PREEK · KERKELIJK JAAR

Och, dat U hemelen scheurde - Jesaja 64

Biddag - 10 maart 2021

Jesaja 64:1: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;

INLEIDING

Jesaja bidt één lang gebed. Hij begint met een herinnering aan Gods trouw, ondanks Israëls wederspannigheid. Dan volgt de klacht: waar is God nu? Toch laat hij God niet los en roept om Zijn ingrijpen: och, dat Gij de hemelen scheurde! Vervolgens belijdt hij zijn rechteloosheid: wij allen zijn onrein, onze gerechtigheden een wegwerpelijk kleed. Het gebed eindigt met een beroep op Gods Vaderschap: Gij zijt onze Vader, wij zijn leem, Gij de Pottenbakker, en daarom mag hij om genade smeken.

THEMA

Het gebed van Jesaja.

KERNPUNTEN

  1. Een herinnering aan Gods trouw.
  2. Een klacht om Gods verberging.
  3. Een roep om Gods ingrijpen.
  4. Een belijdenis van eigen rechteloosheid.
  5. Een beroep op het Vaderschap van God.

JESAJA 64:1-4

1 Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;
2 Gelijk een smeltvuur brandt en het vuur de wateren doet opbobbelen, om Uw Naam aan Uw wederpartijders bekend te maken! Laat alzo de heidenen van Uw aangezicht beven.
3 Toen Gij vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; Gij kwaamt neder, van Uw aangezicht vervloten de bergen.
4 Ja, vanouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God, wat Hij doen zal dien die op Hem wacht.

VOLLEDIGE TEKST

Och, dat U hemelen scheurde - Jesaja 64

ds. J. IJsselstein - Jesaja 64:1

THEMA

Het gebed van Jesaja.

LITURGIE

Psalm 106:4 HC Zondag 45, vraag/antwoord 116, 117

Psalm 80:5

Lezen Jesaja 63:7-64:12

Psalm 25:1,3,10

Psalm 89:14

Psalm 143:11

Gemeente, de tekst voor de preek op deze biddag kunt u vinden in de profetie van Jesaja, zoals u die zojuist is voorgelezen, Jesaja 63:7-64:12. We overdenken met elkaar dit Bijbelgedeelte, waar we één lang gebed zien van de profeet Jesaja. En het doet eigenlijk geen recht aan dit gebed als we daar een onderdeel zouden uitnemen, terwijl we andere delen daarvan zouden laten rusten. We overdenken dus met elkaar het hele Schriftgedeelte Jesaja 63:7-64:12.

Het thema voor de preek is: Het gebed van Jesaja. En dat gebed valt uiteen in vijf delen. Kijkt u maar mee in uw Bijbeltje, en blijf daarin ondertussen tijdens de preek ook maar meekijken en meelezen.

Het gebed van Jesaja heeft vijf delen, en dat zijn ook de vijf aandachtspunten van de preek. 1. Een herinnering aan Gods trouw (dat ziet u in vers 7-11a). Ik lees u het 7e vers voor als samenvatting: Ik zal de goedertierenheden des HEEREN vermelden, de veelvoudige lof des HEEREN, naar alles, wat de HEERE ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis van Israël, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid Zijner goedertierenheden. 2. Een klacht om Gods verberging (vers 11b-19). Ik lees voor u vers 11b: Waar is Hij, Die Zijn Heiligen Geest in het midden van hen stelde? 3. Een roep om Gods ingrijpen (Jesaja 64:1-5). Ik lees Jesaja 64:1: Och, dat Gij de hemelen scheurde, dat Gij nederkwam, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten. 4. Een belijdenis van eigen rechteloosheid (vers 6 en 7). Ik lees vers 6 van Jesaja 64: Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind. 5. Een beroep op Gods Vadernaam (vers 8-12). Ik lees u het 8e vers: Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk.

