18 augustus 2013
1 Samuël 3:10: Toen kwam de HEERE en stelde Zich daar, en riep gelijk de andere malen: Samuël, Samuël. En Samuël zeide: Spreek, want Uw knecht hoort.
INLEIDING
In de dagen van Eli was het Woord des HEEREN dierbaar en er was geen openbaar gezicht, totdat de HEERE in de stilte van de nacht de jonge Samuël riep: Samuël, Samuël, totdat deze antwoordde: Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort (1 Samuël 3:10). Deze leespreek over 1 Samuël 3 neemt u mee in de geduldige en aanhoudende roepstem van de HEERE, die ook heden nog klinkt tot wie oren heeft om te horen en een hart om te buigen.
De stilte doorbroken
1 SAMUËL 3:1-15
1 En de jongeling Samuël diende den HEERE voor het aangezicht van Eli; en het woord des HEEREN was dierbaar in die dagen; er was geen openbaar gezicht.
2 En het geschiedde te dien dage, als Eli op zijn plaats nederlag (en zijn ogen begonnen donker te worden, dat hij niet zien kon),
3 En Samuël zich ook nedergelegd had, eer de lamp Gods uitgedaan werd, in den tempel des HEEREN, waar de ark Gods was,
4 Dat de HEERE Samuël riep; en hij zeide: Zie, hier ben ik.
5 En hij liep tot Eli en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Doch hij zeide: Ik heb niet geroepen, keer weder, leg u neder. En hij ging heen en legde zich neder.
6 Toen riep de HEERE Samuël wederom; en Samuël stond op, en ging tot Eli en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Hij dan zeide: Ik heb niet geroepen, mijn zoon, keer weder, leg u neder.
7 Doch Samuël kende den HEERE nog niet; en het woord des HEEREN was aan hem nog niet geopenbaard.
8 Toen riep de HEERE Samuël wederom, ten derden male; en hij stond op, en ging tot Eli en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Toen verstond Eli dat de HEERE den jongeling riep.
9 Daarom zeide Eli tot Samuël: Ga heen, leg u neder, en het zal geschieden, zo Hij u roept, zo zult gij zeggen: Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort. Toen ging Samuël heen en legde zich aan zijn plaats.
10 Toen kwam de HEERE en stelde Zich daar, en riep gelijk de andere malen: Samuël, Samuël. En Samuël zeide: Spreek, want Uw knecht hoort.
11 En de HEERE zeide tot Samuël: Zie, Ik doe een ding in Israël, dat al wie het horen zal, dien zullen zijn beide oren klinken.
12 Te dienzelven dage zal Ik verwekken over Eli alles wat Ik tegen zijn huis gesproken heb; Ik zal het beginnen en voleinden.
13 Want Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis richten zal tot in eeuwigheid, om der ongerechtigheid wil die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien.
14 Daarom dan heb Ik het huis van Eli gezworen: Zo de ongerechtigheid van het huis van Eli tot in der eeuwigheid zal verzoend worden, door slachtoffer of door spijsoffer!
15 Samuël nu lag tot aan den morgen; toen deed hij de deuren van het huis des HEEREN open; doch Samuël vreesde dit gezicht aan Eli te kennen te geven.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 3:10
THEMA
De stilte doorbroken
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, wij gaan verder met de behandeling van de eerste hoofdstukken van het eerste boek van Samuël. Vandaag is 1 Samuël 3 aan de beurt. Het hoofdstuk is u zojuist voorgelezen. Het thema van de preek van vanmorgen is: De stilte doorbroken
Ik vraag vanmorgen uw aandacht voor vier punten: 1. Gods Woord is schaars 2. Gods roep is geduldig 3. Gods boodschap is ernstig 4. Gods Woord is blijvend, of (zo zouden we ook kunnen zeggen): onze verantwoordelijkheid is zwaar Als eerste dus:
Het is stil in Silo… Het Woord des Heeren, zo staat er, was dierbaar. Wij zouden zeggen: het was schaars. En je weet, jongens en meisjes, als iets schaars is, als iets bijna niet meer te krijgen is, als er bijna geen benzine meer is, dan gaat de prijs omhoog, dan wordt het steeds duurder, steeds kostbaarder.
