30 augustus 2015
1 Korinthe 1:4-5: Ik dank mijn God allen tijd over u vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus; Dat gij in alles zijt rijk geworden in Hem, in alle rede en alle kennis,
INLEIDING
De gemeente van Korinthe kende verdeeldheid, ruzie en misstanden, en toch dankt Paulus God voor haar, want ondanks al haar gebreken is zij “Gemeente Gods”: “Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus; dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede en alle kennis” (1 Korinthe 1:4-5). Deze leespreek laat zien hoe Paulus’ dankgebed, uit 1 Korinthe 1, ook licht werpt op een gemeente die niet volmaakt is, en wat het betekent om rijk te zijn in Christus door genade alleen.
Paulus’ dankgebed voor de gelovigen in Korinthe
1 KORINTHE 1:1-9
1 Paulus, een geroepen apostel van JEZUS CHRISTUS door den wil Gods, en Sósthenes, de broeder,
2 Aan de gemeente Gods die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepen heiligen, met allen die den Naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onzen Heere:
3 Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.
4 Ik dank mijn God allen tijd over u vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus;
5 Dat gij in alles zijt rijk geworden in Hem, in alle rede en alle kennis,
6 Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u.
7 Alzo dat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus;
8 Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus.
9 God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Korinthe 1:4-5
THEMA
Paulus’ dankgebed voor de gelovigen in Korinthe
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, voor ons ligt het eerste hoofdstuk van de brief aan de gemeente van Korinthe. Wat was dat eigenlijk voor een gemeente, die gemeente van Korinthe? Korinthe was een stad die lag en die ligt op een heel centraal punt in Griekenland. Het was een knooppunt van verkeer tussen het noorden en het zuidelijke schiereiland. En tegelijkertijd was het ook een stad met twee havens. Aan de westkant kwam het scheepvaartverkeer van Italië binnen, en aan de oostkant voer men in de richting van Azië. En dus was die strategisch gelegen stad in oude tijden een bloeiende handelsstad.
En verder was er nogal wat te beleven in Korinthe. Het was niet alleen een internationale havenstad, maar ook een stad met heel veel kunst en cultuur. En twee keer per jaar werden in Korinthe ook de Istmische Spelen gehouden, grote sportwedstrijden, in rang net onder de Olympische Spelen. Een bruisende en veelkleurige stad, vol met mensen van allerlei nationaliteiten. En daarbij en daardoor was Korinthe, net als iedere havenstad, ook tegenwoordig, ook een stad van veel zedeloosheid en prostitutie.
In die stad, die misschien wel een beetje lijkt op Rotterdam of Antwerpen, is ook een christelijke gemeente. Op zijn tweede zendingsreis is Paulus in Korinthe gekomen. Anderhalf jaar (zo kunnen we lezen in Handelingen 18) heeft hij er zijn werk gedaan: het Evangelie van Jezus Christus aan de mensen geleerd. Zeker, er was tegenstand, net als altijd, en vooral van de kant van de Joden. Maar de Heere had hem bemoedigend toegesproken: wees niet bevreesd. Ik heb veel volk in deze stad (Handelingen 18:10). En nu, een paar jaar later, is Paulus bezig aan zijn derde zendingsreis. En nu schrijft hij deze brief, vanuit de gemeente van Efeze, aan de gemeente van Korinthe.
Als je die brief, jongens en meisjes, goed leest, dan is Korinthe niet echt een gemeente om trots op te zijn. Daar speelt van alles en nog wat in die gemeente. Er is verdeeldheid, er is ruzie, er is onderlinge rivaliteit, er zijn verkeerde relaties, er zijn huwelijksproblemen, er is gedoe over het eten van offervlees, er is onrust over geestelijke gaven…
Kortom, echt geen voorbeeldige gemeente. Korinthe blinkt uit door misstanden. En dus (denk je niet?), zal het wel een boze brief worden. Paulus zal de mensen in Korinthe wel eens even goed de waarheid zeggen, denk je ook niet…?
Laten we maar eens kijken. Lees maar even mee in vers 1: Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Sosthenes, de broeder. Met andere woorden: alles wat nu volgt heeft Goddelijk gezag, want de schrijver van deze brief, Paulus, is een apostel van Jezus Christus. Sosthenes, de broeder, is in Korinthe een belangrijk man, waarschijnlijk was hij voorheen de overste van de synagoge.
