PREEK · VRIJE STOFFEN

Simsons dorst in Lechi (V) - Richteren 15

23 juni 2024

Richteren 15:18: Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot den HEERE en zeide: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven en vallen in de hand dezer onbesnedenen?

INLEIDING

Simsons touwen breken en met een ezelskaak verslaat hij duizend Filistijnen. Maar hij roemt zichzelf: 'ik heb het gedaan', in plaats van God de eer te geven. Dan overvalt hem doodsdorst; de held wordt een bedelaar die voor het eerst roept tot de Heere, pleitend op Zijn Naam en trouw. God klieft de rots, geeft water, en Simson leeft weer op. Zo leert hij: alleen wie breekt met eigen roem en bedelt bij de Bron, ontvangt echt leven.

THEMA

De held wordt een bedelaar

RICHTEREN 15:14-20

14 Als hij kwam te Lechi, zo juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest des HEEREN werd vaardig over hem, en de touwen die aan zijn armen waren, werden als linnen draden die van het vuur gebrand zijn, en zijn banden versmolten van zijn handen.
15 En hij vond een vochtige ezelskinnebak, en hij strekte zijn hand uit en nam ze en sloeg daarmede duizend man.
16 Toen zeide Simson: Met een ezelskinnebak, een hoop, twee hopen, met een ezelskinnebak heb ik duizend man geslagen.
17 En het geschiedde als hij geëindigd had te spreken, zo wierp hij de kinnebak uit zijn hand, en hij noemde dezelve plaats Ramath-Lechi.
18 Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot den HEERE en zeide: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven en vallen in de hand dezer onbesnedenen?
19 Toen kloofde God de holle plaats die in Lechi is, en er ging water uit van dezelve, en hij dronk; toen kwam zijn geest weder en hij werd levendig. Daarom noemde hij haar naam: De fontein des aanroepers; die in Lechi is tot op dezen dag.
20 En hij richtte Israël in de dagen der Filistijnen twintig jaar.

VOLLEDIGE TEKST

Simsons dorst in Lechi (V) - Richteren 15

ds. J. IJsselstein - Richteren 15:18

THEMA

De held wordt een bedelaar

De mannen van Juda leveren hun verlosser, Simson, over aan de Filistijnen. En zij bonden hem -vers 13- met twee nieuwe touwen en voerden hem op van de rots. ‘Hier is hij. Onze Verlosser. Doe maar met hem, wat goed is in jullie ogen.’

Als hij -vers 14- kwam te Lechi, zo juichten de Filistijnen hem tegemoet. ‘We hebben hem! Onze vijand! Dit is zijn einde.’

Maar ze juichen te vroeg. Zoals de vijand te vroeg juicht op Golgotha. Hier wordt Simson gebonden overgeleverd, vooruit geduwd door drieduizend mannen van Juda. Daar wordt de Heere Jezus gebonden overgeleverd in de handen van de vijand. Als een lam ter slachting geleid, als een schaap dat stom is voor die, die het scheert, zo doet Hij Zijn mond niet open (Jes. 53.7). En het Lam wordt geslacht. Het sterft en wordt gelegd in een graf. En de vijand juicht: ‘We hebben Hem! Onze vijand! Dit is Zijn einde.’

Maar de touwen van de dood en de banden van de hel kunnen Hem niet vasthouden. Als de Vader Hem vrijspreekt. Als de Heere Jezus Zelf opstaat en triomfeert over dood en graf. Als de Heilige Geest vaardig over Hem wordt en Hem levend maakt op de dag van Zijn opstanding.

De touwen -vers 14- aan de armen van Simson worden als linnen draden die door het vuur gebrand zijn, en zijn banden versmelten van zijn handen.

