12 mei 2022
1 Samuël 3:1: En de jongeling Samuël diende den HEERE voor het aangezicht van Eli; en het woord des HEEREN was dierbaar in die dagen; er was geen openbaar gezicht.
INLEIDING
Bij het vacant zijn van gemeenten en het tekort aan predikanten wijst deze preek niet naar Rotterdam of het curatorium, maar naar onszelf. Zoals in Silo, waar het Woord schaars werd door de zonden van Eli, Hofni en Pinehas - onverschilligheid, corruptie, immoraliteit - zo vraagt ook de stilte van vandaag om verootmoediging, niet om beschuldiging van anderen. Toch is er hoop: te midden van het oordeel bereidt God in stilte de jonge Samuël voor, een teken dat Hij Zijn volk niet loslaat.
Het Woord des HEEREN was dierbaar in die dagen
1 SAMUËL 3:34-1
34 Dit nu zal u een teken zijn, hetwelk over uw beide zonen, over Hofni en Pínehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven.
35 En Ik zal Mij een getrouwen priester verwekken, die zal doen gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; dien zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht Mijns gezalfden wandelen.
36 En het zal geschieden, dat al wie van uw huis zal overig zijn, zal komen om zich voor hem neder te buigen voor een stukje geld en een bol brood, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot enige priesterlijke bediening, dat ik een bete broods moge eten.
1 En de jongeling Samuël diende den HEERE voor het aangezicht van Eli; en het woord des HEEREN was dierbaar in die dagen; er was geen openbaar gezicht.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 3:1
THEMA
Het Woord des HEEREN was dierbaar in die dagen
Gemeente, zo de Heere wil en wij leven zal [volgende week] het curatorium weer vergaderen. Die curatoriumvergadering, jongens en meisjes, is een vergadering van dominees en ouderlingen, waar mannen komen die zich in hun hart geroepen weten om dominee te worden. En die dominees en ouderlingen luisteren naar wat zij daarover vertellen. En zij hopen en bidden dat de Heere hun die mannen zal aanwijzen om dominee te mogen worden. En zij, die mannen, krijgen dan eerst vier jaar les aan onze Theologische School in Rotterdam, en daarna mogen ze dominee worden in een van onze gemeenten. In een van onze gemeenten, waarvan er best veel vacant zijn. Net als wij. Ook wij zijn een vacante gemeente, een gemeente zonder dominee.
In de dienst van vanmorgen willen we met Gods hulp samen stilstaan bij de vraag waarom dat zo is. Waarom er zoveel vacante gemeentes zijn? Waarom de stem van de Heere zo stil is? Natuurlijk bidden we daar ook voor. Voor meer studenten aan de Theologische School, voor meer dominees. En juist ook in deze tijd, zo vlak voor de vergadering van het curatorium bidden we daarom. Niet perse extra lang en extra vurig of gedreven, alsof onze Heere een dove Buddha of een hardhorende Baal zou zijn, die uit Zijn slaap gewekt zou moeten worden. Want onze Heere wel wat we nodig hebben.
Maar er is een andere reden, zegt de Bijbel, waarom zoveel gebeden om meer predikanten onverhoord zijn gebleven. De Heere zegt het door de mond van de profeet Jesaja: Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort (Jes. 59:2Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort.).
Het thema van de preek raakt ons allemaal. Vanwege de nood van veel vacante gemeenten, die geen eigen dominee hebben, zoals dat ook in onze gemeente zo is. Maar het kan je ook persoonlijk diep raken, als je jezelf eerder hebt gemeld bij je kerkenraad of bij het curatorium, en je niet bent toegelaten. Wat kunnen er dan veel vragen blijven. Je was zo hoopvol gestemd, maar de weg van de Heere ging anders. We wensen en bidden elkaar de zorg en het licht van de Heere toe in het gaan van onbegrepen wegen. Waar we als blinden geleid worden door de weg die we niet geweten hebben (Jes. 42:16En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.).
