PREEK · VRIJE STOFFEN

De Geest roept: Abba, Vader! (deel 9) – Galaten 4

6 maart 2014

Galaten 4:6: En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader.

INLEIDING

Paulus confronteert de Galaten met hun verborgen terugval: zij die door Gods genade bevrijd zijn uit slavernij — zowel van de zonde als van de werken der wet — worden weer aangestoken om naar de oude ketenen terug te keren. Maar tegen dit grote gevaar roept hij hen op tot het waarheidskenmerk van Gods kinderen: 'God heeft de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!' (Galaten 4:6-7). Dit ene woord — Abba — weerspiegelt de waarheid dat Gods kinderen niet langer slaven zijn onder tuchtmeesters, maar erfgenamen van Gods oneindige genade, aangenomen niet door eigen verdiensten maar door vrije genade.

THEMA

Een hernieuwde en dringende oproep om te blijven bij genade

KERNPUNTEN

  1. Blijde roem
  2. Een scherp verwijt
  3. Liefdevol vermaan

GALATEN 4:1-19

1 Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles;
2 Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader tevoren gesteld.
3 Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld.
4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet,
5 Opdat Hij degenen die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.
6 En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader.
7 Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam Gods door Christus.
8 Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen die van nature geen goden zijn;
9 En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?
10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.
11 Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb.
12 Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan.
13 En gij weet dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de eerste maal verkondigd heb;
14 En mijn verzoeking, die in mijn vlees geschiedde, hebt gij niet veracht, noch verfoeid, maar gij naamt mij aan als een engel Gods, ja, als Christus Jezus.
15 Welke was dan uw gelukachting! Want ik geef u getuigenis dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven en mij gegeven hebben.
16 Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende?
17 Zij ijveren niet recht over u, maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren.
18 Doch in het goede allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk als ik bij u tegenwoordig ben,
19 Mijne kinderkens, die ik wederom arbeid te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.

VOLLEDIGE TEKST

De Geest roept: Abba, Vader! (deel 9) – Galaten 4

ds. J. IJsselstein - Galaten 4:6

THEMA

Een hernieuwde en dringende oproep om te blijven bij genade

Gemeente, we gaan vanavond verder met onze Bijbellezing over de Galatenbrief en vervolgen met hoofdstuk 4, de verzen die u voorgelezen zijn, vers 1 tot en met 19.

De vorige keer (en toen ging het over hoofdstuk 3) hebben we gezien, dat God de wet niet gegeven heeft als regel tot het leven, als weg om de zaligheid te verdienen, maar als een spiegel, als een aanwijsstok, als een vergrootglas, om ons onze zonden te laten zien. Paulus zei: ‘Als een gevangenbewaarder, als een oppasser in de gevangenis, een cipier.’ Zodat de wet ons onze nood zou laten zien, om zo uiteindelijk (en dat was en is Gods doel) de wet als een tuchtmeester te laten zijn tot Christus (hoofdstuk 3 vers 24). Opdat, zo zei Paulus, wij uit het geloof gerechtvaardigd zouden worden. Opdat we door het door God geschonken geloof af zouden zien van alles van onszelf en ons als een verloren zondaar zouden uitleveren aan God. Om in die weg genade te ontvangen. En zo heeft God de gelovige heidenen in Galatië aangenomen tot kinderen en erfgenamen. Zo eindigt hoofdstuk 3.

En nu kun je je afvragen (en ik doe dat maar even hardop met u): Moet hoofdstuk 4 daar nu weer over gaan? Is het dan nog steeds niet duidelijk? Nee. Het is voor Paulus kennelijk niet genoeg. Hij is met zo veel liefde begaan met de gemeenten in Galatië, hij wil ze niet loslaten. Ging het in Galaten 3 vooral over de weg waarin God Zijn genade geeft (waarbij de wet een hulpmiddel is), in Galaten 4, dat nu voor ons ligt, wordt veel meer de nadruk gelegd op de zegen, de vreugde, de blijdschap en de rijkdom van Gods genadewerk. Het is alsof Paulus zegt: Kijk nou toch eens, mensen, wat de Heere u gegeven heeft! Zo veel zegen, vrede en troost in uw hart. Dan ga je toch niet weg van dat spoor? Dan blijf je toch bij de genade en ga je toch niet terug naar de werken?

