PREEK · VRIJE STOFFEN

Wijze en dwaze maagden - Mattheüs 25

23 maart 2025

Mattheüs 25:1-2: Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen zijn gelijk tien maagden, welke haar lampen namen en gingen uit, den bruidegom tegemoet. En vijf van haar waren wijs, en vijf waren dwaas.

INLEIDING

Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, den bruidegom tegemoet. En vijf van haar waren wijs, en vijf waren dwaas.

THEMA

De gelijkenis van de tien maagden.

KERNPUNTEN

  1. Het beeld van de gelijkenis
  2. De betekenis van deze gelijkenis

MATTHEÜS 25:1-10

1 Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen zijn gelijk tien maagden, welke haar lampen namen en gingen uit, den bruidegom tegemoet.
2 En vijf van haar waren wijs, en vijf waren dwaas.
3 Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich.
4 Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen.
5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig en vielen in slaap.
6 En te middernacht geschiedde een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit, hem tegemoet.
7 Toen stonden al die maagden op en bereidden haar lampen.
8 En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit.
9 Doch de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers en koopt voor uzelven.
10 Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.

VOLLEDIGE TEKST

Wijze en dwaze maagden - Mattheüs 25

ds. J. IJsselstein - Mattheüs 25:1-2

THEMA

De gelijkenis van de tien maagden.

Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over de gelijkenis van de tien maagden, de tien meisjes. Het Schriftgedeelte is u zojuist voorgelezen, Mattheus 25:1-13. Ik lees u samenvattend alleen nog het 13e vers: Zo waakt dan, want u weet de dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal.

Het thema voor de preek is: De gelijkenis van de tien maagden

Er zijn twee aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op het beeld van de gelijkenis zelf, vers 1-9. Dat beeld gaat in vers 10, 11 en 12 langzaam over in de betekenis, die uiteindelijk verwoord wordt in vers 13. Dat is ons tweede aandachtspunt: de betekenis van de gelijkenis. Dus: De gelijkenis van de tien maagden. 1. Het beeld van de gelijkenis 2. De betekenis ervan

Als eerste dus:

1. Het beeld van de gelijkenis

Gemeente, veel gelijkenissen in het Nieuwe Testament gaan over hoe het nu is. Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan… Dan gaat het over nu. Deze gelijkenis is anders. Hij begint in vers 1 met te zeggen: het Koninkrijk der hemelen zal gelijk zijn aan. Dat gaat niet over nu, dat gaat over de toekomst, over straks.

Een verhaal over tien meisjes. Geen kleine bruidsmeisjes met mooie jurkjes. Maar grotere, jong volwassen vriendinnen van de bruid, die op deze dag gaat trouwen. En deze tien meisjes wachten, samen met familie, vrienden en andere bruiloftsgasten op de komst van de bruidegom. Waarschijnlijk in het nieuwe huis van het trouwende stel. Daar wacht de bruid op haar aanstaande man. In het huis dus, waar het feest gehouden zal worden. Want straks wordt in vers 6 gezegd: Ga uit, ga naar buiten!

Ze wachten, ze wachten in spanning op de komst van de bruidegom. Want ja, dan kan het feest van de bruiloft natuurlijk pas echt beginnen. Straks, als het schemerig wordt, als het

donker wordt, dan zullen ze hem tegemoet gaan met prachtige lampen of fakkels. Dan zullen ze met een zingende en dansende stoet de bruidegom in huis brengen. Maar, dat is straks. Want hij is er nog niet… Het duurt trouwens wel lang. Eigenlijk hadden ze gehoopt dat het feest van de bruiloft allang begonnen zou zijn. Het duurt maar en het duurt maar… Ja, en wie zou ze het uiteindelijk kwalijk nemen, dat zij na al het voorbereiden, na alles in orde brengen, na alles klaarmaken en natuurlijk ook na heel veel gepraat, terwijl het maar duurt en duurt, uiteindelijk een beetje slaperig worden? Het is ook al zo laat. Uiteindelijk vallen ze allemaal in slaap.