Aan (vers 2) de Gemeente Gods, die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepenen heiligen Snap je dat? Een gemeente, waar zoveel aan de hand is? Paulus haalt niet zijn neus op voor de gemeente, hij zegt niet: ‘dat, dat is helemaal niks daar met die gemeente van Korinthe!’ Nee, hij zegt: ‘de gemeente van Korinthe, dat is de Gemeente Gods!’ Hij kijkt vanuit Gods kant, vanuit Gods perspectief: God heeft die gemeente gepland, Hij heeft die gemeente gesticht. Dat is en was Gods werk. De gemeente is onvolmaakt, maar tegelijkertijd een heilige vergadering, rondom het Heilige Woord van God.
Aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepenen heiligen. Heiligen? In Korinthe? Nee, zonder zonde zijn ze daar niet. Maar dat is hier ook niet de betekenis van dat woordje ‘heilig’. Heilig, dat wil zeggen: apart gezet, als gemeente aan God gewijd: van Hem en voor Hem! De gemeente is een zaak van God. God heeft hen gegrepen uit de macht van de duisternis, gebracht onder het woord van genade en geroepen om heilig voor Hem te leven. Zoals Israël vroeger een heilig volk was, apart gezet van alle andere volken. Zo is de gemeente van het Nieuwe Testament apart gezet van de wereld, met een dringende oproep om te breken met de zonde en heilig, voor God te leven.
Nee, dan moet je niet zeggen: ‘dat kan alleen maar als je bekeerd bent, en helaas, dat ben ik nog niet.’ Nee, daar ligt een Goddelijke roeping in ons leven om heilig voor God te leven. Een roeping ook die doorklinkt in het teken van het sacrament van de Heilige Doop. En als je dan voelt en ervaart dat je dat niet kan, dat je zo voor God niet kan en wil leven, dan moet dat je uitdrijven naar God toe. Terwijl je zegt: ‘Heere, U roept me op om heilig te leven, maar ik kan niet voldoen aan die oproep. Help me toch, en geef me toch een nieuw hart en een nieuw leven!’
Zeker, je moet bij dat woordje ‘heilig’ zeker ook denken aan het bijzondere werk van de Heilige Geest. De Heilige Geest die binnen de gemeente, door het werk van Zijn genade,
mensen die niet gericht zijn op God, weer echt (door genade, wedergeboorte en vernieuwing) op Hem gaat richten. Maar ik zeg dat niet als een excuus, om er af te zijn: ‘heilig? o, dat kan ik niet…’ Ik zeg het als een richtingwijzer: ‘Daar moet u heen! Naar God toe! Die Zelf geven wil wat Hij van ons vraagt!’ En ondertussen niet vergeten: de gemeente, ook de gemeente hier, is Gemeente Gods. Door God Zelf gepland, Zijn eigendom. En zolang hier niet meer mis is dan in de gemeente van Korinthe, handelt u tegen de wil van God, als u de gemeente verlaat en denkt dat het elders heiliger is dan hier. Want, u neemt overal op zijn minst uw eigen onheilige hart mee.
Met allen (zo staat in vers 2), die den Naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onzen Heere; Met andere woorden: een brief ook voor onze tijd, met een boodschap ook voor onze gemeente.
En dan komt vers 3: Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Heere Jezus Christus. Genade. Onverdiende goedheid en gunst van God. Genade zij u, meer genade zij met u! En vrede, meer vrede zij met u! Die wens ik u toe, die bid ik u toe, die zij, die wordt u gegeven! Een zegengroet, terwijl Paulus de Heere dankt. Nota bene, voor de gemeente van Korinthe!
En dan volgen twee verzen, waar het vanmorgen in de preek vooral over zal gaan, de verzen 4 en 5. De tekst voor de preek van vanmorgen vindt u in 1 Korinthe 1, de verzen 4 en 5, waar we het Woord van God als volgt lezen: Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus; dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede en alle kennis.
Een moeilijke tekst, jongens en meisjes, maar probeer vanmorgen goed te luisteren, dan zal ik proberen om het goed uit te leggen.
