PREEK · VRIJE STOFFEN

Overheid en werkgever (deel 5) - 1 Petrus 2

7 mei 2025

1 Petrus 2: Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.

INLEIDING

In een tijd van vervolging roept Petrus christenen op zich te onthouden van vleselijke begeerten en een eerlijke wandel te tonen, opdat God verheerlijkt wordt. Op twee terreinen geldt hetzelfde devies: wees onderdanig — aan de overheid, om des Heeren wil, en als huisknecht aan de heer, ook de harde. Onrechtvaardig lijden, terwijl men goed doet, is genade, naar het voorbeeld van Christus, Die niet wederschold maar het overgaf aan Wie rechtvaardig oordeelt. Zijn striemen brachten ons genezing.

1 PETRUS 2

17 Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.
18 Gij huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig den heren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden.
19 Want dat is genade, indien iemand om de consciëntie voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte.
20 Want wat lof is het, indien gij verdraagt als gij zondigt en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt als gij wel doet en daarover lijdt, dat is genade bij God.
21 Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen.

VOLLEDIGE TEKST

Overheid en werkgever (deel 5) - 1 Petrus 2

ds. J. IJsselstein - 1 Petrus 2

LITURGIE

Psalm 119:10,12

Lezen 1 Petrus 2:11-25 Mozrgenzang:3,4,5

Psalm 86:6

Psalm 97:6,7

Geliefde gemeente, de lezers van de eerste Petrusbrief leven in een moeilijke tijd. In een tijd van toenemende marginalisatie en uitsluiting. In een tijd van lijden en dreigende vervolging ten tijde van keizer Nero. En in die moeilijke tijd wekt Petrus hen op om te leven door het geloof. Met hun hoop gericht op God en op hun eeuwige toekomst. Om te leven in heilige wandel en godzaligheid. Om zo getuige te zijn van Gods genade in een wereld vol zonde en haat. Als een zichtbaar voorbeeld van een andere manier van leven, van leven met God. Om zo ook anderen te winnen voor het Evangelie van Christus.

Maar, hoe dan? Dat gaan we zien in het gedeelte dat we vanavond met elkaar gaan overdenken: 1 Petrus 2:11-25.

Als het gaat om leven als christen, als christin in een niet-christelijke samenleving, dan onderscheidt Petrus drie terreinen van leven. En voor ieder terrein van het leven heeft hij hetzelfde advies.

Laten we beginnen met het lezen van vers 11: Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat u u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel.

Met andere woorden, de wereld om u heen wil u op allerlei manier tot zonde verleiden maar… (let op hoe vriendelijk Peters dit zegt!): Geliefden… Liefde is de drijfveer van deze waarschuwing. Ik vermaan u… Ik dring er bij u op aan. Blijf op veilige afstand van die gevaren voor uw ziel. Want u bent wel verlost van de macht van de zonde. Maar u moet er nog wel dagelijks tegen strijden. Tegen de begeerlijkheden die strijd voeren tegen de ziel. Tegen wat hij noemt in hoofdstuk 4:3, de verleiding van ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuipenrijen, brasserijen, drinkenrijen en de gruwelijke afgoderijen.

Want de heersende gewoonten en de gangbare manier van leven in de wereld om ons heen oefenen een geweldige invloed uit op ons hart. En willen ons het liefste meenemen in diezelfde zondige manier van leven. Maar, zegt Petrus: Geliefden, ik dring er bij u op aan, blijf ervan weg!

Want dat verbreekt uw gemeenschap met God. Dat ontneemt u uw vrijheid en brengt u terug in uw vroegere slavernij van de zonde. En zodoende werpt dat u terug in vrees en twijfel.

En daarom, vers 12: Houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen. Doe anders. Leef anders. Spreek anders. En denk anders. Houd afstand van dat zondige, aards gerichte leven. En let op! Want het gevaar is niet alleen dat u zelf meegesleurd wordt door de verleiding om terug te vallen in de zonde. Maar de eer van de Heere is ook in het geding.

Want, er wordt op u gelegd. En dus: wees een leesbare brief van Christus. En houdt in alle dingen de eer van God op het oog.

Opdat (vers 12b) in hetgeen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners… Ja, want christenen werden in die tijd van vanalles en nog wat beschuldigd. Maar, let op (wil Petrus zeggen), dat u dat niet uitlokt tot een gevoel van verongelijkt zijn, tot boze reactie, tot verbittering of tot verzet. Maar overwin het kwade door het goede (Rom. 12:21). Door goede werken.

Opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken die zij in u zien, God verheerlijken mogen in de dag der bezoeking. De kanttekening zegt: ‘dat is, in die tijd als de Heere hen zal aanzoeken door Zijn genade en bekering. Of: als ze door uw godzaligheid en lijdzaamheid tot nadenken worden gebracht…’

Goede werken doen dus, tot heerlijkheid van God. En… tot bekering van degenen die lasteren.

