie uitlokkend), elkaar benijdende (jaloers, omdat je ziet dat de ander wat heeft, wat jezelf mist).

Twee kenmerken van een ware Avondmaalganger. Door de Geest leven: het kruis, waar ik me zo aan gestoten en geërgerd heb, is mijn hoop, mijn leven, mijn alles. Door de Geest leven – daar gaat het om. Door de Geest wandelen – daar draait het om.

Want, zegt de apostel, zoals het lichaam zonder de geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood.

Amen.

Slotzang Psalm 40:1,8

'k Heb lang den HEERE in mijnen druk verwacht, En Hij heeft zich tot mij geneigd; Ik riep, door nood op nood bedreigd, Hij gaf gehoor aan mijne jammerklacht. Mij, in den kuil verzonken, Mij heeft Hij hulp geschonken, Gevoerd uit modderig slijk; Mij op een rots gezet, Waar ik, met vasten tred, Die jammerkolk ontwijk.

Verheug het volk, verblijd hen allen, HEERE, Die naar U zoeken t' elken stond'; Leg steeds Uw vrienden in den mond: "Den groten God zij eeuwig lof en eer." Schoon 'k arm ben en ellendig, Denkt God aan mij bestendig; Gij zijt mijn hulp, mijn kracht, Mijn redder, o mijn God, Bestierder van mijn lot, Vertoef niet, hoor mijn klacht.