Het thema voor deze Bijbellezing is: Een hernieuwde en dringende oproep om te blijven bij genade We letten samen op drie aandachtspunten. Op: 1. Blijde roem (vers 1-7) 2. Scherp verwijt (vers 8-11) 3. Liefdevol vermaan (vers 12-19) Als eerste dus:

1. Blijde roem

Leest u maar mee in vers 1 en 2. Doch ik zeg, zo lange tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer (een eigenaar) is van alles; maar hij is onder voogden en verzorgers, tot de tijd van (of: door) de vader tevoren gesteld (of: vastgesteld). Al ben je op papier erfgenaam (en Paulus neemt dat woord mee uit het laatste vers van hoofdstuk 3), zo lang je kind bent, merk je daar niets van. Vader, die de erfenis geregeld heeft, heeft van tevoren het tijdstip vastgesteld waarop je de erfenis zult krijgen. Misschien zal dat nog jaren duren. Tot die tijd ben je gewoon net als iedereen: onder voogden en verzorgers. Met andere woorden: je doet wat je moet doen, net als iedereen. Gehoorzamen, je best doen. En… dat doen slaven ook.

Alzo, vers 3, wij ook (u, gemeente van Galatië, en ik ook), toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld. Zo was het ook met ons. Want er staat toen (in die toestand) wij kinderen waren. Ik, zegt Paulus, als Jood en u als heidenen, wij waren dienstbaar, we moesten gehoorzamen, we moesten de eerste beginselen (het abc, de basisprincipes) van de (heidense) wereld gehoorzamen. Namelijk: Doe wat de afgoden van je vragen: braaf zijn en offers brengen. Maar het was een slavendienst! Je leven toen, in afgodendienst, werd beheerst door angst. Het was slavernij. Want als je niet deed wat je moest doen, was je doodsbang, want de goden zouden boos worden en dan had je een groot probleem. Het heidense abc van toen. Het heidense abc van nu: Doe wat je gewoon fijn vindt, waar je plezier aan beleeft, waar je je goed bij voelt. Maar ook dat is ten diepste slavernij. Je bent helemaal niet vrij. Dat denken we wel, maar we worden meegesleurd door ons innerlijk, door onze hartstochten, door onze verlangens, door onze verslaving aan de zonde.

Zo was het met u Galaten, zegt Paulus als het ware. Het heidense abc. Maar zo was het ook met mij. Een godsdienstig abc: Doe wat je kan, wees netjes, wees voorbeeldig, wees ijverig en… ja, dan zal God je belonen. En zo niet? Dan niet. Slavendienst ten diepste! Want de wet beloont helemaal niet, de wet beloont helemaal nooit. De wet veroordeelt en zegt bij alles wat je doet: Galaten en Joden, het is tekort. Wij (ik als Jood en u als heidenen) leefden onder een hard juk. Het was een slavendienst. U leefde onder het juk van de slavernij van de zonde en ik onder het juk van de slavernij van de wet. En dat was een hard juk.

Paulus typeert twee soorten mensen en hij gooit ze met één gebaar op één hoop. De vrienden van de wet, die denken dat ze door goede werken zalig kunnen worden en de mensen die leven in de zonde. De mensen in de kerk en de mensen buiten de kerk. Hij zegt: We leefden in slavernij.

Dat was vroeger. Maar, vers 4, wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. Op Gods tijd is Hij, Christus, gekomen. En dat ging uit van God, en van Hem alleen.

God heeft Hem uitgezonden. Met andere woorden: als wij aan onszelf (onze eigen werken, eigen prestaties en eigen inzichten) waren overgelaten, dan was het verloren geweest. Maar God heeft Zijn enige en liefste Zoon gezonden. God uit God zegt de belijdenis en Licht uit Licht. Maar Hij nam onze menselijke natuur aan en is mens geworden. Geworden (dat wil zeggen: geboren) uit een vrouw (uit Maria) en geworden onder de wet (dat wil zeggen: Hij gehoorzaamde de wet in alles). Dat kan niemand van ons zeggen. Hij deed alles wat geschreven stond in het boek der wet, om dat te doen. Maar toch liet Hij de vloek van God over Zijn leven gaan, over Zijn heilige leven, want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt (Galaten 3:13).

