PREEK · VRIJE STOFFEN

Nicodemus en de wedergeboorte – Johannes 3

18 februari 2024

Johannes 3:3: Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.

INLEIDING

Nicodemus, een vrome Farizeeër, komt 's nachts bij Jezus met de vraag hoe hij ook zo kan worden als Hij. Jezus' antwoord is messcherp: zonder wedergeboorte kan niemand het Koninkrijk Gods zien. Geen goede voornemens of inzet baten, want het hart is dodelijk verdorven. Nicodemus begrijpt het niet, maar Jezus wijst hem op de wind: onbegrijpelijk, maar wel waarneembaar in zijn werking. Alleen God kan een nieuw hart geven, uit water en Geest, tot eer van Zijn eigen Naam.

THEMA

De absolute noodzaak van een nieuwe geboorte.

KERNPUNTEN

  1. De vraag van Nicodemus
  2. Het antwoord van de Heere Jezus
  3. De reactie van Nicodemus
  4. Het verdere onderwijs van de Heere Jezus

JOHANNES 3:1-6

1 En er was een mens uit de farizeeën, wiens naam was Nicodémus, een overste der Joden.
2 Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen die Gij doet, zo God met hem niet is.
3 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.
4 Nicodémus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan en geboren worden?
5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.
6 Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.

VOLLEDIGE TEKST

Nicodemus en de wedergeboorte – Johannes 3

ds. J. IJsselstein - Johannes 3:3

THEMA

De absolute noodzaak van een nieuwe geboorte.

Gemeente, vanmorgen gaan we luisteren naar een gesprek, een gesprek onder vier ogen, een gesprek tussen de Heere Jezus en een echt actief, kerkelijk meelevend mens. Hij is een Farizeeër, een man die stipt de wet houdt. En hij is ook een overste van de Joden, een lid van het Sanhedrin, de Joodse Hoge Raad. We gaan vanmorgen samen luisteren naar dat gesprek. Naar het gesprek tussen Jezus en Nicodemus.

De tekst kunt u vinden in Johannes 3:3: Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: De absolute noodzaak van een nieuwe geboorte. We letten op een viertal aandachtspunten: 1. De vraag van Nicodemus 2. Het antwoord van Jezus 3. De reactie van Nicodemus 4. Het onderwijs van Jezus

En er was (zo begint vers 1) een mens uit de farizeeën, wiens naam was Nicodémus, een overste der Joden. Deze (vers 2) kwam des nachts tot Jezus. Hij komt in de nacht om met Jezus te spreken. Is hij bang dat andere mensen hem zullen zien? Dat ze zullen zien, dat hij zich ophoudt met Jezus van Nazareth? Of is hij overdag te druk? Ja, want echte Schriftgeleerden werken gerust tot diep in de nacht door. Of is het donker van de nacht, zoals vaker bij Johannes, ook een symbool van de duisternis van zijn hart? Hoe dan ook, laten we meeluisteren. We schuiven aan bij dat nachtelijke gesprek.

1. De vraag van Nicodemus

Ja, want Nicodemus heeft een vraag: Rabbi, wij weten, dat U bent een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die U doet, zo God met hem niet is.

Het lijkt een opmerking, een soort compliment: U bent een Leraar door God gezonden. Maar er zit een vraag in verborgen. Je moet het eigenlijk zo lezen: ‘Rabbi, ik ben ook een leraar net als U. Maar wij weten dat U een Leraar bent van God gekomen. Dat hebben we gezien aan de tekenen en wonderen die U doet. Ik denk dat ik iets mis, iets wat U wel hebt. Wat moet ik nu doen, om ook zo te worden zoals U? Wat moet ik doen om ook die plus te krijgen? Die plus, dat God ook met mij is?’