Dus het gaat vanavond over het gebed van Jesaja, waarin we vijf onderdelen opmerken: Een herinnering aan Gods trouw, een klacht om Gods verberging, een roep om Gods ingrijpen, een belijdenis van eigen rechteloosheid, en als laatste een beroep op Gods Vadernaam. Ons eerste aandachtspunt is dus:

1. Een herinnering aan Gods trouw.

Want in vers 7 lezen we: ik zal de goedertierenheden des HEEREN vermelden. Ja want, gemeente, je kunt op deze biddag beginnen met klagen. Met klagen over alles wat je niet hebt, over alles wat je bent kwijtgeraakt, over alles waar je bang voor bent, over alles waar je voor vreest. Je kunt zeggen: het is crisis, ik maak me grote zorgen. We zitten financiële krap. Ons land is een morele crisis. En de kerk in Nederland is een geestelijk verval.

Maar dit gebed van Jesaja begint op deze biddag met een herinnering aan Gods trouw. Met het overdenken, met het bemediteren van (vers 7): alles wat de HEERE ons heeft bewezen en Zijn grote goedheid. Met het bemediteren en overdenken van Zijn trouw en goedheid in ons persoonlijke leven: dat we eten en drinken hebben, kleding en een dak boven ons hoofd, en voldoende middelen van bestaan. Zijn trouw en goedheid in ons gezin, in onze familie: dat er vrede is, saamhorigheid en verbondenheid. Zijn trouw en goedheid in ons kerkelijke leven. Eenheid in de gemeente, ondanks dat er verschillen zijn. Dat we iedere week naar de kerk mogen gaan, dat we thuis uit de Bijbel mogen lezen. Dat er een zegen mag zijn in de kerk, als het Woord zijn kracht doet in ons leven. De trouw en goedheid van de Heere, daarin dat Hij ons onderwijs, lering en troost schenkt vanuit het Woord. De grote goedertierenheid des HEEREN en Zijn grote goedheid. Maar, zegt de bekende bijbeluitlegger Matthew Henry: Zijn goedertierenheid is nog nooit zo duidelijk aan het licht getreden, als in Zijn liefde tot de mensheid, bewezen door de zending van Zijn Zoon, om ons zalig te maken.

Wat een goedheid van de Heere! Dat hij hen (vers 8), Israël als volk gekozen heeft. Uitgekozen als kinderen die niet liegen zullen. Wat had dat volk trouw beloofd aan de Heere: Alles wat de Heere tot ons zeggen zal, dat zullen we doen! God had hen als een Redder, als een Heiland (vers 8) verlost uit de slavendienst van Egypte, verlost van hun vijanden. Wat had Hij een belangstelling voor hen, een genegenheid voor hen, ja, liefde tot hen getoond. In al hun benauwdheid (vers 9) was Hij benauwd. En door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost. Zij waren zwak, maar Hij droeg hen. Hij droeg hen zoals een arend zijn jongen draagt, zoals een vader zijn kinderen draagt. Zie daar, gemeente, Gods trouw en zorg, ook in ons leven. Of: heeft Hij u niet gedragen? In Zijn liefde en trouw?

Maar, waarom bent u dan, net als Israël (zoals staat in vers 10) wederspannig geworden? Rebels, in opstand gegaan tegen God? Waarom doet u dan de Heilige Geest smart aan? Waarom doet u Hem pijn aan, kwetst u Hem, doet u Hem zeer? Zoals het volk Israël? Dat brak het verbond met God, boog zich voor een gouden kalf en brak haar belofte.

Daar begon het mee. En zo begon het ook bij mij en u. Wij stonden op tegen deze liefhebbende, zorgende God. Trapten op Zijn hart en braken Zijn verbond. En dat(!), dat veranderde Zijn liefde in toorn. Zijn toorn ontstak. Hij werd hun (zo staat in vers 10) tot een vijand en heeft tegen hen gestreden. Hij vocht tegen Juda. En zij kwamen uiteindelijk terecht in Babel. Trouw tegenover ontrouw. Dat is de rode lijn van heel de Bijbel. Dat is de rode lijn in heel mijn en uw leven. Wij accepteren Zijn zorg, maar we gaan van Hem Zelf vandaan.

Wat waren zij, het volk Israël, het waard, dat God een streep zou halen door Zijn verbond met hen. En de band met hen verbreken zou. Wat zijn wij het waard, dat God zeggen zou: Nu is het genoeg geweest, met al dat gedoe in uw land, in uw kerk, in uw gezin, in uw hart.