Dit was het doel van Zijn diepe lijden: Opdat (vers 5) Hij degenen die onder de wet (gevangen) waren verlossen zou en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Hij is gezonden om voor de gevangenen van de wet de deuren van de gevangenis te openen en vrijheid uit te roepen voor de gebondenen. Hij heeft, staat er, hen verlost. Letterlijk staat er zoiets als: de losprijs betaald. Hij heeft hen als slaven vrijgekocht uit de slavernij van de zonde en van de werken der wet. Opdat (en je hoort de verwondering van Paulus’ stem steeds meer doorklinken) wij aangenomen zouden worden tot kinderen. Tot kinderen. Altijd geneigd om te dwalen, weg te lopen, zwak, dwaas, steeds maar weer geneigd tot zondigen. En toch zegt God tegen de Zijnen: ‘U bent Mijn kinderen.’ Later schrijft Johannes: Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij(!) kinderen Gods zouden genoemd worden (1 Johannes 3:1). Wat een onbegrijpelijke liefde van God de Vader. Wat een onbegrijpelijke zondaarsliefde van Christus, dat Hij voor ons gebogen heeft onder de wet en onder de vloek. Hoe groot was de weergaloze liefde van Christus voor mensen die de vloek rechtvaardig hadden verdiend en op wie de vloek rustte. De Catechismus zegt in Zondag 13 (en het zijn één voor één woorden om te spellen): Wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen van God aangenomen. Onbegrijpelijk wonder van eenzijdige genade bij God vandaan.

En, zegt vers 6, overmits u kinderen bent, zo heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! De Heilige Geest is uitgestort op de Pinksterdag. En het is alsof Paulus zegt: Kinderen van God in Galatië, die Heilige Geest heeft uw hart geopend. Zo is het begonnen. Zoals het hart van Lydia geopend werd en ze acht nam op het Woord. U bent door het werk van de Heilige Geest verlost van de slavernij van de zonde en de afgodendienst. En als u dan terugkijkt op uw vorige leven, wie u was en hoe u leefde, dan kan het niet anders (kijk maar in uw hart of dat zo is) dan dat u zegt: O God, wie ben ik toch? Wees mij, zondaar, genadig! En wie ben ik, dat ik de naam van U, o Vader, op mijn vuile lippen nemen mag? Wie ben ik? Ik moet mezelf mishagen, ik moet walgen van mezelf, ik moet mezelf voor U verootmoedigen. En wie bent U, o grote en heilige God?

Maar, zegt Paulus, God heeft niet alleen Zijn Zoon in deze wereld gezonden, maar ook de Geest gezonden en wel heel dichtbij: in uw harten. En wat doet de Heilige Geest daar? Paulus zegt op een andere plaats dat Hij ons leert de dingen die ons van God geschonken zijn (1 Korinthe 2:10). Hij maakt ons, die Zijn kinderen zijn, dus (zo zien we ook in onze tekst) bewust van dat kindschap van God. Hij leert ons dat, door ons dat voor te zeggen, wat wij zelf niet durven en niet kunnen. Misschien zegt u dat ook wel in uw hart, kind van God: ‘Ik durf en kan het niet, misschien mag ik het ook niet…’ Maar de Geest zegt het voor in onze harten. Paulus zegt letterlijk: ‘Hij roept het uit!’ Wat? Abba. Een Aramees woord. Een woord vol van warmte, geborgenheid, liefde en vertrouwen. In het Grieks: Vader. Abba, Vader. De Geest roept het uit en zegt het voor. En als wij dat door genade nazeggen, dan is dat geen uitroep van zelfverzekerdheid. Misschien moet ik eerder zeggen dat het een fluistering is van iemand die in eigen kracht nergens bij kan.

Deze uitroep, Abba, Vader, is geen uitroep die je zelf in eigen kracht zegt. Je zegt niet zo maar in eigen kracht: ‘Ik weet dat God mijn Vader is.’ Vader voor en Vader na. Want deze Vader is tegelijkertijd diezelfde God en Vader, Die in Galaten 3 (hier vlak voor) de vloek en het oordeel, ook over mij uitsprak. Daar was letterlijk de zending, de uitzending van de Heilige Geest voor nodig. Anders ging dat niet, anders konden we dit niet nazeggen. De Geest moest het eerst uitroepen in onze harten, anders ging het, anders gaat het niet. Anders kunnen we het niet nazeggen.