Maar hoe dan? En waar dan? Nou, zegt Petrus: op drie terreinen van het leven. a. Als eerste in de relatie tot de overheid (dat staat in vers 13 tot en met 17). b. Als tweede in de relatie tot onze werkgevers (dat staat in vers 18 tot en met 25). c. Als derde in relatie tot onze man of vrouw (dat staat in het volgende hoofdstuk, in vers 1 tot en met 7). Die derde kring bewaren we voor de volgende keer.

En op al die terreinen van het leven, zegt Petrus, geldt één devies: Hoofdstuk 2:13: wees onderdanig. Hoofdstuk 2:18: wees onderdanig. Hoofdstuk 3:1: wees onderdanig.

1. Laten we beginnen met de eerste, de meest wijde cirkel. Wees onderdanig in de richting van de overheid. Vers 13 en 14: Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij de koning (keizer Nero destijds), als de opperste macht hebbende; hetzij de stadhouders,

als die van hem gezonden worden tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen die goed doen. Wees tot verheerlijking van God onderdanig aan het gezag van bestuurders, op welk niveau dan ook. Ongeacht het soort van de regering, of het een monarchie is, een democratie of een dictatuur, dat doet er niet toe.

Het gaat erom wat je als christenen uitstraalt naar dat bestuur, naar die regering. Want dat principe van regeren, van besturen zelf, dat komt van God. Zoals Paulus zegt in Romeinen 13:1: Alle ziel zij de machten over haar gesteld onderworpen, want er is geen macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd. In deze tijd van de meest beroerde regering ooit, spoort Petrus zijn lezers dus aan om de beste burgers te zijn. Doe dat (vers 13): om deze Heeren wil. Doe dat voor de zaak van de Heere.

Want (vers 15) alzo is het de wil van God, dat u wel doende de mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen. Bewijs nu maar uit uw leven, zegt Petrus eigenlijk, dat er geen betere burgers zijn dan christenen. En dat er geen burgers zijn die hun medeburgers en land zo goed doen, dan zij. Zo wil God, dat u de mond stopt van dwaze mensen, die u van alles en nog wat verwijten.

Dus, beantwoordt dat wat de overheid doet (ook al bent u het daar niet mee eens) met goed doen, met goede werken. Denk niet dat je onvervreemdbare rechten hebt. Ga niet verongelijkt zitten mopperen, als je iets van die rechten kwijtraakt. Kies dan ook niet voor protest, voor opstand of verzet. Want dat bevordert de loop van het Evangelie niet. Ga niet vechten voor je rechten. Maar gaan dienen.

Onderdanig zijn en dienen met goede werken. Dat was de opdracht toen. En dat is ook de opdracht voor ons als refo’s in deze tijd. Zoals de Heere Jezus zei in Lukas 6:27-28: Maar Ik zeg u die dit hoort: hebt uw vijanden lief, doet wel dengenen die u haten. Zegent degenen die u vervloeken, en bid voor degenen die u geweld doen. Zoals onze Heere Zelf ook deed, kijk maar naar vers 23: Die, als Hij gescholden werd maar niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt.

Vers 16: Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten Gods. Dus: dienen, niet om mensen te pleasen, maar om God te dienen. Als vrijen. Vrij vàn de gebondenheid en de slavernij van de zonde. Maar ook vrij vóór dienst aan de overheid en aan medeburgers. Zoals Luther ooit schreef in zijn traktaat ‘Over de vrijheid van een christenmens’:

De christen is meest vrij van allen en aan niemand onderworpen. Maar de christen is ook meest plichtsgetrouwe dienaar van allen en onderworpen aan iedereen.

En dat maakt, dat we in de relatie tot God, Hem eerbiedig vrezen. Dat maakt dat we in de relatie tot de overheid haar onderworpen zijn. En dat maakt dat we in de samenleving dienend respect tonen naar iedereen.

Om zo meer dan ooit te laten zien: een christen, een christin is iemand die leeft in twee werelden. Wij zijn mensen met een dubbel paspoort. Zoals Paulus zegt in Filippenzen 3:20: Onze wandel is in, wij zijn burgers van de hemelen. Maar we zijn ook burgers van onze stad of van ons dorp. En daar leven we, als het goed is: ons hemelse burgerschap op de aarde.

Waar alles wat ons overkomt om de Naam van de Heere, eigenlijk niet gaat over ons, maar over Hem. Mensen kunnen (vers 12) kwalijk van ons spreken. Als dat terecht is, dan ligt dat aan ons. Maar als dat alleen maar reactie is op ons dienen en op onze goede werken, dan wordt God verheerlijkt. Dan voelen wij wel pijn en verdriet. Maar dan hoeven we niet in verzet en opstand te komen. Dan mogen we stil zeggen: ‘Heere, dit gaat over U.’

