17 oktober 2021
Richteren 14:5: Alzo ging Simson met zijn vader en zijn moeder henen af naar Timnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Timnath, ziedaar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.
INLEIDING
Simson groeit op als nazireeër, gezegend en aangespoord door de Geest. Toch trekt hij zijn ouders mee naar de Filistijnse Timnath, waar hij verliefd wordt op een heidense vrouw en dat huwelijk eist, tegen Gods gebod in. Zijn ouders begrijpen niet dat God dit toch gebruikt om Zijn plan uit te voeren. Onderweg verscheurt Simson, gedreven door de Geest, plotseling een leeuw. Dat is zowel profetie van Christus als les: eigen kracht schiet tekort; alleen de Geest geeft overwinning over de zonde.
Simson wordt groot
RICHTEREN 14:3-9
3 Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broederen en onder al mijn volk, dat gij heengaat om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zeide tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen.
4 Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet dat dit van den HEERE was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten te dien tijde over Israël.
5 Alzo ging Simson met zijn vader en zijn moeder henen af naar Timnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Timnath, ziedaar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.
6 Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem vaneenscheurde gelijk men een bokje vaneenscheurt, en er was niets in zijn hand; doch hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen wat hij gedaan had.
7 En hij kwam af en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Simsons ogen.
8 En na sommige dagen kwam hij weder om haar te nemen; toen week hij af om het aas van den leeuw te bezien, en zie, een bijenzwerm was in het lichaam van den leeuw, met honing.
9 En hij nam dien in zijn handen en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijn vader en tot zijn moeder en gaf hun daarvan, en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij den honing uit het lichaam van den leeuw genomen had.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Richteren 14:5
THEMA
Simson wordt groot
Gemeente, op de kruispunten van de heilsgeschiedenis, zo zagen we vorige week, staan vrouwen, die eerst onvruchtbaar waren. Totdat God wonderen deed. Denk maar aan de Rebekka, aan de vrouw van Manóach, aan Hanna en aan Elisabeth. Het leek voor hen allemaal zo uitzichtloos. Maar God ging verandering geven.
Dat is een mooie, Bijbelse gedachte… Maar ondertussen is de pijn moeilijk in te leven van al die echtparen, die daarvan de tranen in hun ogen krijgen. Want ook zij(!) hebben gehoopt, gebeden en verwacht. Maar…, toch niet gekregen. Gods weg met hen ging anders. Uw verdriet wordt zo vaak door anderen niet begrepen. En ook ik voel, als mens (en velen met mij), als ik daaraan denk, mijn onvermogen om u te troosten. Want alles wat ik erover zeg, voelt zo gemakkelijk. Want God heeft ons wel kinderen gegeven. Ik kan u in bescheidenheid alleen maar iets nazeggen, vanuit de Bijbel. Wat ik ook niet begrijp! Gods wegen zijn heilig. Ze zijn groot, te groot voor ons om te begrijpen. De Heere is God, en wij begrijpen Hem niet (Job 36.26). En ik hoop en bid dat dat ‘niet begrijpen van God’ (van wat Hij doet en van waarom Hij het doet of niet doet) ons, ook u, zal laten buigen aan Zijn voeten. Met al die vragen en met al dat verdriet, om dat te geven in Zijn handen (Ps. 10.14).
In het huis van Manóach is blijdschap. We lezen in de Richteren 13:24Daarna baarde deze vrouw een zoon, en zij noemde zijn naam Simson; en dat knechtje werd groot, en de HEERE zegende het.: Daarna baarde deze vrouw een zoon en zij noemde zijn naam Simson; en dat knechtje werd groot, en de HEERE zegende het. Er is natuurlijke blijdschap, zoals er altijd blijdschap is, als er een gezond kind geboren wordt. Maar er is ook geestelijke blijdschap. Want God heeft gedaan wat Hij beloofd heeft. De belofte is vervuld.
De vrouw van Manóach, kersverse moeder, noemt het mannetje: Simson. Letterlijk betekent het: zonnekind. Want, jongens en meisjes, wat doet de zon? Die geeft licht, die maakt warm. Dus voel je al iets in zijn naam van wat deze verlosser zal gaan doen. Maar de zon is vooral sterker dan het donker van de nacht. De zon is, zo zongen we uit Psalm 19, als een held die overwint. Als de zon opkomt, is de nacht overwonnen. Simson is zonnekind, Simson is een held, hij is overwinnaar!