Dit is profetie (zo zei ik), profetie die vooruit wijst naar de toen nog komende, grote Verlosser, de Heere Jezus Christus. Dit is ook werkelijkheid in het leven van Gods kinderen nu: onze banden breken, als de Geest van de HEERE komt. Banden van zonde: persoonlijk, ambtelijk en kerkelijk. Innerlijke banden ook: banden des doods en angsten der hel, die ons binden in de overtuiging van onze zonden. Maar de Heilige Geest breekt die banden op Gods tijd.

Gemeente, er is geen reden om smalend te doen of te denken over zulke moeilijke perioden in het leven van Gods kinderen.

Als je dat station gepasseerd bent, dan lijk je in de verste verte niet meer op de heiligen in de Bijbel. Die banden, die perioden van strijd hebben we nodig. Want zo oefent de Heere ons geloof. Opwas in de genade, groei in het oprechte geloof, is geen kwestie van steeds groter, steeds sterker en steeds beter worden. Het is een zaak van steeds kleiner en steeds afhankelijker worden. Een zaak van: Ik lag gekneld in banden van de dood, in banden van zonde, twijfel en ongeloof. En daar leerde de Heere me roepen. En toen hoorde God! (Ps. 116)

Ineens zijn Simsons handen vrij. De nieuwe touwen waarmee hij gebonden is, breken als verschroeide draadjes. En hij pakt (schrik! Simson, dit is onrein!), hij pakt een vochtige, een verse kaak van een dode ezel. Niet oud, niet breekbaar, maar ijzersterk en vers, de tanden zitten er nog in. Als een machtig wapen. En hij doodt (ondertussen stuiven de Filistijnen weg), hij doodt duizend man. En hij gooit ze letterlijk op twee hopen.

Zijn wapen was maar klein: de kaak van een dode ezel. Het wapen van de meerdere Simson, de Heere Jezus Christus, was nog kleiner. Hij had er geen. Maar desondanks overwon hij met Goddelijke kracht de macht van de vijand. Hij verbrak de banden van dood en hel en stond op uit de dood, als teken van grote overwinning. En tot op de dag van vandaag overwint Hij nog steeds vijanden. Maar Hij doet het anders dan Simson. Simson doodt zijn vijanden en gooit ze op een hoop. Maar Jezus doodt en maakt levend (1 Sam. 2.6). En Hij neemt die overwonnen en verslagen vijanden aan tot vrienden, ja tot kinderen.

Tenzij…, u niet voor Hem wilt buigen. En uzelf blijft verharden in hoogmoed en ongeloof. Beste vrienden, het houdt een keer op! Straks zal Christus zeggen: Doch deze Mijn vijanden, die niet hebben gewild dat Ik over hen Koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor Mij dood (Luk. 19.27).

Simson verslaat duizend man van de Filistijnen. Maar de overwinning verbleekt… In vers 16: Toen zeide Simson: Met een ezelskinnebak, een hoop, twee hopen, met een ezelskinnebak heb ik duizend man geslagen. Het is in het Hebreeuws eigenlijk een rijmpje: ‘Met een ezelskaak heb ik ezels van ze gemaakt. Met een ezelskaak heb ik duizend man gedood!’ In het Hebreeuws lijken de woorden voor ezel en hoop namelijk sprekend op elkaar. Wij zouden zeggen: die twee woorden, die rijmen. Het klinkt als: ‘Ezels zijn het, die Filistijnen! Als een stel ezels liggen ze nu op een hoop. Doodgeslagen met een ezelskaak. Met hun eigen ezels-kaak!’

Simson lacht. En God, Die in de hemel woont, lacht (Ps. 2:4).

Maar…, Simson, hoor je wel wat je zegt? Want wie is de overwinnaar in deze strijd? (Ps. 3.4, ber.) Hoor je wel wat je zegt? ‘Met een ezelskaak heb ik… duizend man geslagen?’ En weg gooit hij die ezelskaak! (17)

Het is een rijmpje vol narcistische flair, vol trots! Simson is verwonderd over zichzelf. Hij geeft geen eer aan God. Hij zegt: ‘Dit heb ik gedaan!’ En dus noemt hij de heuvel waar het gebeurd is ook niet naar God, maar naar zichzelf: Ramath-Lechi, kaakbeenheuvel.