Typisch een vraag, typisch een gedachte van een Farizeeër toen, van een net mens nu. Als ik nu maar alles doe, wat ik moet doen, dan komt het waarschijnlijk wel goed. Rechtzinnig, ijverig, netjes, precies… Als ik heel goed mijn best doe, dan komt het hopelijk goed, dan is er voor mij hopelijk ook een plaats gereserveerd in het Koninkrijk van God. Dan zal God ook met mij zijn. Als ik heel goed mijn best doe. Als een echte doe-het-zelver…

U voelt, deze vraag van Nicodemus heeft alles te maken met de vraag: Wat is er voor ons, mensen, nodig om zalig te worden? Is dat een kwestie van iets doen? Van iets extra doen? Van goed je best doen? Of…?’

Maar wat opvalt: Hij komt met zijn vraag wel bij Jezus terecht. Hij hoort niet meer bij de Farizeeërs die alles zo goed weten. Er zijn vragen in zijn hart. Er is onrust in zijn hart. Hoe komt het toch zover, dat God ook met mij is? Er is beweging in zijn ziel: onzeker, weifelend, aarzelend… En, hij komt om raad naar de Heere Jezus toe.

Misschien herkent u zich wel een beetje in de houding, in de gedachte van deze Farizeeër. Nee, ik begrijp het, het is naar om zo genoemd te worden. Maar ik bedoel, misschien herkent u wel iets in die levenshouding van: ik doe mijn best, ik probeer echt het goede spoor te gaan, ik probeer me echt te houden aan Gods geboden; en ik hoop diep in mijn hart dat het uiteindelijk daarom toch wat mee zal gaan vallen. Dat God met me zal zijn, om hoe ik ben, om hoe ik geweest ben. En verder? Hebt u nog… hartevragen? Nicodemus wel, en hij komt ermee bij Jezus terecht. Ons tweede aandachtspunt:

2. Het antwoord van de Heere Jezus

We lezen het in vers 3: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Het antwoord van de Heere Jezus is scherp. Eigenlijk heel erg scherp! Nicodemus, er is niets aan te doen. Je hebt niets. En je kunt ook niets toevoegen. Je hart is zo slecht, zo zondig, zo dood, het is zo hopeloos, dat al die verbeterpogingen van je niets zullen uithalen. Je hebt een heel nieuw hart nodig. Wat je ook doet, wat je ook probeert, het zal allemaal niet helpen. Je hart is hopeloos slecht.

Het antwoord Heere Jezus is scherp, eigenlijk heel scherp. Waarom? Omdat de Heilige Geest hem en ook ons ervan wil overtuigen, dat de zaligheid helemaal werk God is. En niet van ons. Zo zal Hij alle eer krijgen voor onze redding, van begin tot eind!

Het antwoord van de Heere Jezus is scherp, eigenlijk heel scherp. Waarom? Niet omdat de Heere ons niet zou willen verlossen, maar omdat Hij ons juist wel wil verlossen. Omdat Hij onze hulpeloosheid deel wil laten uitmaken van Zijn wonderlijke werk. Zo zal Hij alle eer krijgen voor onze redding, van begin tot eind!

Nicodemus, je moet van bovenaf geboren worden. God moet je een heel nieuw hart geven. God moet je een heel nieuw mens maken. Als de Heere hem nu de opdracht had gegeven: ‘Nicodemus, je moet dit doen en je moet dat doen’, dan had hij het vast met beide handen aangegrepen. Maar dit? Hier kan hij werkelijk niets mee. Is alles wat ik doe dan waardeloos? Kan ik dan niets doen om ook zover te komen dat God met mij is?

Ja, ik snap die weerstand wel in zijn hart, in mijn hart, in uw hart. Want? Waarom zoveel weerstand? Omdat ik niet wil dat God zo alles doordringend kijkt naar mijn hart. Wel naar mijn gedrag, naar wat ik doe en laat. ‘Mooi’, denk ik, ‘fijn, Heere, dat U dat ziet. Daar kijk ik zelf ook zo graag naar. En ik vergelijk dat ook graag met wat anderen doen.’ Maar, zo zegt de David in Psalm 51: De Heere heeft lust tot waarheid in het binnenste (Ps. 51:6).

