26 oktober 2014
Lukas 15:8: Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij één penning verliest, ontsteekt niet een kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt?
INLEIDING
Tien penningen heeft de vrouw, één verliest ze door eigen slordigheid. Zij is beeld van de gemeente, die één ziel kwijtraakt en niet mag zeggen "we hebben er nog negen" – het moet weer compleet worden. Drie punten: (1) een verloren penning – kostbaar, door eigen schuld weg; (2) een gezochte penning – zij zoekt naarstig, licht in de hand, tot ze vindt; dat is de roeping van de kerk. (3) een gevonden penning – blijdschap bij de engelen. Farizeeën, ook u bent verloren; kom bij de tollenaars staan, want Jezus zoekt zelfs Farizeeërs.
De gelijkenis van de penning
LUKAS 15:8-10
8 Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij één penning verliest, ontsteekt niet een kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt?
9 En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen tezamen, zeggende: Weest blijde met mij; want ik heb den penning gevonden dien ik verloren had.
10 Alzo (zeg Ik ulieden) is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar die zich bekeert.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Lukas 15:8
THEMA
De gelijkenis van de penning
AANDACHTSPUNTEN
Het was nog niet zo lang geleden (het staat in Lukas 5) dat de farizeeën en de Schriftgeleerden de discipelen van Jezus toegesist hadden: ‘waarom eten en drinken jullie met tollenaars en zondaars?’ ‘Omdat Ik niet gekomen ben om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering’, zo had Jezus geantwoord. Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken dat verloren was.
Maar nu is de confrontatie rechtstreekser. Met minachting op hun gezicht, met spot in hun ogen, en met wijzende vinger zeggen ze (vers 2): Deze ontvangt de zondaars en eet met hen.
Daar staan zijn: twee groepen mensen. Aan de ene kant de tollenaars en de zondaars. Zo staat in vers 1: al de tollenaars en de zondaars naderden tot Jezus om Hem te horen. Ze weten zonder twijfel wie Jezus is. Ze hebben zonder twijfel gehoord van Zijn scherpe blik, van Zijn alles doorziende oog. En ze hebben zonder twijfel ook gehoord van Zijn vriendelijkheid en medelijden. En nu naderen ze tot Jezus. Ze komen naar Hem toe, steeds dichter naar Hem toe... Zijn hier vanmorgen zulke mensen? Zondaars, van welke soort dan ook, net als toen?
Zondaars… Wat zijn dat voor mensen? Dat zijn letterlijk mensen die hun doel gemist hebben. Leven gericht op God? Het doel gemist. Leven tot Gods eer? Nooit gedaan. Leven naar Gods gebod? Nooit gewild, altijd mijn eigen ding gedaan. Hier ziet u dat het echt waar is, wat Jezus ooit zei (zoals staat in Johannes 6): wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen. Zondaars, van welke soort dan ook: Hij heeft nog nooit iemand zoals u weggestuurd!
Aan de ene kant staan de tollenaars en de zondaars. Aan de andere kant staan de farizeeën en de Schriftgeleerden.
Druk bezig in de dienst van de Heere. Brave, oppassende mensen, altijd druk bezig om beter te worden. Zonden? Ja, maar Heere, U ziet toch niet over het hoofd dat mijn bedoelingen goed zijn? Bekering? Heb ik dat wel echt nodig? Zij, die tollenaars, die zondaars? Hopeloos spul, te vies om aan te zien… Farizeeën, Schriftgeleerden… Zijn hiervan zulke mensen?
En als Jezus nu later zegt: Ik ben gekomen om het verlorene te zoeken… En als Hij nu in drie gelijkenissen gaat vertellen over ‘wat verloren is’… Wie zijn er dan verloren? De zondaars? U? De farizeeën? U? Een ding is helder. U staat, wie u ook bent, bij welke van de twee u ook hoort, vandaag oog in oog met de Zaligmaker, Die zegt: Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren is.
