13 september 2020
Lukas 16:1: En Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht.
INLEIDING
In Lukas 16 vertelt de Heere Jezus aan Zijn discipelen de gelijkenis van een rentmeester die, wegens verkwisting van het goed van zijn heer, ter verantwoording geroepen wordt met de woorden: Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn. Deze leespreek wijst de lezer op zijn eigen rentmeesterschap over alles wat hem van God is toevertrouwd, en roept op om, gedreven door Christus' voorbeeld, trouw en mededeelzaam te zijn in het gebruik van tijd, gaven en goederen.
De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester
LUKAS 16:1-13
1 En Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht.
2 En hij riep hem en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.
3 En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij.
4 Ik weet wat ik doen zal, opdat wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen.
5 En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heren, en zeide tot den eersten: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig?
6 En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastelijk vijftig.
7 Daarna zeide hij tot een ander: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift en schrijf tachtig.
8 En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht.
9 En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.
10 Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig.
11 Zo gij dan in den onrechtvaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen?
12 En zo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven?
13 Geen huisknecht kan twee heren dienen; want óf hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, óf hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt God niet dienen en den Mammon.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Lukas 16:1
THEMA
De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over de onrechtvaardige rentmeester uit Lukas 16. Het is een gelijkenis, een fictief verhaal dat Jezus gebruikt om een boodschap over te brengen. Vandaar dat er in de preek twee aandachtspunten zijn. We letten in de eerste plaats op het beeld van de gelijkenis. Dat ziet u in vers 1 tot en met 8. En daarna letten we op de betekenis van het beeld. U ziet dat in vers 9, en het wordt verder uitgebreid in vers 10 tot en met 13.
Het thema van de preek van vanmorgen is: De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester Er zijn twee aandachtspunten: 1. Het beeld van de gelijkenis 2. De betekenis van de gelijkenis Als eerste dus:
We lezen in vers 1 van Lukas 16: En Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht. Er is een rijke man, die veel bezittingen heeft: wijngaarden, olijfgaarden en akkers. En die rijke man heeft de zorg, de verantwoordelijkheid voor het beheer van alles gegeven aan een rentmeester. Wij zouden zeggen: aan een manager. Aan een manager die hij blindelings vertrouwt. Hij regelt al zijn zaken: de contacten en de contracten met de huurders, met de pachters, maar ook de inkomsten en de uitgaven, de administratie, kortom alles.
En zo nu en dan legt hij verantwoording af aan zijn heer over de stand van zaken. Misschien een keer per jaar, want ja, deze man is absoluut voor 100% betrouwbaar. Trouwens, hij is wel verantwoordelijk voor alles, maar alles is en blijft natuurlijk het eigendom van zijn heer. Op dezelfde manier was Eliëzer de huisbezorger van Abraham, en Jozef de huisbezorger van Potifar in Egypte. Deze rentmeester, deze manager is een kundig man, echt een vertrouweling.
Maar, zo staat er: deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht. Er zijn serieuze, ernstige klachten. Niet dat hij dingen steelt of zaken achteroverdrukt, maar hij brengt zijn goederen door. Net als de verloren zoon in de gelijkenis hiervoor. Hij draait het geld en het bezit van zijn baas erdoorheen, verkwist het en leeft er lekker van, en ondertussen perst hij de huurders en de pachters af. En zijn administratie is ongetwijfeld ook een rommeltje.
En, zo lezen in vers 2: hij riep hem, en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want u zult niet meer kunnen rentmeester zijn. Hij wordt op het matje geroepen. En de klachten zijn zo geloofwaardig en zo ernstig dat hij op staande voet ontslag krijgt. Hij kan geen rentmeester meer zijn. Geef rekening van uw rentmeesterschap, dat wil zeggen: maak de eindrekening op, sluit de rekening af en draag het bewind over aan iemand anders. Het valt op dat hij niet protesteert. Hij weet blijkbaar van zichzelf dat hij goed fout zit.
En, vers 3: de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij. Je voelt de paniek bij de man toeslaan. Mijn baan kwijt, maar ik heb de laatste jaren ook niet echt vrienden gemaakt in de plaats waar ik woon. Nog een paar dagen (nog even mijn zaken afronden) en dan ben ik dakloos en werkloos. Graven kan ik niet. Met deze kantoorhandjes kan ik geen zwaar werk doen. En bedelen? Daar ben ik als gewezen rentmeester veel te trots voor. Daar schaam ik me voor. Niet voor mijn wanbeleid…
Maar, ineens: hij heeft een plan. Geniaal! Kijk maar in vers 4: Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen. Als ik nog snel probeer de relatie met de huurders en de pachters grondig te herstellen en vrienden te maken, dan zullen ze mij straks misschien wel een helpende hand bieden.