Totdat (vers 6), het is al midden in de nacht, ineens een mannenstem roept: ‘De bruidegom! Hij komt eraan! Wakker worden, opstaan! Naar buiten meisjes, de bruidegom tegemoet!’ Ze schrikken wakker. Snel pakken ze hun lampen (vers 7), om die klaar te maken. Klein vlammetje erbij. Geweldig, prachtig heldere licht… Bij vijf van de tien…

‘Ja, gelukkig, ik heb ook licht… Hoewel, ah nee (vers 8), het vlammetje flikkert even, wordt kleiner, en… ah nee, de vlam gaat uit! Mijn lamp gaat uit!’ O ja, want we zijn iets vergeten! O, wat verschrikkelijk dom! We zijn olie vergeten! Ja, en een lamp wil zonder olie echt niet branden. Ze hebben nota bene de halve nacht geslapen voordat ze nu uiteindelijk pas merken, die dwaze meisjes, dat zij het allerbelangrijkste vergeten zijn.

Je ziet ze opzij kijken. ‘Zeg, meiden, zullen we delen? Mogen we misschien de helft van jullie olie?’ Ze kijken elkaar aan (vers 8), maar dan… ‘Nee, want dan hebben wij straks ook misschien niet genoeg.’ Dat is geen onaardigheid, geen onvriendelijkheid, maar de wijze meisjes weten: deze olie hebben ze echt nodig voor de bruidegom. Om met hem mee te lopen straks in de stoet. Als ze nu hun olie zouden delen, dan hebben ze straks allemaal te kort. Dan gaan straks ineens al die tien lampen uit. Omdat iedereen te weinig heeft. Dat zou nog eens echt een belediging zijn voor de bruidegom. ‘Joh, o, wat erg, ga snel naar de winkel (vers 9), misschien is er nog een open en klop anders die man van de winkel maar uit zijn bed. Ga, snel! En kom zo snel mogelijk terug!’

En terwijl zij op pad gaan, komt de bruidegom (vers 10). Iedereen is blij, iedereen zingt en danst van blijdschap. Hij is er! Eindelijk. Het feest van de bruiloft kan beginnen. Iedereen gaat naar binnen. Ook de vijf wijze meisjes.

En dan (vers 10)… Als je om je heen kijkt… (je ziet de mensen met ingehouden adem luisteren naar de gelijkenis van de Heere Jezus). En dan… je ziet ze schrikken! Dan zegt de Heere Jezus ineens: En de deur werd gesloten! Nooit zou iemand in Israël dat doen. Zo gaat het niet bij een bruiloft. De deur gaat niet dicht. Wat een schrik.

Ineens verschuift het beeld van de bruiloft nu (waar de deur altijd open blijft), naar de bruiloft die komt. Ineens verschuift het beeld van de langverwachte komst van de bruidegom, naar het langverwachte moment van de komst van de Zoon des Mensen. Ineens verschuift het beeld van de deur van de feestzaal, naar de deur van de hemel. Iedereen is binnen, en de deur gaat dicht…!

Daarna (vers 11 en 12) kwamen ook de andere maagden, de andere meisjes, zeggende: Heer, Heer, doe ons open! En hij, antwoordende zei (je hoort geen enkele vraag of opmerking, alleen dit): Voorwaar ik zeg u, ik ken u niet. Het is te laat. De deur zit op slot. Zo waakt dan want u weet de dag niet, noch de ure, in welke de Zoon des mensen komen zal (vers 13).