Het Woord van de Heere, het spreken van God was schaars, en dus kostbaar. Want, zo staat er, er was geen openbaar gezicht, geen spreken van de Heere meer. De laatste profeet, eigenlijk moet ik zeggen: profetes, was Debora geweest. Dat lees je in Richteren 4. Daarna, in Richteren 6, was er nog een anonieme profeet. Maar dat is allemaal al heel lang geleden. En kort geleden, in 1 Samuël 2, was er nog wel een man Gods, maar die had alleen een boodschap voor Eli persoonlijk. Maar een boodschap van God voor iedereen, voor heel het volk, die was er bijna niet meer. Je snapt wel, jongens en meisjes, als God straks Samuël roept, dat Eli er bijna niet meer aan denkt, dat het de Heere wel eens zou kunnen zijn die Samuël roept. Want het is stil in Silo...
Want…? Ja, en wat moet je dan zeggen…? Moet je dan God de schuld geven en zeggen: de Heere zal wel niet meer willen spreken? Moet je je dan verbergen achter Gods vrijmacht en soevereiniteit en zeggen: Ja, de Heere is ook niets aan ons verplicht? Of moet je klagen en steunen en kreunen over de donkerheid van de tijd? Of moet je anderen de schuld geven en met je vinger wijzen? Of is het gewoon een gebrek aan profeten? Nou, zegt u, dan moeten ze in Rotterdam maar wat meer profetenzonen aannemen op die profetenschool. Ik zal niet ontkennen dat het ook mijn hartelijke wens en bede is. Maar de vraag is of daarmee dit probleem is opgelost. Want als er geen Woord des Heeren is, dan is er geen Woord des Heeren. Of er nu geen profeet is of dat er honderdvijftig zijn.
Waarom is er geen Woord des Heeren? Waarom is het stil in Silo? Waarom is het zo stil in de kerk in Nederland? Waarom is het zo stil in de gemeente? Gemeente, dit is de stilte van het oordeel. Dit is de stilte van de toorn van God over dat corrupte priesterschap in Silo. De doodse stilte in de kerk is een teken van Gods oordeel. Zoals staat in Psalm 74:9Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.. Het klinkt als een zucht: Er is geen profeet meer! De Heere zwijgt. Zoals later, aan het einde van zijn leven, Saul zucht: de Heere spreekt niet meer tot me. Hij zwijgt. Hij zegt: De Heere is van mij geweken. De doodse stilte in de kerk is een teken van Gods oordeel. En de eersten die dat moeten zien en erkennen en daaronder moeten buigen zijn… de priesters. Wij, dienaars van God, ambtsdragers, wij zijn de oorzaak van het verval van de kerk in Nederland. Wij hebben gezondigd. En we wijzen wel heel druk met onze vinger naar anderen en naar gemeenteleden, maar de schuld ligt bij het priesterschap. De schuld ligt hier.
Niet voor niets zegt Amos: Er zal een tijd komen, dan is er geen honger naar brood, maar honger naar het Woord des Heeren. Het probleem is niet dat er geen honger is, maar het probleem is dat er geen Woord is. Het is erg als er kerken verbrand worden, zoals in Egypte, en het is verschrikkelijk als christenen worden opgepakt, zoals in Eritrea en Noord-Korea, maar daaraan is nog nooit één kerk ten onder gegaan. De kerk verdwijnt als wij, dienaars van God, zwijgen en niet meer durven of willen zeggen: Zo zegt de Heere! Omdat, ja misschien wel, omdat het ook stil geworden is in ons eigen leven als ambtsdragers, omdat wij persoonlijk de Heere verlaten hebben.
Het is stil in Silo. Een zwijgende duisternis. En die stilte is ondragelijk. Maar… de Heere gaat door! De kerk hangt niet af van mensen. De kerk hangt niet af van een dominee of van ambtsdragers. De Heere breekt dwars door die stilte en donkerheid heen. Plotseling is er weer leven in Silo!