En het geschiedde -vers 17- als hij geëindigd had te spreken, zo wierp hij de kinnebak uit zijn hand, en hij noemde dezelve plaats Ramath-Lechi.

Wat is ook dit uit het leven gegrepen, uit het leven van Gods kinderen en knechten. Hier dringt de oude Adam zich scherp op de voorgrond: ik ben, ook na ontvangen genade, geneigd om God van Zijn eer te willen beroven. In het persoonlijke leven: zo geneigd om trots te zijn op wat ik heb, op wie ik ben, op wat ik gedaan heb. Trots op mijn liefde, mijn tranen, mijn ootmoed, mijn nederigheid, mijn gebed, mijn geloof, mijn vrijmoedigheid… In het persoonlijke leven, maar ook (net als bij Simson) als ambtsdrager: zo geneigd om trots te zijn op wie ik ben, op wat ik gezegd of gedaan heb, op de overwinning die ik denk dat ik behaald heb.

Ik in plaats van God! Dat komt uit het paradijs. Dat komt uit ons verloren Adamshart. Zegt de Heere niet door de mond van de profeet Jeremia: Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid, een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom, Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat en Mij kent, dat Ik de HEERE ben (Jer. 9.23,24)?

Maar dit trotse hart wil, ook na ontvangen genade, ook in de dienst van de Heere, niet buigen. En dus moet de Heere er Zelf aan te pas komen.

Het leven met God, het leven in de dienst van de Heere is gevaarlijk. En dat gevaar zit hier, in ons hart. Het is gevaarlijk, broeders van de kerkenraad, om dienaars van de allerhoogste God te zijn. U zit op een gevaarlijke plek, ik sta op een gevaarlijke plaats. Want de geest van Simson leeft in ons hart: ‘Dit heb ik gedaan!’ Want de geest van de goddeloze koning Herodes leeft in ons hart: Hij gaf God de eer niet (Hand. 12.23).

Zeker, dat geven we graag toe. Zoals we zoveel dingen graag toegeven. Maar het blijven zo vaak alleen maar woorden. Woorden zonder hart. Totdat Heilige Geest ons ontmaskert, het masker van onze vroomheid (ook als ambtsdragers) aftrekt. En het ons echt laat zien en voelen, zoals op de Pinksterdag, als met een priem in ons hart. En we opnieuw als verslagen mensjes, met een verbroken hart aan Zijn voeten komen: ‘Gena, o God, mijn hart… Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods (Rom. 7.24)?

We zitten en staan op een gevaarlijke plaats, vanwege ons hart. Maar ook u, gemeente, zit op een gevaarlijke plaats. Op een plaats waar de Heere ons veel dingen gegeven heeft en geeft; juist ook in deze moeilijke tijd. In een tijd dat veel kerken krimpen, bloeit ons verenigingsleven, bloeit ons kerkelijke leven. Maar dan? Is het tijd om te vergelijken? Om tevreden te zijn? Om te zingen? Jazeker, tijd om te zingen! Maar wat is het moeilijk voor ons, om dan te zingen: U alleen, o Heere, U alleen, U loven wij! Want wij hebben er niets aan bijgedragen. Niets? Ja, niets. Dit alles is niet het resultaat van onze werken. Maar op ons roepen, op ons noodgeschrei deed en doet de Heere grote wonderen. En dus moeten we zeggen: Niet ons, o Heere, alleen Uw Naam zij eer gegeven (Ps. 115:1, ber.). Uw hand, o HEERE, heeft dit alles gedaan (Ps. 109.27).