Drie gelijkenissen vertelt de Heere Jezus, die alle drie gaan over het verlorene. Over het verloren schaap: een eigenwijs beest, dat weggelopen, verdwaald en verloren is. Het is een beeld van ons mensen, die in het paradijs met God gebroken hebben, en sindsdien dolen en dwalen in deze verloren wereld. Ja, Heere, dat ben ik, zegt de tollenaar. Ik ben verloren door eigen schuld. Heere, maar ik loop toch netjes in het goede spoor?, zegt de farizeeër… Het is de goede Herder, de Heere Jezus Christus, die het verloren schaap zoekt, vindt en terugbrengt.
Drie gelijkenissen over het verlorene. Een verloren schaap, een verloren zoon. Een zoon die willens en wetens zijn eigen weg gaat. Hij veracht de liefde van zijn vader, verlaat zijn ouderlijke huis en verprutst zijn bezit. Ja, Heere, dat ben ik, zegt de tollenaar. Ik ben verloren door eigen schuld. Heere, maar ik ben toch altijd oplettend geweest, ik heb toch altijd uw wil gedaan?, zegt de farizeeër… De verloren zoon komt tot inkeer. En zijn vader wacht op hem, beeld van de hemelse Vader.
Het tussen die twee gelijkenissen over het verloren schaap en de verloren zoon, staat een derde gelijkenis: die van de verloren penning. Wij overdenken vandaag samen de gelijkenis van de penning uit Lukas 15: 8-10: Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij een penning verliest, ontsteekt niet een kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt ?9 En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen samen, zeggende: Weest blijde met mij; want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had. Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert.
Het thema voor de preek is: De gelijkenis van de penning. Die penning is in de eerste plaats een verloren penning, in de tweede plaats een gezochte penning, in de derde plaats een gevonden penning. Dus: De gelijkenis van de penning. Drie aandachtspunten: 1. Een verloren penning 2. Een gezochte penning 3. Een gevonden penning. Als eerste dus:
Er is, zo staat in vers 8: een vrouw die tien penningen heeft, en van die tien penningen verliest zij er één. Een penning, een drachme, dat is het loon dat je bij een dag werken kunt verdienen. Het kan zijn, dat dit al haar bezit is, deze tien penningen. Dan is het een arme vrouw. Het kan zijn dat ze die muntjes, die stukjes zilver aan een ketting om haar hals draagt als een sieraad. Hoe dan ook, ze heeft tien penningen, en dat getal tien maakt de zaak compleet. Maar, jongens en meisjes, als je er tien hebt en je verliest er één (misschien omdat de ketting breekt, misschien omdat een van de penningen uit de doek is gevallen waar die vrouw haar zilverstukjes in bewaart), als je er tien hebt en je verliest er één, dan zeg je: het is niet meer compleet!
Waarom schrikt deze vrouw zo? Het is nu ook weer niet zo’n groot kapitaal. Het is maar één muntje… Je hebt tien kanaries in een volière. Eén ontsnapt er, één vliegt er weg. Je kunt denken: jammer, ik heb er nog negen. Ik moet beter opletten en het deurtje van de kooi beter dichthouden. Je kunt ook denken (en dat doet ze): ik had een verzameling van tien, maar nu er één weg is, nu is die verzameling niet meer compleet. Mijn verzameling penningen is compleet als er tien zijn. De kudde is compleet als er honderd schapen zijn. Er kan en mag er niet één gemist worden!
Eén penning is verloren. Kostbaar bezit, dat haar sieraad of kapitaal compleet maakt. Het is een beeld van de kostbaarheid van ons mensen, van onze mensenziel. Is de mens niet kostbaar in Gods oog? Geschapen naar Gods beeld? Kroon op Zijn schepping?
Deze vrouw verliest één van haar tien penningen. Wij zeggen: als je iets verliest, dan is dat dom. Je moet gewoon beter opletten, je moet beter op je spullen passen, je moet je spullen beter bij je houden. En dat is waar. Deze vrouw heeft blijkbaar niet opgelet, ze is een beetje slordig geweest. En nu is één van de tien penningen kwijt. Dat is haar eigen schuld.
