PREEK · VRIJE STOFFEN

God hoort roepen van de jonge raven - Psalm 147

13 juli 2025

Psalm 147:9: Die het vee zijn voeder geeft, aan de jonge raven als zij roepen.

INLEIDING

De Heere hoort het geroep van de jonge raven. Ten eerste hun karakter: raven zijn onrein, egoïstisch en door hun ouders verlaten – een beeld van onze zondige staat voor God. Ten tweede hun geroep: sommigen roepen nooit, sommigen bidden zonder echt te roepen, maar wie geestelijke honger kent, roept dringend, hongerig, blijvend, schreeuwend en pleitend tot God. Ten derde hun verhoring: de Heere hoort zulk roepen graag en verzadigt hongerige zielen met het Brood des levens, Christus Zelf.

THEMA

De Heere hoort het geroep van de jonge raven

KERNPUNTEN

  1. Hun karakter
  2. Hun roepen
  3. Hun verhoring

PSALM 147:7-12

7 Zingt den HEERE bij beurten met dankzegging, psalmzingt onzen God op de harp.
8 Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;
9 Die het vee zijn voeder geeft, aan de jonge raven als zij roepen.
10 Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards, Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.
11 De HEERE heeft een welgevallen aan hen die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
12 O Jeruzalem, roem den HEERE; o Sion, loof uw God.

VOLLEDIGE TEKST

God hoort roepen van de jonge raven - Psalm 147

ds. J. IJsselstein - Psalm 147:9

THEMA

De Heere hoort het geroep van de jonge raven

Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen/vanmiddag kunt u vinden in Psalm 147, daarvan het negende vers. We overdenken met Gods hulp samen Psalm 147:9: Die het vee zijn voeder geeft, en dan vooral deze woorden: Aan de jonge raven als zij roepen.

Het thema voor de preek is: De Heere hoort het geroep van de jonge raven

De Heere hoort het geroep van de jonge raven. Er zijn drie aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op het karakter van jonge raven, op hoe ze zijn. In de tweede plaats op hun geroep. En in de derde plaats op de verhoring van hun geroep. Dus drie aandachtspunten: 1. Hun karakter 2. Hun geroep 3. Hun verhoring Als eerste dus:

1. Hun karakter

Raven, wat zijn dat eigenlijk voor beesten? Raven zijn vergelijkbaar met, maar een stuk groter dan, onze zwarte kraaien. Je kent die vogels wel, jongens en meisjes, die schreeuwende kraaien. Je kunt de raven daarmee vergelijken, maar ze zijn wel een slag groter. Raven zijn slim, raven zijn intelligent. Maar, ze zijn vervelend, irritant, egoïstisch en gemeen. Ze slepen van alles met zich mee. Ze ‘stelen als raven’. Ze halen de nestjes van de koolmezen leeg en ze eten de nootjes van de pimpelmezen op. Ik heb altijd een onbedwingbare neiging in me om op het raam te kloppen als ik ze zie, om ze weg te jagen, zeker als ze andere mooie, kleine vogeltjes lastigvallen. Maar, al jaag je ze weg, binnen no-time zijn ze er weer, brutaal als ze zijn. Ze kijken gewoon brutaal door het raam naar binnen.

Raven. Er zijn er veel te veel van. Ze zijn zwart. Ze zingen niet mooi. Ze schreeuwen. Ze zijn niet aantrekkelijk. De meeste mensen minachten en verachten de kraaien.

Ze zijn naar Bijbelse richtlijn ook onrein, omdat ze zich, als ze daar de kans voor krijgen, ook tegoed doen aan het dode lichaam van een dier of mens. De Spreukendichter zegt: Het oog, dat de vader bespot of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek (dat doen ze dus!) uitpikken (Spreuken 30:17).

Raven, kraaien zijn onrein, en daarom zijn ze ook een beeld van de zonde en de gevolgen daarvan. De zonde pikt je ogen uit, de zonde verblindt je. Daarom mochten de Israëlieten ook geen raven opeten. Er staat in Leviticus 11: En van het gevogelte zult u deze (dieren) verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend, en de gier, en… de kraai(!), naar haar aard, alle… raaf(!!) naar haar aard (Leviticus 11:13-15, zie ook Deuteronomium 14:14).