Het gaat in deze twee verzen over (en dat is ook het thema van de preek): Paulus’ dankgebed voor de gelovigen in Korinthe En we letten op twee dingen. Paulus dankt 1. Voor wat hen gegeven is: genade 2. Voor wat hen dat gebracht heeft: rijkdom in alle rede en kennis Als eerste gaat het vanmorgen dus over
Vroeger leefden ze als heidenen, zonder God, midden in die heidense stad Korinthe. Of: vroeger leefden ze als vrome joden, ijverig in het doen van wat de wet hen voorhield. Maar hun leven is veranderd. God is in hun leven gekomen. God is hen tegengekomen.
Hoe? Wanneer? Nou, toen Paulus op zijn tweede zendingsreis kwam met de boodschap van het Evangelie. Met het (zo staat het in vers 6), met het getuigenis van Christus. En dat woord van Paulus raakte hen, dat haakte vast in hun hart. Jezus Christus, de Man die twintig jaar geleden in Jeruzalem aan het kruis gestorven was en weer opgestaan is uit de dood, dat was niet zomaar een Man, dat was niet zomaar een vrome Jood, maar Hij was door God gezonden om verloren mensen te redden van verderf en ondergang. Betuigende (zo staat in Handelingen 18:5) dat deze Jezus de Christus was. De Christus, door God gezalfd en gezonden tot redding en zaligheid. Maar… Hij is door ons gekruisigd en weggedaan. Buigend onder hun schuld, die de Heilige Geest hen aanwees, zijn ze (ongetwijfeld net als destijds op de Pinksterdag) gaan roepen: ‘wat moeten we doen om zalig te worden?’ Want ook het woord van Apollos heeft hen overtuigd (Handelingen 18:28) dat deze verachte Jezus de Christus was. De door God gezalfde Middelaar die nodig was (anders had God hem niet gestuurd!) om verloren zondaars weer terug te brengen bij God.
Paulus overtuigde de mensen in Korinthe: Jezus, de Gekruisigde, de Opgestane, dat is de Christus. En Apollos deed hetzelfde: Met grote ernst in het openbaar bewijzen: Jezus is de Christus! En wij doen niet anders (hoewel wij ver in de schaduw staan bij deze grote mannen), wij doen niet anders dan u proberen ervan te overtuigen: Jezus is de Christus.
Je zegt: ‘nou, dat geloof ik heus ook wel. Is dat alles?’ Ja, maar weet wat je zegt! Geloven in Jezus betekent: geloven in de Zaligmaker. En dat betekent: geloven van jezelf dat je verloren bent! Dat je verlost moet worden van het grootste kwaad en gebracht moet worden tot het hoogste goed. En dan kan het niet anders, of er is een tijd gekomen in je leven dat je dat bent gaan zien. De één plotseling, als een schok die het leven deed wankelen. De ander meer geleidelijk, maar toch, dan heb je er iets van gezien, iets van geleerd: ik ben ellendig, ik heb tegen God gezondigd. Ik kan zo niet verder. Heimwee naar God… Droefheid naar God over de zonde… Heere, is er nog een weg? Een weg waardoor het weer goed kan komen tussen U en tussen mij? Zelf doen, dat lukt niet. Daar kom je wel achter. De één moet dat leren door een harde botsing met zijn hoogmoedige en zondige ik, de ander leert het meer geleidelijk. Maar de les is één en dezelfde: ik heb een Ander nodig, Die wil staan, Die kan staan in mijn plaats.
En dan dat wonderlijke, dat wonderlijke werk van de Heilige Geest: Hij overtuigt. Paulus en Apollos, wij en alle broeders, wij proberen u te bewegen tot geloof, wij proberen u overtuigen van het feit dat u een zaligmaker nodig hebt, en dat de Zaligmaker gekomen is. En de Heilige Geest gebruikt dat Woord (en daarom moet u hier zijn!) om mensen, jongeren, ouderen er met kracht in hun binnenste van te overtuigen.
Hiervan: Ik heb gezondigd. Ik heb een hemelhoge schuld. Maar ik kan die zelf niet betalen. Ik kan het zelf niet. Ik zie geen weg meer. Maar (en dat is ook het werk van God de Heilige Geest, om dat te laten zien), nu heeft God in Zijn vrijmachtig en eeuwig welbehagen Zelf een weg gebaand. Door in de tijd Zijn Eniggeliefde Zoon naar deze verloren wereld te zenden als een Zaligmaker. Als de enige Weg om vijanden met God te verzoenen. En die Jezus, die gekruisigde en opgestane Zaligmaker, dat was Zijn Christus.