Dat zie je later ook. De herder van het verloren schaap zegt in vers 6: ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was. Dat was het schuld van het schaap zelf. De vrouw van de verloren penning zegt in vers 9: ik heb de penning gevonden die ik verloren had. Dat heb ik zelf gedaan. Dat doet ons ondertussen wel een beetje aarzelen. Kan deze vrouw wel het beeld zijn van God de Heilige Geest? De vader die wacht op zijn verloren zoon, is het beeld van God de Vader. De herder, die het verloren schaap vindt, is het beeld van God de Zoon, de Goede Herder. Maar is deze vrouw wel het beeld van God de Heilige Geest? Door slordigheid iets verliezen? Door eigen schuld iets kwijtraken?
We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
We lezen verder in vers 8: ze verliest haar penning, ontsteekt een kaars en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstig (zorgvuldig en ijverig), totdat zij die vindt. Tot haar schrik bemerkt ineens: ik ben er één van de tien kwijt! Wat gaat ze doen? Wat kan je allemaal doen? Je kan gaan zitten huilen. Je kan je schouders ophalen en denken: jammer, maar ik heb er nog negen… Dat zouden jullie doen, Farizeeërs! Verloren? Jammer, kwijt… Maar dat doet ze niet, ze gaat aan het werk. Ze gaat zoeken. Ze neemt een lamp, zit die op een kandelaar of houdt die vast in haar handen en gaat zoeken. Het is overdag, maar in haar huis is het schemerig donker. Zo’n huisje had een lage deur, misschien was er nog een klein venster, maar zeker niet meer dan dat. En dus heeft ze licht nodig.
Ze veegt vloer. Meestal had zo’n huis maar één kamer met een bed, een kast, een koornmaat (een bak op vier poten om graan in te doen) en een baktrog (een bak om deeg in te kneden). Meer meubilair was er meestal niet. Ergens op die stoffige vloer moet hij liggen. Weggerold, in een hoekje, ergens achter geraakt. Met haar hand of met een bezem komt ze overal, totdat ze vindt. Ze zoekt net zo lang, totdat ze vindt.
Het wordt tijd voor ons, om te weten wie deze vrouw is. Van wie is deze vrouw het beeld? Deze vrouw wijst ons op, zij is het beeld van: de kerk, de gemeente. Zoals de kerk, de gemeente of het volk Israël in de Bijbel vaker vergeleken wordt met het beeld van een vrouw. God zegt bijvoorbeeld tegen Israël, in Jeremia 2: Ik heb u ondertrouwd. Israël wordt dan vergeleken met een vrouw. In het Nieuwe Testament (in Efeze 5) wordt Christus het Hoofd van de gemeente genoemd, zoals de getrouwde man het hoofd is van zijn vrouw. En de kerk, de gemeente wordt in Openbaring 21 genoemd: de bruid, de vrouw van het Lam.
Dus, de gemeente, de kerk heeft tien penningen. Het is vergeleken met de miljarden van de wereld maar weinig. Maar van die tien penningen, van die tien zielen, van die tien mensen, is elke penning, elke ziel, elke mens van onschatbare waarde. En er zijn penningen die verloren zijn… Je snapt dat de farizeeën en de Schriftgeleerden zich niet aangesproken voelen. Zij zijn niet verloren, toch? En ik snap dat de meesten van ons zich niet aangesproken voelen. Wij zijn niet verloren, toch? Hoort er nu in die groep van omstanders bij de tollenaars en zondaars, of voelt u zich prettiger bij de farizeeën en de Schriftgeleerden?
De vrouw in deze gelijkenis is een beeld van de kerk, van de gemeente. Van de kerk, van de gemeente die één penning verloor, een van de tien, een mens, een ziel, en die dan tot de conclusie komt en moet komen: we zijn niet meer compleet. Er is er één weg. Daar gaat het over in deze gelijkenis.
En als je die conclusie moet trekken, dan kan je van alles doen. Je kan gaan huilen van verdriet, en dat mag ook. Je kan gaan jammeren over de slechtheid van de tijd. Dat mag, maar dat hoeft niet perse. Je kan ook gaan denken: ‘dat is niet erg, dat soort van mensen kunnen we beter kwijt dan rijk zijn. Je hebt er alleen maar last van. Laat ze allemaal maar gaan, dan hebben wij hier rust’. Wat voelt het toch prettig bij de farizeeën… Wij? Wij hebben geen bekering nodig. Zij? Jammer, zij zijn verloren.