Maar de grote vraag voor ons is: hoe, hoe komt de kerk in Nederland, hoe komen onze gemeenten, hoe komt onze eigen gemeente tot leven? Komt er leven in de kerk door het regelen van allerlei ontmoetingen, allerlei interessante avonden, allerlei sociale activiteiten, allerlei gezellige clubs en leuke programma’s?
Mag dat dan niet? Ja, natuurlijk, maar het is allemaal in de marge. De kerk komt alleen tot leven door het Woord, door het gepredikte Woord van God. Als Calvijn in het jaar 1541 in Genève door God en door het stadsbestuur wordt geroepen om de stad te hervormen, het eerste dat hij doet is het Woord centraal stellen. Op zondag komen er weer twee diensten, op maandag, woensdag en vrijdag worden doordeweekse diensten belegd, en tussendoor moeten de kinderen de catechismus leren. Terug dus naar het Woord! Dan alleen is er toekomst voor de kerk. Als de kandelaar van het Woord brandt. En het is onze roeping om daar grote haast mee te maken, voordat de Heere de kandelaar wegneemt, uit Nederland, uit [plaatsnaam]. Gods Woord is schaars. In de tweede plaats:
Eli slaapt… Sst… Samuël slaapt ook. Waarschijnlijk in een kamertje op het tempelcomplex. Eli slaapt heel dicht bij de tabernakel, bij het heiligdom. Samuël iets verder weg. De kandelaar met die zeven armen, die brandt nog. Het is waarschijnlijk diep in de nacht. In de avond is daar nog olie bij gedaan. Misschien is de lamp wat minder geworden. Het is al laat. Misschien om een uur of twee ’s nachts. Midden in de nacht. Het is muisstil. Het rumoer van de avond van Hofni en Pinehas en dat gedoe met al die vrouwen is ook over. Er is alleen maar de zachte fluistering van de wind. Het is muisstil.
‘Samuël!’ Hij schrikt wakker. Hoe oud zou hij zijn? Misschien een jaar of twaalf? Hij hoorde zijn naam…! Zou Eli hem nodig hebben? Hij springt uit zijn bed, hij loopt naar Eli en zegt: ‘Hier ben ik, mijn vader!’ Eli wordt wakker. Een beetje slaapdronken zegt hij: ‘Samuël, ik heb je echt niet geroepen. Ga maar weer terug, ga maar lekker slapen.’
Samuël gaat weer terug. Maar even later, he, weer! ‘Samuël!’ En weer gaat hij snel Eli en zegt: ‘U hebt me geroepen, toch?’ Maar Eli zegt Eli (kijk maar in vers 6): ‘Mijn zoon (hoor je hoe veel ze van elkaar houden?), mijn zoon, ik heb je niet geroepen.’ Want, staat er in vers 7 (wat is er nu aan de hand?): Samuël kende de Heere nog niet, de woorden van de Heere waren nog niet aan hem geopenbaard. Weet je nog, ‘geopenbaard’ betekent dat de Heere iets laat zien, iets laat kennen, Zijn woorden laat horen. Het betekent: Samuël kende de Heere wel als een kind van de Heere, want hij diende de Heere, hij aanbad de Heere. De Heere had hem lief en Samuël had de Heere lief. Maar hij kende de Heere nog niet als profeet, dat wil zeggen: als iemand die de woorden van God hoort en tot zich neemt en doorgeeft aan de mensen. En dus roept de Heere hem nog een derde keer.
‘Samuël!’ En weer gaat hij naar Eli. Hij weet het toch zeker. Daar van die kant komt die stem vandaan. Hij heeft het echt gehoord. En weer staat hij aan het bed van Eli. ‘U hebt me toch geroepen?’ Ja, en dan, dan pas… valt het kwartje bij Eli. Dan pas begrijpt Eli het: het is God, Die Samuël roept. En hij zegt het ook: ‘Mijn zoon, Samuël, het is de Heere Die je roept.’