U zit op een gevaarlijke plaats. Ik sta op een gevaarlijke plaats. Want wie krijgt de eer, nu en straks, van Gods grote daden? God zal het niet dulden als wij weer opnieuw Zijn eer willen roven. Als we opnieuw onszelf de eer gaan geven. Dan zal de Heere Zijn zegen inhouden. Dan zal Zijn gunst van Zijn volk, van Zijn kinderen wijken. Zij het (zoals we hier zien) in grote trouw en goedheid, om ons juist weer op de goede plek te brengen.

Kijk maar naar vers 18: Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot de HEERE. De Heere moet er, zoals altijd, aan te pas komen. En dat gebeurt ook, dat doet de Heere ook. De Heere vernedert Simson. En zo doet de Heere ook aan ons, om ons in deze laatste dagen op de goede plek te brengen.

Plotseling voelt die trotse geweldenaar zich volslagen uitgeput. Hij voelt zich dodelijk vermoeid van dorst. De Heere ontneemt hem zijn kracht, bijna zijn levenskracht. Want de Heere heeft geen behoefte aan helden. Als we God de eer niet geven: in ons persoonlijk leven (het is door U, door U alleen, o Heere!), en in ons ambtelijke leven (Gij, Heere alleen, Gij zijt Verwinnaar in de strijd!), dan zal de Heere ons zonder twijfel tegenkomen, net als Simson. En hier zien we, hoe nodig dat is.

Hoe nuttig en nodig wegen van tegenspoed en lijden zijn in het leven van Gods kinderen. Om niet hoog en trots te zijn en te blijven, maar te buigen. Omdat de Heere ons diep vernedert. In tijden van geestelijke hoogmoed (dat is de richting die wij uit willen!), brengt de Heere ons vaak in de nood. Want wij bedroeven met onze hoogmoed de Heere en beroven Hem (zo het mogelijk was) van Zijn eer. Van Zijn eer, die Hij aan geen ander geven wil.

De Heere vernedert ons. En wat een zegen is dat! Hij haalt ons onderuit in onze trots. Hij laat ons struikelen in onze geestelijke hoogmoed. Hij breekt onze geestelijke benen. Zodat we op de grond terecht komen. En met de dichter van Psalm 51 gaan bidden: Genade, o God, genade, hoor mijn gebed? Ik heb weer geprobeerd U van Uw eer te beroven. Was mij toch van mijn ongerechtigheid, en reinig mij toch van mijn vuile zonden. Zoals we nu eerst samen gaan zingen uit Psalm 51, daarvan het eerste vers. Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed; Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden; Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden: Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet. Ai, was mij wel van ongerechtigheid; Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden; Zie mijn berouw, hoor, hoe een boeteling pleit, En reinig mij van al mijn vuile zonden.

De Heere brengt Simson op zijn knieën. Na dat valse zingen over zijn eigen ik: ‘Ik heb de overwinning behaald. Ik heb het gedaan!’

Maar het is opvallend, hoe de Heere dat doet. Niet in het openbaar. Niet voor het oog van de Filistijnen, en ook niet voor het oog van de mannen van Juda. Maar in stilte, verborgen voor de ogen van mensen, maar wel voor de ogen van de alwetende God. Daar breekt de Heere de held. Hij dacht, en wij denken zo vaak, juist ook na gekregen genade, dat hij meer was dan zonde. En dat er dus wat te zingen viel. Maar er viel maar van één ding te zingen: Het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen! Alle roem aan onze kant is uitgesloten. Onverdiende zaligheden heb ik van mijn God genoten. Ik roem in vrije gunst alleen! Zoals de apostel zegt: Wie roemt, die roeme in de Heere (1 Kor. 10.17). Want God wil Zijn eer en de eer van Zijn Christus niet delen met een mens. Ook niet met een gered mens.

Grote dorst breekt ineens de kracht, en vooral de hoogmoed van Simson. En dan?