Een tekst die vaak aangehaald wordt, als het gaat om het tekort aan predikanten is de tekst uit Mattheüs 9, vers 37-38: Toen zeide Hij (de Heere Jezus) tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige. Bidt dan de Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote. Dus kennelijk is dat uitstoten van arbeiders in Gods oogst Gods werk. En kennelijk is ook het niet uitstoten van die arbeiders Gods werk
Dus, als er binnenkort rijke zegen is, dan moeten we niet het curatorium een compliment geven en bedanken. En, dat is de andere kant, als de Heere Zijn zegen inhoudt, moeten we ook niet naar Rotterdam wijzen. Want het is God, Die met Zijn almachtige hand uitstoot oogst, of niet… Dat is Zijn werk. Het werk van Hem alleen. En niemand kan Hem daarin hinderen. We hinderen hooguit onszelf. Met, zoals Jesaja zei, onze ongerechtigheden.
Dat zien we ook in de geschiedenis die we samen gelezen hebben. Het is stil in Silo. Vers 1 zegt: het Woord des Heeren was dierbaar. Dat is ook de tekst voor de preek van vanmorgen, 1 Samuël 3:1En de jongeling Samuël diende den HEERE voor het aangezicht van Eli; en het woord des HEEREN was dierbaar in die dagen; er was geen openbaar gezicht., daarvan het middelste deel, deze woorden: En het woord des HEEREN was dierbaar in die dagen.
Dierbaar, jongens en meisjes betekent: schaars. Het was er bijna niet meer. En hoe schaarser iets is, hoe duurder het wordt. Denk bijvoorbeeld maar aan benzine. Als de benzine schaars is, gaat de prijs omhoog. Dan wordt de benzine duur, kostbaar, dierbaar. Het woord des HEEREN was schaars, het was dierbaar in die dagen. De Heere sprak weinig meer. Het werd steeds stiller in Silo.
Die machtige hand, die mensen roept tot de dienst van het Evangelie, die mannen uitstoot om Zijn woorden te verkondigen, die dwars door alle menselijke weerstand heen breekt, die houdt Zich stil. Het is stil in Silo.
In Silo zwijgt de profetie. Er is geen Woord des Heeren. En dat is Gods vinger. Die wijst. Maar anders dan dat wij wijzen. Wij wijzen naar anderen. Wij wijzen naar Rotterdam, naar het curatorium. Maar God wijst anders. Hij wijst naar ons. Wij bidden graag voor anderen. Maat God zegt: Bidt maar voor jullie zelf.
Ja, ik snap dat dat schuurt. Dat schuurt ook in mijn hart. Ik snap dat we misschien liever half om half de indruk willen wekken dat het probleem in Rotterdam ligt. Maar er is nog nooit iemand beter geworden van het wijzen naar anderen. Er is nog nooit een kerk gereformeerd door het aanwijzen van de schuld bij anderen. En nooit is de hemel opengegaan van het met de vinger wijzen naar anderen.
De hemel ging alleen open toen gebeden werd: Wij hebben God op 't hoogst misdaan; Wij zijn van 't heilspoor afgegaan; Ja, wij en onze vaad'ren tevens, Verzuimend' alle trouw en plicht, Vergramden God, den God des levens, Die zoveel wond'ren had verricht.
Ons gebrek aan dienaars des Woords, onze armoede, al die lege kansels… Keer je in duizend bochten, om de schuld ervan af te wentelen op een ander. Maar zo zegt de Heere, door de mond van de profeet Amos: Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet? (Amos 3:6Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet?) En zo zegt de Heere, door de mond van de profeet Jeremia Zie, Ik(!)formeer een kwaad tegen ulieden en denk tegen ulieden een gedachte; zo bekeert u nu een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed (Jer. 18:11Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen ulieden, en denk tegen ulieden een gedachte; zo bekeert u nu, een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed.).
De doodse stilte in de kerk toen, en de doodse stilte in de kerk nu, is een teken van Gods oordeel. Ook over ons. Zoals staat in Psalm 74. Het klinkt als een zucht: Er is geen profeet meer! (Ps. 74:9) Want de Heere zwijgt. Het is de vervulling van de profetie van Amos: Zo zegt HEERE: Zie, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN (Amos 8:11Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN.).
Want de Heere zwijgt. Daarom is het zo stil. In Silo… In de Gereformeerde Gemeenten…
De stelling, die opkomt uit onze tekst, en die ik in deze preek verder uit wil werken, is: Het gebrek aan dienaren des Woords, de zwijgende stem van de Heere in deze tijd, is een oordeel van God en vraagt om persoonlijke en ambtelijk verootmoediging, om berouw en bekering.