Het zijn vogels, de kraai en de raaf, om te minachten. Bah! Heb je ooit gezien dat iemand een kraai in een vogelkooitje had? Nee, wie doet dat nu? Wel een mooie roofvogel of een prachtig zangvogeltje Wel een mooie grasparkiet, een prachtig zingende kanarie of een felgekleurde gouldamadine. Maar geen zwarte raaf!

De raaf, een grote kraai… Zoals iedere vogel uit een ei geboren. Klein en kwetsbaar. Meestal door de oudervogels goed en liefdevol verzorgd. Maar een raaf wordt, als hij eenmaal uit het ei gekropen is, vrij snel door zijn ouders alleen gelaten. Die zijn, egoïstisch als ze zijn, meer bezig met zichzelf, dan met hun kleine kroost. De oudervogels laten de jonge raven, zodra ze maar enigszins voor zichzelf kunnen zorgen, alleen achter. Dat kan zo’n jong diertje het leven kosten. En daarna is er helemaal niemand meer die naar het beestje omkijkt. Dan is het gewoonweg dood, verdwenen, vergaan. Daarom zegt Job: Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is? (Job 39:3)

Kraaien en raven, zijn net als alle andere vogels, geschapen op de vijfde dag van de schepping. Anders dan jij en ik. Wij, mensen, zijn geschapen op de zesde dag. We zijn niet ontstaat uit de apen, maar we zijn geschapen naar het beeld van God. We zijn niet ontstaan om te sterven, maar we zijn geschapen om te leven, om eeuwig te leven. Niet in staat, ja, wel om te sterven, maar niet in staat om (zoals de raven) ooit te verdwijnen. Jonge raven, die geen eten vinden, gaan dood en verdwijnen in het niet. Maar zo zal het ons niet gaan. Wij moeten wel sterven, maar zullen niet en nooit verdwijnen.

Lijken wij eigenlijk niet heel erg op die raven, op die kraaien? Nee, ik bedoel niet dat wij in het oog van anderen vervelend, irritant, gemeen of egoïstisch zijn. Maar ik bedoel dit: zijn wij in het oog van God ook niet als een kraai? Als een raaf? In Gods oog vervelend, irritant, egoïstisch, zelfzuchtig en opstandig? Als mensen die God uitdagen om weggejaagd te worden! Maar wat er ook gebeurt, binnen no-time zijn we er weer en gaan we weer verder met wat we deden, met zondigen tegen God.

Is dat niet uw leven? Is dat ook niet jouw leven? Bent u, ben jij in Gods oog ook niet onrein, zwart, brutaal, stelend en stukmakend? Maar tegelijkertijd kwetsbaar als een vogel. Eén schot hagel is genoeg. Hij dwarrelt naar beneden. Even niet eten is genoeg. Hij heeft geen kracht meer om te vliegen. Zoals de jonge raven, zo zijn ook wij. Zo zij, zo wij: Onze dagen vliegen daarheen.

Wat lijken we toch op die raven! En toch, ook weer niet. Ik zei het al: Wij zijn geschapen op een andere dag. Wij zijn geschapen naar Gods beeld, als het pronkstuk, het summum van Gods schepping. Geschapen ook voor altijd. Geschapen om nooit meer te verdwijnen, om altijd te leven. Of, sinds onze zonde, om altijd te sterven.

Wat doen raven? Jonge raven? Onze tekst zegt: De jonge raven roepen. Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt

2. Hun roepen

Je zegt: ‘Dat is een soort van automatisch, ingeschapen, ongericht en instinctief, maar duidelijk hoorbaar piepen en krassen.’ Ze roepen om eten. Zeker als ze nog in het nest zitten, als ze net uit het ei zijn. Maar dan komen die ouders nog wel. Maar ze roepen vooral om eten als de oudervogels denken: ‘Nu ben je groot genoeg. Zorg nu maar voor jezelf.’ Dan hebben ze het moeilijk. Dan hebben ze honger. Ze zijn aan hun lot overgelaten en dus roepen ze.