Dan lezen we iets heel bijzonders. Dit is de eerste keer dat we dit lezen over Simson. En daar was deze weg voor nodig. Dus laten we niet zo mopperen in wegen van tegenspoed en lijden. Dit is Gods goede doel! Het is de eerste keer dat we dit lezen: Hij riep tot de HEERE! Hij riep tot de HEERE. Hij kan geen kant uit, dan alleen deze.

Dit tekent ons harde hart. Zo diep moet het gaan, voordat we roepen. Dit tekent ook Gods Vaderlijke zorg. Hij vernedert ons, opdat we gaan roepen. Vers 18: Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot de HEERE en zeide: U hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven en vallen in de hand van deze onbesnedenen?

God breekt zijn hoogmoed, Hij breekt onze hoogmoed. Om juist daar, hoe pijnlijk Gods weg ook is, om juist daar ons hart liefdevol te omhelzen. Juist daar leren we voor het eerst of opnieuw, wat Hizkia, piepend als een zwaluw, zei: Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar U hebt mijn ziel lieflijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen (Jes. 38:17).

Kijk maar: Simson roept in vers 18. Hij roept tot de HEERE. Is dat een wanhopig roepen, met de dood voor ogen, zonder uitzicht? Nee, het is bij hem wel een roepen met de dood voor ogen, maar ook een roepen met een houvast. Met dit houvast: het is een roep met oog op Gods trouw. Met de naam HEERE op de lippen: HEERE! U laat toch nooit varen de werken van Uw handen? U zult toch Uw verbond nooit schenden?

Zou ik dan nu van dorst sterven en vallen in de hand van deze onbesneden Filistijnen? Het is een opnieuw een beroep op de Naam en de eer van de Heere. ‘Heere, als ik zal omkomen in de handen van die onbesneden Filistijnen, dan zal dat de eer van Uw Naam toch schenden? Dan zal de vijand U toch lasteren, U toch uitlachen? En zeggen: ‘Zijn God heeft hem ook als een ezel op die hopen gegooid!’ Wat zult U dan met Uw grote Naam doen? Wat geeft dat houvast aan rechteloze bidders in grote nood: de Naam van de HEERE, Zijn trouw en Zijn eer!

En dan zijn er nog twee dingen vers 18: U hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven. a. Het eerste wat Simson zegt is: Heere, ik ben toch Uw knecht? Dat is geen hoogmoed. Dat is een terugwijzen naar de onbegrijpelijke daden van God in het verleden. Het wil zeggen: Heere, ik ben toch van U? Ik ben toch Uw eigendom? U hebt me toch geroepen in Uw dienst? Red me dan toch, o getrouwe God, Die nooit laat varen het werk van Uw handen? En verlos me dan toch, ook nu in mijn totale onvermogen om mezelf en mijn zondige hart te overwinnen. Verlos me dan toch ook nu van deze mijn zonden. En geef heil, geef verzoening, geef zaligheid? De held wordt… een bedelaar.

b. Maar er is ook nog een tweede ding in vers 18. Het is een gebed, vanuit grote nood. Maar het is tegelijkertijd ook een lofzang. Simson zingt Gods lof: U hebt dit grote heil gegeven. We loven God, zolang we op de aarde zijn, pas echt vanuit de diepte van onze nood. Vanuit het contrast van mijn ik, tegenover U. Alleen een gebroken ik, kan de lof van de Heere bezingen: U hebt het gedaan, U hebt dit grote heil gegeven. Alleen een gebroken ik, kan de lof van de Heere bezingen. Alle andere lofzangen klinken vals.