Tien meisjes. Als je goed kijkt en goed luistert, lijken die tien meisjes heel erg op elkaar. Net als wij, kerkmensen, leden van de gereformeerde gemeente of van een ander kerkgenootschap. a. Ze hebben alle tien een bijzondere uitnodiging gehad voor de bruiloft. Nee, die kreeg je niet zomaar, die kreeg niet iedereen. Maar zij wel. Wij zijn allemaal op een bijzondere manier genodigd tot de bruiloft. Nee, je moet je niet gaan zeggen: dat is alleen maar uitwendig, dat is niet genoeg. Minacht toch niet dat bijzondere voorrecht. Dat je gedoopt bent, dat de Naam van de Heere God over je leven is uitgesproken toen hij nog heel klein was, hier, voorin de kerk. Dat je opgevoed bent bij de Bijbel. Dat je iedere zondag naar de kerk gaat, iedere week in het seizoen naar de catechisatie. We zijn allemaal genodigd tot de bruiloft. b. Die tien meisjes hebben ook allemaal positief gereageerd op die uitnodiging. Ze hebben die uitnodiging niet naast zich neergelegd. Nee, ze zijn gekomen. U komt allemaal naar de kerk, jullie, jongelui, trouw naar de catechisatie. Je hebt belijdenis gedaan. c. Ze hebben, die tien meisjes, zelfs allemaal een zekere mate van liefde tot de bruidegom. Ze zijn niet onverschillig. Ze zijn heel betrokken. Ze zijn echt van plan om de bruidegom te ontmoeten. d. En ze hebben ook allemaal lampen. Ze kijken echt uit naar het bruiloftsfeest. Straks komt de bruidegom! e. En ze geloven ook echt dat hij komt. f. En, wat ze ook allemaal doen: ze vallen allemaal in slaap. Vandaar dat voor hen allemaal straks de schrik groot is. Als midden in de nacht de roep klinkt: De bruidegom, ga uit hem tegemoet! Ze vielen allemaal in slaap. Het is niet de kern van de gelijkenis, maar heeft ons natuurlijk wel wat te zeggen!

Wat lijken ze veel op elkaar, die tien maagden. Eigenlijk is er de hele dag geen verschil tussen hen te zien. De domme meisjes hebben er niet aan gedacht dat ze olie vergeten waren. En de wijze meisjes hebben dat ook niet gezien en hebben hen ook niet gewaarschuwd. Het verschil bleek pas op het laatst. Daarvoor was het verborgen.

Wij denken wel vaak dat we het verschil weten tussen wijs en dwaas, maar hier staat het anders. Maar wat is dan het verschil tussen die ene groep van vijf meisjes en die andere groep van vijf? Er is maar één verschil. De wijze meisjes hebben zich goed voorbereid, maar de vijf dwazen hebben zich niet voorbereid. De wijze meisjes hebben een voorraad van olie meegenomen. En of u daarbij nu denkt aan het werk van de Heilige Geest of aan het werk van de Heere Jezus Christus, ze zijn (en daar gaat het om!) voorbereid op de ontmoeting met de bruidegom. Ook al vallen ze op het laatst allemaal in slaap. Ze zijn voorbereid! Misschien vonden de andere meisjes hen eerder op de dag wel een beetje overdreven. Wie neemt u olie mee in een reservekruikje. Moet dat nou?

Voorbereid voor de ontmoeting met God. Door? Wij zeggen door een nieuw hart, door een nieuw leven. Door een innerlijke verandering van hoofd (van denken en voelen) en van hart. Door een innerlijke verandering van de hele mens. Door nieuwe geboorte, door wedergeboorte. Hoe gaat dat? Dat begrijpen wij mensen niet. Daar gaat het hier in deze gelijkenis trouwens ook niet om. Wij begrijpen de weg van de Geest van God in het leven van een mens niet. We horen het geluid van de wind, zien de bomen bewegen, maar begrijpen doen we de wind niet. Net zomin als dat wij de beenderen, de beentjes van een ongeboren kindje in de buik van zijn moeder begrijpen. Dat is voor ons verborgen. Verborgen Godswerk in het leven van een mens, als voorbereiding op de grote eeuwigheid… Zoals onze belijdenis zegt: Goddelijk, krachtig. Het verstand wordt verlicht. Woord en Geest dringen door tot in het binnenste van ons bestaan. De Geest opent onze hart, overtuigt ons, buigt ons, breekt ons. Wekt leven in onze dood. Het is als een nieuwe schepping. En het brengt uiteindelijk ook tot gehoorzaamheid, tot willen wat de Heere wil, het brengt tot vruchten van geloof en bekering.

Voorbereid… Door? Nee, niet door eigen werken, niet door eigen levensverbetering. Maar door gebracht te zijn door God uit de duisternis van het leven zonder God, tot het licht, tot het leven met God. Door gewassen te zijn in het bloed van het Lam. Door verzoening met God.