Je zegt: ‘dat is een mooi verhaal uit de Bijbel, maar weet je wat ik me nu afvraag: waarom staat dit nu zo uitgebreid hier in dit hoofdstuk? De bijbelschrijver had het toch ook in één zin kunnen zeggen? De eerste drie keer hoorde Samuël wel de stem van de Heere, maar hij begreep het niet, maar daarna uiteindelijk wel’. Maar moet je kijken, van vers 2 tot en met vers 10, negen lange verzen! Wat wil de Heere daar toch mee zeggen? Wat is toch de boodschap van de Heere hiermee? Met deze geschiedenis over de roeping van Samuel? Wat wil de Heere ons hiermee leren, gemeente?
a. In de eerste plaats, jongens en meisjes, dat je nooit te jong bent om de stem van Heere te horen. Moet je nou vanavond wakker blijven, omdat de Heere misschien vannacht jou ook gaat roepen? Nee, dat hoeft niet. Want toen, in de tijd van Samuël, toen was er nog geen Bijbel, toe was nog geen Woord van God. Maar nu wel. En de Heere spreekt nu door Zijn Woord, door de Bijbel. Hij spreekt heel persoonlijk. Want de Bijbel is niet gewoon een mooi verhaal voor iedereen en niemand tegelijk, maar de Bijbel spreekt heel persoonlijk en heel direct. Door de Bijbel spreekt God jullie aan en zegt: ‘Zo zegt de Heere, dit zegt de Heere: bekeer je, zoek Mij en leef!’
Maar ja…, dan is er nog wel een probleem. Het probleem dat papa en mama en de meester en juf op school ook wel eens hebben, als ze zeggen: ‘Zeg, hoor je nou niet wat ik zeg? Je moet wel naar me luisteren. Ben je doof of zo?’ Een oorprobleem en een hartprobleem. Want je hoort het misschien wel met je oren, maar het dringt niet door tot in je hart. Jesaja zegt: Horende hoort, maar verstaat niet. Hoor je het wel? Dringt het wel echt tot je door tot in je hart, wat de Heere zegt? De Heere Jezus zegt later in Markus 4: ‘Wie oren heeft om te horen, die hore echt.’
Echt horen, echt begrijpen, echt aanvaarden, echt geloven, echt amen-zeggen, echt ja- zeggen op het Woord van God, daar heb je Gods genade voor nodig. Daar heb je echt een nieuw hart voor nodig. Nieuwe oren en een nieuw hart. En daarom, jongens en meisjes, moet je altijd bidden. Thuis, voordat je naar de kerk gaat. Zomaar stilletjes op je kamer, op je knietjes. Zeg dan maar: ‘O Heere, open de lippen van de dominee, zodat hij Uw woorden zal spreken. En geef mij oren en een hart om te luisteren naar Uw stem.’ Want alleen dan, als de Heere dat werkt in je hart, alleen dan hoor je de stem van God. En daar ben je echt niet te jong voor. Kijk maar naar Samuël.
b. We zien in de tweede plaats, gemeente, in deze geschiedenis hoe geduldig de Heere is met Zijn kinderen. De juf of de meester op school kan nog wel eens ongeduldig worden, en zeggen: ‘Hallo zeg, hoor je me nou nog steeds niet? Ik heb het je nu al vier keer uitgelegd; snap je het nu nog steeds niet?’ Maar de Heere – en daarom is het zo goed om Hem te dienen – de Heere is zo anders met Zijn kinderen. Want wat een tijd krijgt de jonge Samuël. De Heere wordt niet ongeduldig. Hij staat er niet met een stopwatch bij te wachten. Hij wordt niet boos op Samuel. Hij gaat niet weg. Hij vertrekt niet. Nee, Hij roept… en weer… en weer… en nog een keer. God leert Zijn kinderen met geduld. Hij buigt ze, maar ze willen niet buigen. Maar Hij gaat door. Hij wijst ze op hun zonden. Maar ze willen ze niet zien. Maar Hij gaat door. Met geduld en liefde wijst de Heere ze aan, en weer… en weer… en nog een keer. Hij neemt hun werken, die ze zo vast willen houden en die ze niet los willen laten, van hen af. Ze willen ze niet loslaten, maar de Heere gaat in Zijn liefde door, om ze in liefde van hen af te nemen. Hij laat een lichtstraal vallen op het werk van Christus voor zondaren. Maar ze zien het niet, ze willen het niet zien, ze hebben er geen oog voor, ze zijn er blind voor. Maar de Heere gaat door. Hij laat het nog een keer zien, en weer… en weer… en nog een keer. De Heere wordt niet hard en bitter tegen Zijn kinderen. Wat hebben we toch een liefdevolle en geduldige Meester! Die nooit loslaat, nooit moe wordt, en nog nooit één van Zijn kinderen heeft weggestuurd.
