PREEK · KERKELIJK JAAR

Maak u op, word verlicht - Jesaja 60

Advent - 22 november 2015

Jesaja 60:1: Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op.

INLEIDING

Jesaja profeteert tot Jeruzalem in ballingschap, beeld van de duistere, verloren staat van de mens zonder God: blind, gevaarlijk dwalend, zichzelf niet kunnend redden. Toch klinkt de belofte: uw Licht komt. Christus, de Zon der gerechtigheid, gaat op over verslagen zondaars die tot Hem roepen; Zijn heerlijkheid verdrijft de duisternis en geeft nieuw leven. Wie zo verlicht is, mag dat licht weerkaatsen naar anderen, opdat ook heidenen en koningen tot Christus komen en God verheerlijkt wordt.

THEMA

De komende Zon der gerechtigheid.

KERNPUNTEN

  1. De schaduw van de dood
  2. Het Licht van het leven
  3. Het heil voor de wereld

JESAJA 60:1-5

1 Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op.
2 Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de volken; doch over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.
3 En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans die u is opgegaan.
4 Hef uw ogen rondom op en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden.
5 Dan zult gij het zien en samenvloeien, en uw hart zal vervaard zijn en verwijd worden; want de menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het heir der heidenen zal tot u komen.

VOLLEDIGE TEKST

Maak u op, word verlicht - Jesaja 60

ds. J. IJsselstein - Jesaja 60:1

THEMA

De komende Zon der gerechtigheid.

LITURGIE

Psalm 89:3

Psalm 89:7

Lezen Jesaja 60

Psalm 97:1,6,7

Psalm 43:3

Lofzang van Zacharia: 4,5

Gemeente, op deze adventzondag preek ik u het Woord van God vanuit de profetie van Jesaja. De tekst kunt u vinden in Jesaja 60, daarvan de verzen 1 tot en met 3. Daar lezen we het Woord van God als volgt: Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op. Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans, die u is opgegaan.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: De komende Zon der gerechtigheid. En we letten samen op drie aandachtspunten. In de eerste plaats op de schaduw van de dood, in de tweede plaats op het Licht van het leven, en in de derde plaats op het heil voor de wereld. Dus, de preek van vanmorgen heeft drie punten, namelijk 1. De schaduw van de dood 2. Het Licht van het leven 3. Het heil voor de wereld. Als eerste dus:

1. De schaduw van de dood.

Maak u op, Jeruzalem! Word verlicht (vers 1)! Want… het is donker. Jeruzalem is verwoest. Juda is in Babel, in ballingschap. En (het geldt breder): duisternis bedekt de aarde (vers 2). Het is op aarde aardedonker. Ooit klonk er met scheppende kracht: Er zij licht! En er was licht (Genesis 1:3). Maar sinds onze opstand tegen en afval van God is het op aarde aardedonker.

Zo donker, jongens en meisjes, als dat het midden in de nacht is. Als je ineens wakker wordt: het licht is uit, het is nacht. Al doe je je ogen open, alles voor je ogen is zwart! Behalve misschien als het vroeg in de morgen al een beetje licht wordt, maar zover is het nu nog niet. Het is donker. Duisternis is in de Bijbel beeld van de zonde, en vooral ook beeld van niet kennen en niet weten, van niet zien en niet kunnen zien. Want, als het donker is, dan zie je niets. Je toestand is verloren, maar je ziet het niet. Want het is donker. En je bent blind.

Je hebt heel veel zonden, maar je ziet ze niet. Want het is donker. En je bent blind. Je ziet ze niet, je merkt het niet, en dus heb je er ook geen last van.

Als het donker is, dan zie je niets, en (dat is het tweede) als het donker is hebben je ogen een hekel aan licht. Als iemand midden in de nacht ineens het licht aandoet, dan zeg je: ‘Nee, doe uit dat licht!’ Dat zei de Heere Jezus ooit ook: de mensen hebben de duisternis liever dan het licht, want hun werken (zijn) boos, dat wil zeggen: zondig en slecht (Johannes 3:19). Zolang het donker blijft, zie ik niet hoe slecht ik ben en hoeveel zonden ik doe. Hoewel, de Heere ziet en weet alles. Want de duisternis verduistert voor Hem niet; maar de nacht licht als de dag, en voor Hem is de duisternis als het licht (Psalm 139:12).