En God kijkt niet alleen naar mijn hart, maar Hij geeft er ook Zijn oordeel over: Totaal onrein! Wij denken: Ja, er zitten wel een paar lelijke vlekken op mijn verder redelijk goede hart. Maar God zegt: Dat hart van je, dat is één hoop ellende en vijandschap! En dus is dat, wat God zegt: ‘je hebt een nieuw hart nodig’, het meest vernederende wat er is. Dit is het meest vernederende deel van onze godsdienst. En dus roept dit (ook in onze tijd) meeste verzet in ons op. Dat God zegt: Het probleem van uw hart is onoplosbaar! Er moet een heel nieuw hart komen. Dat botst frontaal met onze hoogmoed, met onze eigenwaarde, met ons zelfvertrouwen voor God.

En zo is het ook bij Nicodemus. De Heere Jezus blaast heel zijn zelfvertrouwen voor God omver, en blaast al zijn inspanning en werk in één keer ondersteboven. Scherp, messcherp. Waarom?

Omdat de Heilige Geest hem en ook ons ervan wil overtuigen, dat de zaligheid helemaal werk God is. En niet van ons. Zo zal Hij alle eer krijgen voor onze redding, van begin tot eind!

Scherp, messcherp. Waarom? Niet omdat de Heere ons niet zou willen verlossen, maar omdat Hij ons juist wel wil verlossen. Omdat Hij onze hulpeloosheid deel wil laten uitmaken van Zijn wonderlijke werk. Zo zal Hij alle eer krijgen voor onze redding, van begin tot eind!

Waarom hebben we echt een nieuw hart nodig? Waarom kan het niet opgeknapt worden? a. Omdat ons hart bedrieglijk is. Jeremia heeft het geschreven: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen (Jer. 17:9)? Ik herken wel dat ik verkeerde dingen doe, en ik wil daar ook nog wel sorry voor zeggen. En ik wil de zonde ook nog wel opgeven, omdat die mij narigheid veroorzaakt en pijn doet. Maar diep in mijn hart blijf ik denken: Ik ben zo verkeerd nog niet. Het kan (als ik om me heen kijk) slechter… Maar als ik tegenover God kom te staan, dan wordt het anders. Dan buig ik mijn hoofd. Dan zeg ik: Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog.

Waarom hebben we echt een nieuw hart nodig? Waarom kan het niet opgeknapt worden? b. Omdat ons hart onwetend en dwaas is. Als God ons de zonde aanwijst in ons leven, denken we altijd weer: Heere, kan ik het goedmaken?’ Ik zie het niet, ik wil het niet zien, dat ik het zelf nooit meer kan goedmaken. Maar als ik tegenover God kom te staan, dan wordt het anders. Dan buig ik mijn hoofd. Dan zeg ik: Heere, bij Uw licht zie ik, dat geen doen meer aan is. Onverbeterlijk!

Waarom hebben we echt een nieuw hart nodig? Waarom kan het niet opgeknapt worden? c. Omdat er van al onze goede voornemens nooit iets terecht komt. Dat weten we toch uit ervaring? En toch beginnen we er steeds weer opnieuw aan: ‘Heere, ik heb gezondigd, ik zal het nooit weer doen…’ Maar als ik tegenover God kom te staan, dan wordt het anders. Dan buig ik mijn hoofd. Dan zeg ik: Ik hoef niets meer beloven want het lukt me nooit. Heere, vernieuw toch in binnenste van mij een heel nieuw hart!

Waarom hebben we echt een nieuw hart nodig? Waarom kan het niet opgeknapt worden? d. Omdat ons oude hart zo slecht is, dat de Bijbel letterlijk zegt dat het dood is. Geestelijk dood door onze misdaden en onze zonden (Ef. 2:1). Heb je ooit, jongens en meisjes, geprobeerd om een dode goudvis een beetje op te knappen en weer te laten zwemmen? Heb je ooit een dood vogeltje in de tuin gevonden? En lukte het je, om dat vogeltje weer mooi te maken en te laten vliegen?