Laten we samen eerst kijken naar de omstandigheden in de tijd van Eli en zijn zonen Hofni en Pinehas. En ondertussen proberen we ook parallellen te trekken met onze tijd.
Als je de eerste hoofdstukken van het 1 Samuël boek begint te lezen, vallen er direct een aantal dingen op. Ze schetsen de omstandigheden van die geestelijk donkere tijd. Ik ga er u een vijftal noemen.
a. Als eerste wil ik graag hierop wijzen: Als Hanna bij de tabernakel haar nood voor de Heere brengt, denkt de priester Eli dat ze dronken is (1 Sam. 1:13Want Hanna sprak in haar hart; alleenlijk roerden zich haar lippen, maar haar stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken.).
Kennelijk heeft Eli geen oog meer voor waar het in de kerk echt om draait: om zielen in nood, om zielen op weg naar de eeuwigheid. Hij is kennelijk druk met andere dingen.
b. Het tweede wat opvalt in de omstandigheden van die tijd is: De directe suggestie van Eli, dat de biddende Hanna dronken is. Dat roept het beeld op, dat dat vaker gebeurt: komen naar de tabernakel, naar het heiligdom van de heilige God, vol van wijn, plezier en wereldse dingen.
c. Een derde ding wat opvalt aan de omstandigheden in die tijd is wat staat in 1 Samuël 2:12Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden den HEERE niet.: Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden den HEERE niet. Ambtsdragers die de Heere niet kennen. Dat, broeders (van de kerkenraad), is een spiegel voor mij en voor u. Het dringt ons tot het gebed: Doorgrond en ken mijn hart, o Heere? Ben ik geen Hofni, ben ik geen Pinehas?
d. Een vierde kenmerk van die tijd staat genoemd in 1 Samuël 2 vers 13-15: de priesters misbruiken het offer voor hun eigen gewin. Ze zijn corrupt, ze stelen, ze doen mensen tekort. En vooral de zwakken. Ze zijn alleen maar bezig met hun eigen status, met hun eigen aanzien, en met hun eigen plezier.
e. Een vijfde en laatste kenmerk van die tijd is ons voorgelezen uit 1 Samuël 2:22: Doch Eli was zeer oud, en hoorde al wat zijn zonen aan gans Israël deden en dat zij sliepen bij de vrouwen die met hopen samenkwamen aan de deur van de tent der samenkomst. De heilige plaats van de tabernakel is verworden tot een broeinest van immoraliteit. Het huwelijk wordt ontheiligd, oog in oog met de heilige God, bij Zijn heiligdom. Zonde is geen zonde meer. Het zicht op de Kabod, het Hebreeuwse woord voor de heerlijkheid van de HEERE, het zicht op die Kabod is verdwenen. En dan verdwijnt die Kabod, dan wordt het vanzelf I-kabod Dan wordt het vanzelf stil in Silo. En ook in de Gereformeerde Gemeenten, ook in [plaatsnaam].
Is dit alles, gemeente, ook geen tekening van onze tijd? Is dit alles, gemeente, ook geen tekening van de situatie binnen onze gemeente? Ik zeg dit niet als een eenzijdige beschuldiging. Dit is iets van wij, van mij en u, van ons samen. Wij hebben God op het hoogste misdaan. En daarom zwijgt de Heere. Laten we de woorden van de profeten tot de onze maken: Het woord van de profeet Jeremia: HEERE, wij kennen onze goddeloosheid en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd (Jer. 14:20HEERE! wij kennen onze goddeloosheid, en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd.). Het woord van de profeet Daniël: O Heere, bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten en bij onze vaderen, omdat wij tegen U gezondigd hebben (Dan. 9:8O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.). En laten we ons gewaarschuwd weten door het woord van de apostel Johannes: Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn Woord is niet in ons (1 Joh. 1:10Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn woord is niet in ons.)
Met andere woorden: ga nu niet straks de kerk uit, denkend: dit is niet mijn schuld, dit is niet onze schuld, dit is de schuld van anderen. Dan maakt u God tot een leugenaar. En wie het Woord van de Almachtige beschouwt als een leugen, en wie de Almachtige Zelf houdt voor een leugenaar, die maakt zich mede schuldig aan de stilte, aan het zwijgen van het Woord des Heeren.