Als het donker is, dan zie je niets, je ogen hebben een hekel aan licht, en (dat is het derde) in het donker weet je ook de weg niet. Stap je midden in de nacht zonder licht uit bed, dan moet je met je handen voelen, met je voeten tasten: Waar ben ik? Je schuifelt voetje voor voetje, maar pas op, want voordat je het weet, val je van de trap! Met andere woorden: donker is gevaarlijk. Eén verkeerde stap, in het trapgat, en je valt.

Onbekeerden mensen (ze zijn blind en leven in het donker), onbekeerden mensen zijn in groot gevaar. In gevaar om te struikelen. De Spreukendichter zegt: De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen (Spr. 4:19). In gevaar om te struikelen, in gevaar om te vallen. In gevaar om plotseling weg te schieten en te vallen in eeuwige verwoesting. Zoals de dichter zegt van Psalm 73: U (Heere) doet hen vallen in verwoestingen (Psalm 73:18). O, laat toch los, onbekeerden, dat gevoel van schijnzekerheid en veiligheid. Want als u zegt: Het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hun overkomen (1Thessalonisenzen 5:3). U bent in dodelijk gevaar. De Prediker zegt: die in duisternis wandelt, is een zot (2:14). Want? Want één voetstap kan de oorzaak worden van uw eeuwige val. Er is maar één schrede tussen u en de dood (1 Samuel 20:3). Want u woont in het land van de schaduw van de dood. Die schaduw is al over u gevallen. Zo dichtbij is het gevaar. In een oogwenk, in een knippering van uw oog, kan uw lamp uitgeblust worden een zwarte duisternis (Spreuken 20:20).

U zult zeggen: Is het niet dwaas, om iemand die blind is en in duisternis leeft, te wijzen op die duisternis? Hij ziet het toch niet? Hij kan het toch niet zien, en het is toch veel te donker? Je zegt toch niet tegen een blinde: kijk! Of tegen iemand die doof is: moet u eens horen! Ja, dat is waar. Dus is het ook een heel wonderlijke opdracht om te preken. Wijs blinden op hun duisternis, op de inktzwarte nacht waarin zij leven. Zeg tegen dorre doodsbeenderen: ‘Gij dorre beenderen, hoort des HEEREN woord!’ (Ezechiël 37:4).

Maar ik zeg: ‘Ik zal het doen, Heere’. Waarom? In de diepe overtuiging dat het Woord van de Heere niet alleen een scheppende kracht heeft, maar ook een herscheppende

kracht. Denkend aan het woorden van de Heere Jezus Christus: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven (Johannes 5:25). En op Zijn machtswoord zullen ook vanmorgen blinde ogen geopend worden. Als Hij zal zeggen, door de dwaasheid van de prediking: Er zij licht!

Onbekeerden onder ons, jongens en meisjes, jongelui zonder nieuw hart, je leeft in de schaduw van de dood. Je leeft van nature (zoals je geboren bent) als een blinde in duisternis. Door eigen schuld. Omdat je God verlaten hebt. Daardoor ben je (zo zegt Paulus) verduisterd in het verstand. Je begrijpt de dingen van God niet (Efeze 4:18,19; 1 Korinthe 2:14). En daardoor ben je zelfs gekomen in de macht van de duisternis (Kolossenzen 1:13). Je leeft in duisternis, sterker nog, Paulus zegt: je bent duisternis (Efeze 5:8). Alles om je heen, maar ook alles van je, alles aan je en alles in je, is donker en duister. En je doet de onvruchtbare werken van de duisternis (Efeze 5:11).

Kan het nog erger? Nee, werkelijk niet. Het kan niet erger. Dit is de meest ellendige, deerniswekkende toestand waarin een mens, een schepsel kan zijn. In duisternis, in het donker, zonder God in de wereld. Blind en slapend in het land van de schaduw van de dood. Ontwaak, u die slaapt en sta op uit de dood! Voordat u voor altijd en eeuwig zal worden overgegeven aan de ketenen van de duisternis (2 Petrus 2:4).