Galaten, u hebt gebogen onder de wet, onder de vloek, onder de schuld van uw zonde. Uw oog en hart is gericht op Christus Jezus. En Hem hebt u door het geloof mogen zien en omhelzen. En nu, zegt Paulus, leert de Geest u verder, de dingen die u door God geschonken zijn. De Geest laat ons, om de woorden van Paulus te gebruiken, Gods eigen eerste beginselen (het abc van de genade) zien. En de Geest zegt: ‘Zeg het maar na: Abba, Vader.’

Zo dan, vers 7, u bent niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien u een zoon bent, zo bent u ook een erfgenaam van God door Christus. Nu Galaten, zegt Paulus, bent u geen slaaf meer. U bent een zoon, een aangenomen kind, een erfgenaam.’ Is dat iets wat je zelf gepresteerd hebt? Iets waar je zelf aan hebt kunnen bijdragen? Nee toch? Je kunt als kind toch niets bijdragen aan je adoptie? Je draagt als kind toch nooit iets bij aan de erfenis die je krijgt? Dat is allemaal het werk en het besluit van een ander. Dit is ten diepste de roemtaal die hier doorheen klinkt: God alleen de eer! Het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen.

Willen we deze verzen (1 tot en met 7) een beetje begrijpen, gemeente, dan is het misschien wel tijd om ons hart daar aan te spiegelen. Nu we gehoord hebben over de

slavernij van de zonde, de slavernij van de wet en de vrijheid van de kinderen, nu is het tijd om ons hart daarnaast te leggen. Kijk eens in uw hart. Bent u een slaaf van de zonde? Dat kan. Ook als je lid bent van de gereformeerde gemeente. Ook als je trouw en meelevend lid bent. Dan toch ten diepste, als je eerlijk in je hart kijkt, meegesleurd door… je eigen begeerten, je verlangens, je hartstochten. In de ban van de verslaving van geld, goed, spullen, dingen van deze tijd. Slavernij… Slaaf van de zonde. Beste vrienden, als dat zo is: Bekeer u dan en breek met die zonden! Breek met dat oude leven en buig voor God, voordat het te laat is.

Of bent u vriend van de wet? Dit doe ik wel, dat doe ik niet. Dit mag wel, dit mag niet. Want zo word ik hopelijk een beter mens en wie weet… God ziet het wel en zal uiteindelijk best tevreden met mij zijn… Bent u zo? Beste vrienden: de wet veroordeelt u! Veroordeelt u tot de dood. De wet zegt: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen (Galaten 3:10)

Of geldt u dit, wat McCheyne ooit zong: Maar toen mij God Geest aan mij zelf had ontdekt, Toen werd in mijn ziel de vreze gewekt. Toen voelde ik wat eisen Gods heiligheid deed. Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed?

Toen bleek in mijn leven, dat de wet als een tuchtmeester was bedoeld. Want: Toen vluchtte ik tot Jezus, Hij heeft mij gered! Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet.

Aangenomen tot een kind. Onbegrijpelijk wonder van vrije genade, dat God een goddeloze, een vijand tot kind wilde aannemen. O, als dat zo is in uw leven, geef dan God alleen de eer! Want het is alleen Zijn werk, Zijn verdienste en Zijn genade.

En: pas op! Want dat is eigenlijk de boodschap die hier naar voren komt: Pas op, want mijn oude, verdorven hart, mijn oude mens wil stiekem steeds weer terug naar dat oude spoor van zelf doen, zelf werken en zelf verdienen. Ook na ontvangen genade. Na alle blijdschap, troost en zegen die ik gekregen heb, wil dit mijn hart steeds weer terug op die oude weg. We worden ingewonnen door Goddelijk liefdegeweld, ingewonnen door Gods genade. En als we dan uiteindelijk ingewonnen zijn, dan stemmen we hartelijk in met Gods weg van de zaligheid, maar... er blijft iets in ons oude hart, dat het anders wil. Iets was altijd weer de kop opsteekt, dat zelf wil werken en zelf wil verdienen. Ik ellendig mens.