Die voorbereiding en het ontbreken daarvan, dat blijkt uiteindelijk in de ontknoping van deze gelijkenis. We gaan het zo meteen zien, maar wij gaan samen eerst zingen uit Psalm 9:8:

Hij zelf zal aan het wereldrond Het recht doen horen uit Zijn mond; De volken voor Zijn vierschaar stellen, En daar 't rechtmatig vonnis vellen.

Gemeente, ons tweede aandachtspunt:

2. De betekenis van deze gelijkenis

We lezen samen nog even terug in vers 10-13: Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open ! En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u: Ik ken u niet. Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal. Wat wil deze gelijkenis ons nu leren? Langzaam is het beeld verschoven van deze bruiloft nu, naar de komst van de Zoon des Mensen straks. Voorafgegaan, zeker, door tekenen: oorlogen, geruchten van oorlogen, honger, epidemieën, aardbevingen en vervolging (Mattheus 24), maar dan, toch plotseling en onverwachts! Plotseling, in een ogenblik. Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 15, in het knipperen van een oog. Plotseling, zal het grote geluid van de bazuin gehoord worden, en de roep van de engel, van de archangel (terwijl de wolken weggerold worden als een dunne doek, en de Zoon des mensen verschijnen zal op de wolken des hemels): Ziet, de bruidegom komt!

En…, de deur gaat dicht! Dat, dat laatste, is de schok van deze gelijkenis. Dan komt er een onomkeerbaar punt, een onherroepelijke scheiding. En de vraag is: Bent u dan bereid? Bent u dan voorbereid? Zijn jullie, jongens en meisjes, dan voorbereid?

Gemeente, we trekken vijf punten van lering en waarschuwing uit deze gelijkenis. a. We zien als eerste dat: De gemeente hier op aarde een gemengd gezelschap is. Een gemengd gezelschap, waarin het verschil tussen wijzen en dwazen vooralsnog verborgen is. Iedereen van u leest in zijn of haar Bijbel, u komt allemaal naar de kerk en u zingt allemaal mee. Maar sommigen van u zijn dwaas. Sommigen van u hebben wel een uiterlijk, een gedaante van godzaligheid, het lijkt erop, maar, zegt de apostel: u hebt de kracht ervan verloochend. Ja, ik weet het: u zult zeggen: Heere, wij hebben in uw Naam wonderen gedaan, krachten gedaan, ja, zelfs duivels uitgeworpen. Doe ons toch open! Ja, ik weet het. Dat zult u zeggen. Maar Hij zal tegen u zeggen: Ik ken u niet!

Wat een trieste gedachte, dat na al ons spreken, bidden, huisbezoek, na alle catechisaties, alle ziekenbezoek, alle pastorale bezoeken, er in die dag nog velen van u zullen zijn, die nog steeds dood zijn in zonden en misdaden. Wat een tragedie! En…, de deur gaat dicht! Lieve vrienden, nu is het de welaangename tijd, nu is het de dag der zaligheid. De Heere staat nu aan uw deur en Hij klopt. O, doe Hem toch open en weiger Hem niet langer. Nu Hij klopt aan uw deur, eer dat u zult staan aan Zijn deur, terwijl die nooit meer open zal gaan. Ziel, doorzie toch uw lot, hoe zult u rechtvaardig verschijnen voor God? De gemeente op aarde is een gemengd gezelschap. Sommigen van u zijn dwaas, maar sommigen van u zijn wijs.

Sommigen van u zijn wijs. Zij kennen de bruidegom. Daarom zoeken ze Hem, daarom verlangen ze naar Hem, daarom zien ze naar Hem uit, daarom kunnen ze zonder Hem niet leven. En dat bindt hen in het verborgen, hier op aarde, aan Gods genadetroon. Zoals we samen hebben gezongen: Gods verborgen omgang vinden, zielen waar Zijn vrees in woont. Ze verwachten Hem, soms met groot verlangen, als ze zingen: Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen, mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God. Als je aan die mensen vraagt: Kent u de Heere? Zeker, dan zijn er die met meer vrijmoedigheid durven zeggen, door Gods genade, dat ze Hem mogen kennen, en dat Christus hun leven geworden is. Maar bij anderen ligt dat niet zo gemakkelijk. Die zeggen misschien: Ja, dat is mijn leven, mijn verlangen, mijn zoeken, mijn uitzien. Maar ik ben nog zo vaak in twijfel. Hoewel ik soms in stilte op mijn knieën zeg: Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.