Wat gebeurt er, als je wakker wordt in het donker? Als je midden in de nacht je ogen open doet, en je ziet hoe donker het is? Je zegt: ‘Dan word ik onrustig, dan wordt ik bang! Dan zie ik hoe donker het is, en dan zou ik het liefst naar papa of mama toe gaan, maar… het is zo donker! En ik weet de weg niet in het donker! Straks val ik van de trap!’ Je zegt: ‘Wat ik dan doe? Nou, dan zoek ik met mijn hand, want misschien kan ik zelf het licht aandoen, misschien kan ik ergens in het donker het knopje vinden om zelf licht te maken…’ Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

2. Het Licht van het leven

Wat zijn wij mensen geneigd om dat te doen! Als we zien dat we leven in het geestelijke donker, in het land van de schaduw van de dood. Wat zijn wij mensen dan geneigd om dat te denken! ‘Kan ik misschien zelf licht maken? Kan ik mezelf misschien redden? In het donker, uit het duister? Op zoek naar licht, tastend in het duister. Veel mensen die leven in het land van de schaduw van de dood zijn zelf op zoek naar eigen licht, naar eigen vermogen om de duisternis te ontvluchten. Zelf mijn leven beteren, zelf de zonde verlaten. ‘Heere, het komt goed met me. Ik zal zelf wel licht proberen te maken. Want ik geloof dat ik het zelf wel vinden kan.’ Maar nee, ik tast in het duister, ik stoot mezelf, ik struikel over mezelf. Eén keer en telkens weer. Je zegt: ‘Ik weet, dat je dan moet doen. Dan moet je roepen! Papa, mama, mag het licht aan? Wilt u voor mij het licht aandoen?’

Roepen om licht. Dat gaat een mens doen, die door de Heere Zelf is wakker geschud. Ontwaakt uit dodelijke rust, midden in het land van de schaduw van de dood. Zelf geprobeerd om licht te maken, maar het is allemaal mislukt.

Dan, daarna (hoor ik soms uw stem?), als de Heere met Zijn bijzondere genade doorwerkt, dan klimt uit het nachtelijke duister de roep omhoog: Heere, ik zoek U in de dageraad, mijn ziel dorst naar U (Psalm 63:2). Mijn ziel dorst naar U, maar ik kan zelf niet meer bij U komen! Verlos me, Heere, uit Babel, waar ik door eigen schuld ben terechtgekomen. Verlost U me, Heere, uit de slavernij van de zonde, waaraan ik mezelf hebben verkocht. En zendt U toch, middenin mijn duisternis, Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden, dat die mij brengen tot de berg van Uw heiligheid en tot Uw woningen (Psalm 43:3). Verheft U over mij het licht Uws aanschijns, o HEERE (Psalm 4:6). Wat ik verlang naar U, Heere, zelfs meer dan de wachters verlangen naar de morgen (Psalm 130:6).

Zoekende zondaars, tobbend, tastend in het duister, u zoekt verkeerd. Zo zult u het ook nooit vinden. Nooit zult u zelf licht in uw hart kunnen ontsteken. Als u daar, zo blijft zoeken, dan zult u omkomen. Want wie zo zoekt, wie zo blijft zoeken, wie zo in het donker naar eigen wegen blijft zoeken, die kruipt vroeg of laat weer in bed en slaapt verder, dieper in slaap dan ooit tevoren. Kom, hoor het Woord des Heeren. Daar is een andere weg. En dat is de enige weg. Deze weg: Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op (Jesaja 60:1).

Daar moet u naar verlangen, daar moet u naar uitzien, daar moet u op hopen! Niet op het kunstlicht van uw eigen levensverbetering, waar u het knopje van zoekt. Maar hoop op, wacht op, verwacht, zoek naar en roep om de vervulling van het Woord van deze belofte! Om het komende licht van de blinkende Morgenster, om het komende gloren van de dageraad, door het opgaan van de Zon der gerechtigheid. Want de Heere heeft het beloofd (zoals Paulus dat zegt in 2 Korinthe 4:6): dat het licht uit de duisternis zou schijnen.