En (vind je dat, jongens en meisjes, niet heel bijzonder?) de Heere hoort ze. En Hij zorgt voor ze. Onze tekst zegt: Hij (God) hoort de jonge raven als zij roepen. Zoals ook staat in Psalm 104: Zij allen wachten op U, dat U hun hun spijs (hun voedsel) geeft te zijner tijd. Geeft U ze hun, zij vergaderen ze; doet U Uw hand open, zij worden met goed verzadigd (Psalm 104:27-28). En de Heere Jezus zegt in Mattheüs 6:26: Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve. En in onze tekst zegt de psalmdichter: Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.

Zij, de jonge vogeltjes van die irritante beesten, zij roepen. En… God hoort. Roept u? Roep jij? Nee, u bent niet zoals de jonge raven aan uw lot overgelaten. Want u hebt zelf gekozen voor uw eigen lot. U bent niet verlaten door uw Schepper en Maker. U hebt Hem zelf verlaten en sindsdien is uw toestand ellendig, ontheemd, alleen en eenzaam. Zonder uitzicht en zonder God. Roept u? Roep jij?

a. Er zijn mensen die nooit roepen. Ik bedoel: er zijn mensen die nooit echt bidden. Zelfs jonge raven kunnen niet overleven zonder te roepen. Denkt u, die opzettelijk uw Schepper verlaten hebt, dat wel te kunnen?

De Bijbel zegt: De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan (Psalm 49:12). Zij gaan dood en vergaan. Zij zijn weg en zijn niet meer. Maar, boven de beesten, zijn wij naar Gods beeld geschapen. Geschapen voor de eindeloze eeuwigheid. En dus betekent dat sterven en vergaan voor ons: niet weg zijn of verdwijnen, maar God ontmoeten. Dan is roepen te laat. De Spreukendichter zegt: Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt, dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg (ernstig) zoeken, maar zullen Mij niet vinden. Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren. Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad (Spreuken 1:27-30). Geloofde u maar, u die uzelf liever als een zangvogeltje ziet, geloofde u maar dat u een zwarte kraai, een opstandige raaf bent in Gods oog. Dan zou u wel roepen, maar nu roept u niet. Pas op, straks is het te laat!

b. Sommigen bidden wel, met regelmaat zelfs, maar zij roepen nooit. Ze hebben wel veel te vragen. Meestal iedere dag hetzelfde. Ze lijken daarmee meer op papegaaien, dan op roepende raven. Jakobus zegt: U bidt, en u ontvangt niet (‘klopt’, zegt u). Omdat u kwalijk bidt (zegt Jakobus), opdat u het in uw wellusten doorbrengen zou (Jakobus 4:3). U bidt om voorspoed, om geld, om kleding en om eten. Jij bidt om goede cijfers, om beterschap bij ziekte en om heel veel andere dingen meer. Zijn dat dan verkeerde dingen? Nee, maar is dat het allerbelangrijkste waar een christen om bidden moet? Ja, voor een raaf wel. Wie zal het beestje kwalijk nemen dat hij alleen maar roept om eten? Maar voor een mens, zoals jij en ik? Je kan bidden om verzadiging van honger naar geluk, naar fijn voelen, naar voorspoed, naar vriendschap en naar spullen, maar is er niet iets anders, waar je eigenlijk veel harder om moet roepen? Waar je echt om moet roepen? Ik bedoel om de nood van je hart, om de nood van je ziel! Om verzadiging van geestelijke honger. Om het Brood des levens.

c. En dan zijn er nog mensen die echt roepen, zoals de jonge raven. Ze roepen, zomaar, ongericht, in het wilde weg, ik weet niet waarheen…? Nee, want zo roepen de jonge raven ook niet! Job zegt: ze roepen, ze schreeuwen tot God! Wie bereidt de raaf haar kost, zegt hij, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is (Job 39:3)? Het zijn mensen, jongeren of ouderen, die met de dichter zeggen: Zoals een hert schreeuwt naar water, zoals een jonge raaf schreeuwt naar voedsel, zo schreeuwt mijn ziel tot God! We gaan het samen eerst zingen uit de bekende 42e psalm, daarvan het eerste vers. We zingen samen Psalm 42:1:

't Hijgend hert, der jacht ontkomen, Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frisse waterstromen, Dan mijn ziel verlangt naar God. Ja, mijn ziel dorst naar den HEERE, enz.