Ik lees verder in vers 5,6 en 7: Hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren (hij roept ze allemaal tegelijk, maar hij spreekt ze één voor één), en zeide tot de eerste: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig? En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift (hier, pak het contract), en nederzittende, schrijf haastelijk (want niemand moet het zien!) vijftig. Daarna zeide hij tot een andere: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf tachtig. Die mensen zijn natuurlijk blij. En hij zelf is voorlopig uit de brand. Na zijn ontslag zullen ze zeker zeggen: ‘Ach…, hij? Hij was uiteindelijk toch zo beroerd nog niet…’ Die… eersteklas fraudeur. Vindt u niet?
En dus verbaast het, als we lezen in vers 8: En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had. De toevoeging is wel opvallend. Hij prees de onrechtvaardige rentmeester. Je voelt de afkeuring. Wat hij deed, was echt onrechtvaardig.
Maar, en dan komen we bij de kern van de gelijkenis: zijn voorzichtigheid, zijn wijsheid was te prijzen.
Het is goed om hier even een pas op de plaats te maken, zodat er geen misverstanden ontstaat. Een gelijkenis is een verhaal met een boodschap, met een spits. Dat is de les, de toepassing van de gelijkenis. En het overige daaromheen is schildering van wat er gebeurt. Zonder dat je dat allemaal direct moet nadoen. Deze gelijkenis gaat in de kern eigenlijk ook niet over eerlijk zijn. En het is ook zeker geen les in bedrijfsfraude. Jezus geeft ook geen compliment voor dit deel van zijn corrupte gedrag. De Bijbel leert ons trouw te zijn in ons werk. Denk maar aan wat staat in het Spreukenboek: Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen (Spreuken 28: 20). Maar, daar gaat het hier niet om. Deze man is maar een voorbeeld. Zoals op een andere plaats een slang, ook geen fijn dier, ook een voorbeeld is van voorzichtigheid
Jezus Zelf zegt waar het in deze gelijkenis echt om gaat: zijn heer prees hem, omdat hij voorzichtig gedaan had. Hij heeft voorzichtig, hij heeft wijs gedaan, met zich voor te bereiden op zijn toekomst. Hij bleef niet lui afwachten, maar trof voorzorgsmaatregelen voor de komende tijd.
Want, zo lezen we in vers 8b: de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht. U voelt, hier begint de betekenis, de toepassing van deze gelijkenis. En dus gaan we verder met punt 2:
Het is een gelijkenis, een verhaal dat subtiel, maar helder overeenkomsten wil aanduiden tussen de personages van het verhaal en het gehoor van Jezus, in dit geval Zijn discipelen. Waardoor je uiteindelijk kan zeggen: zoals die man deed, zo moeten ook jullie, puntje, puntje, puntje... Dus is het voor het goede begrip van deze gelijkenis goed, om ook nog even die overeenkomsten, die parallellen te benoemen, voordat we bij de werkelijke betekenis uitkomen.
Het gaat om een rentmeester, om iemand die het eigendom van zijn heer moet verzorgen. En die dat eigendom ook moet aanwenden en gebruiken tot nut en voordeel van zijn heer. Hij moet de zaak niet verkwisten of misbruiken. Zo zijn ook wij, jongens en meisjes, ouderen, zo zijn ook wij rentmeesters. We hebben heel veel van de Heere gekregen. Maar niet om onze eigen zin daarmee te doen. Niet voor ons eigen plezier. Maar om het te gebruiken voor Gods eer. Wat we ook hebben, het is van God (Gods eigendom) en het is bedoeld voor God.
Wat we allemaal in beheer gekregen hebben? Onze ziel, bedoeld om God te dienen en lief te hebben. Onze lichamen. Ons hoofd waarmee we denken, onze tong waarmee we praten, onze handen waarmee we werken. Onze kracht, onze gezondheid, ons verstand. Allemaal bedoeld om God daarmee te dienen en groot te maken. Maar door de zonde is het allemaal anders geworden. Wij zijn van God weggegaan. We zijn als Zijn rentmeesters weggegaan bij onze Heere. En nu gebruiken wij Zijn bezit (hoe corrupt, hoe oneerlijk!) voor onszelf en ons eigen plezier.