Laat dan toch los, al dat zoeken op verkeerde plaatsen. En laat uw roep toch naar boven gaan: ‘Heere, help! Zend Uw licht en vervul toch Uw Woord!’ En de Heere Zelf geve u houvast aan dat Woord, waar de dichter van Psalm 130 houvast aan vond, toen hij zei: Ik hoop in al mijn klachten, in al mijn duisternis, op Zijn onfeilbaar woord! Op welk woord? Op dit woord, dat de Heere op Zijn tijd vervullen zal in het leven van Hem zoekende en tot Hem roepende zondaars. Dit wil de Heere voor u zijn! Voor u die in duisternis wandelt, voor u die al tastend en struikelend de Heere zoekt en uit de nood van uw leven tot Hem roept: U, die in duisternis wandelt, in het land van de schaduw van de dood, u zult een groot licht zien (Jesaja 9:1). Sta op, word verlicht, want uw licht komt!

Na een donkere nacht, gaat in het leven van God zoekende en tot Hem roepende zondaars, in het leven van al Gods kinderen, op Gods tijd de blinkende Morgenster op, gaat in de volheid van de tijd de Zon der gerechtigheid stralen: uw Heilzon is aan het dagen.

Laten we samen nu eerst zingen, biddend om dat licht, met woorden van Psalm 43, daarvan het derde vers.

Zend, HEER, Uw licht en waarheid neder, En breng mij, door dien glans geleid, Tot Uw gewijde tente weder; Dan klimt mijn bange ziel gereder Ten berge van Uw heiligheid, Daar mij Uw gunst verbeidt.

Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op. Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.

We zijn bezig met ons tweede aandachtspunt: Het Licht des levens Want dat is het! Als Christus, de blinkende Morgenster, het beloofde Licht der wereld, als de rijzende Zon opgaat in de uitzichtloze toestand van het volk van Juda, in het hart van verslagen zondaars die Hem verwachten, gebroken van hart, tot Hem roepend vanuit de diepte, dan wijkt de duisternis, dan wordt het licht in de Heere. Als de Heilige Geest licht laat vallen op Christus. Niet alleen op het verwachte licht, maar als de Heilige Geest gaat zeggen (wat hier eigenlijk staat): Uw Licht! Niet het licht, maar heel persoonlijk: Uw Licht is gekomen. Het Licht der wereld, voor u. Het Licht der wereld, dat in weergaloze liefde wilde komen naar deze donkere en verloren wereld om mij (persoonlijk), om mij, verloren mens te redden van het verderf. Door Zijn gehoorzaamheid, in mijn plaats. Door Zijn vrijwillige lijden en sterven aan het kruis, in mijn plaats. Als Hij Zelf mijn hart verlicht, als Hij Zelf zegt: ‘Er zij licht’, als Hij Zelf zegt: ‘Ik ben uw Licht’, dan wijkt de duisternis. Dan neemt Hij Zelf het donker van mijn ziel weg.

En dan wordt (zo staat in vers 1) de heerlijkheid des HEEREN, dat wil zeggen Zijn gunst, Zijn volheid, Zijn genade, zuiverheid en reinheid, als een kleed van Hem gelegd over mijn zondige en verloren hart. Dan wordt aan de treurigen Sions gegeven sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, en het gewaad des lofs voor een benauwde geest (Jes. 61:3). Dan zingen wij aan God gewijd: Heere, in Uw licht zien wij het licht (Psalm 36:9). Dan wordt het waar wat apostel Paulus schrijft: Gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere (Efeze 5:8).

Het Licht der wereld is uw Licht, en (vers 1) de heerlijkheid des HEEREN gaat over u (je zou ook kunnen lezen: voor u) op. De heerlijkheid des HEEREN. Dat doet denken aan de wolk, die in de tabernakel het Heilige der heilige vervulde. De wolk, waarin God woonde, boven het verzoendeksel. Daar waar op de grote verzoendag het bloed gesprengd werd. Daar woonde God, vanwege dat bloed, in gunst, te midden van Zijn volk. Sta op, word verlicht. Het is een Goddelijk machtswoord: ‘Ik wil, word verlicht!’ Mijn Licht is Uw licht, en Mijn heerlijkheid gaat over u op.