Nee, dat kan niet! Dat is echt onmogelijk. En dat is nu precies ook ons probleem. Ons dode hart.

Of hebt u geen probleem met uw hart? Met dat hart, waarvan de Heere Jezus zegt in Markus 7: 21-23: Want van binnenuit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand. Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen de mens. En je kunt je best doen zoveel als je wilt, je kunt je wassen en oppoetsen zoveel als je wilt, en zoveel goede voornemens uitspreken als je maar wilt, maar het wordt nooit anders met dat hart. Je hebt een nieuw hart nodig. Anders wordt je nooit echt een burger van het Koninkrijk van God. Dat zegt de Heere Jezus.

Voordat we verder gaan met ons vierde aandachtspunt gaan wij samen eerst zingen uit Psalm 51:5: Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad, Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden; Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden, En spreek mij vrij van mijne gruweldaad. Herschep mijn hart, en reinig Gij, o HEER, Die vuile bron van al mijn wanbedrijven; Vernieuw in mij een vasten geest, en leer Mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven

Ons derde aandachtspunt:

3. De reactie van Nicodemus

We lezen in vers 4: Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden? Het is een retorische vraag, waar hij eigenlijk geen antwoord op verwacht. Eigenlijk zegt hij met zoveel woorden: Dat kan toch echt niet…! Nicodemus snapt er echt helemaal niets van. Als er iets is, wat niet past in onze gedachten, dan is het dit! En als u denkt dat dit wel goed bij u past, dan is er echt iets mis. Dan snapt u er helemaal niets van.

Want alles in ons botst met deze leer van de wedergeboorte, met deze leer van de noodzaak van de nieuwe geboorte. Als ik u zou preken over het Vaderschap van God, over de voorrechten van kind zijn, over lief zijn voor elkaar, over de haat van de wereld, of over de noodzaak om Gods geboden te houden, dan zou u zeggen: ‘Ja, u hebt gelijk.’

Als ik u zou aansporen om beter te leven en anderen streng aan te spreken vanwege hun slordige levensstijl, als ik u zou zeggen: ‘Doe dit, en gooi dat de deur uit, en stop daarmee…’, dan zou u zeggen: ‘Ja, goed zo!’ Maar als ik u zeg: ‘Uw leven, uw inspanningen, uw goede voornemens, uw inzet, alles, ja, zelfs uw hart is volledig afgekeurd’, dan zegt u: ‘Hoezo? Dat is merkwaardig… Ik ben de slechtste niet, toch?’

Nee, u zegt: ‘Ik vind het juist fijn dat u hierover spreekt. Want de mens kan niets. Daar ben ik het roerend mee eens.’ Maar, wacht even. Waar bent u het mee eens? Want het gaat er niet om, of u dit vanmorgen dogmatisch goedkeurt. Dat is niet de bedoeling van de woorden van de Heere Jezus. Dit is bedoeld als een dolksteek in uw hart!

Dit is geen theorie, dit is veroordeling van uw hart en leven uit de mond van Christus. En als u daar echt mee instemt en als u dat echt gelooft, dan kunt u daar niet rustig mee verder leven. Dan wordt het nood in uw leven!

Dit is bedoeld als ontdekking. Dit is niet bedoeld voor verstandelijke instemming en theologische goedkeuring, maar dit is bedoeld tot persoonlijke ontdekking: Dat hart van mij, van u, is meer dan van iemand anders onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. En ik en u doen het ook, en daarom moet dat hart eruit! U hebt echt een ander hart nodig. En dat is het meest vernederende voor de mens wat er is. Dat God je totaal afkeurt.