c. In de derde plaats zien we in deze geschiedenis nogmaals hoe geduldig de Heere is, in het bijzonder voor u, die nog onbekeerd bent! U komt naar de kerk en u luistert naar het Woord van God, maar zeg eens eerlijk: hoort u de stem van God wel? Of blijft het voor u gewoon de stem van de dominee? God spreekt ook door de stem van Zijn voorzienigheid, in zegen, of voorspoed. Maar misschien moet ik wel zeggen: ‘U hoort het niet echt, het dringt niet echt door tot uw hart. U wilt het misschien wel niet horen, u gaat door.’ Soms spreekt de Heere in Zijn voorzienigheid met de stem van zegen en voorspoed. Maar soms spreekt Hij ook in het midden van de gemeente met ernstige roepstemmen. Met ernstige, sprekende waarschuwingen: ‘Bereid uw huis, want ook u moet sterven.’ En mijn vraag aan u is: luistert u, of gaat u door? U moet sterven. Vroeg of iets later moet u voor God verschijnen. Maar hoe zal dat dan zijn, bij u? Als straks de dood zijn koude hand op uw klamme voorhoofd legt… Als wij staan rond uw sterfbed… Kunnen we dan zingen: ‘Dan ga ik op tot Gods altaren’? Of moeten we dan met vertwijfeling in ons hart denken aan wat Psalm 73 zegt: ‘Wie ver van U de weelde zoekt, vergaat eerlang en wordt vervloekt’? God spreekt in Zijn voorzienigheid met ernstige roepstemmen! Maar hoort u ze wel? Of gaat u gewoon door? Ga toch zo niet door! Want zonder het bloed van Christus kunt u niet voor God verschijnen.
God geeft u tijd, met zoveel geduld en liefde, tijd om het Woord te horen en te begrijpen en aan te nemen. Maar vergis u niet! Er komt een eind aan het geduld van de Heere. Job zegt: God spreekt eens of tweemaal, maar – verzucht hij – men let er niet op.
d. Er ligt nog een vierde les in deze geschiedenis van de roeping van Samuël. Zie, gemeente, hoe de oude Eli de jonge Samuël ook helpt in zijn geestelijke vragen. Eli wijst Samuël de weg. Die oude man is, lezen we in vers 2, bijna blind; zijn ogen worden dof. Maar als kind van God heeft hij wel geestelijk inzicht. Jongeren, jullie hebben veel vragen. Vragen over vriendschap, over je werk, over je studie of over ander dingen. Maar vooral als je geestelijke vragen hebt, zeg dan niet: ‘Ik weet het allemaal zelf wel, of ik zoek het zelf wel uit.’ Er zijn in de gemeente kinderen van God, jongeren en ouderen, die je geestelijk raad kunnen geven. Zoals Eli geestelijke raad gaf aan Samuël, kunnen ook zij je vertellen hoe je in je leven naar de stem, naar het spreken van de Heere, moet luisteren.