Maar, (vers 11) nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds. Aan Zijn vroegere ontfermingen. Toen waren zij ook al ontrouw. Maar Hij bleef getrouw. Ik zal niet feilen in mijn trouw, noch mijn verbond ooit schenden. Moeten we, met alles wat we te klagen hebben over crisis en zorgen, niet zeggen: Groot is uw trouw, o Heere, iedere morgen opnieuw? U bleef trouw, maar wij waren weer… en weer… en weer opnieuw ontrouw. Wij zijn van het heilspoor afgegaan. En toen, daarom werd het donker in ons land, in de kerk, in ons gezin, in ons hart. En dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt, bij het tweede deel van het gebed van Jesaja:

2. Een klacht om Gods verberging.

Kijkt u maar in vers 11b, naar die enkele woorden: Maar nu, waar is Hij? Hij die Zijn macht en wonderen in het verleden zo getoond heeft. Hij die een pad baande door de Rode Zee, een weg door de woestijn. Hij die water gaf in de wildernis, een wolkkolom tegen de hitte van de zon, een vuurkolom in het donker van de nacht. En uiteindelijk is Israël (vers 14) als een jonge koe de wei ingesprongen, het land Kanaän binnen gegaan. En dat alles (vers 14) om Gods Naam heerlijk te maken. Maar nu… Waar is God? Waar is God, die zo veel wonderen deed? Die zo Zijn macht en heerlijkheid getoond heeft?

Waar is God? Jongelui, misschien is dat ook wel jullie vraag. Misschien, ouderen, is het ook wel uw vraag. Waar is God?

Maar, is dat wel een eerlijke vraag? Jongelui, als je een verbond van vriendschap hebt gesloten met een vriend of vriendin, en je bent ontrouw, een keer…, twee keer…, drie keer… En dan, op een gegeven moment, dan zeg je: Maar waar is ze nu? Kom op, laten we eerlijk zijn, daar heb je het dan zelf naar gemaakt!

Waar is God? Ja, daar heb ik, daar heb jij, daar hebt u het zelf naar gemaakt. Het is donker, omdat wij ontrouw zijn. Waar is God? In ons land? In [woonplaats]? Waar is God in onze gezinnen? Op onze scholen? En wij maar klagen… Maar God zegt: U was ontrouw! U bent wederspannig geweest! U hebt Mij verdriet aangedaan. U hebt (vers 14) de eer van Mijn heilige Naam geschaad. Het komt niet door Mij, het komt door u!

En wat zegt Jesaja dan? En daar ziet u, gemeente, dan uiteindelijk toch een echte bidder! Hij laat God niet los! Ik laat U niet los, tenzij U mij zegent. Wat zegt u? Zegt u dan: Goed dan, als het dan echt door mij komt (en dat zal dan wel), dan maar verder zonder God? Nee, dat kan niet!

En is dat niet de nood van onze tijd, van onze gezinnen, van onze kerk? Waar is God? Antwoord: Geen idee, laat maar, we kunnen het ook niet helpen, we kunnen er ook niets aan doen. In plaats van (zoals staat in vers 15): Zie toch van de hemel af en aanschouw Uw heilige en heerlijke woning! In plaats van een beroep te doen op Gods barmhartigheden…! Zoals staat in vers 16: Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israëli kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.

Die mensen had je toen, en die zijn er ook nu nog. Ze zeggen: Heere, het is zo donker, maar dat komt door mij. Ik ben wederspannig, ik ben opstandig geweest, ik ben ontrouw geweest. Maar…! Maar, HEERE! Ik spel Uw Naam met hoofdletters: HEERE, trouwe God. U laat toch nooit varen het werk van Uw handen? Heere, hoe moet het dan toch met Uw Naam, met Uw eer? Heere, help me toch. Ik zit door eigen schuld zo vast in mijn patroon van zondigen. Waarom, Heere, doet U ons van Uw wegen dwalen (vers 17), waarom verstokt U ons hart, dat wij u niet vrezen? Heere, ik kom er niet uit. Grijp toch in! Want alleen U kunt verandering aanbrengen in mijn leven, in mijn persoonlijke leven, in ons gezin, in onze gemeente, in ons dorp, in onze stad en in ons land.’ Wij zijn zo ver weg. Het lijkt erop alsof we geen enkele band meer met U hebben. Zoals staat in vers 19: Wij zijn geworden als die, over welke Gij van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd.’ O, HEERE, verhoor ons en red ons. Sta op, o God, en wees ons genadig! Want wij, wij zijn van U afgegaan.