Maar, weet u waar het eigenlijk veel meer om gaat? De Bruidegom kent hen. Hij kent die wijze maagden. Hij kent degenen die Hem zoeken. Hij hoort hun geroep. Hij weet van hun zuchten. Hij kent degenen die niet meer op zichzelf vertrouwen, die dat hebben opgegeven en die de zaligheid buiten zichzelf in Hem, in Christus zoeken. Ik moet denken aan wat Nahum zegt: De Heere is goed, Hij is ter sterkte in de dag der benauwdheid, en (dan komt het) Hij kent hen, die op Hem betrouwen (Nahum 1:7). Hij kent hen. Hij kent hen al van eeuwigheid af. Hij heeft hen liefgehad met een eeuwige liefde. Hij heeft hen van eeuwigheid verkoren. En hier in de tijd nemen ze de toevlucht onder de schaduw van Zijn vleugels. God is voor hen, bedrukten, in de dag der benauwdheid een hoog vertrek, een veilige vluchtplaats.

Dan, in die grote dag, zal de Heere tegen anderen zeggen: Ik ken u niet. Maar tegen hen zal Hij zeggen: Ik ken u wel. Want Ik heb u vaak ontmoet, toen u Mij zocht. Toen uw zuchten doordrongen tot het hemelhof. Hoewel Ik u niet altijd direct verhoorde. Maar Ik zag wel, Ik hoorde u wel, uw stem, uw smekingen en klagen. Ik heb u vaak ontmoet, als u in stilte uw knieën boog, vol van heimwee om Mij te mogen kennen en meer te mogen kennen. Want, zegt Paulus tegen Timotheüs: Het vaste fondament van God staat: De Heere kent degenen die de Zijnen zijn (2 Timotheüs 2:19). Zegt u het maar: Bij wie van de twee hoort u? Kent Hij u? Kent u Hem? Of is Hij voor u een vreemde en bent voor Hem een vreemde?

2. Een tweede les en waarschuwing vanuit deze gelijkenis: De wederkomst van Christus zal veel mensen tot verbazing brengen. We lezen in Lukas 13: 24 en 25: Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen, namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt. Die dwaas is, zal zeggen: Ik verwacht dat ik binnen zal zijn. Maar dan… Niet waar! Die wijs is, zal misschien denken: Ik ben waard dat ik buiten zal moeten blijven staan.

Maar dan… Niet waar! Nu hoor ik ineens tot mijn verbazing zeggen: Kom, gezegende van Mijn Vader. Beërft het koninkrijk dat u bereid is van de grondlegging der wereld. Wat een verbazing op de dag van het hemelse gericht!

Op die dag gaat misschien wel gebeuren, wat u nooit verwacht hebt. Altijd netjes geweest, altijd ijverig in uw Bijbel gelezen, altijd als er iets te doen was, dan was u in de kerk, altijd meegedaan, meegezongen, meegebeden. Soms raakte het zelfs uw hart. U pinkte wel eens een traantje weg uit uw ogen. Maar, beste vrienden, de vraag is: Hebt u olie? Bent u bereid voor deze stap? Bent u bereid voor de grote Godsontmoeting? Kent u de Zaligmaker? Kent u Christus? Ik zal het anders vragen: Kent Hij u? Met al het andere val je om. Alles van jezelf zal je kwijtraken. Het is ook allemaal tekort. Alleen het bloed van Christus zal uw ziel kunnen redden van het verderf.

O, hier roep ik met Amos: Wee u, gerusten te Sion. En ik waarschuw vooral u, die genoemd wordt: de zekeren op de berg van Samaria (Amos 6:1)! U, die nooit het gevaar van uw verloren toestand het gezien. U, die nooit uw levensgevaar buiten Christus hebt gezien. Opgevoed, misschien door gelovige ouders, altijd netjes geweest, altijd gedaan wat er van u verwacht werd. Maar, o, hoe zal ik u overtuigen van uw dwaasheid, van uw gevaar? En wie zal u brengen tot de wijsheid van de nodige voorbereiding voor de komende dag van de eeuwigheid? Want uw hart is zo hard geworden! U hebt zo vaak het water van het evangelie horen klateren, dat u er doof voor geworden bent. Het licht van de liefde van Christus heeft zo vaak op uw ogen geschenen, dat u blinder bent geworden dan ooit tevoren. Wees toch gewaarschuwd! Want als de deur gesloten wordt, zult u buiten staan. O, sta toch niet langer de Geest tegen. Ontwaak uit uw dodelijke rust.