e. Tenslotte nog een laatste, een vijfde les: de Heere spreekt tot de jonge Samuël door Zijn Woord. Gode zij dank is dat nu niet anders. God spreekt ook vandaag nog zo, door Zijn Woord tot jongeren. Wat zal het moeilijk geweest zijn voor de oude Eli. Dat de Heere hem, dat oude kind van God, voorbijgaat en gaat spreken tot de jonge Samuël. En straks blijkt ook nog dat die boodschap helemaal niet voor Samuël bestemd was, maar dat die ging over Eli. Des te pijnlijker! Maar dat alles, ook de dodigheid en donkerheid in het hart van Eli, houdt hem niet tegen om de jonge Samuël toch de weg te wijzen hoe hij moet luisteren naar Gods stem als de Heere tot hem spreekt. Matthew Henry zegt hierover: ‘Zo moeten ouderen zonder nijd of misgunning, zonder afgunst of jaloezie, alles doen wat ze kunnen om de jongeren die opstaan, de nieuwe generatie die de Heere vreest, voort te helpen en in geestelijke zin bij te staan.’ Laten wij als ouderen oppassen voor geestelijke afgunst en jaloezie.
‘Samuël’, zegt Eli tenslotte, ‘als de Heere weer komt, zeg dan maar: Spreek, Heere, want uw knecht hoort.’ Onze derde gedachte:
Want er staat in vers 10: Toen kwam de HEERE en stelde Zich daar, en riep gelijk de andere malen: Samuël, Samuël! En Samuël zei: Spreek, want Uw knecht hoort. Het is niet helemaal duidelijk of het deze derde keer iets anders gaat, want er staat: de Heere stelde Zich daar. De Heere was daar. Heeft Samuël misschien ook iets gezien van de heerlijkheid van God, zoals Johannes eeuwen later op Patmos? Hij zegt niet: ‘Ik hoorde de stem’, maar: ‘Ik zag de stem die met mij sprak.’
‘Samuël, Samuël!’ En dan, ongetwijfeld in diepe eerbied, buigt hij voor God. En terwijl hij uit eerbied de Naam van de Heere niet uitspreekt, zegt hij: Spreek, want Uw knecht hoort. Wat een wonder. God gaat spreken tot Samuël!
Wat een wonder dat God spreekt tot mensen, tot u, tot jou, tot mij! Soms door de dingen die gebeuren, door de stem van Zijn voorzienigheid, door de stem van Zijn hand waardoor Hij de dingen leidt. Maar vooral door Zijn Woord. In de dienst van het Woord op zondag of doordeweeks. En vooral als Hij met Goddelijke kracht met Zijn Geest spreekt door het Woord. En dat Woord maakt tot een levenwekkende kracht. Wat is dat toch een onbegrijpelijk wonder van genade. Als de hoge God in ons leven gaat spreken! Met een enkel woord, met woorden die ons levend maken, die ons opwekken uit de dood. Met woorden die ons zondige leven veroordelen. Met vriendelijke en hartelijke woorden van genade, onderwijs en troost.
Of…, of is het stil in uw leven? Stil…, niet omdat de Heere niet spreekt, maar omdat u stokdoof en stokdood bent… Omdat u niet kunt, maar vooral ook niet wilt horen… O, smeek dan toch om de genade van God de Heilige Geest, want het is Zijn liefste werk om blinden de ogen te openen en doven het gehoor te geven.
Wat past het ons ondertussen als mens, als de Heere gaat spreken, om dan te zeggen met Samuël: ‘Spreek, want mijn ziel hoort!’ Als het Woord van God ons leven veroordeelt, om dan te zeggen: ‘Heere, ik hoor… en ik buig...’ Als het Woord van God onze werken afkeurt en afneemt en zegt: ‘uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid’, wat past het ons dan om te zeggen: ‘Heere, ik hoor en ik buig en ik zeg amen.’ Als het Woord gaat spreken en ons gaat wijzen op de heerlijkheid van Christus en de onnaspeurlijke rijkdom van Zijn genade voor zulke slechte mensen als wij zijn, wat past het ons dan om te zeggen: ‘Spreek, Heere. Ik hoor. Terwijl U tot mij spreekt van verzoening en vergeving. Ik zwijg van verwondering en verbazing. En ik aanbid U. Spreek, want Uw knecht hoort.’