In Hem, door Hem hebben Gods kinderen in Korinthe (zo staat in vers 4) genade gekregen. Ze hadden de dood verdiend. Door hun zonden. Maar ze kregen genade: onverdiende gunst en goedheid van God. Genade krijg je als een ter dood veroordeelde, genade krijg je op het schavot. De dood verdiend. Maar nu: uit genade leven gekregen!
Het is hen (zo staat in vers 4) gegeven! Daar hebben ze zelf niets voor gedaan. Dat was een gift, dat was vrije genade. Alles wat je als kind van de Heere hebt, heb je gekregen. Je hoort weleens kinderen pochen: ‘ik heb dit, en ik heb dat!’ En: ‘ik kan dit al, en ik kan dat ook al…’ Maar als je een kind van God hoort pochen: ‘ik heb dit, en ik heb dat’, dan is er iets heel grondig mis. Want je hebt het als kind van God allemaal uit genade gekregen. Wat allemaal? Wat heeft die genade van de Heere hen allemaal gebracht? Alles! Echt letterlijk alles! Laten we daar eerst samen van zingen uit Psalm 19 het vijfde vers. Des HEEREN vrees is rein; Zij opent een fontein Van heil, dat nooit vergaat. Zijn dierb’re leer verspreidt Een straal van billijkheid, Daar z' all' onwaarheid haat. Z' is 't mensdom meerder waard, Dan 't fijnste goud op aard'; Niets kan haar glans verdoven; Zij streeft in heilzaam zoet, Tot streling van 't gemoed, Den honig ver te boven.
Als je de Heere mag dienen, als je van de Heere een nieuw hart krijgt, jongens en meisjes, dan (ik zei het zojuist al), dan krijg je echt alles. Kijk maar, dat staat hier in vers 5: U bent in alles rijk geworden. Dat zullen we zien in ons tweede aandachtspunt dat gaat over de vraag:
Alles! Maar vooral: rijkdom in alle rede en alle kennis.
a. U bent rijk geworden, zo schrijft Paulus, in alle rede. Het betekent eigenlijk: in ‘alle gesproken woord’, in ‘alles wat u zegt’. Gods kinderen zijn rijk in wat ze zeggen. Niet vergeten ondertussen: ze hebben het gekregen, het is niet van hen. Maar: ze zijn wel rijk in wat ze zeggen. Paulus en Apollos hebben getuigd van Jezus, dat Hij is de Christus. En de Heilige Geest heeft hen er in hun hart van overtuigd: het is waar! En zo hebben de gelovigen in Korinthe die woorden van Paulus en Apollos geloofd. Voor zichzelf. Voor hun eigen hart en leven.
Maar ze zijn niet alleen rijk voor zichzelf geworden, maar die rijkdom hebben ze ook willen delen met anderen. Ze hebben het woord ook uitgedeeld aan anderen. Ze hebben gezegd: ‘Moet je nu toch eens horen! Die Jezus, dat is de Christus! Echt waar! Hij is de Messias die komen zou. En daarom kan ook jij, daarom kunt ook u zalig geworden!’ De schat die ze gekregen hebben, daarvan hebben ze uitgedeeld.
Je zegt: als je deelt, heb je uiteindelijk steeds minder voor jezelf. Ja, maar in de dienst van de Heere is het anders: als je daar, wat je zelf uit genade, onverdiend gekregen hebt, uitdeelt, dan word je rijk. Paulus zegt: dat maakt je als kind van God rijk in Hem. Hoe meer je weggeeft van de schat die je kreeg, hoe meer die schat voor jezelf gaat schitteren. Hoe meer je vertelt over de Heere en Zijn dienst, hoe groter Hij wordt voor jezelf. Dus, als je als kind van God verlangt naar meer licht, dan is het goed om meer van Hem te vertellen. Daar wordt je rijk, dan wordt je rijker van. Dan ga je meer zien van de rijkdom die je gekregen hebt.