Wat we allemaal in beheer gekregen hebben? Deze Bijbel. Ons kerk gaan, ons luisteren naar de preek. Ons ambt. Onze tijd, tijd om God te zoeken, tijd om de Bijbel te lezen en te bidden. Onze genadetijd. Tijd, door God in beheer gegeven om te gebruiken voor Hem en Zijn dienst. Maar de praktijk is anders. We gebruiken het voor onszelf, of we gebruiken het helemaal niet.
Wat we allemaal in beheer gekregen hebben? Misschien bent u door de Heere wel begiftigd met Zijn genade, met vergeving en verzoening van uw zonde en schuld. Om? Waarom? Om dat nieuwe leven te gebruiken voor God. Om Hem te dienen, en anderen lief te hebben, te dienen en jaloers te maken op Gods goede dienst. Maar hoe is de praktijk? Van dat liefhebben van God boven alles, en dat liefhebben van onze naaste als onszelf? Bijvoorbeeld als we kijken naar…?
Want wat hebben we nog meer in beheer gekregen? Onze bezittingen, ons geld, ons vermogen. Daar valt hier in deze gelijkenis de nadruk op. Maar gebruiken we het wel goed? Zoals de Heere het wil, zoals de Eigenaar het bedoeld heeft? Het is zeker niet allemaal gegeven om er zelf alleen maar van te genieten en anderen aan hun lot over te laten. Het is gegeven, geleend, om er goed mee te doen. Om er anderen mee te dienen en de bouw van Gods Koninkrijk ermee te bevorderen.
Rentmeesters zijn we, beheerders dus van heel veel dingen, die Gods eigendom zijn. We hebben ze in bruikleen gekregen. Om er iets mee te doen. Totdat klinken zal: Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want u zult niet meer kunnen rentmeester zijn. Geef Mijn eigendom terug. Uw ziel. Uw lichaam dat sterven gaat. Uw krachten, uw talenten. Wat hebt u eigenlijk gedaan met Mijn Woord, met de Bijbel? Met de kerkdiensten, met de catechisatie? Met uw ambt? Met de u gegeven genade? Met uw geleende geld en bezit? Met uw genadetijd? Want de tijd van de afrekening is gekomen. De boeken worden opgemaakt.
Wanneer? Op het moment dat u, dat jij, dat ik sterven moet. Denkt u daar weleens aan? Jullie, jongens en meisjes?
Paulus zegt in Romeinen 14: zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven (14:12). Ja zelfs, zegt de Heere Jezus: van iedere gesproken woord (Mattheus 12: 36). Bent u klaar voor die eindafrekening? Gaat u die alleen tegemoet? Wilt u als onrechtvaardige, als slechte en corrupte rentmeester alleen voor God verschijnen?
Laat ik u nog een andere Rentmeester voorstellen, voordat we zo meteen gaan zingen. Toen de Zoon van de Heer zag, dat de rentmeesters het goed van Zijn Vader misbruikten, zei Hij: Vader, laat Mij Uw Rentmeester zijn. Ik kom. Hij verliet Zijn hoge plaats in de hemel en daalde neer naar deze aarde. Jezus Christus. Om te doen wat de Vader altijd had gewild, maar wat wij nooit gedaan hebben. Hij gebruikte Zijn ziel en lichaam, Zijn woorden en daden, Zijn wijsheid en inzicht, Zijn bezit en armoede, Zijn liefde en zorg, letterlijk Zijn alles… voor Zijn Vader. En daarbij nam Hij de schuld op Zich van al die wetteloze, aardse rentmeesters, die Hij wilde vrijkopen van hun schuld en van het oordeel bij hun aanstaande afrekening.
Nooit heeft iemand zo volmaakt de wil van God gedaan, als Hij. Nooit heeft iemand zo diep geleden, in Gethsémané en aan het kruis, als Hij. En dat niet voor Zichzelf, maar voor de eer van Zijn Vader voor Wie Hij Rentmeester was, en voor de zaligheid van dit soort corrupte en verloren mensen.
Beste vrienden, de tijd van de afrekening komt. Eerdaags zal klinken: Geef rekenschap van uw rentmeesterschap. Als u kijkt naar alles wat u gedaan hebt, en als de Heere met Zijn Heilige Geest daar licht over laat schijnen, dan moet u wel vrezen, dan moet u wel bang worden. ‘Niets heb ik gedaan, van wat ik moest doen.’ Maar nu wijst de Heere u vanmorgen opnieuw de weg. In vers 8, dat moeilijke vers, maar als ik het u uitleg, zult u het begrijpen.