Onze tweede gedachte:

2. Een scherp verwijt

We zijn bij vers 8, 9 en 10: Maar toen, als u God niet kende, diende u degenen die van nature geen goden zijn. En nu (nu is het anders!), als u God kent, ja veel meer van (of: door) God gekend zijt, hoe keert u zich wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke u wederom van voren aan wilt dienen? U onderhoudt dagen en maanden en tijden en jaren. Kinderen van God, want daar gaat het hier over, bekeerd van de afgoden om de levende God te dienen, aangenomen tot kinderen (we hebben het net gelezen)… En wat blijkt dan? Dat die kinderen zwak van moed, klein van krachten en tot hinken (struikelen) en zinken ieder ogenblik geneigd zijn.

Er kwam, als u naar uw eigen leven kijkt, misschien een Goddelijk keerpunt. Dat ging van God uit. Dat staat hier. Door God gekend. En nu (dat is de waarschuwing van Paulus en van dit Schriftgedeelte), nu gaat u weer terug? Terug? Ja! Kinderen van God gaan toch weer terug naar hun oude slavendienst, van werken, van zelf je leven verbeteren, van werken aan verbetering in eigen kracht. Het is alsof je Paulus hoort uitroepen: ‘Hoe is het toch mogelijk…?!’ Terug naar toen. Terug naar het toen van het leven in de zonde misschien wel. Naar de zonde van vroeger, misschien minder opvallend, maar toch… Kijk eens eerlijk in uw hart (en ik zeg het ook tegen mezelf)… Langzaam toch weer teruggegaan naar dat leven in de zonde van hoogmoed, naar dat jezelf meer achten dan de ander, en de ander minachten. Teruggegaan naar dat leven van de zonde van jaloezie, van dat harde verwijten maken aan het adres van anderen. Teruggegaan naar dat leven van de zonde van verkeerde begeerten in je leven. Teruggegaan naar dat leven van de zonde van het alleen maar leven voor de dingen van het nu. Ten diepste is het terugval in het leven van heidendom.

Terugval in het leven van zonde, maar in de tweede plaats vooral terugval in de werken van de wet. Als je in je hart -letterlijk- de optelsom probeert te maken van je werken, van je bidden, van je tranen, van wat je allemaal gedaan hebt en doet. Maar… het is tekort! Je vertrouwen, je indrukken, je emoties, je geraakt zijn door het Woord van God, je zoekt ten diepste troost in wie je zelf bent voor God. Maar… dat is tekort. Je drijft, en dat is ook terugval in je oude leven, op de geloofwaardigheid en het mooie van je bekeringsverhaal. Maar… ook dat is tekort.

Is het niet beter om amen te zeggen op de vloek van Galaten 3 en onze handtekening te zetten onder het stempel van de veroordeling van ons leven, waarmee God zegt dat alles van ons tekort is? Is het niet beter om tegelijkertijd biddend omhoog te zien en te zeggen: Heere, ongerechtige dingen hadden de overhand over ons. Dat is alles van ons.

Maar U…! Maar onze overtredingen die verzoent U! U, HEERE, bent onze enige Hoop en onze enige Verwachting! O, lieve vrienden bouw toch uw huis alleen op Christus, Die door God gezonden is als een offer voor… vijanden. Op Christus alleen, Die door God gezonden is om de vloek weg te dragen van… vervloekten.

Wij gaan samen eerst zingen uit Psalm 65, het tweede vers: Een stroom van ongerechtigheden had de overhand op mij, maar ons weerspannig overtreden verzoent en zuivert Gij. Welzalig, dien Gij hebt verkoren, dien Ge uit al ´t aards gedruis doet naderen en Uw heilstem horen, ja, wonen in Uw huis.

Gemeente, we zijn bezig met ons tweede punt, het scherpe verwijt dat Paulus maakt in de verzen 8 tot en met 11. Ik lees u voor uit vers 9: Hoe keert u zich (dwalenden, uitzinnigen onder u) weer tot de zwakke en arme beginselen (tot dat abc), die u wederom (opnieuw) van voren aan wilt dienen? Paulus zegt: Dat beginsel is zwak, dat is arm. Luther zegt in dit verband: De wet is zwak en arm, én de zondaar is zwak en arm. Twee zwakke bedelaars, twee arme stumpers, die elkaar proberen te helpen.