U zegt: ‘daar heb ik niet zoveel mee. Iedereen heeft tegenwoordig maar over: je moet getuigen!’ Ja, ik begrijp u wel, maar de Heere zegt toch ook in Jesaja 43:21Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.: Dit volk heb ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. Niet als een soort tegenprestatie. Want het is een gift, het blijft genade. En het is ook en zelfs belofte: Zij zullen Mijn lof vertellen. Daar zal Ik, God, Zelf voor zorgen. Het komt van God, en het is tegelijkertijd gericht op God. Zij zullen Mijn lof vertellen. Dus, wat heeft Gods genade de gelovigen, de kinderen van God in Korinthe gebracht? Dit is het eerste: u bent rijk geworden in woorden, in goed spreken over de Koning.
b. En het tweede is: u bent ook rijk geworden in (zo staat het in vers 5), in alle kennis. Dus, wat heeft die genade van God in de harten van Gods kinderen in Korinthe nu bewerkstelligd? Wat gebeurt er als God ons genadig heeft? Dan geeft de Heere ons…? Zeker, verdriet over onze zonden, liefde tot de Heere, heimwee naar God, tranen die God op Zijn tijd ook Zelf droogt, door ons zicht te geven op Zijn genade in Hem… Maar, onder die tranen, onder dat gevoel zit als het goed is iets van wat hier staat: kennis.
Kennis. Wat is dat eigenlijk? En kennis waarvan? Jongens en meisjes, je denkt bij dit woord kennis, aan iets wat je leert. Je denkt aan wat je leert op school. Daar leer je over verre landen en hun presidenten of koningen, over sneeuwstormen en orkanen. Je zegt: ‘Ja, dat heb ik geleerd, en nu weet ik dat allemaal. Dat ken ik allang, want ik heb bij de les van de meester of de juf heel goed opgelet!’
Maar, nu is er ook nog een ander soort van kennen. Ik bedoel kennen uit ervaring. Je hebt het ondervonden, je hebt het doorleefd. Want als je echt een keer in een sneeuwstorm of in een orkaan gezeten hebt, dan zeg je: ‘Maar nu weet ik er echt iets van!’ En als je president Macron of president Trump een keer in het echt gezien hebt, dan zeg je: ‘Maar nu ken ik hem echt. Ik heb hem echt een keertje gezien! Ik zag hem met mijn eigen ogen!’ Dat is eigenlijk een andere soort van kennis. Dat is ervaringskennis. Dat is kennis door ervaring, door ontmoeting. En die kennis (dat is de andere kant), die kennis is eigenlijk ook weer heel beperkt, die kennis is ‘ten dele’. Want de vrienden van Macron en Trump zeggen: ‘Misschien ken ik die man toch een beetje meer dan jij, want ik heb hem vaker gezien…’
Kennis, ervaringskennis, bevindelijke kennis. Wat is dat eigenlijk wel. En: wat is het eigenlijk niet? Kennis is in ieder geval geen emotie. Ja, je kan er emotioneel van worden. Maar het is niet hetzelfde. Je kan nog steeds glimlachen van de ontmoeting met president Trump, maar die ontmoeting zelf, dat was anders. Goed, misschien snappen we nu beter wat Paulus bedoelt als hij zegt: u bent rijk in kennis.
a. In kennis van (ja, om wie gaat het eigenlijk in de Bijbel?), in kennis van God. En die kennis krijg je als (denk nog maar even terug aan president Trump), die kennis krijg je als God je tegenkomt. Als de Heere je tegenkomt in het lezen van de Bijbel, in de preek, op de catechisatie, in je bidden. Als je iemand tegenkomt, dan zie je ‘wie je voor je hebt’. Als God je tegenkomt, zie je iets van Wie Hij is: heilig, rechtvaardig, een God die niets met de zonde te maken wil hebben. Ken je dan direct alles van God? Nee, zeker niet. Je kent iets… Dan leer je iets, door ervaring, door ondervinding, dan leer je bevindelijk iets van hoe…
Van hoe heilig God is, van hoe rechtvaardig Hij is: Hij kan en wil de zonde niet zien.
Rijk! In kennis. Jazeker, de kinderen van God in Korinthe hebben God leren kennen en zijn rijk geworden in kennis. Maar God is zo oneindig, dat het aan de andere kant ook maar weer een heel klein beetje is. Dat hoor je, als we zeggen: hoe groot bent U, o Heere! Zo groot, ik heb er geen woorden voor!