Ik lees nog een keer vers 8: En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht. Hij had zich nog net op tijd voorbereid op het moment, dat hij alles kwijt zou raken. Doet u dat ook?
Want de kinderen van deze wereld zijn voorzichtiger… Ze zijn ijverig en druk met zorgen voor wat zij denken dat hun toekomst zal zijn, voor de hun nog resterende tijd op deze aarde. Ze zijn voorzichtiger dan de kinderen van het licht, in hun geslacht… Want hoe druk zijn wij, gemeente, met onze toekomst, met onze ziel op weg naar de eeuwigheid? Hoe druk zijn wij, kinderen van God (kinderen des licht, genadig beschenen door het Licht der wereld, de Heere Jezus Christus), hoe druk zijn wij met onze toekomst, op weg naar de hemel?
Zij gebruiken iedere kans en iedere gelegenheid om hun zaken voor hier te regelen. Maar hoe is dat bij ons? Gebruiken wij de kostbare tijd van ons rentmeesterschap om de Heere te zoeken, om te bidden, om Bijbel te lezen? Om te vluchten naar de grote en plaatsvervangende Rentmeester, de Heere Jezus Christus? Om redding en zaligheid bij Hem te zoeken? Om te zoeken de dingen die boven zijn? Bedenk, lieve vrienden, waar u mee bezig bent. Want uw tijd vliegt voorbij. En het einde van uw rentmeesterschap is in zicht. Het zal u onherroepelijk afgenomen worden. En dan? Als u dan nu al weet dat straks uw rekening van begin tot eind in het rood zal staan, zou u dan nu niet iemand zoeken, die voor u de rekening wil vereffenen? Die uw schuld wil betalen en uw kwaad en corruptie wil verzoenen? Zoek toch redding en behoud bij Jezus, voordat het te laat is.
Hij kan en wil de ballast van uw schuld, van uw zonden en wangedrag, overnemen op Zijn rekening. Neem dan toch een voorbeeld aan de wereldse mensen. En word zo ijverig als zij zijn, als het gaat om uw ziel. Zij nemen iedere kans te baat om hun schulden, om hun hypotheken afgelost te krijgen. O, neem dan toch iedere gelegenheid te baat om naar Christus te gaan. Hij is bereid om uw schuld over te nemen. Daar hoeft u letterlijk niets voor te doen. Geef Hem slechts uw verloren hart, uw wangedrag, uw corruptie en geestelijke dood. Bereid u voor. Want het einde van uw rentmeesterschap is in zicht.
Laten we voordat we verder gaan eerst samen met elkaar zingen uit Psalm 49:7: Schoon hij zich op deze aarde in wellust baadt, En ieder roemt zijn weelde en overdaad, Hij daalt nochtans, gelijk zijn gans geslacht, Vervreemd van God, in 's afgronds donkere nacht. Gij dan, o mens, hoe waard, hoe groot in eer, Zo gij de wil versmaadt van uwen HEER’, Dan gaat gij, als de beesten, haast verloren; Een wis verderf is u ten lot beschoren.
Gemeente, we gaan verder met punt 2 van de preek, met de betekenis van deze gelijkenis, vanuit vers 9, en de betekenis wordt verder uitgebreid in de verzen 10 tot en met 13. In vers 9 zegt de Heere Jezus: En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen. Dat is een moeilijke tekst. De Mammon is de afgod van het kapitaal, van geld en bezittingen. De Mammon wordt onrechtvaardige noemt, omdat dat geld door heel veel handen gegaan is en niet altijd eerlijk verkregen is. Kortom, dat geld is verontreinigd en vuil geworden van de oneerlijkheid van ons, mensen.
Maakt voor uzelf vrienden uit die Mammon. Niet: maak daarmee vrienden. Maar maak vrienden daar uit. Door uit dat bezit te gebruiken om anderen daarmee te helpen. Als rentmeesters, door in de korte tijd dat wij hier op aarde zijn, armen, zieken en mensen in nood te helpen. Omdat zij, als u ontbreken zal, als u uw eigen goederen verliest, u straks in de eeuwige tabernakelen, in de hemel zullen ontvangen.