Veel mensen zullen met schrik buiten staan. Anderen worden met schrik binnen gelaten. Ja, want in deze gelijkenis is niet alleen dreiging, maar ook troost! De wijze maagden gaan bruiloftszaal binnen. Hier op aarde leerde Christus Zich aan hen kennen. Toen wij Hem zochten, toen we naar Hem verlangden, naar Hem uitzagen en in stilte (als Hanna) de tranen van ons hart uitgoten voor Zijn aangezicht. Soms zongen we verlangend: Uw goedertierenheid, Heere, is beter dan dit leven. Hier op aarde leerde Christus Zich aan ons kennen, in de korte ontmoetingen hier in de kerk, onder de dienst van het Woord, bij de bediening van het Heilig Avondmaal en bij de bediening van de Heilige Doop. Als we door geloof op Hem mochten zien. En we stilletjes in ons hart, of met meer vrijmoedigheid met onze mond zeiden: U bent mijn liefste. U bent veel schoner dan wie dan ook van de mensenkinderen. Hier op aarde leerde Christus Zich aan ons kennen, in de tijd dat we meer en meer met Hem mochten leren leven, en meer en meer mochten uitzien en verlangen naar de dag van de bruiloft.

En dan, straks… Plotseling! Houd moed! Dan komen we thuis. Dan worden we thuis gehaald, binnengeleid in het paleis van de koning. Onze blijdschap zal dan onbepaald door het licht dat van Gods aanzicht straalt ten hoogste toppunt stijgen. De dag van de bruiloft komt. We zullen altijd met de Heere wezen.

Op de aarde zijn we de Heere met zwakheid en tranen gevolgd. In de strijd tegen de zonde, de duivel en de wereld, maar vooral toch tegen de zonde van ons eigen hart. Maar dan…, dan is het voorbij. Dan zal Christus met een zachte doek al onze tranen van onze ogen afvegen. Dan wordt de deur gesloten. Dan is de deur voor altijd gesloten voor pijn, verdriet, zonde, verleiding, verzoeking, vrees en twijfel. Dan is het voorbij. Die deur gaat nooit meer open. Des avonds vernacht het geween, ‘s morgens is er gejuich. Die hier bedrukt met tranen zaaien, zullen dan juichen als zijn vruchten maaien. En wij zeggen met Job: Wij zullen Hem (Christus) voor ons aanschouwen. Voor ons zien. Moet u zich dat eens indenken. Onze ogen zullen Hem zien, en (zegt Job) niet een vreemde. Want: Hij kent ons, en wij kennen Hem. Onze nieren verlangen zeer in onze schoot. Heel ons bestaan verlangt daarnaar met groot verlangen.

3. Een derde les en waarschuwing vanuit deze gelijkenis. Bedenk, beste vrienden, dat: De voorbereiding voor deze dag niet overdraagbaar is. Deze olie kan je niet met elkaar delen. Ik plaats u een ogenblik in gedachten voor de hemelse rechterstoel. Van de troon zal de vraag klinken: Welke recht hebt u om de hemel binnen te gaan? Ja, Heere, ik kan het moeilijk zeggen, maar mijn moeder was een godvrezende vrouw, en mijn vader was er ook geen vreemdeling van… Maar, zo klinkt het antwoord van de troon, dat zeg Ik niet: Welk recht hebt u om binnen te gaan? Want, zegt Paulus in Galaten 6: U zult uw eigen pak dragen. Indien u wijs bent, u bent wijs voor uzelf. Maar bent u een spotter, bent u een dwaas, dan zult het alleen dragen.