Bidden, zeggen we vaak, is spreken met de Heere. Jongens, meisjes, denk daar thuis nog maar eens even over na en praat daar met papa en mama nog maar even over na de dienst. Bidden is spreken met de Heere. Maar, hoe gaat dat dan? Je zegt: ‘ik spreek met de Heere, totdat ik alles wat ik wilde vragen, gezegd heb. Totdat ik uitgevraagd ben. Ik vraag om dit en om dat, en ook nog om iets anders… En dan zeg ik amen. En dan loop ik weg. En terwijl ik wegloop zeg ik: ik krijg eigenlijk nooit antwoord van de Heere.’ Is het wel goed om zo te bidden? Doe je dat ook zo op school, in de klas? Praat je dan ook zo tegen de juf? ‘Nee’, zegt jouw juf, ‘op je stoel zitten, en luisteren. Als je wat te vragen hebt, steek je je vinger op en verder moet je luisteren.’
Zo is het ook met bidden. Als je antwoord wilt hebben van de Heere moet je luisteren, met je mond dicht. Luisteren naar het Woord van God. Eerst bidden en dan luisteren, door… te lezen in je Bijbel. Al luisterend zoeken naar het antwoord. Nog eens bidden, weer lezen. Vragen, maar ook luisteren. Zoals staat in Psalm 85: ‘Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft.’ Door? Door Zijn Woord. Spreek, want Uw knecht hoort.
En dan? Wat zegt de Heere dan? In vers 11 lezen we: De HEERE zei tot Samuël: Zie, Ik doe een ding in Israël, dat al wie het horen zal, die zullen zijn beide oren klinken. Zijn oren zullen er van klapperen. Want, vers 12, Ik zal echt doen wat ik over Eli gezegd heb. Vers 13: om de misdaden van hun zonden en, vers 14: er is geen weg meer terug, geen weg meer ter ontkoming! Vindt je het niet een verschrikkelijke boodschap? Samuël, nog maar net geroepen om profeet te zijn, en nu moet hij de oude priester Eli het oordeel gaan aanzeggen! Tegen vader Eli! Hij ligt er wakker van… Dat kan je ook wel begrijpen. Hij ligt tot aan de morgen op zijn bed en hij vreest…, hij is bang, om dat gezicht, die openbaring tegen Eli te vertellen. Hij wil die oude man geen pijn doen.
Wat zien we hierin, gemeente, dat degene die door God geroepen is, de woorden van God alleen maar door moet geven. Terwijl hij zelf ondertussen vreest, terwijl hij zelf bang is. Bang voor de dreiging van dat woord. Maar toch, hij zegt alles tegen vader Eli. De inhoud van de dreiging raakt de jonge Samuel. En het raakt ook mij. En ik vrees. Als ik tegen u en tegen mezelf preek en zeg, dat het de goddelozen kwalijk zal gaan in de dag van het Goddelijke gericht. Dan beeft mijn hart. Dan ben ik diep in mijn hart bang, dat ik dan velen van u zal zien staan bij de miljoenen die verloren gaan en weggeleid zullen worden. Als ik u de woorden van God voorhoud en u aanzeg dat uw werken en uw godsdienst niet meetellen, dat ze niet meer zijn dan een wegwerpelijk kleed, nutteloos en waardeloos vuil, dan vrees ik. Dan ben ik diep in mijn hart bang, omdat ik weet dat velen van u hun hoop en zaligheid bouwen op hun eigen godsdienst. Als ik u met de woorden van God toeroep dat er in Christus behoud is en dat Zijn bloed reinigt van alle zonden, ook dan vrees ik. Ik vrees, omdat ik weet dat de meesten van u het bloed van Christus verachten. En ik weet en geloof dat het uw oordeel zeer verzwaren zal. Maar toch, ik zal net als Samuël het Woord van God niet verzwijgen. Want zo zegt de Heere bij monde van Jesaja: ‘Zeg de rechtvaardigen dat het hen wel zal gaan. Dat ze de vrucht van hun werken zullen eten, hier op de aarde en straks in de eeuwige heerlijkheid. Maar wee de goddelozen, mensen die zonder God en Christus leven, het zal u kwalijk gaan in de dag van het Goddelijke gericht!’