Maar, en dat is de boodschap van de zoekende Zaligmaker, Die tussen die beiden staat en Die het verlorene zoekt: het is de roeping van de kerk, van de gemeente om te zoeken! Om te zoeken met alle inspanning naar wat verloren is. Om te grijpen wat ten dode wankelt. Om, met in de ene hand het heldere licht van het Woord, met de andere hand te zoeken naar het verlorene.
Een vrouw die zoekt. De gemeente die zoekt naar een weggerolde penning. Een stukje zilver, met het beeld van de keizer er misschien wel op. Door eigen nalatigheid verloren… Een kostbare ziel, misschien wel met het teken van de Heilige Doop op het voorhoofd. Vroeger gedoopt, hier in de kerk. Later hier in de kerk op catechisatie gezeten. En nu… kwijt…, verloren… Hoeveel mensen uit onze gemeente zijn ondertussen niet als verloren penningen weg gerold? Misschien zien we ze nog wel liggen. Maar zoeken wij ze nog wel? Rapen we ze nog wel op, als we ze zien liggen? Of lijken we toch stiekem heel erg op die farizeeën: ‘Zij? Jammer, zij zijn verloren. Ik, wij? Gelukkig wij zijn goede mensen.’
Ze zoekt. Ze ontsteekt een licht, een lamp, een kaars, en ze veegt het huis. Ze zoekt naarstig, heel ijverig en zorgvuldig. Misschien ligt dat zilverstukje onder haar bed, misschien is het weggerold achter de kast. Ze kijkt overal. Totdat? Totdat ze vindt. Er is voor haar maar één reden om te stoppen met zoeken. Niet: ik ben moe, ik zie het niet meer zitten, ik ben zo teleurgesteld. Maar er is voor haar maar één reden om te stoppen met zoeken, namelijk als zij zeggen kan: ik heb gevonden!
Als gemeente zoeken naar verloren penningen, naar verloren zielen, kostbare zielen van mensen. Niet denken: ‘jammer, ze zijn kwijt’. Zeker ook niet denken: ‘gelukkig, die zijn we kwijt’. Wat dan wel? Dat staat hier: nauwgezet zoeken, doorgaand, blijvend zoeken, niet opgeven. ‘Jammer, te ver weg gerold…?’ Nee, doorgaan, totdat we vinden. Want het gaat om zielen van mensen, om zielen die voor de eeuwigheid geschapen zijn.
En: ze vindt. U zegt: ja, maar dat is Gods werk, om mensen te vinden en terug te brengen. En dat is zeker waar. Achter het beeld van deze vrouw (beeld van de kerk, beeld van de gemeente) gaat het beeld schuil van de Heilige Geest en van Zijn volmaakte werk. Maar ondertussen spoort diezelfde Geest de kerk aan om te zoeken, terwijl Hij het ten diepste is Die zoekt, en Die ook vinden zal. Maar er ligt ook voor ons als gemeente een opdracht om te zoeken. Biddend te zoeken. Het gebed is hierin een machtig wapen van ouders, van grootouders, maar ook van ons allemaal als gemeenteleden. Maar we moeten ook als gemeente letterlijk op zoek gaan naar wie we kwijt zijn. Naar verloren zielen, die de beeltenis van de Koning op hun voorhoofd hebben.
Ze zoekt, en… ze vindt. Wat een bemoediging is dat voor ons als gemeente. Dat moeilijke werk wordt uiteindelijk wel beloond. Verloren penningen worden door Gods genade weer terug gevonden. En dan is er blijdschap. Voordat we verder gaan met ons derde aandachtspunt, zingen wij eerst uit Psalm 96, het tweede vers: Nu moet uw tong de heidenen noden; Meldt allen volken Zijn geboden; Vertelt Zijn wonderen en Zijn eer; Groot en prijswaardig is de HEER, En vreeslijk boven al de goden.