En dat knechtje (ik lees verder vanaf vers 24) werd groot, en de HEERE zegende het. En de Geest des HEEREN begon hem bijwijlen (geregeld) te drijven (aan te raken, aan te sporen) in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Estháol. In het leger van Dan; eigenlijk staat er: in Machane-Dan. Dat is het dorpje waar ze wonen.
Simson wordt groot. En als je als jongen groot wordt, dan komt er allerlei gevoel, allerlei kracht, allerlei emotie en drang in je. Maar bij hem is er iets bijzonders. Door de invloed van de Heilige Geest, Die hem aanspoort, loopt hij geregeld over van kracht. Als de Heilige Geest over profeten komt, dan moeten ze spreken, met hun mond. Maar als de Heilige Geest over Simson komt, dan moet hij iets doen, met zijn handen.
Dus, (even samengevat, voordat we verder gaan met hoofdstuk 14), wie is Simson ondertussen? Simson is een nazireeër Gods. Toegewijd aan de Heere. De zegen van de HEERE is over hem. En de Geest van de HEERE werkt in hem. En daarbij (en het is goed om dat gelijk maar te zeggen), later wordt Simson genoemd in de lijst van de geloofshelden in Hebreeën 11. Dus het leidt geen enkele twijfel: Simson heeft van jongs af aan de Heere gevreesd. Simson is een jongen, later is hij een man, met een nieuw hart.
Als Richteren 14 begint is hij ondertussen waarschijnlijk een jaar of 20. Een grote, sterke kerel. Het huis van pa en moe is te klein. Hij trekt erop uit. Zijn taak, zijn roeping dringt hem. De Heere Zelf (zo staat in vers 4) dringt hem. En dus gaat hij op weg. Naar de Filistijnen. Naar Timnath. Gedrongen door de Heilige Geest (zoals staat in vers 4), maar ook (ja, dat ook!), het is ook leuk, het is ook spannend om daar eens rond te kijken. Timnath was bezet gebied. Het was eigenlijk van Israël, maar de Filistijnen hadden het ingenomen. Het was misschien een uurtje lopen, van thuis in de richting van de Middellandse Zee.
Het voelt wat ongemakkelijk, vindt u ook niet? Je zou denken (even verplaatst naar deze tijd), zo’n jongeman die gaat naar de Bijbelkring of naar een Bijbelstudieavond, die gaat evangeliseren. Zo’n jongeman loopt in het spoor van zijn roeping. Die gaat niet naar de Filistijnen. Maar toch wel… Roeping en zonde komen ineens wel heel dicht bij elkaar…
Herkenbaar? Twintigers? Hoe staat het met jullie leven, met jullie plannen? Gedoopte nazireeërs? Geroepen om heel je leven aan God toe te wijden? Waar ben jij mee bezig? Waar ga jij heen? Loop je nog wel in het spoor van je roeping? Of zoek je tegelijkertijd ook de zonde op?
Simson gaat naar Thimnath. Hij neust er wat rond, en… ‘Zo, dat is een knap meisje!’ Het is liefde op het eerste gezicht. Haar ogen raken de zijne. Zijn hart slaat ervan op hol: ‘Dit is ze!’
Vers 1 zegt: Simson, gezien hebbend. Hij laat zich leiden door zijn ogen, hij laat zich leiden door zijn verbeelding. Deze knappe, jonge vrouw, moet zijn vrouw worden. En vastbesloten gaat hij terug naar huis.
‘Pa, ik heb een meisje gezien! Geweldig! Zij gaat het worden.’ ‘Maar…, eh…, ja, het is wel een Filistijnse…’ Het valt even stil… ‘Maar jongen (vers 3), Simson, moet het echt iemand van onze vijanden zijn? Een Filistijnse? Van die (en u voelt de afkeer in deze woorden), van die onbesneden Filistijnen? Is er geen vrouw onder ons? Van ons soort mensen, van de Israëlieten, van het verbondsvolk? Een refomeisje?’ ‘Jongen, dit is uitdrukkelijk tegen Gods gebod.’ Er staat in de wet van Mozes: Als je trouwt met een ongelovige, dan haal je de toorn van de HEERE over je (Deut. 7.3-4). En later zegt Paulus in 2 Korinthe 6 hetzelfde: Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen (2 Kor. 6.14). Trouw niet, Simson, twintigers, met een ongelovige. Want? Heel simpel: Je hart is niet zo sterk, als dat je denkt.