Zo leeft een christen, zo leeft een christin. Anders dan anderen om ons heen. We onthouden ons van vleselijke begeerlijkheden. Want we zijn niet van de wereld. Hoewel we er wel in leven. Als het goed is als een lichtend licht in een donkere wereld, als een zoutend zout in een smakeloze omgeving. Zoals de Heere Jezus ooit bad in Johannes 17: (Vader), Ik heb hun Uw Woord gegeven, en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben. Ik bid niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart van de boze. Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben. Niet van deze wereld, maar wel gezonden in deze wereld. Gelijkerwijs U Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden (Joh. 17:14-18).

Het laatste vers, als het gaat om het eerste levensterrein waarvoor Petrus onderdanigheid leert, vers 17: Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert de koning. Houd iedereen een eer. Heb uw broeders en zusters lief. Heb diep ontzag voor God, vrees Hem. En heb eerbied voor de keizer. Dat laatste trouwens wel in die volgorde en met dat verschil: diep ontzag, vrees voor God, en eerbied voor de keizer. Dus als het erop aankomt, dan gaat het ontzag voor God vóór de eerbied voor de keizer.

Laten we nu eerst samen zingen Psalm 86:6: Leer mij naar Uw wil te hand'len, 'k Zal dan in Uw waarheid wand'len; Neig mijn hart, en voeg het saâm Tot de vrees van Uwen naam. HEER, mijn God, ik zal U loven, Heffen 't ganse hart naar boven; 'k Zal Uw naam en majesteit Eren tot in eeuwigheid.

Goede werken doen, door onderdanig te zijn op drie terreinen van het leven. Als eerste in de relatie tot de overheid. Dat hebben we gezien in vers 13 tot en met 17. Nu als tweede ook in de relatie tot onze werkgevers, wat staat in vers 18 tot en met 25.

We gaan verder met vers 18: Gij huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig de heren, niet alleen de goeden en bescheidenen, maar ook de harden. Gij huisknechten… Slaven, maar inderdaad in het Grieks letterlijk: huisknechten.

Toch moeten we bij dit soort slaven geen verkeerde voorstelling hebben. De leefomstandigheden van veel slaven toen, waren beter dan die van vrije mannen, die vaak op straat sliepen of in heel goedkope kamers woonden. Slaven woonden vaak binnen de beslotenheid van het huis van hun meester. Bijvoorbeeld op de bovenste verdieping van het huis of de villa van hun eigenaar. Plinius vertelt dat zijn slaven in een apart gedeelte van zijn villa woonden, in vertrekken waar ook zijn gasten konden overnachten. Een slaaf was ook niet minderwaardig vergeleken met vrije mannen wat betreft voedsel en kleding. Maar, een slaaf was wel bezit van zijn heer...

Tegen zulke huisknechten zegt Petrus: Wees uw heren met alle vreze (met alle respect) onderdanig. Petrus zegt overigens niet direct dat die heren of meesters onchristelijk waren, maar uit de context begrijpen we wel dat dat zo was. Eerst ging het immers om de verhouding van een christen of christin tegenover een onchristelijke of antichristelijke overheid. En nu gaat het om de verhouding van een christelijke slaaf of slavin tegenover een heidense heer.

Wees hen met alle vreze onderdanig. Niet alleen de goeden en bescheidenen, maar ook de harden. Kom niet in verzet tegen ze. Want u bent door genade vrij. Vrij van de zonde en van de dienst van de satan. Vrij om te dienen.

En die genade om te dienen, en daarin staande te blijven, die krijgt u van God. Kijk maar in vers 19: Want dat is genade, indien iemand om de consciëntie voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. Je merkt, al lezend, Petrus maakt de groep groter. Het is genade als iemand (wie dan ook) zich bewust is van God, omdat hij of zij in het geweten eraan vasthoudt, God boven alles te dienen en gehoorzaam te zijn. Het is genade als iemand (wie dan ook) zich bewust is van Gods aanwezigheid, omdat hij of zij gelooft, dat de Heere alles ziet en weet. Het is genade als iemand zo (op die manier) zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte.