We overdenken vandaag de gelijkenis van de verloren penning. Dat was een verloren penning, een gezochte penning, en nu in de derde plaats ook
Als we samen nog even lezen in vers 9 en 10: En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen samen, zeggende: Weest blijde met mij; want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had. Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert. Het is waarschijnlijk een eenvoudige volksbeurt. Eenvoudige mensen zijn blij als iets wat kwijt was, teruggevonden wordt. En ze delen hun blijdschap met anderen. Mensen die genoeg hebben, die te veel hebben, liggen niet wakker van een verloren penning. En ze zijn ook niet blij als hij of zij weer terug gevonden wordt.
Wie zondaar is, is blij als een medezondaar gevonden wordt. Maar een Farizeeër? Het irriteert hem mateloos: Jezus, Die Zich ophoudt met tollenaren zijn zondaars. Voelt het nog wel goed om bij de toeschouwers aan die kant te staan?
Deze vrouw is blij. Ze roept haar vriendinnen en buurvrouwen en zegt: wees blij met mij. Het was mijn eigen onoplettendheid. Ik had hem verloren. Maar ik heb hem gevonden. En nu is het weer compleet.
En dan is er blijdschap in dat huis. Blijdschap op de aarde, als echo van hemelse blijdschap. Ja, want zo is de volgorde. Het is niet de echo van de blijdschap van deze vrouw, die doordringt tot in de hemel toe. Maar dit wat hier gebeurt, is beeld, is gelijkenis van wat boven in de hemel gebeurt. Er is blijdschap voor de engelen van God. De engelen staan voor God. Dus als er voor hen blijdschap is, dan is er dus blijdschap bij God Zelf. Het hemelhof wordt vervuld van vreugde als één zondaar op de aarde zich bekeert van zijn zondige weg.
De hemel is blij om mij, denkt de farizeeër. Daar wordt ongetwijfeld gezien hoe goed ik mijn best doe, hoe voorbeeldig ik ben, hoe ijverig, hoe oprecht. Maar wat een vergissing. Daar is in de hemel nog nooit om gezongen. Maar de gouden harpen van de engelen ruisen en de engelen verdubbelen hun gezang, ja, er is blijdschap bij God Zelf, als één zondaar zich bekeert en werkelijk tot Christus komt.
Ja, ik snap het. Ik herken dat ook uit mijn eigen leven, uit mijn eigen hart. Die afgunst, die priemende blik, dat boze gezicht. Die vraag: ‘wie heeft er nu eigenlijk het meeste recht op genade?’ Wie? Wie, zegt u? Niemand! Maar wie genade krijgen, dat zijn de tollenaars en de zondaars.
Ja, er is blijdschap in de hemel als één van hen gevonden wordt. Een kostbare ziel voor de eeuwigheid. Verloren mensen, die gezocht, die gevonden worden. Waardoor het getal weer compleet wordt. Daar hoor je iets in terug van het zoekende welbehagen van God de Vader. ‘Er mag er niet een gemist worden’, dat zegt de gemeente als ze zoekt. ‘Er zal er niet een gemist worden’, dat zegt God in de hemel. Daar klinkt ook iets in door van het werk van de Heilige Geest. Zijn werk is onwederstandelijk, dat kan niemand tegenhouden. Als Hij zoekt, dan zal Hij vinden. En dan is er blijdschap. Dan zal Hij vrolijk zijn over zo’n verlorene, zoals (zo zegt Jesaja) een bruidegom vrolijk is over zijn bruid. Daar klinkt iets in door van het zoekende welbehagen van God de Vader, van het werk van God de Heilige Geest, maar ook van de zondaarsliefde van Christus: Hij zoekt het verlorene.
Dat laatste, dat is de driedubbele boodschap van deze drie gelijkenissen: God zoekt het verlorene. God heeft geen lust aan de dood van de goddeloze, aan de dood van de stervende, en daarom zegt de Heere: bekeert u en leeft (Ezechiël 18).
Verloren mensen, die gezocht, die gevonden worden. Waardoor het getal weer compleet wordt. Is dat ook niet een troost voor zoekende zondaars? Als het aan uw zoeken ligt, dan wordt het nooit vinden. Maar er is er Een, Die het verlorene zoekt.