4. De vierde les en waarschuwing: Een laatste gelegenheid om olie te kopen is er dan niet meer. Velen van ons zullen, vrees ik, de waarde van de dienst van de Heere dan pas beseffen. Dan pas, als het te laat is. Mijn grootste zorg is, gemeente, dat de meesten van u zo gerust doorleven. Of ik u nu de liefde van Christus voorhoudt of de schrik van het komende Godsgericht, u gaat rustig naar huis en leeft door. Ik ben blij dat u iedere zondag weer in de kerk bent, ik ben blij dat ik u iedere zondag weer zie. Dan weet ik, dan zie ik dat u nog genadetijd hebt. Maar eerdaags zullen wij staan, of wij aan uw geopende graf, of u aan mijn laatste rustplaats. De tijd dringt. Wanneer toch er toch buigen voor God? Straks is het te laat! Ja, u weet het allemaal wel, maar het zijn allemaal alleen maar termen, dode klanken voor u: wedergeboorte, bekering, geloof, rechtvaardigmaking, heiligmaking, genade, verzoening. U weet het beter dan wie dan ook. Maar u gaat toch door. Totdat… Ja, dan, op die dag zal het als een lichtflits door uw hart doorbreken: Ik had een Zaligmaker nodig. Maar, te laat. De deur is gesloten.

Een laatste gelegenheid is er dan niet meer. Daarom zeg ik u: Zeg niet ‘Later, dan zal ik tot Christus komen.’ Zeg niet: ‘Over een paar jaar, over een paar weken’. Zeg niet: ‘Morgen, want vanavond heb ik iets anders te doen.’ Als u weer een dag uitstelt, bent u weer harder en is het weer moeilijker om berouw te hebben.

Want zo zegt de Heere: In de aangename tijd heb Ik u verhoord, en in de dag der zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet nu is het de dag der zaligheid. Zo gij Zijn liefdevolle stem dan heden hoort, sluit niet opnieuw de deur van uw hart voor Hem.

5. Als laatste, een vijfde les en dringende raad vanuit vers 13: Zo waakt dan, want gij weet de dag niet, noch de ure in dewelke de Zoon des mensen komen zal. Wees klaar, wees wakker, wees bereid. Dat is de boodschap van deze gelijkenis. Zoals we zo vaak tegen elkaar zeggen: ‘Ben je er klaar voor?’ Zo vraag ik u allemaal, in alle ernst: ‘Bent u hier klaar voor?’ Is het werk van uw bekering gedaan? Of niet? Zo niet, maak daar dan grote haast mee! Dan moet u vanavond niet gaan slapen en ook geen andere dingen gaan doen. Dan moet u van nu af aan dag en nacht tot de hemel roepen. God zal u genadig zijn. Hij zal u horen. Maar u moet niet doorgaan, want u weet niet wanneer Hij komt. Vanavond, vannacht, morgenochtend of toch nog iets later...

Jongelui, als je verloofd bent, als je in ondertrouw bent, of hoe je het ook noemt, dan zie je uit naar de dag van je huwelijk. Zo zien wij, die de Heere door Gods genade dienen mogen, met groot verlangen uit naar de dag van de bruiloft. Of bent u ondertussen ook in slaap gevallen…? We zien met verlangen uit naar die dag. Want, dan is de tijd van onze ondertrouw, van onze verloving voorbij. Dan zullen we, zegt de Bijbel, binnengeleid worden in het paleis van de Koning en eeuwig aanzitten aan de tafel van de bruiloft van het Lam. Zalig zijn zij, zegt Johannes, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams. Als je daarbij wilt zijn, als je daar ook wilt zitten, zoek dan de Heere terwijl Hij te vinden is! En dat is nu. Want morgen is het misschien wel te laat.

Amen.

Slotzang 30:3 en 8:

Psalmzingt, Gods gunstgenoten, geeft, Geeft lof den HEER, die eeuwig leeft; Zijn vlekkeloze heiligheid Zij ter gedachtenis verbreid. Een ogenblik moog' ons doen beven; Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.

Gij hebt mijn weeklacht en geschrei Veranderd in een blijden rei; Mijn zak ontbonden, en mij weer Met vreugd omgord; opdat mijn eer Niet zwijg'. Zo klimt Uw lof naar boven; Mijn God, U zal ik eeuwig loven.