Wat klaagt dan de nog levende mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden! Want wij, wij zijn van U weggegaan. Maar U! Want de ware bidder is een vasthoudende bidder: U bent toch onze Vader? De kanttekening bij de Statenvertaling zegt: Vader van alle mensen krachtens schepping, maar in het bijzonder van Zijn uitverkoren kinderen. Laten wij voordat we verder gaan met het derde deel van dit gebed, eerst zingen uit Psalm 106:4.

Wij hebben God op 't hoogst misdaan; Wij zijn van 't heilspoor afgegaan; Ja, wij en onze vaad'ren tevens, Verzuimend' alle trouw en plicht, Vergramden God, den God des levens, Die zoveel wond'ren had verricht.

Het gaat op deze biddag over het gebed van Jesaja. Dat begon met een herinnering aan Gods trouw, toen was er een klacht om Gods verberging, en nu is er in de derde plaats:

3. Een roep om Gods ingrijpen.

U ziet dat in Jesaja 64 (het gebed loopt gewoon door over de grens van de hoofdstukken heen), u ziet dat in Jesaja 64:1-5. Ik lees u de bekende woorden voor uit het eerste vers van Jesaja 64: Och, dat Gij de hemelen scheurde, dat Gij nederkwam, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten. Och, dat U, Die de hemelen uitspant als een dunne tentdoek (Jesaja 40:22), die zou openscheuren en neer zou dalen. Zoals David dat beschrijft in Psalm 18: Hij boog de hemel en daalde neer. Laat, Heere, de bergen smelten. Laat het smeltvuur (vers 2) dat de vorm van het gestolde metaal blijvend verandert, een teken zijn van grote ommekeer, een teken van Uw ingrijpen. Maak (vers 2) Uw Naam aan Uw wederpartijders (Uw vijanden) bekend en laat alzo de heidenen voor Uw aangezicht beven.

Kom, Heere, in ons hart. Strijd tegen de vijanden, tegen wie wij geen verweer hebben. Tegen dat dwalende hart, dat zondige verlangen, dat vast zitten aan de wereld. Tegen de lust van onze ogen, tegen het kwaad van onze tong. Tegen de duivel die zo vaak vloeken fluistert in ons hart. Tegen de wereld die zo aan ons trekt. Tegen dat altijd maar bezig zijn met onszelf te verbeteren, terwijl ons hart maar niet buigen en breken wil. Grijp in, o God, scheur de hemel en daal neer!

Kom, Heere, in ons gezin, want we weten niet hoe het verder moet. Onze kinderen gaan de verkeerde kant op. Mijn man kiest voor de wereld, mijn vrouw scheelt het allemaal niets meer. Sta op, o God, en wil van verder lijden ons klein getal door Uwe kracht bevrijden? Grijp in, o God, scheur de hemel en daal neer.

Kom, Heere, in de kerk, in onze gemeente. Daar is zoveel formalisme. Het gaat zoveel en zo vaak om het uiterlijk, om de vorm, maar er is zo weinig echte Godsvreze. Er zijn zo weinig biddende mensen, die klein zijn voor God en mensen, die buigen en dienen. Er is zoveel gedoe. We staan elkaar zoveel naar het leven. We nemen elkaar zo vaak de maat. Er is zoveel gekletst, zoveel gedoe. En er zijn zo weinig dienaars van het Evangelie, er is zo groot gebrek aan zendelingen en evangelisten. Grijp in, o God, scheur de hemel en daal neer.

Kom, Heere, in onze stad, in ons dorp, in ons land, in deze wereld. Er is zoveel zonde, zoveel openlijk breken met U. Wat wij in het verborgen doen, in ons hart. Grijp in, o God, scheur de hemel en daal neer.