Dit moet voor Manóach en zijn vrouw wel heel moeilijk, wel heel ingewikkeld zijn geweest. En laten we maar eerlijk zijn: Het valt ons ook tegen, van dit zonnekind. Simson, beloftekind, nazireeër, aanstaande verlosser, van hem hadden we dit echt niet verwacht!
Zoals het ook nu in deze tijd soms zo kan tegenvallen bij ouders. Misschien hebt u uw kind ook wel als door een wonder van de Heere gekregen. En nu jaren later, wat blijkt? Dat het een kind van Adam is, net als ik, net als uzelf. En dat is pijnlijk, dat doet verdriet. Maar het stemt -als het goed is- ook mild, als je eraan denkt: Was ik niet zo geweest, dan hij of zij ook niet. We zijn met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren, kinderen van Adam.
Ondertussen vraag je je wel af (en dat blijft hierna ook zo): Simson, hoe zit je nu precies in elkaar? Laat ik vier dingen noemen: a. Hij is een mens met een roeping. En dus zoekt hij contact met de Filistijnen. Dat is niet alleen zijn zondige aard, maar ook zijn Goddelijke roeping. b. Hij is ook een zondig mens. Hij laat roeping en zondig verlangen wel heel erg dicht bij elkaar komen.
c. En tegelijkertijd is hij ook een eenzaam mens. Een eenzame strijder, een eenzame worstelaar, zonder hulp van anderen. Want…? Jazeker, hij heeft biddende ouders, maar verder lijkt iedereen alleen maar bezig te zijn met zichzelf. Hij mist steun. Er is niemand om hem heen, die hem de weg wijst in alle geestelijke gevaren. En dus is hij meer dan wie dan ook, blootgesteld aan de verleidingen van zijn tijd. Want innerlijk is deze jonge christenman nog zwak en kwetsbaar. Hij is sterk, maar hij kent de kracht van de zonde nog niet. Hij is sterk, maar hij kent de kracht van de begeerte van zijn ogen nog niet. Maar gelukkig (maar dat zegt niets over hem, alleen over zijn God), gelukkig, God laat hem niet los.
Je kan er niet omheen, om hier ook te denken aan onze tieners en twintigers. In het bijzonder aan jonge mannen en jonge vrouwen die de Heere vrezen. Jonge mensen, met een roeping. Om met hun gedoopte voorhoofd te leven tot eer van God. En tegelijkertijd, net als Simson, jonge mensen met een zondig hart. Hun pril geloof, nog zo onbekend met de kracht van de zonde en de zwakheid van hun ogen. Zwak en kwetsbaar. Maar, net als hij, vaak ook zo eenzaam vechtend, zonder hulp van anderen. Zonder steun, zonder mensen die hen de weg wijzen in een doolhof vol van zonde en gevaar. Midden in een Filistijnse omgeving, waar overal gevaar dreigt. Het gevaar van egoïsme, van: alles draait om jezelf. Het gevaar van materialisme, van: alles draait om geld, om spullen, om geluk, om het beleven van plezier. Het gevaar van: alles draait om vooruitgang, om iets te bereiken. Het gevaar van on-Bijbelse seksuele relaties, virtuele seks en porno. Kortom: het gevaar van meedoen met de Filistijnen!
Ja, dan kan je denken: ‘Wat gaat het tegenwoordig toch allemaal gemakkelijk. En wat zijn onze jonge mensen toch een lichtzinnige typetjes…’ Maar, ouderen, waar is onze steun? Waar is onze hulp aan hen, in deze wereld vol verleidingen? Wij zijn het, die hen de weg moeten wijzen, in het doolhof van deze moderne wereld. In open gesprekken, over het gevaar van de zonde en de zwakte van ons zondige vlees. Gesteund door verborgen gebeden.
Ik roep jullie trouwens ook op, jongelui, twintigers, om iets van dat eenzame gevecht met anderen te delen. Op de vereniging, op de catechisatie, of met mensen die je vertrouwt. Maar ik wil je vooral ook waarschuwen, jonge christenen, jonge mannen en vrouwen. Denk niet al te gemakkelijk over het gevaar van de zonde. Overschat je eigen kracht niet. Het leven met God is geen leven dat (door ons!) blinkt van heiligheid. Het wordt (we zouden het zo graag anders zien, maar), het wordt een leven van struikelen en vallen. Maar gelukkig, onze God raapte en raapt ons steeds weer op.