Zoals staat in vers 10: U onderhoudt dagen en maanden en tijden en jaren. Waarschijnlijk gaat het om delen van de Joodse ceremoniële kalender, misschien ook wel vermengd met heidense gebruiken. Paulus zegt: Pas op, Galaten, u wankelt! Hoe is het toch mogelijk…?! En ik vrees dat ook van sommigen van ons (en ik sluit mezelf er bij in) gezegd moet worden: Hoe is het toch mogelijk…?! Als u terugkijkt, kinderen van God, naar de tijd dat de Heere in uw leven kwam... En dan nu? Vol van formalistische godsdienst? Regel op regel, raak niet, smaak niet, roer niet aan… Toen: arme zondaar. Nu: heel wat geworden, een echte bekeerde man of vrouw. Maar waar is het walgen aan onszelf, zoals het Avondmaalsformulier zegt? Waar het mishagen aan onszelf, het klein worden voor God? Aangezien de toorn van God tegen mijn zonde zo groot is dat die niet ongestraft kon en kan blijven…

En waar, kinderen van God, is in ons leven de verwondering om Hem, Die om ons onder de vloek wilde doorgaan? Waar is in ons leven de verwondering, dat God zo’n slecht mens uit genade om niet wilde aannemen? Teruggevallen in het oude spoor…: Ik kan het zelf wel, ik weet het zelf wel, werken, verdienen, goed mijn best doen.

En ondertussen zegt u: Het is zo donker geworden in mijn leven, het is allemaal zo kil. De eerste liefde van toen is weg. Hoe kan dat toch? Waarom is dat toch zo? Omdat u genade hebt ingewisseld voor werk. Wéér, toch weer teruggevallen in het oude patroon van werken.

Daarom zegt Paulus in vers 11: Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb. Moet ik nu hopen of vrezen? Hij balanceert tussen hoop en vrees. Maar weet dit: Hoe groter de genade is, die je als een arme zondaar gekregen hebt, hoe groter het kwaad als je toch weer teruggaat op dat oude spoor van de werken van de wet.

Ons derde punt:

3. Liefdevol vermaan

Ik denk dan aan de verzen 12 tot en met 19. Vers 12: Weest dan als ik, want ook ik (zegt Paulus) ben als u; broeders, ik bid u… Wat een liefdevol, hartelijk vermaan. Vooral dit: Ik ben als u. Het is alsof hij zegt: Werp, lieve vrienden, de gedachte toch weg, dat je door je werken zalig kunt worden of een beter kind van God zult worden. Zo was ik ook, zegt Paulus. En ik zeg het hem na: Zo was ik ook.

Ik ben als u. Vroeger dacht ik dat ik voor God kon bestaan, vrome jongen die dacht dat hij beter was dan iedereen. Totdat, zegt Paulus, God mij neervelde op de weg naar Damascus. Tot God hem op de grond legde en vanuit de hemel klonk: Het is tekort! Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in heel de wet. En toen, zegt Paulus, heeft God me geleerd, dat het hopeloos is aan mijn kant. Dat er geen redden aan is in eigen kracht. Maar vanuit die nood heb ik geroepen tot God: O God, wees mij genadig! Geroepen, totdat God Zelf de weg baande. De weg van het bloed. Totdat, zoals Paulus het in hoofdstuk 1 zei, het Gode behaagd heeft Zijn Zoon in mij te openbaren. En uiteindelijk heeft Hij mij gewillig gemaakt, ondanks al mijn verzet en vijandschap, om in te stemmen met Zijn voorwaarden voor de zaligheid: Ik, God, doe alles voor u. En alles van u is niets. Het is tekort. En zo heeft Hij mij, die tevoren een vijand was, aangenomen tot Zijn kind. En je hoort de liefdevolle roep van Paulus hierin doorklinken: Wijk toch, lieve vrienden en u in het bijzonder kinderen van God, niet af van dat spoor van genade voor vijanden, van verzoening voor goddelozen.

Broeders, vers 12, ik bid u, u hebt mij geen ongelijk gedaan. Hij zegt: Er zit helemaal niets tussen ons. En u weet, dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de eerste maal verkondigd heb. En mijn verzoeking (mijn lijden), die in mijn vlees geschiedde, hebt u niet veracht noch verfoeid; maar u nam mij aan (destijds, vroeger) als een engel Gods, ja, als Christus Jezus.

Paulus zegt: Mensen, zo was het toch destijds? Zo was het toch toen God in uw leven kwam?