Dus, als u zegt: ‘Ik ben het daar gewoon mee eens, maar verder heb ik er niet echt last van’, dan weet u eigenlijk niet waar u het over hebt. Dan stemt u alleen met uw verstand in met de waarheid, maar dan is het geen hartezaak. Want dit leerstuk wil onze hoogmoed knakken en ons vertrouwen op onze eigen werken en op onze eigen vroomheid breken. Het wil ons zondaar maken, voor God. Dit legt ons, als het goed is, op de grond voor God, met de roep uit de diepte: ‘Heere, mijn hart! Het is hopeloos!’

Pas dan, als je buigen gaat, pas dan wordt dit, wat Heere Jezus hier zegt, een wonder. Dan wordt het echt een wonder, dat God Zelf raad weet met dit hart. Dat Hij doen kan en doen wil, wat ik nooit meer kan en wil doen. Namelijk: een nieuw hart maken, ons van bovenaf, opnieuw geboren laten worden.

Dit is scherp, messcherp! Niet omdat de Heere ons niet zou willen verlossen. Maar omdat Hij ons juist wel wil verlossen. Omdat Hij onze hulpeloosheid deel wil laten uitmaken van Zijn wonderlijke werk. Zo zal Hij alle eer krijgen voor onze redding, van begin tot eind!

Gemeente, tot slot ons vierde aandachtspunt:

4. Het verdere onderwijs van de Heere Jezus

We lezen in vers 5: Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. Dit is de absolute voorwaarde om in het Koninkrijk van God binnen te gaan. Wil je werkelijk kind van God zijn, nu op de aarde en straks in de hemel, dan heb je die nieuwe geboorte echt nodig.

En, zolang je die niet hebt, ben je… Is er nog zoiets als een tussenvorm? Iets zoals: een goed mens, een net kerkganger, iemand van goede wil, iemand die zich echt inzet? Nee. Zolang je dat oude hart hebt, ben je even slecht en verloren als iedereen binnen en buiten de kerk. Want dan heb je nog steeds dat hart, dat vol is van kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij en onverstand.

Nicodemus, je hart wordt pas echt nieuw, als je geboren wordt uit water en Geest. Dat doet God de Heilige Geest. Zoals water de vuilheid van ons lichaam wegwast en alles schoonmaakt, zo wast God de Heilige Geest onverbeterlijke harten schoon van zonde en schuld. Je weet wel, jongens en meisjes, als je heel vies bent, dan zegt mama: ‘Ga snel onder de douche.’ Want, het water wast je helemaal schoon. Dat doet ook God de Heilige Geest, als Hij je hart vernieuwt. Hij wast het helemaal schoon, Hij maakt het helemaal anders, Hij maakt het helemaal nieuw. Als je wedergeboren wordt, als je gedoopt wordt met de Heilige Geest.

Het is een krachtig, bovennatuurlijk werk van de almachtige God. Zoals bij de schepping. God zei: Er zij licht. En toen was er licht. Maar nu, veel wonderlijker, veel krachtiger bij de herschepping, in het maken van een nieuw hart. ‘Er zij licht.’ En het donker wordt tot licht. ‘Er zij leven.’ En het dode hart wordt levend. Zo zegt de Heere: Ontwaak, u die slaapt (ook in [plaatsnaam]), en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten (Ef. 5:14). En alles wordt anders: ons denken, ons willen, onze gewoontes, onze smaak, onze mening, ons verlangen: alles!

Dat is wat er gebeurt, als God je een nieuw hart geeft. Dat is niet een operatie ofzo, waarbij je oude hart eruit gesneden wordt en je een nieuw hart krijgt. Je hart is eigenlijk: alles. Dus een nieuw hart krijgen, dat wil zeggen: alles wordt anders, Wat Heere Jezus hier zegt is ongetwijfeld ook een verwijzing naar het teken van de Heilige Doop: geboren worden uit water en Geest.