Ik was begonnen met iets te zeggen over mensen, ouderen of jongeren, die niet echt roepen. Die niet echt roepen als jonge raven. Want wat is dat voor een soort roepen, waar ik op doel?

a. Dat roepen is een dringend roepen van arme zondaars, die aan de weet gekomen zijn: ik ben zwart, ik ben onrein, verloren en bezig te vergaan. Ik heb tegen God gezondigd en ik heb geen recht op voedsel, ik heb geen recht op Gods genade. Maar ik kan ook niet meer verder zonder voedsel, zonder Gods genade. Wie nog zonder kan, die gaat niet roepen. Maar wie honger heeft, wie geestelijke honger heeft, die roept tot God.

Honger? Nee, aanvankelijk dacht ik het zelf nog wel te kunnen, alleen of samen met God. Mezelf verbeteren, mezelf opknappen. Maar het is allemaal mislukt. Ik kan het niet. En diep in mijn hart is er ook een harde onwil. Diep in mijn hart is er zelfs vijandschap tegen God. En toch kan ik niet zonder Hem. Mijn ziel moet verlost worden. Maar ik kan mijn ziel niet verlossen. De prijs ervan is te hoog. Mijn leven moet ook anders. Maar ik kan mijn leven niet veranderen. Mijn hart is te verdorven. Ik heb honger. Mijn ziel schreeuwt van dorst. Maar ik kan mijn honger en dorst zelf niet stillen. En ook al zie ik eten of water, ik kan er zelf niet bij. Het roepen van arme zondaars is een dringend roepen.

b. Hun roepen is in de tweede plaats ook een hongerig roepen. Het roepen van zulke zondaars lijkt sprekend op het roepen van de jonge raven. Ze zijn klein, de Heere werkt pas in hun hart. En ze hebben honger. Ze hebben honger en dorst naar God en naar Zijn gerechtigheid. En hoe meer hun honger knaagt, hoe harder ze gaan roepen.

c. Het is een dringend en hongerig roepen, maar het is ook een blijvend roepen. Het is een roepen vanuit de nood van het hart. Denk maar aan de dichter van Psalm 141: Ik roep, Heere, in angst(!) tot u gevloden.

d. Het is een dringend, hongerig en blijvend roepen. Het is in de vierde plaats ook een schreeuwen tot God vanuit de nood van het hart. Zoals de jonge raven, zegt Job, tot God schreeuwen omdat er geen eten is (Job 39:3). Zo kan het hart van een levend gemaakt mens, in nood en in stilte schreeuwen tot de levende God. Jonge raven piepen schril, zonder woorden, tot God. Zo ook die pasgeboren kinderen van God. Ze bidden soms met woorden: schuld belijdend, smekend en vragend. Maar soms drukt de last van de zonde hen zo erg, soms zijn ze zo verward dat ze geen woorden hebben, alleen maar zuchten. Zuchten om hun zonden, die Gods hoogheid schonden. Zoals de dichter in Psalm 141: Ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep (Psalm 141:1). Zoals in Psalm 63: O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water (Psalm 63:2).

e. In de vijfde plaats mag dat roepen van arme zondaars ook een pleitend roepen zijn. U zegt: ‘Zijn er dan redenen, zijn er dan pleitgronden voor zulke roepende zondaars?’ Waar kan en mag u roepend op pleiten? Waar mag u roepend op wijzen?

U mag in de eerste plaats wijzen op uw ellende. Zoals Hizkia de brieven van Sanherib uitspreidde voor de Heere, zo mag u uw zonden en ellende voor de Heere neerleggen (Jesaja 37:14). Zoals de dichter van Psalm 25 het deed, toen hij zei: Vergeef, Heere, mijn ongerechtigheid (kijkt U maar!), want die is groot (Psalm 25:11). U mag wijzen op uw ellende.

U mag in de tweede plaats de Heere wijzen op Zijn genade. Op de gepastheid van Zijn genade voor u, die niets verdient. Ging het om goede werken, dan had u niets om naar te wijzen. Maar nu het gaat om zonde en genade, nu mag u zeggen: Heere, wees mij, zondaar, genadig! U mag de Heere wijzen op Zijn genade. U mag de Heere wijzen op het vrije van Zijn genade. Genade betekent immers: er is geen waarde in de ontvanger.