Vers 15: Welke was dan uw gelukachting? Letterlijk staat er eigenlijk: Waar is dan nu, op dit moment, uw vroegere zegen, uw vroegere gelukzaligheid? Waar is die gebleven? Want ik geef u getuigenis, dat u, zo het mogelijk was, uw ogen zou uitgegraven en mij gegeven hebben. Dat wil zeggen: U was toen zo vol van liefde, geluk en zaligheid. U zou destijds het belangrijkste van uw lichaam zelfs aan mij gegund hebben. En nu? Ja, dat is de vraag. Waar is nu die liefde? U, en dat is het scherpe vermaan wat hierin doorklinkt, hebt uw eerste liefde verlaten! Hoe? U bent weer teruggegaan naar dat oude spoor. Daarom is het allemaal zo kil, zo dor, zo afstandelijk. U komt, kind van God, misschien nog wel aan het Avondmaal (maar misschien ook niet meer), maar kijk eens naar binnen. Het gaat hier om, wat genoemd wordt, verachtering in de genade. Er was zoveel blijdschap, vreugde en hartelijkheid in het dienen van de Heere, zoveel buigen voor Hem. Maar nu? Weg. U zegt: Het is zo koud, zo doods en zo dor vanbinnen geworden. Waardoor is dat? Als het gaat om donkerheid in je geestelijke leven dan is het laatste (maar dan ook echt het allerlaatste!) waar je aan mag denken: de vrijmacht van de Heere. Meestal en bijna altijd ligt de oorzaak bij ons. Bij onze zonden. Verborgen zonden. In je gedachten, in de dingen die je doet, in de dingen die je zegt, in de dingen waar je naar luistert of waar je naar kijkt. Verborgen zonden. Echt of virtueel (digitaal). Of, en dat kan ook, zonden in de kring van de gemeente: neerkijken op anderen, kwaadspreken van anderen, jezelf beter vinden dan anderen (hoogmoed). Of (en is dat ook niet vaak de oorzaak?): slordigheid in het lezen van de Bijbel, slordigheid in het verborgen gebed? Is dit niet de reden van de donkerheid in uw hart: weer vrienden geworden met de wereld? Alleen maar bezig met de dingen van deze tijd, met het plezier van het hier en nu? Niet meer gericht op God en op de komende dag van de eeuwigheid? Of weer vrienden geworden met de wet? U zegt: Kijk Heere, hoe goed ik bezig ben geweest de afgelopen tijd? En de liefde bekoelt, de hemel betrekt met wolken… En het wordt donker...

Wat hebben we blijvend nodig om te leren, door de genade van God de Heilige Geest, om als een arme zondaar van genade te leven. Niet als een bekeerd mens van genade leven. Paulus zou zeggen: Wie heeft u betoverd om dat te kunnen denken? Maar als een goddeloze van onverdiende genade leven. Van de genade dat Hij, God, mij die een vijand was, als een kind heeft willen aannemen.

Ben ik dan, vers 16, u een vijand geworden, u de waarheid zeggende? Toen, zegt Paulus als het ware, was uw hart zo vol van liefde. Vol van liefde voor het Woord, maar ook voor mij die het Woord bracht.

Maar (en kennelijk zijn daar aanwijzingen voor) houdt de liefde nu ineens op als ik scherp tegen u ben, als ik eerlijk tegen u ben? Als ik u scherp aanspreek en tegen u zeg: U bent die man, u bent die vrouw…! Galaten, waarom gaan dan al uw stekels overeind? Is dat ook in deze tijd niet vaak de werkelijkheid? En dat bedoel ik niet in het openbaar, hoor, maar ik bedoel in binnenste van mijn, van ons hart... Als God de zonden van anderen aanwijst, ja, dat vind u nog wel goed. Dan zegt u in uw hart: De dominee heeft fijn gesproken vanmorgen, netjes! Maar als het Woord scherp wordt, uw eigen schuld in het diepste van mijn hart aanwijst en veroordeelt: hoe is het dan…?

Toch moet u, gemeente, ook als het gaat om de (zondagse) preken u niet vergissen. Dit stukje pastoraal vermaan van Paulus begint met deze woorden: Ik ben als u. Altijd als ik naar u wijs, wijs ik ook naar mezelf. En altijd als ik het over u heb, heb ik ook over mijn eigen hart. Als ik spreek over de liefdeloosheid van het hart, heb ik het over mijn hart. Als ik het heb over de biddeloosheid van het leven, dan heb ik het over mijn leven. Als ik het heb over hardnekkig verzet en vijandschap tegen vrije genade, dan gaat het ook over mijn verzet en vijandschap. En als ik u wijs op het altijd weer afdwalen naar het spoor van de werken van de wet, naar dat zelf verdienen, dan heb ik het ook vooral over mijn eigen dwalen. Ik ben als u.