Je lijkt misschien wel sterk. Maar Simson was zonder twijfel sterker. Hij was immers nazireeër. De zegen van de Heere was op hem en de Geest van de Heere spoorde hem aan. Maar zelfs hij is niet opgewassen… Ja, wel tegen 1000 man van de Filistijnen, maar niet tegen de verleidelijke ogen van één Filistijnse vrouw.
Maar gelukkig, God laat hem niet los. Bij alles wat mis ging, bleef zijn lange haardos voor zijn ouders teken van Gods belofte. Bij alles wat bij jou mis ging en mis gaat, blijft je gedoopte voorhoofd teken van Gods trouw. Waar je je aan vast mag klampen. Waar je biddend naar mag wijzen. Geen zonde, geen misstap (wat het ook is!), kan dat teken van Gods trouw ooit wegvegen. Laten we daarvan gaan zingen, van de trouw van Gods beloften en verbond, uit Psalm 105:5Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds.: God zal Zijn waarheid nimmer krenken, Maar eeuwig Zijn verbond gedenken. Zijn woord wordt altoos trouw volbracht, Tot in het duizendste geslacht. 't Verbond met Abraham, Zijn vrind, Bevestigt Hij van kind tot kind.
‘Pa, stoppen!’ Vers 3: ‘Neem mij die, want ze is bevallig in mijn ogen.’ Hij is op de wereld gezet om God te dienen en afgezonderd te leven. Maar wat doet hij nu? Hij gaat zijn ogen, zijn verbeelding achterna en gaat in zee met een heidense vrouw. ‘Pa, neem ze voor mij!’ Einde discussie.
En dan volgt een heel opvallend vers, waarin iets staat wat heel kenmerkend is voor dit hele hoofdstuk. Laten we het lezen, vers 4: Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet dat dit van den HEERE was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten te dien tijde over Israël.
Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet dat dit van de HEERE was. Bij alles wat zichtbaar is, is er iets onzichtbaars, iets wat verborgen is. Dit huwelijk is niet goed. Dit mag niet. Maar God gaat dit huwelijk, deze zonde en deze zondaar, wel gebruiken om Zijn werk te doen, om Israël te verlossen. Alles lijkt fout te gaan, maar tegelijkertijd is God in het verborgen aan het werk. Want: Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet dat dit van den HEERE was, namelijk: dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen.
Het ligt dicht bij elkaar: roeping en zondig verlangen. Maar toch is dat eerste er wel. Simson zoekt gelegenheid om de Filistijnen te raken.
Dat is zijn roeping. En tegelijkertijd is er ook zonde. Dit moet iedereen die werkt in Gods Koninkrijk, dit moet al Gods kinderen wel bescheiden maken. We volgen de weg van onze roeping. Maar we zijn geen heiligen. We zijn en blijven zondaars.
Simsons plannen zijn niet zonder zonde. Hij gaat in zekere zin zijn eigen weg. Maar in het verborgen is God bezig met het uitvoeren van Zijn plannen. En zoekt God Zelf (Hij, met een hoofdletter geschreven) gelegenheid om de Filistijnen te treffen.
Maar zijn ouders weten dat niet… Weet Simson het wel? Ja, wel dat hij een Goddelijke roeping heeft om de Filistijnen te verslaan. Maar niet en niet genoeg, dat hij (zoals Paulus zegt): verkocht is onder de zonde (Rom. 7.14).
Hij realiseert zich niet of onvoldoende, dat hij twee soorten van bloed in zijn aders heeft. Hij is kind van de belofte, een man met een nieuw leven, een nazireeër Gods, en de Geest van de Heere werkt in Hem. Maar hij heeft ook nog steeds zijn oude hart. Hij is ook kind van Adam, zondaar. En het gevaar daarvan, slaat ongemerkt toe. Op een manier waarop dat ook in deze tijd gebeurt.
Je voelt al lezend, gaandeweg de spanning oplopen tussen de twee kanten van zijn leven. Tussen nazireeër zijn, tussen kind van het verbond zijn aan de ene kant, en kind van zijn tijd zijn aan de andere kant. Kind van zijn tijd, waarin zoveel mannen aan de haal gaan met een Filistijnse vrouw. Alsof dat eerste, nazireeër zijn, kind van het verbond zijn, (en nu vertaal ik het naar deze tijd), iets is voor de zondag. En dat tweede iets voor gezellig doordeweeks. Zondags in de kerk, doordeweeks gezellig bij de Filistijnen… Alsof het dienen van de Heere een pak is, dat je aantrekt op zondag, en dat je maandag weer uittrekt. Maar, nazireeër zijn, aan God toegewijd zijn, kind van het verbond zijn, dat zit toch niet aan de buitenkant, in je nette pak of in je mooie hoed, in één of twee keer hier zitten en braaf luisteren, en… daarna kan alles weer? Dat is toch een zaak van heel je hart en van heel de week?