Zoals water de vuilheid van het lichaam wast, zo wast de Heilige Geest door het bloed van Christus alle zonden weg.

De Heere gaat door, met Zijn onderwijs aan Nicodemus. We lezen in vers 6: Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest. Nicodemus, je bent geboren uit een vader en moeder, die net zo slecht waren als dat jij bent. Het doet denken aan Psalm 51:5, waar David zegt: Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. Je bent een kind van je vader en moeder. Erfelijk verloren, erfelijk sterfelijk. Kind van Adam. Wat uit vlees geboren is, dat is (zondig) vlees. Alleen door van bovenaf, door de Geest van God geboren te worden, wordt je een kind van Mij.

Vers 7 en 8: Verwonder u niet (verbaas je daar niet over), dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar u weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is. Niemand kan de wind sturen. Die doet wat hij wil. Je kunt de wind horen in het suizen van de toppen van de bomen. Soms hoor je de wind bulderen in de stormen van de herfst. Maar verder? Waar hij vandaan komt? Waar hij heengaat? Heel mysterieus en geheimzinnig…

Zo begrijpen wij het werk van de Geest van God in het hart van een mens niet. Dus ga ik dat ook niet uitleggen, want dat kan ik niet. Dat staat hier: wij begrijpen het niet. De wind blaast waarheen hij wil. De Geest werkt waar en wanneer Hij wil. God is vrij en soeverein. Hij werkt naar Gods welbehagen, volgens Zijn goede gedachten. En Nicodemus maar vragen: Hoe zit dit? Hoe zit dat? Maar, nee, wij begrijpen het niet…

We begrijpen de wind niet. Maar wij horen de wind wel. We begrijpen het werk van de Heilige Geest niet. Maar je kunt het wel zien, en merkenm en horen. Je merkt het, als iemand de Heere gaat zoeken. Als iemand gaat treuren over de last van de zonde. Als iemand gebukt gaat onder zijn of haar onverbeterlijke hart. En als dat onverbeterlijke hart vroeger of later gaat verlangen naar Christus.

Later zegt deze zelfde Johannes: ‘je kunt het zien, je kunt het weten wie er uit God geboren is.’ En, gemeente, legt u daar uw hart maar naast. Of je uit God geboren bent? Dat blijkt uit de vruchten. Dat kun je zien aan je leven. Johannes schrijft in zijn brieven: Die uit God geboren is, die doet de zonde niet (ik kan en wil niet meer tegen God zondigen), die heeft God lief (want Hij is alles voor me geworden) en die gelooft dat Jezus is de Christus (de gezonden Messias, die ook voor mij

gezonden is tot Profeet, om mij alles te leren, die ook voor mij gezonden is als Priester, om mijn schuld voor God te verzoenen, en die ook voor mij gezonden is als Koning, om over mijn leven Heere en Meester te zijn). En, schrijft Johannes, die uit God geboren is die doet de rechtvaardigheid en overwint de wereld. Dat wil zeggen: die strijdt tegen de zonde, en mag die door Gods genade overwinnen in Zijn kracht (1 Joh. 5:1-4).

Gemeente, dat hebben we allemaal nodig. Uit God geboren worden, een nieuw hart, de afwassing van onze zonden door het bloed van Christus. Waar Ezechiël ons ook op wijst, als hij schrijft in Ezechiël 36:25-27: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.

Dit is echt nodig om de hemel binnen te gaan. En dit is ook echt nodig om op aarde met God te kunnen leven. Daar baat geen geld, geen afkomst, geen bekendheid van je familie, geen aanzien, geen geleerdheid, geen IQ, geen diploma’s, geen eigen keus, geen inzet of ijver. Het wordt allemaal afgekeurd. Wat je nodig hebt is dit werk van God in je leven: een nieuwe geboorte, een nieuw hart.

Kan je jezelf daar een handje bij helpen? Hebt je ooit gehoord dat iemand meehielp bij zijn eigen geboorte? Ik niet. Dit is een werk van God en God alleen.