Onze vierde gedachte tot slot:
Samuël ontwijkt Eli. Hij gaat hem uit de weg, hij is bang om het te zeggen. Maar uiteindelijk komt hij er toch niet onderuit. In vers 16 en 17 lezen we dat Eli vraagt: ‘Mijn zoon, zeg alles tegen me.’ En dan vertelt Samuël in vers 18 alles: Toen gaf hem Samuël te kennen al die woorden en verborg ze voor hem niet. En hij – Eli – zei: Hij is de HEERE, Hij doe wat goed is in Zijn ogen. Eli buigt… Maar het is wel te laat. Want het oordeel komt over zijn kinderen. En het is vast besloten.
Maar Samuël (daarop ligt aan het einde van dit hoofdstuk alle nadruk) werd groot en de Heere was met hem. God houdt Zijn Woord. Hij laat (dat is nog steeds zo) niet één van Zijn woorden op de aarde vallen. We lezen in vers 21 dat het volk van Dan tot Berseba toe (wij zouden zeggen: van Groningen tot Vlissingen) erkent dat Samuël een door God gezonden profeet is.
Bijna was de kandelaar uitgegaan, maar er is weer licht. De Heere gaat door met spreken, lees maar in vers 21. Het Woord van God, het spreken van de Heere is er weer. Ondragelijk was de stilte van het zwijgen van God en de duisternis van de afwezigheid van Zijn spreken. Maar (dat is de andere kant) zwaar is de verantwoordelijkheid als we de woorden van God horen, als God gaat spreken, ook in het midden van onze gemeente.
Zwaar is de verantwoordelijkheid voor hem die spreekt. Mozes schrijft in Deuteronomium 18: De profeet die hoogmoedig zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam wat ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in de naam van andere goden, die profeet zal sterven (Deut. 18:20). Het staan op deze kansel is een zaak van leven en dood! En daarom bid ik, dat ik nooit mijn oren zal laten hangen naar wat mensen verwachten en naar wat mensen behaagt. En daarom zal ik biddend (ook gedragen door uw gebeden) proberen eenvoudig na te spreken en te zeggen: ‘Zo zegt de Heere!’
Zwaar is de verantwoordelijkheid van hem die spreekt, maar zwaar is ook de verantwoordelijkheid van degenen die de woorden van God horen. Want, zegt Mozes, het zal geschieden, de man die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken (Deut. 18:19). Met andere woorden: ‘Ik, God, zal het vergelden.’ Dit is de bedreiging uit de tijd van het Oude Testament, zoals die klonk uit de mond van profeten, Samuel en andere vroege profeten, en Jesaja, Jeremia en al de anderen. Maar, zegt de schrijver van de Hebreeënbrief, en dan zijn we in de tijd van het Nieuwe Testament: God heeft in de laatste dagen tot ons gesproken door de grote Profeet en Leraar ter gerechtigheid, de Zoon van God.
Tot u, gemeente, heeft Hij gesproken van zaligheid, van het bloed der verzoening, van de weg ter ontkoming, van een weg van vernedering, van bukken en buigen, van bekering en toevlucht nemen tot God. Van de laatste en enige weg. Hij heeft tot u gesproken van een geopende weg en van een geopende toegang voor… voor de allerslechtsten, voor vijanden… Als u Zijn stem dan heden hoort, de stem van Zijn Woord, Zijn klop op de deur van uw hart… Bekeer u dan, bekeer u, want zo zegt de Heere: ‘Ik heb geen lust in uw dood, maar daarin dat u zich zou bekeren en leven. Waarom zou u sterven?’ Als u Zijn stem dan heden hoort, verhard uw hart toch niet, maar buig, en bekeer u. Want hoe zult u ontvluchten als u op deze stem, op deze zo grote zaligheid geen acht neemt?
Amen.
Andere preken over 1 Samuël
Andere preken voor Ambt