De kinderen van de wereld maken vrienden in hun geslacht, in hun groep, in hun leefwereld. Maak zo ook vrienden in uw leefwereld, in uw groep, onder de huisgenoten des geloofs, als kinderen des licht. Door met wat u gekregen hebt anderen te helpen. Kleed de naakten, geef de hongerigen eten. Ondersteun mensen in nood en zorg, in het bijzonder weduwen en wezen. Dan verdwijnt er wel van alles uit uw tijdelijke schat (maar u bent er toch niet zelf de eigenaar van, het is Gods bezit en God wil dat u het zo gebruikt), dan verdwijnt wel van alles uit uw tijdelijke schat, maar u krijgt er een andere schat voor terug: een kring van liefhebbende vrienden. Zo maken we, zegt met Matthew Henry, God en Christus tot onze vrienden, de goede engelen, de heiligen en de armen. Niet dat aardse vrienden u in de hemel zullen brengen. Maar zij zullen u daar wel ontvangen (weduwen die u geholpen hebt, behoeftigen die van uw zorg geleefd hebben), namelijk als getuigen van uw weldadigheid en liefde aan Hem bewezen.
Met andere woorden: hang niet zo aan uw bezit, aan uw geld en vermogen (zo zegt de Heere Jezus vooral tegen Zijn discipelen), want binnenkort wordt het u allemaal afgenomen. Als men misschien vannacht uw ziel van u zal afeisen. Alles wat u hebt, van wie zal het dan zijn? (Lukas 12: 20) Maar wees vanuit dat bezit waarover uw rentmeester gemaakt bent: ruim, overvloedig en gul in goede werken, godsvrucht en barmhartigheid. In een leven gericht op God en tot hulp van uw naaste.
Is dat echt zo belangrijk? Moet je daar over preken? Als je bekeerd bent, dan is dat toch genoeg? Dan heb je (voor jezelf in ieder geval) toch een toegangsbewijs voor de hemel? Nee, dat alleen is niet genoeg! Het is niet los te maken van dit, waar de Heere Jezus over spreekt. Waarbij je dat, wat je van de Heere gekregen hebt, vrijwillig en van harte gebruikt voor Hem en Zijn dienst, en voor je naaste. Want, zo zegt de apostel Jakobus, het geloof zonder vruchten (zonder deze vruchten), is een dood geloof (Jakobus 2:17Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood., zie ook zondag 24, aw. 64)
Matthew Henry zegt: God onthoudt Zijn genade aan geldgierige, wereldsgezinde mensen, meer dan wij weten of vermoeden. God geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde aan de mens, die goed is voor Zijn aangezicht, Spreuken 2:26, dat is, aan een ruimhartig, liefderijk mens. Aan een mens, die trouw is in de onrechtvaardige mammon. Aan die geeft Hij de ware rijkdom. Maar hoe kunnen wij verwachten, dat God ons daarmee zal verrijken, als wij Hem niet dienen met onze wereldlijke bezittingen, waarvan wij slechts de rentmeesters zijn?
Als wij door Gods genade gekocht zijn met de onschatbare prijs van het bloed van Christus, zou het dan echt zo kunnen zijn, dat wij onze geleende bezittingen en gaven niet aan Hem en aan anderen willen besteden? Hoort dat niet bij het doen van Gods geboden uit dankbaarheid? Bij het God (en dus ook Zijn dienst) liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf? Waar die liefde er niet is, daar is geen genade. De boom wordt aan zijn vrucht gekend. Maar waar die genade is, daar is ook genadeloon. Want, zo zegt Matthew Henry: Als wij goed doen met wat we van God gekregen hebben, en het gebruiken voor werk in Gods Koninkrijk of werk van barmhartigheid, dan zullen we er in toekomende wereld de voordelen van oogsten.
Ik lees nog even verder in vers 10, 11 en 12: Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig. Zo gij dan in de onrechtvaardige Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen? En zo gij in eens anders goed (God namelijk de Eigenaar van alles wat u hebt) niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven?
Wie trouw is in het minste... Geld en bezit, dat is het minste. Die is ook trouw in het grote, in geestelijke zaken, in de zaken van het Koninkrijk van God, in geloof, hoop en liefde tot God en de naaste. Maar die niet trouw de Heere dient en anderen helpt, wie niet trouw is in dat minste, die kan ook in het grote niet trouw zijn. Dus de beste test voor de geestelijkheid van een hart zit in het minste. Niet in mooie en grote dingen of verhalen, maar in het doen van het minste. En ieder die Jezus’ woorden hoort en doet, die is voorzichtig en wijs. Maar die Zijn woorden hoort en niet doet, die is dwaas (zie Mattheus 7: 24,26). Wie niet eerlijk omgaat met geld en goed in deze wereld, wie dat niet gebruikt voor God en om anderen te helpen, die kan geen rijkdom in de hemel hebben. De Heere Jezus zegt in Johannes 13: Indien u deze dingen weet, zalig bent u, zo u dezelve doet.