Mijn heerlijkheid, die niet meer bij u was. In Babel, want in Babel was alles weg: de tempel was verwoest, de ark was weg. De eer, de heerlijkheid des HEEREN was genomen: Ikabod! De eer is weggevoerd (1 Samuel 4: 21). Mijn heerlijkheid, die niet meer bij u was. Want in mijn duistere hart moest ik zeggen: Heere, ik mis, ik derf Uw heerlijkheid (Romeinen 3:23). Maar nu komt die heerlijkheid weer terug. Nu wordt uit genade weer teruggegeven, wat ik door eigen schuld had verloren.

Zeker, de zon gaat niet in één keer op. Het gaat van het duister van de nacht, langs het gloren van de ochtend en de eerste stralen van de zon, naar het volle licht van de dag. Zoals de Spreukendichter schrijft: Het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe (Spreuken 4:18).

Maar wat maakt het duister nu tot licht? Wat maakt de nacht nu tot de dag? Dit! Het enige ware Licht, Christus Jezus. Het Licht der wereld, de heerlijkheid des Heeren. Want in Zijn licht, zien wij het licht. In Zijn licht, in het aangezicht van Christus, zien wij de heerlijkheid des HEEREN, het verzoende aangezicht van God. Zoals Paulus schrijft in 2 Korinthe 4:6: Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus

U zegt: het is een belofte, om naar uit te zien, om naar te verlangen. Jazeker, dat is waar. Maar het is een bijzondere belofte. Wat Jesaja beschrijft deze belofte, alsof hij al vervuld is. Eigenlijk staat er: Uw licht is gekomen, en de heerlijkheid des HEEREN is over u opgegaan! Zo vast is de belofte van God! Het is vast voor de toekomst (God zal het doen, op Zijn tijd), en het is nu al waar! Want zou Hij (God) het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken (Numeri 23:19)? Hij heeft gezegd, en u proeft de vastheid van de belofte in dat steeds weer terugkerende ‘Ik zal’: En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten. (Jesaja 42:16) Uw licht komt, o volk dat in duisternis wandelt! God zal het Zelf doen. Het ligt verankerd in Hem, in Zijn vaste, eeuwige welbehagen. Dus, stop nu maar met al uw eigen pogingen. Geef die hoop op uzelf maar op. En werp u (dat is de enige weg) als een verloren en ellendig mens in Zijn eeuwige armen.

Sta op! Schijn! Want zo moet je het eigenlijk ook lezen. Het zijn twee gebiedende wijzen: Sta op! En: schijn! Want (zo staat in vers 3) de heidenen moeten, ja de heidenen zullen (dat ligt ook al zo vast, dat ligt ook in God verankerd), de heidenen zullen tot uw licht gaan en koningen tot de glans die u is opgegaan. Dat brengt ons tot slot bij ons derde aandachtspunt:

3. Het heil voor de wereld.

Want met dat het licht voor jezelf is opgegaan, ben je nog niet klaar. ‘Maar het is nu toch goed met mij…?’ Ja, maar waar het om gaat is, dat Christus ook gegeven is (zo staat in Jesaja 49) tot een Licht der heidenen (Jesaja 49:6). En God wil Zijn kinderen gebruiken om die heidenen uit te nodigen. Dat staat hier eigenlijk: Als zij de glans zullen zien die u is opgegaan, dan zullen zij ook komen!

Van Zichzelf zei Jezus (en zo staat het ook hier in Jesaja 60): Ik ben het Licht der wereld (Johannes 9:5). Maar, nog maar nauwelijks is het licht over de discipelen opgegaan, of Hij zegt tegen hen (en in hen ook tegen al Gods kinderen): ‘vanaf nu bent ook u het licht der wereld (Mattheus 5:14).