U mag de Heere wijzen op uw eigen onvermogen om te doen en te geloven, tenzij de Heere Zelf het doet. U mag de Heere wijzen op Zijn Eigen wil. Immers God Zelf gebiedt zondaars om te komen en te geloven. En Hij dreigt hen met oordeel, als zij niet komen en geloven. Zeg dan maar in uw hart: ‘Heere, zie hier ben ik.’

U mag biddend pleiten op andere voorbeelden uit de Bijbel. Op Jakob, op Simson, op David, op Maria die zeven duivels had, op de moordenaar aan het kruis, op Petrus of op Saulus. Eén voor één zondaars, zonder rechten.

U mag terwijl u bidt ook wijzen op het gebed van de Heere Jezus in Johannes 17. Hij bad voor hen die nog niet geloofden (Johannes 17:20). U mag wijzen op Zijn liefde en bewogenheid met harde en verharde zondaars. Op Zijn wenen en op Zijn tranen. Op Zijn ontvangen van tollenaars en zondaars. Ja, zeg Hem biddend en roepend, hoe u juist dat nodig hebt, wat Hij alleen geven kan. Als de Heere zegt: ‘Die gezond zijn hebben geen dokter nodig, maar die ziek zijn’, zegt u dan: ‘Heere, mijn ziel is ziek, mijn ziel is doodziek. Zonde en ongeloof zijn de ziekte van mijn hart. Red me toch?’

Ja, u mag zelfs pleiten op de zorg van de Heere voor onredelijke en onreine dieren. Zou Hij die de roep van de jonge raven hoort, Zijn ogen sluiten voor uw roepen? Zou Hij die hun roep om eten hoort, Zijn oren sluiten als u bidt om Zijn genade? Nee nooit. De dichter van Psalm 34 zegt: Zij roepen en de HEERE hoort (Psalm 34:18). En de dichter van Psalm 4 zegt: De HEERE zal horen, als ik tot Hem roep (Psalm 4:4). En, zo belooft de Heere door de mond van Jesaja: En het zal zijn, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden (Jesaja 65:24). Want zo is de Heere. We zien het tot slot in onze derde gedachte:

3. Hun verhoring

Wie de Heere is en wil zijn voor zulke roepers, dat zien we in deze psalm. Een psalm die mogelijk gedicht en gezongen is in de tijd van David, na zijn verlossing uit de handen van koning Saul. Het is ook mogelijk dat het een lofpsalm is van degenen die teruggekeerd zijn uit Babel in de tijd van Nehemia. Maar hoe dan ook, het is gebleken dat God het geroep van jonge raven, het roepen van zondaars hoort. Kijkt u maar in vers 3: Hij geneest de gebrokenen van hart en Hij verbindt hen in hun smarten. En in vers 11: De HEERE heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen. God heeft een welgevallen aan zulke mensen (want Hij ziet iets in hun hart van Zijn eigen werk), en Hij hoort hun geroep.

Jongens en meisjes, dat doet de Heere zo graag. Zijn liefste werk is om het bidden, om het roepen van zondaars te horen en te verhoren. Hoewel wij zoveel en zo zwaar tegen de Heere gezondigd hebben, luistert de Heere toch nog liever naar ons bidden, dan naar het roepen van de vogels. Zoals de Heere Jezus Zelf zegt in Mattheus 6: Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? Doe uw mond maar wijd open, Ik zal hem vervullen (Psalm 81:11).

Het is het liefste werk van de Heere om het bidden van arme zondaars te verhoren. Om armen met goederen te vervullen. Om de hongerigen brood te geven. Zoals staat in Psalm 146: Die de hongerigen brood geeft (Psalm 146:7). Welk brood? Wat voor brood? De Heere Jezus zegt het Zelf: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten (Johannes 6:35). Hoe meer je bidt, hoe meer je roept, hoe meer je eerlijk je zonden tegen de Heere vertelt, hoe meer je zult merken: de Heere, onze God vergeeft menigvuldig.