Gemeente, als u een typering zoekt van bekering, van leven met God, dan is het dit wat hier gebeurt: de held wordt een bedelaar. Een bedelaar die buigt onder zijn schuld. Een bedelaar die roept in de nood: Och, Heere, och werd mijn ziel door U gered? Een bedelaar die pleit op Gods trouw, op de eer van Zijn Naam: als U me loslaat, o Heere, wat zult U dan doen met de eer van Uw grote Naam? (Joz. 7.9) Een bedelaar die niet loslaat om hand en oog op te heffen naar omhoog. Een bedelaar die wacht op antwoord. Nee, ik moet het anders zeggen: een bedelaar die wacht op God. Zoals de dichter van Psalm 42 zegt: mijn ziel dorst naar God, naar de levende God!

Zulke roepen, zulk bedelen zal nooit onbeantwoord blijven. De Heere belooft het immers: op uw noodgeschrei, doe Ik grote wonderen. Waarom? Om zo’n roepende bedelaar? Nee! Om de meerdere Simson, de Heere Jezus Christus. Die ook riep in grote nood, in grote dorst aan het kruis op Golgotha. Maar Hij moest klagen: Mijn God, ik roep des daags, maar U antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte (Ps. 22.3). Hoe zwaar was dat lijden. Doodsnood, maar geen antwoord...

Daarom, om Hem, gaat de hemel hier open voor Simson. Daarom, om Hem, gaat de hemel nu open, voor mensen als Simson. Van zichzelf trots en hoogmoedig, maar nu door Gods genade gebroken van hart. Daarom, om Hem, zingt de dichter van Psalm 116: Ik riep de Heere dus aan in al mijn nood: Och Heere, och, werd mijn ziel door u gered! Toen hoorde God. Hij is mijn liefde waardig. De Heere is groot, genadig en rechtvaardig, en onze God ontfermt zich op het gebed. Daarom, Om Hem, kan Jesaja profeteren: De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen, hun tong versmacht van dorst. Ik, de HEERE, zal hen verhoren, Ik, de God Israëls, zal hen niet verlaten. Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden der valleien. Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten en het dorre land tot watertochten. (…) Opdat zij zien en bekennen en overleggen en tegelijk verstaan, dat de hand des HEEREN zulks gedaan en dat de Heilige Israëls zulks geschapen heeft (Jes. 41.17-20).

Nu is er geen plaats meer voor het ‘ik’ van de held. Nu blijft er niets anders over dan het ‘U hebt het gedaan!’ van een arme bedelaar. Gemeente, zo wordt Gods lof vergroot. Zo zal Hij ons, kinderen van God, nimmer om laten komen in dure tijd en hongersnood. Zo zullen wij, net als Simson, door ’s vijands zwaard niet sterven, maar leven en de daden van de Heere vertellen. Als de Heere midden in onze nood Zelf een pad baant tot redding en behoud.

Kijk maar in vers 19: Toen kloofde God de holle plaats die in Lechi is, en er ging water uit van dezelve, en hij dronk. Toen kwam zijn geest weder en hij werd levendig. De Heere opent de rots, een uitholling in de rots, voor de dodelijk vermoeide en dorstige Simson. Er komt water uit, en hij drinkt. Het is een beeld dat terugwijst naar hoe Israël in het verleden op reis door de woestijn water dronk uit de gespleten steenrots (Ex. 17.6; Num. 28.8,11). En die rots, en deze rots, was en is beeld van Christus (1 Kor. 10.4): de Fontein des levens, de levende Fontein voor dorstige mensen die verlangen naar Hem. Die dorsten naar Zijn gerechtigheid en naar de vergeving van hun zonden door Zijn bloed.

Wanneer, gemeente, krijgt Christus waarde voor ons hart? Niet als we trots zijn op wie we zijn, of op de genade die we gekregen hebben. Niet als we bouwen op onze liefde, onze ijver, ons geloof, onze tranen, onze gebeden, of op ons vrijmoedige getuigenis. Maar als wij niets meer hebben. We dreigen van dorst om te komen. Al onze kracht verloren, alle hoop op onszelf kwijt.