De nood van de tijd van toen, is de nood van de tijd van nu. Het gebrek aan dienaren des Woords nu, lijkt op de stilte destijds in Silo. Wij, in [plaatsnaam], wij, de Gereformeerde Gemeenten, wij lijken op Silo. En dat roept ons op tot bekering, tot verootmoediging en berouw. Niet anderen, maar ons! En daarom gaan we samen zingen, uit Psalm 106:4: Wij hebben God op 't hoogst misdaan; Wij zijn van 't heilspoor afgegaan; Ja, wij en onze vaad'ren tevens, Verzuimend' alle trouw en plicht, Vergramden God, de God des levens, Die zoveel wond'ren had verricht.
---------------------------------
Gemeente, wat moet er veranderen, en wat gaat er veranderen, als God ingrijpt? In Silo? En hier?
In de eerste plaats moeten we eerlijk onder ogen zien, kijkend naar de geschiedenis van Eli en van zoveel andere geschiedenissen in de Bijbel, dat de schuld van het verval van de kerk in eerste plaats ligt bij de priesters: bij Eli en bij Hofni en Pinehas.
Medebroeders van de kerkenraad, we hoeven als het gaat om de nood van onze gemeente en van de kring van onze gemeenten niet in de eerste plaats te bidden voor de curatoren. Dat voelt misschien wel veilig en gemakkelijk, maar dat gaat voorbij aan het probleem van… onszelf. Zeker we bidden voor de curatoren om wijsheid, om inzicht, om het volgen van de richting die de Heere hen wijst. En dat wensen we hun ook van harte toe. Maar voor ons is het in de eerste plaats zaak om zelf in de spiegel te kijken. Met de vraag: Waar zijn wij mee bezig? Waar zijn wij druk mee? Heeft het Woord van de Heere een centrale plaats in ons leven? Hoe staat het met ons stille luisteren naar de sprekende God, naar dat: Zo zegt de HEERE? En hoe staat het met onze houding ten opzichte van de zonden van Silo? Hebben we ook iets van de toegeeflijkheid van Eli? Of misschien zelfs wel van het met Hofni en Pinehas meegaan met de volkszonden van Silo? Is zonde in onze gedachten en in ons spreken echt zo erg, als dat zonde werkelijk is, in de ogen van de heilige God? En ziet en voelt de gemeente dat ook?
En kwijten we ons van onze taak, om zondaars te vermanen, om met hun zonden te breken, om zo het verderf te ontgaan? Of zeggen we stilletjes, ter wille van de lieve vrede: ‘Vrede, geen gevaar!’, terwijl een haastig verderf hun overkomen zal? (1 Thes. 5:3) Onze God is heilig. En als de heilige God oordeelt Hij over de zonden van Silo, en over de zonden van [plaatsnaam]. En Zijn stem zal zwijgen, en Zijn heerlijkheid zal wijken, als wij ons (ook als ambtsdragers) niet van onze zonden bekeren.
In de tweede plaats roept het zwijgen van de Heere ons allemaal op tot bekering, tot berouw en tot verootmoediging. En daarbij wil ik graag, lettend op de omstandigheden van destijds in Silo, de volgende zaken noemen:
a. Als eerste dit: Het is goed om in een kerkdienst als deze extra stil te staan, en ook nadrukkelijk te bidden voor meer predikanten en om hulp en zegen voor de broeders curatoren. Maar, zijn we wel echt biddende mensen? God ziet naar waarheid in het binnenste. Als we hier in het openbaar bidden, en niet in het verborgen, dan is dat wat we doen in Gods ogen een walgelijke vertoning. Dan geldt ook ons wat de Heere zegt door de mond van de profeet Jesaja: Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel (Jes. 1:14Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen.).
b. En, als tweede: Als de Heere ons dan verhoort, en we krijgen één, twee, drie of vier studenten, is er dan in ons hart ook oprechte dank? Of gaan we dan weer verder met mopperen? Omdat de zegen ons niet bevalt? Laten we oppassen dat we het manna van de Heere niet gaan uitspugen als zijnde walgelijk brood naar onze smaak!