Vers 17: Zij (die dwaalleraars in de Galatengemeente) ijveren niet recht over u; maar zij willen ons (Paulus) uitsluiten, opdat u over hen zou ijveren. Moeilijke zin. IJveren betekent eigenlijk: iemand het hof maken, iemand proberen naar je toe te trekken, iemand proberen in te palmen. Dat doen ze, zegt Paulus, maar ze doen het niet goed. Ze doen het niet met het goede doel. Ze proberen u in te palmen en proberen mij weg te duwen, uit te sluiten.

Doch, vers 18, in het goede te allen tijde te ijveren is goed en (of: maar) niet alleen, als ik bij u tegenwoordig (of: aanwezig) ben. In het goede te ijveren, diepe betrokkenheid op elkaar, is niet verkeerd. Als je als ouders diep betrokken bent op je kinderen, als je als ambtsdragers van harte betrokken op je gemeenteleden: dat is niet verkeerd. Maar, zegt Paulus, niet alleen als ik er ben. Ook nu, nu ik afwezig ben. Sinds Paulus vertrokken is uit de gemeente van Galatië zijn er dwaalleraars gekomen, die bezig zijn de mensen in hun spoor te trekken. In het spoor van de Partij van de Werkezels, in het spoor Stichting Vrienden van de Wet. Mensen die denken dat de weg naar de hemel open staat zonder Christus, vanwege je eigen werk en je eigen verdienste.

Mijn kinderkens, zegt Paulus in vers 19, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge. Het klinkt vol hartelijke liefde en teerheid. Lieve kinderen, zegt hij. Tegelijk klinkt het vol verdriet, moeite en pijn: die ik wederom arbeid te baren, van wie ik opnieuw geboorteweeën heb. Paulus stond aan de wieg van de gemeente. Hij heeft ze geboren zien

worden, uit het heidendom overgaan om de levende God te dienen. Hij heeft ze, zo noemt hij het, gebaard. Ze zijn geboren vanuit het Woord. Hij ziet zichzelf als een moeder van de gemeente.

Mijn kinderen, die ik wederom arbeid te baren, totdat… Dat is zijn doel, ook in al zijn pijn, verdriet en moeite, totdat Christus een gestalte in u krijgt! Al die woorden van Paulus in dit hoofdstuk en in de hoofdstukken hiervoor, sommige heel vriendelijk en hartelijk, anderen messcherp, vermanend, vertroostend en onderwijzend, al die woorden hadden maar één doel namelijk: dat u al uw vertrouwen, Galaten, op uzelf kwijt zou raken. Want? Christus moet gestalte, moet vorm in uw leven krijgen. Hij, de Heere Jezus Christus, moet alles voor u worden. Uw leven, Galaten, moet in Hem geworteld worden. U moet vast staan in Hem. Calvijn spreekt over het ‘polijsten van het beeld van Christus in de harten van de Galaten.’

Dat, zegt Paulus, is het doel van dit Woord. En dat is ook het doel van het sacrament van het Heilig Avondmaal: dat Christus een gestalte zou krijgen in het hart en leven van Gods kinderen. Want dan krijgt God de eer, die Hij waard is om te krijgen. En dat is voor ons, die ten diepste vijanden zijn van God, de enige weg tot de zaligheid. Deze weg: geen weg van werken, van zelf doen of zelf presteren, maar een weg van afzien van alles wat u zelf hebt of denkt te hebben. Het telt niet, het telt niet voor de Heilige God. Alles van u en mij is tekort. We mogen komen altijd weer komen en zeggen: Heere, ik heb niets dan alleen maar zonde en schuld. Maar… mijn hoop staat op U alleen! Want de armen (niet de werkenden), die wil God met goederen vervullen. Maar rijken in zichzelf zal Hij leeg wegsturen.

Amen.

Slotzang Psalm 103:7: Geen vader sloeg met groter mededogen Op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen, Dan Isrels HEERE op ieder, die Hem vreest; Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten, Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten, En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.