Nee, dat zeg ik niet in de eerste plaats tegen onze jongeren, tegen onze tieners en twintigers. Maar tegen mezelf, tegen ons als kerkenraad, tegen ons als ouders. Want onze kinderen zien het hoe wij leven. Brandt ons hart echt van liefde tot de Heere? Altijd en overal? Of ligt onze godsdienst doordeweeks gewoon in de kast?
‘Pa, stoppen.’ ‘Neem mij die (vers 3), want ze is bevallig in mijn ogen.’
Simson eist het van zijn ouders. Ja, je kan die man, die zo met zijn roeping en met Gods gebod omgaat, afschrijven. Maar laten we dat maar niet doen.
Want, even terug naar die Simson. Want, hoe zit het nu eigenlijk bij hem? Het wringt, het botst: geroepen tot de dienst van de Heere en tegelijkertijd aangetrokken door het leven van de Filistijnen. Het botst niet alleen naar de buitenkant, maar het botst vooral van binnen, in zijn hart. Er is in hem (zoals Paulus dat noemt) vlees, zondig vlees, en: geest, het werk van de Heere (Rom. 8). En daarom zal hij ook niet verder komen, dan (zoals de Engel zei, bij de aankondiging van zijn geboorte), dan beginnen met verlossen (Richt. 13.5). Want dit schiet aan alle kanten tekort. Hij begint al direct met een mislukking. Zijn ambt als verlosser is direct al gekleurd en besmeurd met zonde.
Gelukkig, tegenover deze zwakke en zondige nazireeër (die direct zijn ambt onteert door een heidense vrouw te nemen) staat Christus, de grote Nazireeër, van eeuwigheid afgezonderd tot dienst van Zijn Vader. Zijn ogen waren altijd gericht op Zijn hemelse Vader. Zijn hart brandde altijd alleen maar van liefde en ijver voor Hem. Hij was altijd en alleen maar bezig in de dienst van Zijn Vader. Daarom droeg Hij, en kon Hij ook dragen: de schuld en de zonden van de Zijnen. Hij droeg ze, tot aan de dood van het kruis op Golgotha. Waaraan ook de zonden van Zijn kinderen gekruisigd moeten worden, zodat we met Hem opstaan tot een nieuw leven. Niet in onze kracht, maar alleen in de kracht van Hem, in de kracht van de Heere Jezus Christus.
Want dat is ook de les, dat is ook de waarschuwing van deze geschiedenis: denk niet, zelfs niet als kind van God, dat je kracht hebt in jezelf. De Geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak (Mat. 26.41). Dit moet ons waakzaam maken en nuchter in de gebeden. Ons hart is in eigen kracht niet opgewassen tegen de kracht van de zonde en tegen de duivel die rondgaat als een briesende leeuw (1 Pet. 5.8).
Gelukkig dat God Simson niet loslaat. Dat blijkt ook, als ze met zijn drieën op pad gaan naar Timnath om de bruiloft te regelen. Manóach, zijn vrouw (ze lopen er maar wat stilletjes bij) en Simson. Ze kennen de weg. Het is misschien een uurtje lopen. Even neemt Simson een ander pad. Je wil tenslotte als je zo oud bent ook niet steeds aan de hand van papa en mama lopen. Even is hij alleen…. Als hem plotseling een jonge leeuw brullend tegemoetkomt (vers 5). Ineens! Gebrul! Een leeuw! Dit wordt zijn einde. Hij kijkt dood in ogen.
Maar dan lezen we in vers 6: Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem vaneenscheurde gelijk men een bokje vaneenscheurt. Hij pakt die leeuw beet met zijn handen en verscheurt hem. Als was het een klein bokje. Van zichzelf was hij krachteloos, ten dode opgeschreven. Maar als de Geest van de HEERE over hem komt, dan overwint hij een leeuw!