c. Past hier (in de derde plaats) ook niet de oproep aan het adres van ons allemaal om te stoppen met het minachten van het Woord van de Heere, zoals dat gebeurde in Silo? Als de Heere spreekt over zonde en genade, en wij denken er het onze van? En wij maken er onze eigen varianten van? Als we niet meer naar de Heere willen luisteren, moet het dan verbazen als de Heere de stem van de profeten vroeg of laat het zwijgen oplegt? Zoals de Heere zegt door de mond van de profeet Jeremia: Maar indien het doet wat kwaad is in Mijn ogen, dat het naar Mijn stem niet hoort, zo zal Ik berouw hebben over het goede met hetwelk Ik gezegd had hetzelve te zullen weldoen (Jer. 18:10)
d. De tijd van Eli, en zo was het ook in de tijd van de profeet Amos, was (in de vierde plaats) ook een tijd waarin onrecht gedaan werd aan de zwakken. Juist zij werden tekort gedaan. Zijn wij vrij van die zonden? Telt iedereen even mee, in onze gemeente? Halen we nooit de neus op voor een ander? Voor tobbers, voor geestelijke tobbers? Voor armen, voor geestelijk armen?
Zo was het in tijd van Eli ook. En ook in de tijd van Amos. De arme werd vertrapt. De nooddruftige werd verstoten (Amos 5:11-12Daarom, omdat gij den arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt gij wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt gewenste wijngaarden geplant, maar gij zult derzelver wijn niet drinken. Want Ik weet, dat uw overtredingen menigvuldig, en uw zonden machtig vele zijn; zij benauwen den rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstoten de nooddruftigen in de poort.). En als reactie daarop zegt Amos: Zie, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN (Amos 8:10-11). Omdat de stem van de Heere zal zwijgen.
e. De tijd van Eli, en van zijn zonen Hofni en Pinehas, was (in de vijfde plaats) ook een tijd van dronkenschap en immoraliteit. Hoe staat het daarmee onder ons? Hoe staat het met ons diepe respect voor de heiligheid van het huwelijk, vanwege de heilige God die het huwelijk heeft ingesteld? En die de seksuele gemeenschap ook nadrukkelijk heeft voorbestemd voor binnen die unieke verbondsrelatie van man en vrouw? Zijn onze grenzen niet gaan schuiven als het gaat over seks voor het huwelijk, als het gaat over echtscheiding, als het gaat over homoseksualiteit? Wat doen we met het heilige spreken van de heilige God op deze en andere terreinen van ons leven? Zijn we echt Petrakerk [wijzig naam eigen kerk], gebouwd op het fundament van de Heilige Schrift? Of zijn Silo-kerk aan het worden?
f. En (in de zesde plaats), klopt ons leven wel met wat de Bijbel zegt? Met wat we op zondag lezen en horen? Of vallen we onder het oordeel van de profeet Jeremia als hij zegt: Zult u stelen, doodslaan en overspel bedrijven en vals zweren en Baäl roken, en andere goden nawandelen, die u niet kent? En dan komen (op Mijn heilige dag) en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost; om al deze gruwelen te doen? Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een spelonk der moordenaars? Zie, Ik heb het ook gezien, spreekt de HEERE. Want gaat nu heen naar Mijn plaats die te Silo was, alwaar Ik Mijn Naam in het eerst had doen wonen; en ziet wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van Mijn volk Israël. En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt de HEERE, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt, zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop u vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen gelijk als Ik aan Silo gedaan heb. En Ik zal ulieden van Mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als Ik al uw broederen, het ganse zaad Efraïms, weggeworpen heb (Jer. 7:9-15Zult gij stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en valselijk zweren, en Baäl roken, en andere goden nawandelen, die gij niet kent? En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen? Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een spelonk der moordenaren? Ziet, Ik heb het ook gezien, spreekt de HEERE. Want gaat nu henen naar Mijn plaats, die te Silo was, alwaar Ik Mijn Naam in het eerst had doen wonen; en ziet, wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van Mijn volk Israël. En nu, omdat gijlieden al deze werken doet, spreekt de HEERE, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar gij niet geantwoord hebt; Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop gij vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen, gelijk als Ik aan Silo gedaan heb. En Ik zal ulieden van Mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als Ik al uw broederen, het ganse zaad van Efraïm, weggeworpen heb.). --------
Is er nog wel hoop, verwachting voor ons in [plaatsnaam], voor onze Gereformeerde Gemeenten, voor de kerk in Nederland? Jazeker. Want midden in die donkere tijd in Silo is er opeens een kleine jongen: Samuël… En (zo begint vers 1) de jongeling Samuël diende HEERE voor aangezicht van Eli.