Zeker, van onszelf zijn we zwak, en er is nog veel donkerheid en duisternis waarover we blijvend moet zuchten. En we verspreiden ook geen licht van onszelf. Maar toch: u bent verlicht, met het doel om dat licht verder te verspreiden. Als een spiegel, die wordt verlicht. Het licht schijnt erop, en dan schijnt het licht zelf weer verder. Als de maan, die wordt verlicht. De zon schijnt erop, en schijnt zelf weer verder, naar een donkere wereld.

Als de maan gaat denken: ‘nu wil ik zelf schijnen, zonder het licht van de zon’, dan wordt de nacht donkerder dan ooit tevoren. Als u, kind van God, denkt: ‘ik zal zelf wel licht verspreiden, zonder het Licht van de wereld, de Heere Jezus Christus’, dan wordt de wereld donkerder dan ooit tevoren. Want zonder Hem kunt u niets doen (Johannes 15:5)

Hoe moet je dan licht verspreiden? Als je licht van een lichtbron wil doorspiegelen, dan moet je in ieder geval twee dingen doen. Dan moet de spiegel precies op die lichtbron gericht worden, en de spiegel moet liefst zo dicht mogelijk bij die lichtbron gehouden worden. Wij kunnen, kinderen van God, alleen een licht in de wereld zijn, als we niet vertrouwen op onze eigen verlichting, maar dicht bij Christus leven, gericht zijn op Hem, op de hemel en de eer en de glorie van God. Dan, als dat zo is, dan zullen de heidenen komen (ver weg en dichtbij) en het zien. Wat zien ze dan? De glans die Hij op ons gelegd heeft, en dan zullen koningen zien het licht dat ons is opgegaan. Alleen als je zelf blijvend bidt: ‘Verhef over mij het licht van Uw aangezicht’, alleen dan mag je dat licht ook door laten schijnen, opdat het voor elk die in het duister dwaalt een helder licht zal worden, dat ook hen in de schaduw van de dood bestraalt.

Geliefde gemeente, is Christus al als een licht over uw ziel opgegaan? Niet? Dan bent u nog blind, dan bent u nog in duisternis, dan bent u nog in de schaduw van de dood. Dan bent u nog in gevaar, in levensgevaar. In gevaar van struikelen, in gevaar van vallen. O roep dan, zonder ophouden, of God Zelf u zal roepen en brengen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht (1 Petrus 2:9).

Is Christus al als een licht over uw ziel opgegaan? Ja? Dan geldt wat Paulus schrijft in Efeze 5: wandelt als kinderen des lichts (Efeze 5:8).

Vergeet dan nooit, Wie u tot dat licht heeft gebracht. Want dat was niet uw werk. En dat was ook niet het werk van een mens, van een dominee. Dat is en was, van begin tot eind Gods werk! Zo was het en zo zal het altijd blijven: onverdiende genade.

En daarom, omdat het genade was voor u, daarom, vergeet niet, dat er om u heen, misschien wel naast u in de bank, nog zielen in duisternis zijn. Laat het ons voortdurende gebed zijn, dat ook zij gered, dat ook zijn met God verzoend zullen worden. Laten we niet rusten, voordat ook zij met een gebroken oog een blik geslagen hebben op de verhoogde koperen slang, Christus Jezus. Laat ons worstelen met hun zielen, totdat ook zij zullen zien het licht en de glans die voor ons is opgegaan. Gode tot eer en hun zielen tot zaligheid.

Amen.

Slotzang Lofzang van Zacharias: 4 en 5:

Dus wordt des HEEREN volk geleid, Door 't licht, dat nu ontstoken is, Tot kennis van de zaligheid, In hunne schuldvergiffenis; Die nooit in schoner glans verscheen, Dan nu, door Gods barmhartigheên, Die, met ons lot bewogen, Om ons van zond' en ongeval t' ontslaan, Een ster in Jakob op doet gaan, De zon des heils doet aan de kimmen staan.

Voor elk, die in het duister dwaalt, Verstrekt deez' zon een helder licht. Dat hem in schâuw des doods bestraalt, Op 't vredepad zijn voeten richt.