Je zegt: ‘Waarom zegt de Heere dit nu allemaal tegen me? Daar word je toch moedeloos van? Als je hoort, dat de Heere eraan te pas moet komen, en dat je er zelf niets aan kan doen?’

Luister, de Heere zegt dit niet om je moedeloos of lui te maken. De Heere zegt het, om je te ontdekken aan wie je bent. Want dit wijst je heel scherp en heel diep naar de slechtheid van je hart. Slechter dan dat je ooit hebt willen denken: totaal onbruikbaar, afgekeurd, waardeloos.

Maar, lieve mensen, dit opent tegelijkertijd de weg. Er is een weg bij God vandaan! Hoe je daar komt? Door net als Nicodemus naar Jezus te gaan. En te zeggen: ‘Heere, U zegt het, maar ik snap het niet. En U weet het: ik wil ook niet. Heere, wat nu?’ Zeg dat maar, vraag het maar eerlijk: ‘Heere, wilt U het mij leren?’

Wat Hij je dan gaat leren? Dit. Het komt door jouw werk echt nooit meer goed.

Het kan alleen door Gods werk, door Mijn werk. Dat, wat je graag wilt, Nicodemus, dat God met je is, kan alleen door Mij. Want Ik ben Immanuël, God met ons. Nee, dat is geen theorie. En het is zeker ook niet bedoeld als een dooddoener. Wat Jezus hier tegen Nicodemus zegt, is ontdekkende genade. Waarmee hij het hart van Nicodemus open legt. Om plaats te maken voor Zijn werk.

En trouwens, is dat, wat de Heere zegt, juist dan niet tot heel veel troost? Voor mensen die niet meer weten hoe het moet? Voor mensen die moeten zeggen: ‘Heere, alles mislukt. Het wordt maar niet beter met mij. Het wordt alleen maar slechter. Ik zie mijn zonden steeds groter worden. Ik kan het niet. En U weet: ik wil het ook niet.’

Wat wordt het dan een wonder in ons leven, als de Heere dan zegt: ‘Dat is waar. Dat God met u is, dat kan inderdaad nooit meer om iets wat u doet. Maar…, Ik zal het doen.

Zoals de Heere zegt door de mond Ezechiël in Ezechiël 36: Zo zegt de Heere HEERE: Ik(!) doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls, maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt En Ik(!) zal u wassen. U kunt het niet, u wilt het niet, maar Ik zal het doen. En Ik(!) zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik(!) zal Mijn Geest geven binnenste u! Dat is allemaal Mijn werk. En Ik(!) zal het doen, om de eer van Mijn grote Naam (Ez. 36:22-27).

Mensen, u die niet meer weet hoe het moet, hier is uw hoop! Hier is uw God! De weg terug naar ‘dat God met u is’? De Heere belooft, dat Hij het Zelf doet. Wat u niet kan. Door uw zonden af te wassen met het bloed van Immanuël. U kunt het krijgen, wat u zelf nooit meer kunt verdienen. U kunt het krijgen, om Zijn verdienste, om Zijn gehoorzame leven en om Zijn diepste lijden aan het kruis: gratis, als een gift, als een vrije gift, als genade!

Terugkeren? Zelf teruggaan? Dat lukt nooit. Maar, zegt de Heere: Ik zal u terugbrengen. Je eigen hart verbeteren? Uitgesloten. Maar: Ik zal u een nieuw hart geven. In Zijn wegen wandelen? Dat zal mislukken. Maar: Ik zal maken, dat u dat doen zult.

Zondaars, hoop op God. Sla het oog toch naar boven. Redding komt bij God vandaan! Het heil is des HEEREN (Jona 2:9). En zo en zo alleen is alle eer voor Hem (Rom. 11:36).

Amen.

Slotzang Psalm 119:88:

Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen; Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren; Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond; Want hij volhardt naar Uw geboôn te horen.