Even later voegt hij zich weer bij zijn vader en moeder. Maar hij zegt er niets van. Hij houdt het stil. Dit moet Simson diep in zijn hart getroffen hebben. Hij zag de dood voor ogen. Het was ook een indringende herinnering aan zijn taak, aan zijn ambt, aan zijn opdracht. ‘Simson, je bent op weg naar die mooie vrouw, maar Mijn doel met je leven is: door Mijn kracht de vijand verslaan!’ Het was ook een voelbare belofte: ‘Simson, als je in staat bent om een leeuw te doden, zal je straks ongetwijfeld ook de Filistijnen kunnen verslaan!’ En tegelijkertijd was het ook een herinnering aan zijn eigen zwakte: dit kan alleen als de Geest van de HEERE vaardig over hem wordt. Het is ook maar een moment dat hij die kracht heeft. Even later voegt hij zich, zonder iets van het gebeurde te zeggen, bij zijn ouders.
De les is toch vooral: we hebben van onszelf geen kracht tegen de vijand, tegen de zonde, tegen de verleiding van de zonde, tegen de wereld en de duivel; alleen als de Heere ons die geeft. En dus is er ook geen reden om te koop te lopen met onze prestaties. Laten we vooral denken aan en praten over wat de Heere doet en gedaan heeft.
Tot slot, wat hier gebeurt, is (twee dingen): a. Dit is in de eerste plaats: profetie. De Heere Jezus Christus, de komende Verlosser, eenzame Strijder, dapper Held, de Leeuw uit de stam van Juda, Hij zal straks de kop van de slang vermorzelen, de duivelse leeuw verscheuren. Ondersteund door de kracht van God Zelf zal Hij straks op Golgotha in een gevecht van leven op dood de overwinning zeker behalen. b. Dit is in de tweede plaats ook beeld van de ervaring van Gods kinderen. Er kunnen perioden in ons leven zijn waarin er brullend een leeuw op ons afkomt. Perioden waarin de machtige klauwen van de zonde ons dreigen te overwinnen. Opkomend uit het niets! Ineens, sta je oog in oog met een leeuw! Met de leeuw van de zonde, die wij nooit kunnen overwinnen in eigen kracht. We redden het alleen, of beter gezegd: we worden alleen gered door de kracht van de Heilige Geest Dus helpt het niet om in de weg van heiligmaking te zeggen: Wat moet ik nu doen? Voordat je de vraag alleen al gesteld hebt, ben je opgegeten door de leeuw van de zonde. In de weg van de heiligmaking leren we enkel vragen: Heere, help! Want in mij is geen kracht! Behoed ons, wij vergaan!
Tieners, twintigers, kinderen van God, geliefde medechristenen, we zijn net als Simson geroepen om te strijden tegen de zonde en de verleiding ervan.
Maar in eigen kracht gaat dat niet lukken. De dichter van Psalm 33 zegt: Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote kracht (33.17). Maar, zo schrijft Johannes: Dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof (1 Joh. 5.4). Het geloof, dat kracht put uit de Leeuw van de stam van Juda, uit de Heere Jezus Christus.
Ben je als jonge christen, tiener, twintiger, een eenzame, moedeloze strijder? Ik zeg je: we voeren als kinderen van God allemaal een strijd. Waar het ons aan kracht ontbreekt.
Daarom, jonge christenen: a. Word niet moedeloos. b. Zoek je kracht in God. Jesaja zegt: Die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen (40.31).
En denk aan de woorden van de apostel Petrus: c. Wees nuchter, dat wil zeggen: houd je emoties en verlangens in toom. Denkend aan Job, die schrijft: Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen, om niet op een verkeerde manier te kijken naar een jonge vrouw (31.1). d. Wees nuchter en waakt, want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden. e. En vergeet ook niet om hulp van ouderen en meer ervaren christenen in te roepen. Van een vader of moeder in Israël, om je hierin de Bijbelse weg te wijzen. f. Maar vergeet ook vooral niet, wat Johannes schrijft 1 Johannes 2:1-2Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige; En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.: Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt; En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige (de Leeuw uit de stam van Juda) en Hij is een Verzoening voor onze zonden.
Amen.
Slotzang Psalm 147:3:
Zeer groot is onze HEERE, vol krachten; Onpeilbaar diep zijn Gods gedachten, Daar Zijn verstand, nooit af te meten, Ver overtreft al wat wij weten. Zachtmoedigen wil Hij bewaren, Hij houdt ze staand' in hun gevaren; Maar goddelozen doet Hij bukken, Bezwijken onder d' ongelukken.
Andere preken over Richteren
Andere preken voor Simson