Ware godsdienst en nieuw geestelijk leven enerzijds, en eerlijkheid, trouw en goed rentmeesterschap anderzijds, zijn niet van elkaar los te maken. Niet in het persoonlijke leven, niet op de zaak, en ook niet in de kerk. Geestelijk zijn kan niet zonder geestelijk doen. Zonder trouwe zorg voor weduwen, voor mensen in nood en voor de dienst van de Heere. En zonder oprechtheid daarin, zonder iemand op voorhand af te schrijven vanwege zijn of haar gedrag. Wetend dat we allemaal van onszelf bedriegers en corrupte rentmeesters zijn.
Dat is de ware godsdienst, zegt Jakobus. Niet egoïstisch voor jezelf zorgen. Maar: de zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking (en alle andere mensen die in deze tijd in verdrukking leven), en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld (Jakobus 1:27De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld.). Want (tot slot, vers 13): Geen huisknecht kan twee heren dienen; want of hij zal den ene haten, en de andere liefhebben, of hij zal de ene aanhangen, en de andere verachten; u kunt God niet dienen en de Mammon.
Of je dient je geld en je bezit, de materie, de dingen die je kan zien en waarvan je kan genieten. Of je nu veel hebt of weinig, dat doet er eigenlijk niet toe. Dan is de Mammon je God. Maar realiseer u: uw rentmeesterschap zal van u weggenomen worden. Dan valt uw Mammon, net als Dagon, van zijn sokkel. En hoe zult u dan voor God verschijnen?
Of je dient God. Misschien wel met weinig bezittingen in deze wereld, maar met een schat in de hemel, waar ze noch mot, noch roest verderft en waar de dieven niet kunnen doorgraven of stelen (Mattheüs 6:20Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;). Als corrupte, onrechtvaardige rentmeesters over al het van God geleende goed, vrijgekocht van schuld en wanbedrijven door het bloed van de Heere Jezus Christus. Gedrongen om goed te doen aan allen, meest aan de huisgenoten des geloofs (Galaten 6:10Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs.). Waardoor hier op aarde banden vallen, die blijvend aan elkaar verbinden. Waardoor u letterlijk des te hartelijker in de hemel verwelkomd zult worden. Levend met uw gezicht, met uw hoofd omhoog. Want waar uw schat is, daar is uw hart. Want wij verwachten geen kapitalen van groeiend vermogen, maar wij verwachten in het hiernamaals de stad die fundamenten heeft, waarvan de Kunstenaar en Bouwmeester God Zelf is (Hebreeën 11:10Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.).
Gemeente, wie is uw God? Is het de Mammon? Uw plezier is tijdelijk, uw vreugde is kort. Waarom hebt u tot nu toe (als rentmeester) de aangeboden diensten van uw Heere afgeslagen? Zijn uitnemende zaligheid? De vereffening van de schuld van uw wandaden? Zijn vergeving en genade?
Wie is uw God? Is het God, door Christus Jezus? Weet dan: de tijd is kort. Gebruik deze wereld, als niet misbruikende, want de gedaante van deze wereld gaat voorbij (1 Korinthe 7: 29,31). Zoek de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Word rijk in goede werken. Wees naar het voorbeeld en in de kracht van Christus vrijgevig en bereid met anderen te delen. Leggende, zo zegt Paulus tegen Timotheüs: voor uzelf weg tot een schat: een goed fundament tegen het toekomende, opdat (u) het eeuwige leven verkrijgen (mag) (1 Timotheüs 6:18-19Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam; Leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.). Want wie zo, door Gods genade, in navolging van Christus, de wil van God doet(!), die blijft tot in der eeuwigheid (1 Johannes 2:17En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.).
Amen.
Slotzang Psalm 101:2,6:
'k Zal met verstand den weg betreden der vromen; Wanneer zult Gij, mijn Bondsgod, tot mij komen? Ik zal doen zien in al mijn huisbeleid D' oprechtigheid.
Ik sla op die getrouw in 't land zijn d' ogen; Ik zal in eer hen aan mijn zij' verhogen, En doen hem, die in 't spoor der deugd zal treên, Mijn dienst bekleên.
Andere preken over Lukas
Andere preken voor Gelijkenis