Dat is genade! Dat de lezers van de brief van Petrus ten onrechte pijn geleden hebben. Ze hebben geprobeerd het goede te doen. Maar ze hebben klappen gekregen. Zoals dat ook in deze tijd kan zijn. Als je als christen of christin op de plek waar je woont, werkt of studeert, probeert goed te doen. Met respect voor iedereen. Maar als je dan uiteindelijk toch (letterlijk, figuurlijk, of met woorden) klappen krijgt. Dat deed toen zeer. En dat doet ook nu zeer. Maar, vergeet niet, wat Petrus hier zegt: Dat was, dat is genade…

Want (vers 20) wat lof is het, indien u verdraagt als u zondigt en daarover geslagen wordt? Maar indien u verdraagt als u wel doet en daarover lijdt, dat is genade bij God. Als je zo lijdt, terwijl je goed doet, als christen of christin, levend gericht op de eer van de Heere… Als je moet lijden (toen, maar ook in deze tijd), dan kan dat zeer doen. Dan kan je daar nadeel van ondervinden. Maar dan mag je weten, dat je Gods wil gedaan hebt en Zijn lof ontvangt. En trouwens: Zo God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? (Rom. 8:31)

En vooral, zulke verdraagzaamheid, dat ten onrechte lijden, dat wil je aan iets herinneren. Dat wil je iets laten zien… Wat hopelijk zelfs je oneerlijke eigenaar aan het denken zet… Wat hopelijk (ook nu in deze tijd) zelfs je baas die nergens aan doet, innerlijk zal raken… Als hij ziet en merkt, dat u of jij die de Heere dient, die volgeling wil zijn van die verachte Jezus van Nazareth, merkbaar en zichtbaar doet als Hij. In navolging van Hem.

Vers 21en 22: Want hiertoe bent u geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat u Zijn voetstappen zoudt navolgen; Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden. Hij was onschuldig. Totaal onschuldig. Zelfs de moordenaar aan het kruis zei: Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan (Luk. 23:41).

Vers 23: Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt.

Daarvan, van Hem, zegt Petrus eigenlijk, mag u ook iets laten zien. Je mag tot je troost en tot je blijdschap, tot je innerlijke vrede en verwondering zien en laten zien, dat je genade krijgt van God om je Meester hierin te volgen. Om iets te laten zien van hoe Hij was.

Van wie Paulus zegt in Filippenzen 2: Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn, maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises (Fil. 2:6-8)

Dan mag je de Heere danken, als je (heel anders, maar toch enigszins lijkend op Hem) mag ervaren: ‘Ik lijd ten onrechte. Nu mag ik een beetje ervaren, wat U (oneindig veel meer) voor mij deed. Nu mag ik (wat een genade!) Uw voetstappen drukken. Omdat U(!) dat deed, omdat U Uzelf totaal vernederde, gehoorzaam tot de dood, ja, tot de dood van het kruis, omdat U dat deed voor mij. Daarom wil ik in deze wereld leven voor U.’

In de hoop dat ook mijn werkgever, dat ook mijn baas iets ziet in mij, van Uw beeld. Als ik laat merken dat ik houd van U, van Uw Woord en van Uw dag. Als ik laat merken dat ik het niet kan verdragen, dat Uw Naam gevloekt wordt. Als ik de lach daarom over me heen laat komen. Ja, zelfs verlies van mijn promotiekansen, of in het uiterste geval verlies zelfs van mijn baan. Omdat ik op Uw dag niet werken wil. Omdat ik niet mee wil werken aan fraude en bedrog. Ik geef het over aan U Die rechtvaardig oordeelt… Want het gaat niet om mij, Heere, het gaat om U.

Om U, van Wie geldt, wat staat in vers 24: Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij de zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt. Dus het doel van de dood van de Zaligmaker was, zegt Petrus, dat wij sterven zouden aan de zonde. En dat wij leven zouden voor de gerechtigheid. Dat wij vrijgemaakt van de slavernij van de zonde, de Heere dienen zouden zonder vrees. Ziende in lijden op Jezus, in Zijn lijden. Om zo nieuwe kracht naar ziel en lichaam te krijgen. En ook vernieuwing van houding en gezindheid. Met meer zachtmoedigheid. Met meer liefde en nederigheid. Met meer ijver. Met meer moed en trouw. Met meer toewijding voor alles wat Hij aan ons vraagt.

Terugdenkend aan wat onze Heere ooit Zelf gezegd heeft. In Johannes 13: 16: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft. In Johannes 15: 20: Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.

Zoals Paulus ook schrijft in Filippenzen 1:29: Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.

Hij leed voor u? Dan mag u ook voor Hem lijden. Ja, en als je daaraan denkt, dan voel je direct: er zijn overeenkomsten, maar het is ook weer helemaal niet met elkaar te vergelijken. Zijn lijden was plaatsvervangend en betalend voor mij. Zijn lijden was ook oneindig veel dieper dan het mijne.

Daaraan denkend citeert Petrus bekende woorden uit Jesaja 53: Hij? Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht. Hij? Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. En wij? Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.

En daar eindigt dit deel van de brief van Petrus ook mee in vers 25: Want gij waart als dwalende schapen, maar u bent nu bekeerd tot de Herder en Opziener uwer zielen. U was verdwaald, dwalend en verloren. U bent niet zelf teruggekeerd, maar God greep in. Hij bekeerde u en bracht u terug. Opdat (Zijn doel!) u zou verkondigen (ook door een weg van lijden) de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Amen.