Kom dan toch tot Christus! Les uw dorst dan toch met het levende water. Stel niet uit. Aarzel niet. U bent welkom! O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk (Jes. 55.1). Laat u omhelzen. Kus de Zoon. Er is leven, eeuwig leven in Christus Jezus. Wend u naar Hem toe en word behouden.

In de diepte van die vernedering van ons hart, geeft God Zelf ons te drinken van het water des levens uit de steenrots Christus. Daar ontvangen we op Gods tijd de verkoelende vertroosting van Zijn genade en van vergeving van onze zonden. Daar scheppen we met vreugde water uit de fonteinen des heils (Jes. 12.3).

Daar, waar wij roepen van dorst: ‘Ik heb gezondigd, ik heb altijd mezelf bedoeld, ik heb Uw eer geschonden, ik ben Uw gramschap dubbel waard. Wees mij genadig, o Heere!’ Juist daar in de diepte gaat ook klinken, op Gods tijd: ‘Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig.’ Juist daar in de diepte ervaren we: Hij geeft de moede kracht, en sterkte aan die die geen sterkte heeft (Jes. 40.29). Zo krijgt Christus waarde voor ons hart.

Zo krijgt Christus waarde, net als bij Simson, ook in onze ambtelijke dienst. Daar waar wij diep vernederd buigen. Ons totale onvermogen belijden, onze trots, onze hoogmoed, onze ik-gerichtheid, ons Adam-zijn, en onze altijd blijvende neiging om de Heere van Zijn eer te willen beroven en om te zeggen: ‘Ik heb het gedaan’, in plaats van: ‘U hebt het gedaan!’ Maar als de Heere ons dan in Zijn goedheid, wijsheid en liefde vernedert, als Hij ons een ogenblik laat voelen ons totale onvermogen tot Zijn dienst en lof, dan wil Hij ons (juist daar!) niet alleen in het leven behouden, maar ook behouden in de dienst van onze roeping en van ons ambt. Maar wel in het blijvende besef, dat dat alleen kan, als we blijvend bedelen bij de Bron, als we blijvend levend water drinken uit Hem, die gezegd heeft: Zonder Mij kunt u niets doen (Joh. 15.5).

Toen -vers 19b-, toen kwam zijn geest weder en hij werd levendig. Daarom noemde hij haar naam: De fontein des aanroepers; die in Lechi is tot op deze dag. Het was Ramath-Lechi, kaakbeenheuvel, plaats van mijn overwinning. Maar het wordt (en dat is wat er overblijft in het leven van al Gods kinderen en knechten), het wordt: fontein des aanroepers, roepersfontein. Plaats waar U, o Heere, uit enkel genade een fontein geopend hebt tegen de zonde en tegen de onreinheid (Zach. 13.1), een fontein van levend water voor een roepend mens. En zo blijft er uiteindelijk in ons leven maar één ding over: U, HEERE, alleen, U bent Overwinnaar in de strijd en geeft Uw volk de zegen (Ps. 3.4., ber.).

Hebt u zo’n plaats in uw leven, persoonlijk? En wij, broeders, ambtelijk? Een plaats waar u uw trotsheid moest inleven, waar u leerde buigen, waar u leerde roepen? En nadien was er water voor een roeper? Roepersfontein? Daar hoorde God?

Er is hoop en verwachting voor verbrokenen van hart. Roep mij aan, zegt de Heere, in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren (Ps. 50.15).

Amen.

Slotzang Psalm 42:1,7:

't Hijgend hert, der jacht ontkomen, Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frisse waterstromen, Dan mijn ziel verlangt naar God. Ja, mijn ziel dorst naar den HEER’; God des levens, ach, wanneer Zal ik naad'ren voor Uw ogen, In Uw huis Uw naam verhogen?

O mijn ziel, wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in 's Hoogsten lof uw lust; Menigwerf heeft Hij uw druk Doen verand'ren in geluk; Hoop op Hem, sla 't oog naar boven; Ik zal God, mijn God, nog loven