Waarom zeg ik dat zo zeker? Omdat de Heere het Zelf gezegd heeft. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want (en dan komt het!) zij zullen verzadigd worden (Mattheüs 5:6). Want Ik zal hen verzadigen. Met Mij. Want Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank voor een hongerige en dorstige ziel.

Als jonge raven roepen, dan geeft God hen te eten. Als zondaars roepen, uit de nood van hun hart roepen om genade, dan zal God hen geven: genadebrood en water des levens. Ze komen biddend, roepend, smekend en pleitend in hun gebed tot God. En Hij ontvangt ze hartelijk: Die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen (Johannes 6:37).

Jongens en meisjes, als je stilletjes op je knietjes bidt en roept om genade en om een nieuw hart, dan zal je het krijgen. Bid dan maar nog meer. En roep dan maar nog harder.

Ouderen, u mag met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van Gods genade. Hijzelf heeft gezegd: Kom tot Mij allen die vermoeid en belast bent, Ik zal u rust geven. Roep Mij aan in de dag van de benauwdheid, Ik zal er u uit helpen. Bidt en u zult ontvangen.

Hij, God, is het ten diepste Zelf, die zulke bidders leert bidden. Die zulke roepers leert roepen. Want vanuit onszelf bidden we niet. Vanuit onszelf roepen we niet. We hebben misschien wel een mooi klinkend verhaal van woorden, maar we bidden niet met ons hart. En ook na ontvangen genade kan het leven van het gebed zo inzinken en zo kwijnen. En dus bidden de discipelen de Heere ook: Heere, leer ons bidden (Lukas 11:1). Ja, als God Zelf niet met ons mee zou bidden, als de Heilige Geest niet zou meebidden in ons hart, en als Christus niet zou meebidden aan de rechterhand van de Vader, we zouden ermee ophouden. Bidden en roepen is een werk van afhankelijkheid van de Heere. Het is genadewerk van Hem alleen. Maar dat neemt niet weg dat de oproep klinkt om meer te bidden, om meer te roepen en om meer aan te houden. Paulus zegt in Romeinen 12: Volhardt in het gebed (12:12), te allen tijde biddende. En Heere Jezus zegt in Lukas 18 dat we altijd moeten bidden en niet vertragen (Lukas 18:1).

Jongelui, helpt het? Heeft bidden zin? Ja! Want de Heere is een Hoorder van het gebed. Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, en de ellendige, en die geen helper heeft (Psalm 72:12). Daarom, zoekt de HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is (Jesaja 55:6). Bidders, dat zijn gelukkige mensen.

Gemeente, dit woord ‘Hij hoort de jonge raven als ze roepen’ is tot slot heel troostvol voor twee soorten van mensen.

a. In de eerste plaats voor (zoals ze genoemd worden) de kleinen in de genade. Ze kennen iets van de zwartheid van hun zonden. Ze zijn als de jonge raven. Maar wees verzekerd, de Heere zegt het immers Zelf: Hij hoort. Nu moet u roepen, en roep nog maar meer en nog maar harder. Maar er zal een tijd komen dat u na al uw roepen zult horen: De Meester is daar en Hij roept u (Joh. 11:28). Hij is nu gekomen. Voor u. Daarom, u die God zoekt in al uw zielsverdriet, houd aan, grijp moed, uw hart zal vrolijk leven.

b. In de twee plaats is er in onze tekst vooral ook een boodschap voor jullie, jongens en meisjes. Een boodschap om niet, om nooit meer te vergeten. Je kan ook als je heel jong bent je knietjes buigen en roepen. Niemand ziet het. Niemand hoeft het ook te zien of te weten. Je zegt: ‘Ja, dat doe ik zo graag.’ Luister, de Heere hoort die jonge, zwarte vogeltjes. Dan zeker ook de jonge kinderen. De Heere hoort je echt. Hij hoort alles wat je zegt en vraagt. En Hij zal je ook zeker verhoren.

Dus als je straks na de preek weer naar huis gaat en thuis bidt, zeg dan aan het einde van je bidden maar stilletjes dit, het is de psalm die je vast goed kent: ‘Heere God, ik heb U lief. Want U hoort mijn stem, mijn smeken, mijn bidden, mijn klagen.’ Om Jezus’ wil.

Amen.

Slotzang:

God heb ik lief; want die getrouwe HEER Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen; Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.