Zoals toen, in het verleden. Toen u echt afdaalde en neerkwam, zoals staat in vers 3: U kwam neer, van Uw aangezicht vervloten (smolten) de bergen. Zoals toen, op de berg Sinaï, toen U kwam en neerdaalde met heerlijkheid en majesteit. Toen smolt de berg. Grijp in, o God! Een roep! Een roep in het luchtledige? Is het een holle stem in een stikdonkere nacht? Wie weet… Als ik geluk heb…? Nee, want zo zegt vers 4: Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht.

Wat U doen zult met die, die op U wacht! Hier is de roep van een wachtende Jesaja! Hier is de roep van een wachtend volk. Een wachtend volk, dat zegt met Jesaja (zoals staat in hoofdstuk 26:8): Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel. Wij buigen en wachten… Zoals staat in Psalm 25:5-6: U verwacht ik de ganse dag. Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid. Buigen onder het oordeel, onder Gods slaande hand en toch… biddend: wij verwachten U! Wij laten U niet los, tenzij U ons zegent. Zendt U toch Uw hulp uit de benauwdheid. Brengt U toch verlossing!

Breng toch verlossing voor ons hart. En richt onze blik toch op de grote Verlosser. Geen oog heeft gezien, geen oor heeft vernomen, de grootheid van Hem Die komen gaat. En die gekomen is. Richt onze blik toch op de schoonheid van Christus. Op de weergaloze liefde van Hem, die Jesaja voorzegd heeft.

Dit is de belofte voor een zoekend en een wachtend volk, wat Jesaja schrijft Jesaja 62: Uw gerechtigheid zal voortkomen als een glans (die schittert van Zijn gerechtigheid, de glans van Zijn verdienste), en tot u zal niet meer gezegd worden de verlatene! (Heere, waar bent U?). Maar tot u zal gezegd worden: Mijn lust is aan haar. Ik heb u hartelijk lief, en Ik ben vrolijk over u, zoals een Bruidegom vrolijk is over Zijn bruid.

En u zult verlost worden! En vandaar de bede: HEERE, wij verachten U! Wij hopen op Uw onfeilbaar woord!

Hoort u bij dat, biddende, buigende, wachtende, uitziende en verlangende volk? Dat bidt: Och, dat U de hemel scheurde. God heeft beloofd: Die de Heere verwachten, zullen niet beschaamd worden. Wacht op de Heere, wees sterk, en Hij zal uw hart versterken. Ja, wacht op Hem, Zijn hulp zal blijken.

U (zo staat met nadruk in vers 5), U ontmoet de vrolijke en die gerechtigheid doet, degenen die Uwer gedenken op Uw wegen. Dat wil zeggen: degene die de Heere vrezen hebben geen reden tot zorg, geen reden tot paniek. De Heere zorgt en zal ook zorgen, ook in het komende seizoen. Er is een nauwe band tussen God en de mens die Hem vreest, de mens die Zijn geboden bewaart en Hem met blijdschap dienen mag. Deze nauwe band: U ontmoet hem of haar, en U bent trouw, U bent met degenen die U vrezen.

U staat hier lijnrecht tegenover wij. Wij hebben gezondigd. Wij zijn en blijven ontrouw. Maar van U geldt: U blijft trouw, tot in eeuwigheid. En één blik op die trouw, op die blijvende liefde en zorg van de Heere (het kan niet anders) ontlokt de bidder Jesaja de zucht in het hart (die staat in vers 6): Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. Dat brengt ons bij het vierde deel van het gebed van Jesaja:

4. Een belijdenis van eigen rechteloosheid.

Wij… Zij, die jongeren van tegenwoordig. Zij, mensen van de wereld… Nee, wij! Wij…, behalve een paar gelukkige uitzonderingen: wij thuis, die netjes zijn, die geen open internet hebben, en die twee keer per zondag naar de kerk gaan…

Nee, wij allen. Daar hoor ik bij, daar hoort u bij: wij allen zijn onrein. Door en door melaats. Van top tot teen. Zonder enig recht voor God. Mensen die niet kunnen bestaan voor de heilige God. Zoals staat in vers 6: Al onze gerechtigheden (zelfs onze allerbeste werken!), al onze gerechtigheden zijn een wegwerpelijk kleed. Vonden, lompen, vuil ondergoed. Wie wil dat bewaren? Wie koestert dat? Niemand! Weg ermee! Weg ermee, met het allerbeste wat je hebt! Dan heb je dus niets meer. Ja, dat klopt. En dat doet pijn. Ja, dat weet ik.

Wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind. Onze misdaden. Onze misdaden en onze straf (onze ballingschap, weggewaaid als een wind naar Babel), onze misdaden en onze straf horen bij elkaar.

Hier staat niet, en dat zeggen wij dus ook niet: God straft Nederland, want er is zoveel goddeloosheid in ons land! Nee! Hier staat, en dat zeggen wij: onze straf en onze misdaden horen bij elkaar. De geesteloosheid in onze kerk, in onze gezinnen, in ons hart, dat is onze schuld. De dorheid van ons geestelijk leven, dat is onze schuld. De goddeloosheid van ons dorp, van onze stad, dat is onze schuld. Want wij hebben God op het hoogst misdaan. Wij hebben (we hebben het gezongen uit Psalm 106) Hem verlaten, we hebben Hem vergeten, verbitterd en vergramd.

Het probleem met ons, met onze gezinnen, met onze gemeenten is dat wij zulke rechthebbende mensen zijn. En als je dat bent, dan raak je God kwijt. En het is een wonder als je het nog merkt. Want je kunt zomaar door leven en doen alsof God er is, terwijl de Geest al lang geweken is. Wie vinden de Heere? Wie ontmoeten God? Wie vinden en ervaren het wonder van Zijn zorg, goedheid en genade? Dat wonder dat nog nooit een oor gehoord en een oog zien heeft? Dat zijn mensen die niets hebben. Mensen zonder recht. Mensen die zeggen: onze beste werken, onze gerechtigheden zijn vuilnis en onze misdaden voeren ons weg als een wind. In het licht van Uw heiligheid, o hoogste Majesteit ben ik een walgelijk mens. Met mijn zonde stoot ik U steeds naar de troon, spuug ik U in het gezicht en weiger ik U te erkennen. Wee mij! Mijn zonden maken scheiding tussen God en mijn hart (zoals Jesaja schrijft in Jesaja 59: 2)

En als ik denk aan de prijs, die voor die zonden en misdaden betaald moest worden, dan buig ik nog veel dieper: Christus, een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. Hij heeft Zichzelf Gode opgeofferd (Hebreeën 9:14). Als er zo’n Fontein geopend moesten worden voor mijn zonde, wat is die zonde dan diep en zwart en verschrikkelijk! Op Golgotha blijkt meer dan ooit de ernst van de zonde en de diepte van mijn verlorenheid.

En tegelijkertijd: daar schitteren ook de liefde en trouw van God Drie-enig en de weergaloze liefde van Christus. Als Hij uiteindelijk roept: Het is volbracht. Dan klinkt het als een stem naar de hemel (zoals staat in Jesaja 63:14): Ik heb U een heerlijke Naam gemaakt. En dan klinkt het als een stem naar de aarde, voor u, wachtende en zoekende zondaars: Ik voor u, ik deed dat voor u. Ik deed dat voor uw ontrouw. Voor u, omdat u anders de eeuwige dood had moeten sterven. Zie toch, aan de ene kant de zwartheid van uw schuld, maar zie toch ook aan de andere kant de roodheid van Mijn bloed. O, onreine zondaars, was u en reinig u. Daar is een Fontein geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid. Al waren uw ongerechtigheden en misdaden als scharlaken, ze zullen door dit bloed wit worden als sneeuw.

Maar, gemeente, maak grote haast met het werk van uw zaligheid. Als u zich niet wast, terwijl de Fontein geopend is en stroomt, als u niet gewassen wilt worden, dan geldt straks: Die vuil is, dat hij nog vuil worde.