b. Je krijgt kennis van God, kennis ook van jezelf. En als je die twee tegenover elkaar zet, als jezelf tegenover God komt te staan, als God je voor Hem plaatst, dan zie je: dit past niet, dit past nooit. Dan zeg je eerlijk: ‘Heere, ik heb tegen U gezondigd’. Dan leer je bevindelijk, door ervaring iets van je ellende. Dat je ellendig en zondig bent? Ja, maar dat is ook eindeloos. Je zegt: hoe groot bent U! Eindeloos groot, heilig en rechtvaardig. En je zegt ook met de catechismus: Hoe groot is mijn zonde voor U! Eindeloos, hemelhoog is mijn schuld. Is dat emotie? Jazeker, het kan zijn dat je in tranen uitbarst. En er komt zonder twijfel in je hart een droefheid naar God. Maar onder die tranen zit kennis. Ervaringskennis, bevindelijke kennis: ik zie wat ik gedaan heb tegen God. Het is harte-kennis: Ik heb tegen God gezondigd. Hoe groot is mijn zonde en ellende!
c. Rijk worden in kennis. Van God, van jezelf, maar ook: rijk in kennis van de Weg tot de zaligheid. Je moet weten dat… Nee, dat wist je al. Je moet weten hoe je van je ellende verlost wordt. Weten dat, dat kan een soort van conclusie zijn: ‘nou, ik weet dat ik ellendig ben, en ik weet ook dat God mijn zonden vergeven heeft’. Maar daar kom je geen steek verder mee. Dat is niet genoeg! Dit is anders: je moet weten hoe je ervan verlost wordt, hoe je ervan verlost bent. Op welke manier? Door welke weg?
Hoe? Nee, dat zal niet gaan door zelf te werken, door zelf je best te gaan doen, door jezelf te verbeteren Hoe is het dan gegaan in de gemeente van Korinthe? Zo: de Heilige Geest heeft de preken van Paulus en Apollos gebruikt om hen, die nu kinderen van God zijn, in hun hart te overtuigen: Jezus, dat is de Christus! En Hij is de enige Weg tot behoud. En zo zijn ze in de kennis van Hem rijk geworden. In de kennis van Hem, van Wie geldt dat Zijn liefde te kennis te boven gaat. De lengte, de breedte, de hoogte en de diepte ervan zijn oneindig (Efeze 3:18Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij,). En dus zijn Gods kinderen rijk in Hem, maar (niet vergeten!) onze kennis is ook weer heel beperkt, onze kennis is (zo zegt Paulus) ten dele (1 Korinthe 13:9Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;).
Zeg niet, als je iets geleerd hebt van de Heere: ‘ik ken God, ik ken mijn zonden, ik ken mezelf en ik ken Jezus!’
Want wie dat zo stellig zegt, laat zien dat hij of zij God en zichzelf misschien wel helemaal niet kent. Ja, misschien wel als feit, met het verstand, maar niet door ontmoeting, niet door ervaring, niet door bevinding. Ken jij wel iets van het oneindige van, van God, van Zijn heiligheid en rechtvaardigheid, van je eigen schuld, van het kwaad van je zonde, en van de lengte en de breedte en de hoogte en de diepte van de liefde van Christus?
Er is wat betreft kennis een merkwaardige, een heilige paradox in het leven van Gods kinderen: ze zijn rijk in kennis, maar ze zijn en blijven - ook wat betreft kennis - arm in zichzelf. We zeggen: ‘Heere, U bent zo groot en zo heilig. Maar hoe meer ik ken, hoe meer ik van U mag zien, hoe meer ik ervaar: ik ken nog maar zo weinig’. We zeggen: ‘Heere, mijn zonde is zo groot, maar ik leer steeds meer, dat ik er nog niet de helft, nog niet een tiende van ken’. En ‘Uw Zaligmaker, Uw Christus is zo groot. Zijn liefde gaat de kennis te boven (Efeze 3:19)’.
Als kennis groeit, gaat dat langzaam en stil. Dat gaat niet gepaard met heftige emotie. Denk maar aan hoe je leert op school, hoe je leert in het gewone leven. Ook in geestelijke zin gaat het licht langzaam op. Denk maar aan wat Paulus schrijft in Efeze 5:8Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts.: Eertijds was u duisternis, maar nu licht in de Heere. Groei in kennis gaat stapsgewijs. De kennis wordt langzaam, meer en meer verdiept. Leer ik dan als kind van God nieuwe waarheden kennen? Waar ik eerst nog helemaal niets van kende? Nee, dat niet zozeer. Die rijkdom in kennis (zo staat in vers 5) is Gods kinderen gegeven. Ze zijn rijk geworden. Dat is een feit. Maar het is alsof de Heilige Geest stapsgewijs de sluier er steeds verder van oplicht. Hij leert ons steeds meer van, zo schrijft Paulus in het volgende hoofdstuk, van de dingen die ons van God geschonken zijn. (1 Korinthe 2:12Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;) Hij verdiept mijn kennis. Hij leert me meer van God en Christus, Hij leert men meer van de zonde van mijn hart, van de leegheid van de wereld, en van een geheiligde hoop voor de toekomst.