Maar ons probleem is zo vaak (dat herkent u wel, farizeeën): daar willen wij niet bij horen, bij dat verlorene! God zoekt vrome, nette en ijverige mensen... ‘Ja, Heere, hier ben ik…’ God zoekt het verlorene… ‘Heere, wie bedoelt u? Mij toch niet?’ Maar als je buigen mag, op die plaats van je verlorenheid. Als je zeggen mag: ja, Heere, ik ben verloren, dan maakt God waar, wat staat in Jesaja 65:1Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.: Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik. Wonderlijke omkering: u zocht Mij niet, maar Ik zocht u! Is dat geen reden, zoekende zondaars, om te roepen, om aanhoudend en blijvend te roepen: Ai, zoek Uw knecht, zoek Uw dienstmaagd, hoewel ik u wetten schond…? Jezus Christus is in deze wereld gekomen om het verlorene te zoeken. Dat was en is Zijn liefste werk. Hij ontvangt zondaars en eet met hen.
Verloren mensen, die gezocht, die gevonden worden. Waardoor het getal weer compleet wordt. Dat is ten diepste het toepassende werk van God de Heilige Geest, Die werkt door het Woord. Hij zoekt in de dienst van het Woord, ook nu hier in de kerk, verloren mensen.
Hij is het die gesloten harten ontsluit, Die koperen grendels stuk breekt. Die de hoogmoed van ons trotse hart breekt, en Die maakt dat mensen daadwerkelijk gaan zien dat ze verloren zijn. Terwijl Hij ze zoekt, en hen zoekend maakt. Zodat ze uiteindelijk met smeken en geween door Hem gebracht worden aan de voeten van de Zaligmaker.
Maar Hij wil ook, en dat is de taak van ons als gemeente, onze harten en handen gebruiken om te zoeken. Met het licht van Zijn Woord in onze handen, ijverig vasthoudend zoeken naar wat door onze eigen schuld is weggerold. En dat vraagt om oprechte erkenning en schuldbelijdenis. Wij hebben penningen laten rollen, wij hebben zielen laten gaan. En wij hebben soms hen zelfs toegevoegd: ‘gaat u maar, graag zelfs…’ Dat vraagt om oprechte erkenning en hartelijke schuldbelijdenis, en tegelijkertijd ook om hartelijke liefde en bewogenheid. Welk verloren schaap dat gevonden is, welke verloren zoon die thuis gehaald is, zal niet op zoek willen gaan naar een verloren penning? Wat zou dat ook in onze gemeente blijdschap geven, als verborgen gebeden verhoord werden en zulk vlijtig zoeken beantwoord werd…
Farizeeën, u staat er ondertussen nog bij te kijken… Ik begrijp uw irritatie, ik ken uw weerzin… Verloren? Dat zijn zij! Maar wij…? Ik zeg u, in de naam van de Heere: u bent het, die verloren bent!
U bent de verloren zoon uit vers 28, waar staat: maar hij, de oudste zoon, die altijd thuis gebleven was, werd toornig en wilde niet ingaan. U wilt niet binnengaan in het Vaderhuis. U voelt u goed, te goed, beter dan hen, dan de tollenaars en zondaars….
Maar, het is nog net als toen (vers 28): zijn vader ging uit en bad hem. Ik bid u, ga toch bij hen, bij de tollenaars en zondaars staan. Dat is beter. Dat wordt uw eeuwig behoud. Als u vandaag door de knieën gaat en gaat zeggen: ‘ik was een farizeeër, maar ik ben een zondaar, een tollenaar, voor God. O God, wees mij zondaar genadig’, dan zal blijken, dan zal opnieuw blijken: Jezus Christus kwam om het verlorene te zoeken. Want Hij zoekt zelfs verloren Farizeeërs.
Amen.
Slotzang Psalm 96:1,6:
Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE; Zing, aarde, zing dien God ter ere; Looft 's HEEREN naam met hart en mond; Vermeldt Zijn heil op 't wereldrond; Dat dag aan dag Zijn roem vermeêre.
Aanbidt Hem nederig al uw leven, Hem, die, in 't heiligdom verheven, Een Godd'lijk licht van zich verspreidt; Leer, aarde, voor Zijn majesteit, Leer voor Zijn aangezichte beven.
Andere preken over Lukas
Andere preken voor Evangelisatie