Uw werken zullen u nooit behouden. Uw gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. Uw bekering en uw berouw zullen u niet kunnen redden. Al smolt u weg in tranen, het zal u niet baten, als u geen gebruik van Christus maakt. Als u geen gebruik van Hem maakt, had Hij in de wereld niet hoeven komen. O, kom dan toch tot Christus, en zeg tot Hem: Indien U wilt, U kunt mij reinigen (Mattheus 8:2). Geloof Zijn gewilligheid, geloof Zijn macht om u te genezen van al uw onreinheid, en kom tot Hem.1

U zegt: Hoe zou een onreine, hoe zou zo’n rechteloze durven komen, durven vragen en mogen bidden? Die vraag brengt ons in de vijfde plaats bij het laatste deel van het gebed van Jesaja.

5. Een beroep op het Vaderschap van God.

Ik lees je het 8e vers: Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk. Hier hoort u een terugkerende verloren zoon. ‘Ik ben toch uw kind, uw zoon?’ Nee. Ik ben het niet waard om Uw zoon, Uw kind genoemd te worden. Maar U! U bent toch mijn Vader? Mijn Pottenbakker? Mijn Schepper, die mij gemaakt hebt? Hoewel ik de naam van schepsel niet meer waard bent, U bent gebleven Wie u was. En ik ben het maaksel van Uw hand.

Kom, mensen, je kunt je druk maken op deze biddag over alles wat fout en slecht is in de wereld, maar het begint hier: in mijn hart. Het begint bij onze ongerechtigheden, wij zijn onrein… Bent u al teruggekeerd, met dit gebed op de lippen: ‘Heere, ik ben onrein. Het is mijn eigen schuld. Maar U…! U bent onze Vader, U hebt ons gemaakt. Gedenk niet meer aan het kwaad dat wij bedreven, verzoen toch de zware schuld, o, onze Schepper en Maker!’ Mensen, er is genade bij God voor uw hemelhoge schuld, er is een fontein van bloed geopend tegen uw zonde en uw onreinheid.

U bent onze Vader. Door Uw eeuwig blijvend verbond. U hebt ons tot Uw kinderen aangenomen. Dat is (nu anders), dat is de taal in het bijzonder van hen die God vrezen. Dat is de taal van het hart van Gods kinderen. Van degenen die Hem zoekend verwachten. U hebt iets gekregen, wat anderen missen. U bent even slecht als iedereen: onrein van lippen, onrein van hart, en uw ongerechtigheden zijn even groot als die van anderen. En toch mag u door genade werkelijk zeggen: ‘U bent onze Vader’. Wat geeft dat een ontspanning aan het begin van een nieuw seizoen. Met een goede Vader gaat het nooit fout. Bergen mogen wijken, heuvels wankelen, maar Gods goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Zijns vredes zal niet wankelen.

Let u tot slot, gemeente, nog op één ding. Jesaja bidt (als u kijkt naar vers 9) niet dat God alle straffen weg zal nemen.

1 Citaat Hugo Binning.

Wij bidden op deze biddag ook niet om voorspoed. Tegenspoed kan nodig zijn voor ons. De dichter van Psalm 119 zegt niet voor niets: Het is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest.

Wij bidden vandaag om ons dagelijks brood. En wij bidden (met woorden uit vers 9): Gedenk niet eeuwig aan mijn ongerechtigheden. Want dat is het, wat scheiding maakt tussen U en mijn hart. Heere, wees me genadig. Ik heb Uw genade, het bloed van Uw Zoon nodig voor mijn schuld. Wij bidden om dagelijks brood, wij bidden om verzoening, en wij bidden om de eer van Gods Naam. Die is, na alles wat wij gedaan hebben, ook onze enige pleitgrond: Maar, HEERE, wat zult u dan met Uw grote Naam doen? Zoals Jesaja bidt in vers 11, als hij zegt: Uw huis, Heere, is verwoest en verbrand. Met Uw kerk gaat het niet goed. Denk toch aan de eer van Uw heilige Naam.

Voor wie zo bidt, nu en in het komende seizoen, zoals Jesaja hier bidt en voorbidt, voor die geldt wat de Heere Jezus gezegd heeft (Johannes 16:24): Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam; bidt, en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.

Amen.

Slotzang Psalm 143:11

Laat Uwe gunst mij niet begeven; Schenk mij, om Uws Naams wil, leven. Laat mijne ziel, die tot U schreit, Van haar benauwdheid zijn ontheven; Red mij om Uw gerechtigheid.