Jongens en meisjes, even een andere vraag: Wat is en waar, een echt, een oprecht geloof? Bestaat dat uit: enthousiasme, liefde en getuigen? Jazeker, maar het komt uit een bron. En als die er niet is, dan is het goed mis. Want de kern van geloof is: kennen! Kennen en vertrouwen. En dat zit veel dieper dan dat uiterlijke enthousiasme. Dat zit in je hart. Het zit veel dieper en het is ook veel vaster. We verachten, pas bekeerden, uw liefde en ijver niet. We herinneren ons dat misschien ook wel uit ons eigen leven. Maar ik zeg u: ‘Zoek opwas in harte-kennis, in bevindelijke kennis, in geloof’. Want die kennis van God, van jezelf en van Christus (door persoonlijke ontmoeting in het Woord, bij de sacramenten, in het gebed), die kennis gaat het leven van een levend kind van God echt, merkbaar veranderen.
Die kennis, en ik zeg dat als toetssteen voor ons eigen hart en leven, doet drie dingen met ons. a. Die maakt ons meer geestelijk. Dat wil zeggen dat we meer tegen de zonde gaan strijden omdat die botst met Gods heiligheid. Die maakt ons meer gericht op de eer van God en de heerlijkheid van God en Christus. b. Die kennis maakt in de tweede plaats onze geestelijke staat meer vast. Verliefdheid kan wisselen. Dat komt en gaat. Maar liefde die voortkomt uit kennis, uit kennis door persoonlijke ontmoeting, die liefde is vaster, stabieler, constanter. c. En die kennis van God, van onszelf en van Christus maakt ons in de derde plaats ootmoedig. Wie een helderder zicht krijgt op Wie God is, op wie hijzelf is, op wie Christus wil zijn, die wordt zonder twijfel nederig en klein.
Er is een kennis (daar schrijft Paulus later over in 1 Korinthe 8:1Aangaande nu de dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.) die opgeblazen maakt. Die kennis maakt dat mensen gaan blazen en puffen van betweterigheid: ‘Ik ken alles al. Ik ben er helemaal uit. Ik ken God, ik weet dat mijn zonden vergeven zijn, en ik weet alles beter dan iedereen’. Maar de echte kennis vernedert en maakt klein. Paulus, de heilige bij uitstek, kent zichzelf (jaren na zijn eerste bekering, na veel opwas, na veel groei in genade en kennis) als de grootste van de zondaars en de minste van al de heiligen. Hoe groot bent U... Hoe zondig blijf ik…
Tot slot. De bekende puriteinse prediker Thomas Manton schrijft ergens: Wie in de binnenkamer zou luisteren naar de verborgen belijdenissen van de heiligen (daar begonnen we mee, met ‘de heiligen van de gemeente Korinthe) Wie in de binnenkamer zou luisteren naar de verborgen belijdenissen van de heiligen, die zou denken dat ze de slechtste mensen van de hele wereld zijn. Getuigen van God, met je mond, zonder dit verborgen belijden van eigen slechtheid (omdat je iets van jezelf hebt leren kennen in je hart), is op zijn best genomen een teken van grote geestelijke scheefgroei. Gods kinderen zijn rijk in rede (in woorden) en in kennis: in bevindelijke kennis van God, van Christus en van zichzelf. En dus roemen we steeds meer in God en Christus, en buigen we in het verborgen steeds dieper voor Hem.
Totdat we uiteindelijk deze wereld hierbeneden verlaten met een tweestemmig lied op onze lippen. Eerste toon is hoger dan ooit tevoren: ‘Ik roem in God! Het is door U, door U alleen!’ En de andere toon is lager dan ooit tevoren: ‘O God, wees mij zondaar genadig!’
Amen.
Slotzang Psalm 51:1:
Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed; Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden; Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden: Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet. Ai, was mij wel van ongerechtigheid; Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden; Zie mijn berouw, hoor, hoe een boeteling pleit, En reinig mij van al mijn vuile zonden.
Andere preken over 1 Korinthe