Hoewel het oordeel ondertussen wel verdergaat! Want nog maar één hoofdstuk verder roept een stervende moeder: Ikabod, de eer, de heerlijkheid van de HEERE is(!) geweken! (1 Sam. 4:21En zij noemde het jongsken Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël! Omdat de ark Gods gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil.) Maar desondanks gaat de Heere door met Zijn Eigen werk. En dat zegt alles over het eenzijdige van Gods handelen, in die donkere tijd, en nu.
Het oordeel wordt aangekondigd. Het is onafwendbaar. Maar Eli, kind en knecht van God, en Hofni en Pinehas, ze gaan door. Maar de grote vraag is: Wat doen wij? Gaan wij ook door? Met de dingen die ik zojuist noemde? Of dringt de nood van onze gemeente en van ons kerkverband ons tot bekering? Niet tot het wijzen met de vinger naar anderen. Maar tot gebogen knieën? En tot het breken met ambtelijke zonden? En tot het breken met persoonlijke zonden? Of laten we de maat verder vol lopen? Totdat straks alles voor het oog misschien wel gewoon doorgaat, maar op de voorkant van de kerk staat geen Petrakerk [naam wijzigen] meer, maar… Ikabod. De eer, de heerlijkheid is geweken…
Geliefde gemeente, de tijd dringt. We leven onder de dreigende oordelen van God. Niet alleen buiten de kerk, in deze wereld vol onrust en geweld. Maar ook binnen de gemeente is de stilte pijnlijk. En het zwijgen van de stem van de Heere is dreigend. Maar vooral: onze zonden zijn hemeltergend. En ons niet willen luisteren, ons doorgaan op de weg van de zonde is levensgevaarlijk. De Heere is barmhartig en genadig. Maar Hij zal niet in eeuwigheid twisten met de mens.
En toch, ik zei het al, is er midden in die donkere tijd een straal van licht en hoop. Eenzijdig, bij God vandaan. Want de Heere wil Zijn volk niet kwijt. Zoals ook deze gemeente in [plaatsnaam] tot op de dag van vandaag hangt aan de gouden draad van Gods eenzijdige liefde en trouw. Wij hebben Hem op het hoogste misdaan. Maar Hij laat ons nog niet los. Maar dat is geen vanzelfsprekendheid! En dat is, zonder bekering, ook eindig…
Een straal van licht, midden in die donkere tijd: En de jongeling Samuël diende de HEERE voor het aangezicht van Eli. De Heere bereidt in stilte een jonge jongen voor, om nu en straks te dienen in Israël. Dan wordt de stilte toch weer doorbroken. Dan klinkt opnieuw het: Zo zegt HEERE! Kijk maar in vers 35: En Ik zal Mij een getrouwen priester verwekken, die zal doen gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; die zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht Mijns gezalfde wandelen. Hij zal de moed hebben, die Eli niet had(!), om te waarschuwen tegen de zonde! Om Israël op te roepen te breken met hun afgoden. En om het volk te richten, volgens de heilige inzettingen van de Heere, de God van Israël.
Zo bidden wij, dat er ook in deze tijd van die jonge jongens zijn. Knullen, jongens, wie van jullie heeft lust om de Heere te vrezen, ’t allerhoogst en eeuwig goed? En wie van jullie wil in de toekomst staan in deze plaats? Om het Woord van de Heere te verkondigen? Om de zonde aan te wijzen? En de weg ter ontkoming door de Heere Jezus Christus?
Zo bidden wij, dat er ondanks ons, ook in deze tijd van die mannen zullen zijn. Door God geroepen. Die zich [volgende week] zullen melden in Rotterdam. En dat de Heere hen met Zijn almachtige hand zal uitstoten in de wijngaard. Om zo de belofte van Psalm 106 te vervullen: Nochtans was God met hen begaan, Hij zag hun angst, hun tranen aan, En hunner hateren verwoedheid, Hij dacht aan Zijn gestaafd verbond, En had berouw, naar al Zijn goedheid, Meedogendheid met Isrels wond.
Amen.
Slotzang Psalm 106:24
Andere preken over 1 Samuël
Andere preken voor Curatorium